Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Hoekstenen

Een zomerse vrijdag in 2004. Stralende zon, wat witte wolkjes en een aangenaam briesje dat ik al fietsend doorklief. Vanaf nu zou niets nog hetzelfde zijn en ik besefte het. Zomaar ineens. Op dat ogenschijnlijk onbelangrijke, alledaagse moment dat plotsklaps een mijlpaal in mijn bestaan werd. Ik realiseerde me dat het eerste deel van mijn leven hier en nu werd afgesloten, op mijn tweeëndertigste. Dit was niet zomaar een fietstochtje, nee, dit was de allerlaatste fase van mijn wegvliegen uit het ouderlijke nest: mijn fiets die ik al pedalerend van Lommel naar Heusden-Zolder verhuisde. Een wegvliegen, een uitvliegen, doch zeker geen uitvlucht. Ik had het thuis altijd prima naar mijn zin gehad en dat was eigenlijk nog steeds zo, maar Sabrina al te vaak missen werd op den duur zo zwaar dat ik geen keuze meer leek te hebben. Naast die drang om bij haar te zijn was er eveneens het besef dat je elkaar het beste leert kennen door effectief samen te gaan wonen in plaats van alleen de weekends samen door te brengen in het teken van ‘leuke dingen doen’.

Het overviel me toen ik het bord van Leopoldsburg passeerde en Lommel achter me liet. Op mijn gemakje rondrijdend in de zon, echter niet onbezonnen. Ik kreeg het aangename gevoel dat ik mijn toekomst tegemoet fietste. Een vooruitzicht dat nu en op dit eigenste ogenblik uiterst zonnig leek en ik was er zeker van dat dat ook grosso modo zo zou blijven, al was ik realistisch genoeg om te beseffen dat er achter gouden bergen van geluk ook diepe dalen konden en zouden liggen. Voor het eerst in mijn leven was er een ‘we zien wel’. Een uitdrukking die toentertijd nagelnieuw was en die ik vanaf dan vaker en vaker in mijn hoofd zou hameren. ‘We zien wel’. Hoewel alles pijlsnel leek te gaan, was er geen greintje twijfel. Nochtans ben ik absoluut geen fan van veranderingen. Zeker niet als ze ingrijpend zijn.

Sabrina huurde destijds een hoekappartement. Het gebouw was in feite een groot uitgevallen huis, opgedeeld in drie wooneenheden. Het hare, wat al heel snel het onze werd (niet omdat we het kochten, maar vanwege het saamhorigheidsgevoel), had een aantal specifieke voordelen. Zo bevond het zich op de bovenverdieping en op de hoek van de straat. Bovendien had het een flink aantal (grote) vensters en een ruim buitenterras. Ik vond het hemels. Nadeel was het piepkleine, afstotelijke keukentje. Het was zo lelijk dat je al afwassend met plezier naar buiten keek door het keukenraampje. Heel veel luxe was er niet en dus ook geen vaatwasser. Was dat erg? Niet voor mij, want ik vond samen afwassen best gezellig, omdat het fijne babbelmomentjes uitlokte. Zo nu en dan onderbrak ik die nochtans vrij bruusk. Bijvoorbeeld in noodgevallen, als de postbode iets in de brievenbus stak en zeker wanneer er een interessant mokkel door de straat kwam gejogd. Dan droogde ik vliegensvlug mijn handen af en rende naar de woonkamer, zodat ik haar ook uitvoerig zijdelings en langs achter kon bekijken. Bij mooi weer spurtte ik zelfs via de gang en de wasplaats naar het buitenterras. Dat terras had iets magisch. Het bevond zich tussen twee buitenmuren en het had een stenen, nogal klassieke balustrade. Klein was het zeker niet, maar om een of andere duistere reden merkten voorbijgangers het bijna nooit op, zeker niet als ik me bukte. Je raadt het al: het was mijn favoriete plekje. Mijn persoonlijke uitkijktoren vanwaar ik mijn medemens ongestoord kon observeren, een talent dat ik er moeiteloos verder kon ontwikkelen en verfijnen. Begluren klinkt zo seksueel beladen en afluisteren zo geniepig en heimelijk. Kon me niet schelen! Ik deed het! Mensen zijn immers het vermakelijkst en het sappigst als ze zich onbelemmerd en onbekeken voelen. Als ik het aantal boertjes en scheetjes dat ik vanop mijn ligstoel-uitkijkstoel waarnam met een krijtje op onze buitenmuur had moeten turven, had hij eruitgezien als de muur van de gevangeniscel van een norse bajesklant die al veertig jaar vastzat en dagelijks uit verveling een streepje trok na een sigaretje of na een middagwandeling. Wat werd er trouwens gewandeld en gefietst daar! In onze straat bedoel ik dan. Die liep trouwens een behoorlijk stukje bergop en ons appartement bevond zich op het hoogste punt. Maar al te vaak hoorde ik overigens collectief gekreun en gehijg waarbij ik waarachtig dacht dat er wel degelijk hoogtepunten bereikt werden, maar uiteindelijk bleek het dan jammer genoeg toch meestal om het gevolg van een sportieve inspanning te gaan. Enfin, Sabrina en ik wisten al snel welk vlees we in de kuip hadden. Zij een vrouwengek slash nieuwsgierigaard met een gigantisch gluurgehalte en ik een vrouw die dat gedoogde en dikwijls zelfs grappig vond, zeker als ik tijdens een van mijn binnenhuisspurten uitschoof op het schapenvel dat voor de televisie lag of mijn teen bezeerde aan de poot van het salontafeltje. Door mijn tranen heen (ik ben aan de kleinzerige kant) grinnikte ik dan mee. Om jezelf kunnen lachen duidt op relativeringsvermogen en zelfacceptatie. Samen lachen, ook en vooral om elkaars kleine kantjes, typeert een goede relatie. Als ik giechelde omdat Sabrina zich weleens versprak en het dan bijvoorbeeld over een ‘kwark’ mayonaise had in plaats van een ‘kwak’, kreeg ik doorgaans wel een flinke corrigerende tik. Dat wende snel.

Toch waren er ook aanpassingsproblemen. Niet zozeer aan Sabrina, wel aan de omgeving. Doordat ik succesvol ‘grootgetrokken’ ben in en warm nest, in een buurt waar iedereen familie was of familie leek en er min of meer samen geleefd, gevierd, gelachen, getreurd en geweend werd, kwam mijn nieuwe leefwereld heel kil en onpersoonlijk over. We woonden natuurlijk ‘in de lucht’, al was het maar een verdieping, het scheelt. Zeker in toevallige, triviale contacten met buren. Elkaar kennen was kennen ‘van ziens’, af en toe een knikje met het hoofd, op goede dagen een glimlachje.

Onvergetelijk was alleen de overbuurvrouw. Toen ik haar voor de eerste keer zag, schrok ik me rotter dan de allerlaatst overgebleven banaan uit een verwaarloosde fruitschaal van een ziekenhuispatiënt die hooguit twee keer bezoek kreeg en zwaar allergisch was voor vitamine C. Ze had drie benen! Drie! Bij nader inzien bleek dat ze even op haar keerborstel leunde, hetgeen erg uitzonderlijk was, aangezien ze constant in beweging leek. Alsof ze vloog. Zesenzeventig, zei ik op een keer tegen mezelf, toen ik haar leeftijd schatte. Ze onderhield haar tuintje als een bezetene. Ik noemde haar meteen en instinctmatig ‘de Langpootmug’. Haar twee (!) benen leken wel eindeloze soepstengels, nee, zoutstokken, extra lange. In vergelijking met haar was Tante Sidonia een dikkerd. Ze droeg trouwens altijd een wit of roze hemd met een of andere godsdienstig ogende broche en een zwarte rok. Achter haar hoofd zat een dikke, zwartgrijze knobbel. Een knop, een bol opgestoken kapsel. Ik weet dat Urbanus zulks een ‘matotteke’ noemde en dat deed ik dan ook maar, omdat een ‘dotje’ te lieflijk zou klinken bij haar graatmagere, strenge uiterlijk. Een fascinerend individu. Ik observeerde haar regelmatig, doch op een lach heb ik haar nooit kunnen betrappen. Niet dat ik ooit een woord met haar heb gewisseld. Toch was ik op een vreemde manier aan haar gehecht. Op een keer betrapte ze me toen ik vanop ons terras met open mond en ongecontroleerde tong twee schaars geklede jongedames inspecteerde. Gedurende enkele zweterige seconden, die aanvoelden als een half uur, keek ze me strak en berispend aan. Zij mij! Terwijl ik onzichtbaar was op ons terras. Haar mond leek van hieruit ontiegelijk klein, maar volgens mij had de Langpootmug wel de gretigheid om hem te gebruiken om overal rond te bazuinen, om iedereen aan te steken met de gedachte van wat voor een akelig, vies mannetje ik wel niet was. Wel of niet? Zelf vond ik van niet. Ik voelde me vooral een viriele vent. Een bewonderaar van vrouwelijk en ander schoon, zowel esthetisch als inhoudelijk. Genieten deed ik evenzeer van het afluisteren van toevallige conversaties tussen twee oudere mannen die het weer becommentarieerden of discussieerden over de voetbalwedstrijd van gisterenavond.

Zo nu en dan vraag ik me af wat er van de Langpootmug geworden is. Soms, als ik in de buurt ben, maak ik speciaal een omweg. Niet zozeer om ons eigen plekje van weleer te aanschouwen, maar om te kijken of haar voortuintje er nog even onberispelijk bijligt. Gelukkig is dat zo. Ik hoop dat ze nog leeft, desnoods in vrede rust, al leeft ze verder in mijn gedachten. Een schrale troost wellicht.

Levensfase twee was toevallig ook leven met z’n twee en dat duurde amper duizend dagen, al klinkt dat duizendmaal dramatischer en drastischer dan het was. In ons knusse hoekje maakten we losse plannen, zwaar rekening houdend met de, vooral voor mij, moeilijke onvoorspelbaarheid van het leven. Na minder dan twee jaar trouwden we en een tijdje later verwekten we onze eerstgeboren zoon. Sabrina kreeg een bolle buik en ik het buikgevoel dat we hem ‘Anders’ zouden moeten dopen. Om mij eraan te herinneren dat hij zeker niet hoefde te worden zoals ik. Dat hij altijd, in elke omstandigheid, zichzelf mag zijn. Met eigen ideeën, met eigen verlangens, met eigen dromen. Vol vrijheid. Uiteindelijk werd het Wout, maar in mijn voornemens van destijds geloof ik nog steeds vurig. Wout kwam ter wereld in het ziekenhuis van Heusden-Zolder. Intussen waren we net verhuisd naar Ham. Met mooie herinneringen aan onze beginperiode, letterlijk en figuurlijk de hoeksteen van onze relatie, maar hunkerend naar wat komen zou. Het leven als gezin. Fase drie. Het leven werd mooier en mooier. Almaar betekenisvoller. Ik hou van het leven. Duizendmaal dank aan hen die het mij schonken: mijn ouders, twee onvergetelijke hoekstenen van mijn geluk. Van ons geluk.

 

© Danny Vandenberk op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.