Korte verhalen

Korte verhalen op Schrijverspunt

Het korte verhaal leent zich voor het type analyse waaraan literaire romans worden onderworpen, voor wat betreft bijvoorbeeld de verteltechniek. Een kort verhaal verschilt van de anekdote doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard. Poe vond dat een kort verhaal in een half uur tot twee uur, maar in elk geval in één keer moest kunnen worden uitgelezen en gericht moest zijn op het bereiken van een enkel effect.

De waarschijnlijk meest uitdagende vorm van een kort verhaal is het flitsverhaal. Een flitsverhaal is een compleet verhaal in het kleinst mogelijk aantal woorden. Het moet een begin, midden en einde hebben en bij voorkeur een draai of verrassing aan het einde. "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef."

Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen.

Jouw zelf geschreven korte verhaal  of flitsverhaal is hier ook welkom. Graag eerst even inloggen.Een kort verhaal bij Schrijverspunt mag uit maximaal 500 woorden bestaan.

Waardeer je een kort verhaal? Breng dan s.v.p. een stem uit van 1-5 (5 is de hoogste waardering)

Het Weerzien van Ouwe Rupsen

Langzaam liep ik door de winkelstraat, zorgvuldig mijn wandelstok plaatsend op de oneffen, wat schuin naar de straat aflopende stoep. Statistisch gezien kon ik nog wel een jaar of twintig mee, maar het zware zeemansleven was onderschat; het had vooral de knieën geen goed gedaan. Altijd trappetje op, trappetje af, laddertje op, laddertje af, op een slingerend en stampend schip soms, waarbij je gewicht steeds weer wordt verplaatst. Nee, zeeziekte was wel aan mij voorbijgegaan, en ik genoot soms van het wilde water buiten het schip en de bulderende storm die het buiswater wild omhoog deed opvliegen, die het schip over de golven deed buitelen. De slingerruit in het verstevigde, dikke raam van de brug deed goed werk en gaf het beste zicht over het water recht vooruit. De ruitenwissers maakten hun karakteristieke zwiepgeluid maar konden het opgezweepte zeewater niet wegvegen, want het werd onmiddellijk vervangen door nieuw buiswater; het zoute water gutste van de ramen. Maar de stuurman zat bijna vastgeplakt tegen het raam om door de slingerruit uit te kijken naar andere schepen of obstakels. Dat was zijn werk, dus was het niet vaak dat ik daar doorheen mocht kijken. De kleine slingerruit draaide met flinke snelheid rond, zodat het buiswater dat er op kwam er direct weer afgeslingerd werd; als een centrifuge voor je was thuis. Het beste uitzicht had ik zelf naar achteren over het achterdek, vanuit de winchkamer, want daar zaten helemaal geen ramen in en het buiswater vanaf de boeg vloog recht over je heen, dus zeker tien meter hoog! Bergen, bergen water achteruit, waar je tegenaan keek, geen horizon meer te zien. Water, dat vanuit de zij over het potdeksel met geweld op het achterdek donderde, grote golven zeewater spatte daar uiteen en spoelde vervolgens door de spuigaten in de zij overboord, tenminste, zolang het schip niet naar het ander boord slingerde, want even later spoelde de watermassa over dek naar de andere kant en uit de spuigaten, alles wat los lag overboord meesleurend. Er zou een witte laag zout gaan achterblijven, als het later zou opklaren, waar de bootsman weer een kluif aan had om schoon te maken met het weinige drinkwater dat hij daarvoor mocht gebruiken, want we hadden maar een beperkte hoeveelheid aan boord en goed water is van levensbelang, zei de kapitein altijd. Een immens gezicht, dat bulderende water over dek, waarnaar ik uren kon kijken. En dat had ik ook gedaan!

Zo mijmerde ik terwijl ik op mijn gemakje langs de winkeltjes strompelde, onverschillig voor de rest van de wereld om me heen. Wat een verschil met mijn vroegere buitengaatse leven, dacht ik nog, het zeemansleven dat ik net wat verbitterd enkele maanden geleden achter me had gelaten omdat mijn knieën het hadden opgegeven, toen ik vanaf het terras opeens “Hé, ouwe rups!” hoorde brullen. “Ouwe rups” was aan boord de benaming voor een oudere persoon die aan zijn pensioen zat te denken of al had – en ouwe rupsen deden het rustiger aan.

Ongemerkt was ik bij het terrasje van het café-restaurant op de hoek van de winkelstraat gekomen, waar ik de laatste jaren wel eens meer ging zitten voor een kop koffie met slagroomgebak, zoals nu ook weer het plan was geweest, meestal gevolgd door een heerlijk frisse grote bier van de tap, perfect op temperatuur, altijd mijn favoriet geweest, onafhankelijk van de tijd van de dag, wel of het regende of niet, want het terras was niet overdekt.
Ik keek opzij en zag een andere, bebaarde ouwe rups met een wandelstok voor zich op het terras zitten die me met glunderende oogjes zat aan te staren. Tussen dat gezichtshaar kwamen die oogjes me niet direct bekend voor, maar dan kwam plotseling de herkenning in één keer het geheugen binnenvallen: “Jezus! Gerrit! Ben jíj dat?”
“Ja, man! Kom hier, knul! We gaan hierop drinken! Donders! Dat ik jou hier zomaar tref!”

Ik liep naar hem toe met uitgestoken hand, maar hij stond op en omhelsde me helemaal. Dat was ik niet van mijn oude maat Gerrit gewend. Ik worstelde lichtjes om uit zijn omklemming te komen, hield hem bij zijn stevige brede schouders vast en keek hem van een afstandje eens goed aan.

De attente ober kwam gelijk langs en ik nam ook maar een koffie al lag die grote kouwe klets voorop in mijn gedachte en op mijn tong – het was nog maar half elf - en gelijk eentje voor Gerrit erbij, die reageerde met een gezicht van “nou vooruit dan maar, al ben ik eigenlijk toe aan iets met een schuimkop erop”.
“Verdomd, Gerrit, ik was je zo voorbij gelopen met die haverzak onder je kin. Zijn je scheermesjes weer op?” Een oude grap, want als je midden op zee zit kun je niet eventjes naar de drogist voor wat dan ook. Scheermesjes op betekende met een baard naar huis. “Sinds wanneer heb je die vlooienbaal?
“Een half jaartje, schat ik. Maar er mankeert toch zeker niks aan, Harm?”
“Zolang het niet is omdat je naar Mekka bent geweest en je leven een drastische wending heeft genomen is het ok. Nee, joh, maar je ziet er goed uit, Gerrit! Hoe flik je dát dan?”
“Nou, gewoon veel seks, baas, dat houdt je in vorm”, loog hij. “Maar jij mag er ook wezen, hoor, al was je vroeger wat slanker, maar ja, dat snap ik wel. Gepensioneerd, niks te doen feitelijk, tenminste niks waar je zin in hebt, en dan neem je uit verveling maar weer een borreltje, natuurlijk. Tja, dat zet wat aan, wat!”
‘Baas’ was de benaming voor de hoofdscheepswerktuigkundige aan boord, ook hoofdstoker genoemd, want dat andere woord was veel te lang, al was het normaal afgekort tot HWTK. Ook ‘Chief’ werd vaak gebruikt, en ‘boss’; als het beestje maar een naampje heeft. Professioneel respect kwam met je daden, niet met de benaming van je positie aan boord.
“Je hebt helemaal gelijk, en dat is het ook. Het Bourgondische leven, dat wilden we altijd aan boord maar kregen het zelden of nooit, al gaf dat niets. Het is nu beter dan ooit, Gerrit. Kinderen de deur uit en geld genoeg van je pensioen om nergens over in te zitten. Wel genieten, hoor, maar je raakt wel wat beweging kwijt en dus groei je dan weer.”

De ober was alweer snel terug met de gevraagde koffie, zette alles netjes op het tafeltje en vertrok zonder ons te onderbreken. Er waren meer gasten op het terras die zijn attentie kregen; een druk baasje was hij!

“Maar daar moet jij toch ook flink last van gehad hebben, Gerrit, want je gaat mij niet vertellen dat je met dát lijf van je nog op één of andere praam over de wereldzeeën vaart!”
“Ha, ha! Nee, Harm, ik ben ook met pensioen gegaan, alleen wat eerder dan gepland, want Nel werd ziek en dan kun je niet zomaar voor vijf maanden de reis op, dus ik nam eerst onbetaald verlof en dat werd na een jaar gestopt, kon niet langer meer. Ik paste ook niet meer in een planning en bovendien waren ze met de crew overgegaan op die goedkope Oeken en Russen, dus dan lig je er gewoon uit.” Hij pauzeerde even, dacht na hoe hij het moest zeggen en besloot met: “Maar Nel is er niet meer en nu is het te laat om een plekkie op zee te gaan zoeken. Niemand zit op zo’n ouwe lul als ik te wachten, wat!”
“Donders! Nel dood!? Jezus! Dat moet dan opeens gegaan zijn. Ze was altijd zo’n krachtig, sterk wijf, man, een dukdalf in de branding, Gerrit. Godverdomme, zeg!”

Je zag wat ongemakkelijke bewegingen bij andere terrashangers, hoofden draaiden onze kant op. Ze waren zulke taal niet gewend, begrepen het ook niet, dat was duidelijk, maar wat zal je je daar van aantrekken. Zeelui onder elkaar práten nu eenmaal anders dan die softies aan de wal. En dan met een wat hardere stem ook nog eens, want op een schip is er altijd herrie waar je tegenin moet blèren, en na zo’n lange tijd was je niet anders meer gewend en kon je niet anders. Bovendien hadden walpikken altijd wel wat te zeuren, waren snel op hun pik getrapt, zo leek het voor de ouwe zeelieden, die anders gewend waren en zich niet veel aantrokken van anderen; iedereen moest zelf maar weten hoe hij door het leven wil gaan, wat het motto, zolang ze mij er niet persoonlijk mee lastigvallen. Jehova’s konden bijvoorbeeld geen greintje respect krijgen met hun welbekende opdringerigheid, maar daarvan hadden we dan ook weinig last gehad in ons leventje dat zich vooral op een zeeschip had afgespeeld, ver weg van huis. Met een vliegtuig heen en maanden later met een vliegtuig weer terug, niet onmogelijk vanaf de andere kant van de aarde waar je heen gevlogen was. Steeds weer de wereld rond, steeds weer andere landen, andere steden, soms hetzelfde haventje met dezelfde kroeggies, en dan weer meestal met andere bardames daarin, maar vaak wel eventjes een avondje ontspanning met ongelimiteerd bier, weg van de herrie van het schip. Even wat anders, en dat hadden wij vaak samen gedaan, Gerrit en ik. We kenden elkaar beter dan broers!

“Ja, dat was ze zeker, Harm.” Gerrit sprak behoedzaam, alsof hij steeds even moest nadenken, maar hij zag natuurlijk zijn vrouw voor ogen, die begonnen te glinsteren van het oogvocht, niet van plezier maar puur uit herinnering van zijn geliefde van het leven, wie hij erg miste. “Honderdvijftig kilo schoon was Nel voordat de ziekte grip op haar kreeg, en altijd uit op gezonde seks samen, ze moet veel gemist hebben als ik op zee zat, maar ja, ik werd ook een dagje ouder natuurlijk en Nel was een paar jaartjes jonger dan ik, en alles ging wat minder, maar toen werd ze ongeneeslijk ziek, verwaarloosde en uitgezaaide darmkanker, want ze durfde nooit naar de dokter als ik niet thuis was. En een zeeman is altijd onderweg …. Maar ze was geen 70 kilo meer toen ze overleed! Man! Je zou haar nooit herkend hebben. Ja, we gingen door een moeilijke tijd, dat is zeker.”

Gerrit keek wat meewarig vooruit; hij moest steevast aan zijn vrouw Nel denken; zijn ogen waren nóg vochtiger geworden. Harm gaf hem rustig zijn tijd; hij wist wat zijn vroegere scheepsmaat voelde en hoe hij reageerde; een minuutje stilte, dat had hij nodig, en dan kam zijn humor weer terug. Ze was een geweldige vrouw voor hem geweest al was het maar goed dat Nel niet alles van de veel jongere Gerrit wist toen hij op de wilde vaart zat, en samen met mij de machinekamer runde. Gerrit hield van grote vrouwen met zware borsten, maar die had je aan de andere kant van de wereld niet zo vaak, maar in de kroegen vond hij wel altijd het dikste juffertje van elk haventje – het herinnerde hem aan zijn Nel en als hij al plat ging met zo’n dikke juffer had hij altijd Nel in zijn gedachten. Gerrit was altijd een open boek voor me geweest, we konden lezen en schrijven met elkaar en hadden een betere verhouding met elkaar dan een zuiger met zijn cilinder: precies pas. We hadden een prachttijd samen, aan boord, maar genoten vooral als we eens de wal op konden om “postzegels te kopen” wat hetzelfde was voor in de kroeg bier drinken. Die ouwe, de kapitein, wist dat dan ook wel, maar het klonk gewoonweg erg op z’n zeemans, en zeelui hadden gewoonweg hun eigen manier van praten, en eigenlijk ook wel leven; daar kon de kapitein ook niets aan veranderen. Zo laadden wij onszelf weer op voor de rest van de reis op het schip, al wist je tevoren meestal niet waarheen dat zou gaan. Geven deed dat niets want ons huis was op het schip. Meestal hadden we een ruim hutje voor onszelf, en veel had je gewoon niet nodig. Eten, slapen, werken was de boodschap; ontspanning na je taak was televisie uit het land waar je toevallig was en waar je meestal geen bal van kon verstaan, of je keek films, en die waren ruim voorhanden, net als boeken, die we op het vliegveld kochten en onderling ruilden op de reis – of je liet ze liggen als je naar huis ging voor je collega die je afloste. Dus de bibliotheek was meestal ook behoorlijk gevuld.

“Tja, Gerrit, ik begrijp het helemaal. Als je op zee zat misten we onze vrouwen ook al, en als ze er dan helemaal niet meer is zal dat alleen maar erger zijn, met alle omstandigheden daaromheen. Je mag nog blij zijn dat je thuis was voor haar wanneer het telde. Er zijn er die zelfs ook dát missen omdat ze zeeman zijn. Heel erg. Als ik alles wat ik gemist heb terwijl ik op de oceanen ronddobberde op een rijtje zet wordt het een flink lijstje, en dat heeft iedere zeeman. Trouwerijen, begrafenissen, verjaardagen en feestdagen natuurlijk, maar ook als je kind of je vrouw het ziekenhuis in moest was je er niet en zat je ver weg constant aan thuis te denken, zodat je aan boord niet meer goed functioneerde. Gelukkig waren de andere aan boord meestal je begripvolle vrienden die dat konden opvangen, want alleen red je het gewoonweg niet. En er moest toch brood op de plank blijven komen, dus effe snel naar huis en dan wat later weer terug was er niet bij. Meestal was je verder dan 24 uur reizen weg, als je al in een haven lag!”
“Een goed team aan boord was als een warme deken, Harm, maar deze keer was het te gek en moest ik naar huis. Ik kreeg wel alle medewerking van de rederij, hoor. Pa Pinkelman, zoals we de personeelschef noemden, had veel begrip voor de situatie en had alles tot in de puntjes verzorgd. We lagen net in de Japanse binnenzee, bij Ako, toen ik mijn laatste reis beëindigde en naar huis ging, een trip van anderhalve dag. Eerst 300 km/uur een heel stuk met de bullettrein naar Osaka, hotelletje in om te overnachten, en dan ’s morgens vroeg vliegen via Tokyo naar Amsterdam, grootcirkel over Siberië, zo leek het mij tenminste. Eerst aan stuurboord Mount Fuji nog gezien met zijn witte dakkie. Dat was wel een fantastisch gezicht ook om over die enorme grote ijsvlakte te vliegen, en je kreeg het er koud van, natuurlijk; wat een enorme oppervlakte van de aarde waar bijna geen mens is door de immense kou daar! Indrukwekkend was het zeker, maar dat vond ik elders in de wereld ook. En deze keer wist ik dat ik het nooit meer zou zien, hoewel mijn gedachten vooral bij Nel waren. En dan volgde er een zware tijd thuis, dat snap je. En dan de leegte na de begrafenis was onbegrijpelijk. Dan komt snel daarna ook het besef dat je ook niet meer terug aan boord zal gaan en nooit meer met je vrienden samen op een schip kunt zijn, nou dan word je snel oud, Harm. Dus bleef met pensioen gaan over.”
“Ik begrijp het, Gerrit. Dat kan mij allemaal nog te wachten staan met Hetty, denk ik, als ik niet eerst de pijp aan Maarten geef tenminste, maar ik heb wel tot mijn pensioen kunnen werken, al was het de laatste tijd niet meer zo fijn toen met een gemengde bemanning begonnen. Andere culturen, dus dan ga je niet met elkaar om zoals wij dat deden. Ik was uiteindelijk blij dat ik weg kon. Ik kon het dan ook makkelijk achter me laten.”
“Ik heb nog wél een tijdje gedacht weer naar zee te gaan, maar toen kreeg ik plotseling een flinke pijn in mijn rug, een tijdje na de begrafenis, dat behoorlijk aanhield en kon ik echt niet meer aan het werk op een schip. Ik kan de trappen niet snel genoeg meer nemen, en dan word je een gevaar voor jezelf en voor anderen. Wegblijven is dan de boodschap, Harm. Al was het alleen maar voor mijn eigen veiligheid.”
“Je hebt Nel toch niet in je eentje naar het kerkhof gedragen, dat je het in je rug kreeg, wat!”, zei ik om de stemming er weer wat in te krijgen. “Maar ben je daarom verhuisd?”
“Nou, nadat we hadden uitgevonden dat ze die kanker had, ga je toch proberen dat weg te krijgen en moest ze steeds weer naar het ziekenhuis, en dat was eerst niet naast de deur. Dus besloot ik om het hok te verkopen en er eentje hier vlakbij te kopen, want dit ziekenhuis hier is prima. Bovendien waren we nog maar met z’n tweeën en was het ouwe hok veel te groot voor ons. Man, ik leek wel een kok-steward, elke dag schoonmaken, de was doen, boodschappen en koken, want Nel kon niet veel meer op het laatst. Ze was een zielig hoopje geworden, Harm. Nee, mijn rugpijn had andere oorzaken, ook veel stress natuurlijk in die periode maar ik denk dat het ook door ons werk is gekomen. Weet je nog dat we op de “Waterburgt” die hoofdkar moesten overhalen in Mombassa, moest binnen een week klaar, dat motortje met twaalf grote cilinders. We werden afgebeuld door die hoofdstoker. Lange dagen werken voor ons tweede wtk’s, weinig rust, maar wel de gehoonde voeringen erin zetten, die zware zuigers met drijfstangen erin tillen, kleppen schuren en dan die koppen er weer op tillen, want die magere Flippen konden dat natuurlijk niet. En dat is niet de enige motor in mijn leven die ik zo onder handen moest nemen, dat weet jij ook wel. Ja, daarmee is mijn rug naar de kloten gegaan. Alleen zo’n kop was al meer dan zestig kilo! Als ik er aan denk voel ik het weer! Maar ja, nu gaat het wel weer, al zal ik de honderd meter horden niet meer binnen een kwartier nemen.”
“Nee, dat doe ik ook al een tijdje niet meer, Gerrit …. Mombassa, ja, dat weet ik nog wel, verdomme nog aan toe. Wat een zak, die hoofdstoker. Heette ie niet, Willem van Waardenburg? Whisky Jimmy noemden we hem en niet vanwege zijn uitgeperste sinaasappelsap bij het ontbijt. Wist je dat hij een mooie bonus kreeg omdat we op tijd konden vertrekken, maar wij kregen natuurlijk niks, niënte, nada van die lul. Stak ie zelf in z’n zak, de bastaard, terwijl hij geen klauw had uitgestoken! In de weg lopen met z’n zatte kop, dat deed ie! Nou, hij heeft er niet lang van mogen genieten, gelukkig kreeg hij een hartaanval niet lang daarna, in zijn verlof. Boontje kreeg zijn loontje. Nooit meer wat van gehoord daarna. Boek dicht. Maar goed. Je woont nu dus dichtbij?”

De andere terrashangers waren stil geworden en luisterden dus gewoon mee met ons gesprek. Zouden ze zich eraan ergeren of zouden ze het juist grappig vinden? Voor ons maakte dat niet uit, maar voor hun was het gezelliger als ze het leuk vonden, want je eigen ergeren aan een ander kun je je hele leven nog doen.

“Laat ze barsten met hun centjes, dat interesseert me niet meer. Ik heb nu genoeg voor de rest van mijn leven, en zoveel zal die bonus ook weer niet geweest zijn, stapcentje, da’s alles. Al is het nu geen grote vetpot, een vetpot is het wel als je het vergelijkt met vele mensen om me heen. Sommigen zijn echt zielig, hoor! Maar ja, Harm, we hebben er flink voor moeten buffelen, toch! En altijd maar van huis, dat gaat je niet in de kouwe kleren zitten, wat! Maar ja, ik woon nu een stukje verderop, daar, die kant op; ik ben op de fiets hierheen gekomen, maar zou het lopend af kunnen als ik die stok niet zo vaak nodig had om mijn knieën niet te laten knikken, versleten ook, net als mijn rug. Dan duurt het allemaal zoveel langer. Al heb je zeeën van tijd, je wilt geen tijd verspillen met niksnutterij, zo ben ik nu eenmaal opgegroeid.”
“Ja, dat leer je op zee wel af, maar dat kun je ze aan de wal niet wijs maken. Nu met je pensionering zou je het wel wat rustiger aan kunnen doen, Gerrit! Maar ik woon ook hier vlakbij, man, alleen een stukje die kant op!”

We wisselden hun adressen uit en gaven aan waar het precies te vinden was; gelijk de telefoonnummers erbij om te kunnen afspreken, of om hulp in te roepen in moeilijke tijden.

“Mooi, dan kunnen we dit wel meer doen, vriend. Als je zin hebt, natuurlijk, want zoals gewoonlijk: niks moet. Kunnen we een beetje over het leven praten en zo, borreltje erbij, hapje en zo. Gewoon, for old times fucking sake. Dat kan hier, of bij mij thuis, of bij jou misschien?”, zei Harm.
“Natuurlijk, Harm! Dat lijkt me leuk, man. Hier kun je ook biljarten, al vind ik pool leuker, maar ik weet geen tafel te staan.”
“Ik weet er wel eentje, maar dat is aan de andere kant van dit stadje. Goed te befietsen, zeker, dus dan gaan we dat doen. Op donderdagmiddag is dat het beste, denk ik, dan is het daar niet zo druk. Goed bier daar, Warsteiner van de tap, grote glazen, niet van dat benauwde. En Hetty is dan toch naar therapie, dan heeft ze niets te zeggen, wat!”

Sommige terrashangers begrepen waar het over ging, te meten aan een glimlach op hun gezicht. Eigen ervaring misschien, dan weet je hoe het zit in het leven. Anderen zag je zich zichtbaar inhouden om hun partner niet te hoeven verduidelijken hoe het leven in elkaar zit. Eéntje pakte zijn baaltje shag en draaide een peuk. Ik keek het met argusogen aan maar realiseerde me dat ik aan de goede kant van de wind zat. Dan heb je er niet zo’n erg in, maar ik heb een pesthekel aan rokers die me hoestbuien en hoofdpijn bezorgen en vinden dat ze dat gewoon mogen doen “omdat ze toch buiten ziten!”, wat betekent dat een ander die last van rokers heeft nooit buiten kan zitten. Je zou verdomme een bovenwindse buurman hebben die altijd maar zijn stank over je tuin heen uitblies! Gelukkig zaten we vandaag goed, want ook Gerrit, ook geen roker, is niet te beroerd antirokers-opmerkingen te maken en de discussie over roken aan te gaan. Hij was al heel lang geleden gestopt, zonder dat het problemen opleverde en was daar nog steeds blij over, want hij leefde tenminste nog, had Gerrit jaren terug al verkondigd en hij veranderde zijn standpunt zelden. Andere bemanningsleden aan boord, die een halve koffer vol tabak meesmokkelde, je kon het ook aan boord kopen maar dat had een bijzondere geur en was meestal erg snel kurkdroog, en daarom de één na de andere paften, maar nooit in de machinekamer, lagen al zes foot diep, en bij de meesten kon je de penetrante geur van alcoholmisbruik nog door de grond heen ruiken, allemaal het resultaat van de eenzaamheid ver van huis. Gerrit en ik hadden de kop erbij kunnen houden, en ons werk stond ook niet toe dat we dat beschuffeld konden uitvoeren zonder gevaar minstens een vinger te verliezen. Ik had in mijn beginjaren eens een bootsman aan boord gehad die echt een beul van een vent genoemd mocht worden. Een vreselijk sterke man met gespierde armen zo groot als je bovenbenen, die de ballastafsluiters aan dek dichtdraaide en die niemand dan nog met de hand kon openkrijgen. Elke dag een pak shag wegpaffend, minstens één fles jenever en altijd een knol knoflook, wat dan gezond zou moeten zijn maar eigenlijk alleen maar diende om de stank van de drank te maskeren. De gecombineerde lucht waarmee deze mammoet zich omhulde laat zich niet beschrijven. Die beul van een vent kwam ik vijf jaar later weer tegen aan de andere kant van de wereld, in Penang, Maleisië, maar toen was het een mager ventje geworden! Zijn enorme armen waren magere armpjes geworden, en ballastafsluiters dichtdraaien zodat je ze niet meer kon opendraaien was er niet meer bij. Hij vertelde me al drie hartaanvallen te hebben gehad en last van zijn binnenwerk, leven en nieren zal dan wel, waardoor hij een tijd in het ziekenhuis was geweest. Een schim van wat hij ooit was, dat was er van hem overgebleven en hij zag er uit als een dooie met een dag verlof. Je herkende hem alleen aan zijn rode baard. Nooit meer van hem gehoord, maar het is uiterst aannemelijk dat hij nu dood is.

“En hoe is het eigenlijk met Hetty?”, vervolgde Gerrit, om me uit mijn overpeinzingen te halen.
“Tja, ze is er nog, hoor, geen ziektes onder de leden ook. Ja, wat moet ik zeggen, Gerrit, we zijn al heel lang getrouwd, maar de meeste tijd zag ik haar natuurlijk niet. En nu zit ik de hele dag op haar lip en dan blijkt dat het te lang duurt voordat ze weer haar eigen gang kan gaan met mij om haar heen en dan heb je af en toe stront aan de knikker, natuurlijk. Je voelt je gauw bespied, of je wordt gehinderd door een verwachting van elkaar, zo van dit en dat samen doen en zo, of wanneer krijg ik de ruimte die ik nodig heb. Niet echt mijn ding, dat snap je. Ik heb ook alleen maar in een mannenwereld geleefd en daarin doe je veel alleen, gewoon voor jezelf. Dan hoef je geen rekening te houden met een ander, zeker geen wispelturige vrouw. Aan boord zou het niemand wat kunnen schelen wat je deed, behalve als ze toevallig dezelfde interesse hadden en dat was maar zelden. Bijna niemand interesseerde zich voor auto’s, want wat konden ze er nu in rijden, of televisieseries, want je bleef nooit lang genoeg thuis om alle afleveringen te zien. De meesten keken films aan boord, soms vijf op een dag! Ook praat je gewoon anders dan walpikken, dat weet jij ook. En de vrouwen aan de wal zijn vaak van die overgesocialiseerde theemutsen die de baas-in-eigen-buik-periode allang vergeten zijn. De emancipatie is nu zo ver dat ze het heft in handen hebben genomen en kwistig om zich heen meppen naar alles dat mannelijk is. Dat is niet altijd zo geweldig voor een ouwe rups die uit een mannenwereld komt, wat! Zeker niet als je vrouw onverwacht contacten heeft met dat slag miepen. Dus om niet onder de plak te lijken knijp ik er af en toe even tussenuit, dan kan ik, en zij natuurlijk ook, even wat tot rust komen, maar als je eenmaal weer thuis bent duurt die rust niet zo lang meer, want dan moet er weer wat gezegd worden en zo, wat me meestal niet interesseert, terwijl ik eigenlijk van veel rust om me heen hou om lekker te kunnen lezen of zo, al komt dat nu misschien wel door haar wat prominente aanwezigheid en manier van doen. Je gaat je aan al die beweging om je heen ergeren, want dat heb je nooit gehad als je in je hutje alleen zat. Nee, ze is altijd een goed wijf geweest voor me toe ik op zee zat, maar nu is het … ja … het is anders gewoon. We liggen elkaar gewoonweg niet meer zoals vroeger. Ik hou me in, dat wel, want de lieve vrede wil ik wel bewaren, en ik weet dat ze me in haar hart ook niet kan missen, en ik ook niet, dus ja, het is wéér aanpassen, Gerrit, net als aan boord met al die vreemde snuiters aan het begin van de reis die meestal als goede vrienden weer van boord gaan. Als de reis maar lang genoeg is.”

“Ja, ja …. mmmm, en dan besef je eigenlijk pas goed wat een heerlijk leven we hebben gehad op een schip. Alle zware arbeid is dan vergeten, de schoonheid en de rust die uitstraalt van de oceaan blijft die diepe indruk maken. Maar thuis is en blijft het geven en nemen met de persoon om je heen, Harm. Dat besef te accepteren is niet zomaar gedaan.”
“Jij hebt makkelijk praten, jij hebt al een tijdje het rijk alleen nu.”
“Dat is wel zo, maar zou je dat dan ook willen? Bij mij was het ook een farce majeur, ik heb er niet om gevraagd en bovendien zou ik er niet voor gekozen hebben als ik die keus had gehad.”
“Tja, als je er wat dieper over nadenkt, nee, natuurlijk niet, mmm, maar toch …?”
“Ik proef wat onvrede, Harm. Je hebt gewoon af en toe een rustmomentje nodig. Dat geeft verder niet, maar we kunnen wel vaker bij elkaar komen en over het leven praten, waar we geweest zijn, op welke schepen, en wat we allemaal hebben meegemaakt, en met wie allemaal, en waar ze nu zijn, want dat zit gewoonweg diep in je donder, dat vergeet je nooit meer. En dat kun je natuurlijk niet delen met Hetty, ze snapt daar vast niks van, natuurlijk. Mannenwereld, zij leefde steeds in een vrouwenwereld, Mars en Venus en zo. Het fleurt mij zeker ook op als we af een toe eens lekker kunnen lullen. Het was met Nel toch ook al zo, al hebben we niet veel tijd samen aan de wal gehad voordat ze onder de zoden ging.”
“Dat klopt allemaal, Gerrit, wat je zegt. We gaan dat zeker doen, man!”

De ober kwam de lege kopjes ophalen. “Nog wat anders, heren?”, vroeg hij beleefd.
Eindelijk, dacht ik, kan ik een grote bier bestellen. “Ik wil wel een grote bier, zo’n halve liter van de tap.”, zei ik tegen de ober, “Doe je ook mee, Gerrit?”
Gerrit knikte wat afwezig, in gedachten verzonken haast. De ober ging de bieren halen en was binnen een halve minuut terug. Alsof ze al klaar stonden!
Gerrit nam na een snel proosten op de toekomst direct een grote slok, het halve glas gelijk leeg, gevolgd door een grote boer, die het terras deed opschrikken.
“Dat was een goeie, Gerrit!”, lachte ik hardop, “Die kwam uit je tenen!”, precies zoals ze dat vroeger ook zeiden tegen elkaar. Gerrit was weer bij de les en lachte met me mee. Op het terras was er niemand die meelachte, te meten aan de afkeurende blikken, vooral van de vrouwen – toch al geen bierdrinkers.
“Donders, Harm! Wat is dát toch verdomme lekker, man!”, zei hij hardop, “Ik ben blij dat ik je weer ben tegengekomen. Ik begin nu te begrijpen dat ik een beetje te lang alleen ben geweest nu. Heerlijk om weer eens lekker slap te lullen met je en bier te zuipen, man!”
“Inderdaad, dat vind ik nou ook. Dat brengt het plezier terug in het leven! Proost!”

De meeste terrashangers begonnen toch ook te begrijpen dat er hier een bijzonder weerzien was; ze zagen de twee oudere mannen genieten van elkaars aanwezigheid – oude vrienden. Ze keken ons nu met een grote glimlach aan, maar Gerrit en ik zagen dat allemaal niet. Wij gingen gewoon verder waar we dachten dat we gebleven waren.
“Kom, Harm, tijd voor de lunch. De schootan zit er in, tijd voor serieuzer werk. We gaan maar naar binnen.”

Om half een gingen we naar binnen voor de lunch. Het was er een stukje rustiger dan op het zonnige terras; dus we hoefden ons niet in te houden, voor zover we dat al deden. We gingen tegenover elkaar aan een tafeltje in een hoekje zitten, vlakbij een raam, want zicht naar buiten was zeer gewenst. Op een schip heb je in je hutje niet veel uitzicht naar buiten. Soms een patrijspoort, waar om de haverklap een schot zeewater in bruiste door de zeegang, een heerlijk geluid om bij in slaap te vallen, alleen buiten aan dek had je zicht tot het einder. Een fantastisch panorama met de al dan niet bruisende zee, al dan niet prachtige witte wolkenpartijen, of juist hele donkere, een fantastische schone lucht en vooral een enorme leegte, een heerlijke leegte, zover je kon kijken. Dat gaf een gevoel van intense rust. Vertrouwen op je schip om te overleven in die prachtige maar soms gevaarlijke, bruisende natuur die je dan naar het leven stond, zo voelde dat als die grote golven vanuit de zij op dek. Heerlijk om met goed weer op een bolder te zitten met je maat, in het zonnetje, biertje in de hand en stilletjes via het achterschip naar het kolkende water van de voortstuwing te kijken naar het punt waar dat geweld niet meer zichtbaar was en dan verder naar de horizon om te kijken of er iets opdoemde, kilometers ver weg; een schip of zeedieren zoals een spuitende walvis of een opspringende tonijn. Soms groepen dolfijnen die een tijd met het schip meezwommen of vliegende vissen die honderd meter laag over het water scheerden en dan plotseling weer verdwijnen in die immense watermassa – die vind je nooit meer terug. En als je geluk had zag je een zeeschildpad, zo’n grote jongen, of een zeeslag, die gewoonweg erg giftig is, maar goed, zwemmen doe je niet midden op zee. Er zitten wel meer beestjes die lief zijn om te zien vanaf een schip maar die niet bestemd waren om mee te dansen. Barracuda’s waren nooit alleen!. Zo’n uitzicht heb je alleen op zee.
Maar het licht bleef trekken en een tafeltje tussen twee ramen, waar geen licht van buiten op viel, werd overgeslagen. De tafel was al gedekt voor twee, dus konden we gelijk aanzitten en wachten op de ober, een andere dan buiten.

Het gesprek werd naadloos hervat.
“Je had het net over veel seks, Gerrit, maar heb je dat nog wel nu Nel je niet meer kan bedienen?”
“Natuurlijk! Weet je, Harm, daar verderop zit zo’n massagekot, net als vroeger in Singapore in Change Alley, dat nu allemaal niet meer bestaat, dat weet je. Vlak bij de satéclub, waar je zulke lekker bossen saté kon krijgen bij het ene tentje en dan een koud biertje die werd gebracht van een andere, alles aan je tafeltje bezorgd. Ik had wel 150 satéstokjes op bij drie bier, man, wat was dat verdomme lekker! Ja, die kanenbraaier aan boord was zo’n basic ventje, die piepers en groente kon doorkoken, en dan kreeg je waterballen met ouwemannelappen, gatverdegatver! En dan kon je aan de wal je hart weer ophalen. Hoertjes uit de Filipijnen bij Tanjong Pagar, of Chinezen bij Bugis Street, daar kon je aan je trekken komen voor weinig. Nu is dat allemaal weg natuurlijk, maar of dat nu vooruitgang is betwijfel ik. Of we gingen naar China Town, eerst je volvreten aan de Chinees en dan zo’n lekker ding in je kooi voor de massage en een volledige ongeremde wip – aids bestond nog niet, waarbij je meerdere malen uit je stok kon hoesten, zo geil werd je van zo’n Chineessie, lange zwarte haren, smalle heupen, een bos haar op haar pruim, je weet wel. Man! Daar krijg ik nu nog visioenen van!”
“Je praat nu over vijfendertig jaar terug, of meer, Gerrit. Je kwam toen aan op Clifford Pier met een crewbootje want het schip lag voor de spijker verderop, en dat ligt nu midden in het centrum. In zoveel tijd verandert alles, maar ik weet wel dat je nog steeds in Singapore aan je trekken kan komen, hoor. Orchard Towers aan de Claymore Road, by Orchard Road, vol met barretjes met van die dames die je komen opzoeken terwijl je een Tiger Beer wegslurpt en je gelijk in je ballen grijpen. En jij natuurlijk gelijk die pruim checken, want voor je het weet zit je met een travestiet!”
“Ha, ha, ha! Ja, dat heb ik ook wel eens meegemaakt! Man, wat hebben we gelachen daar! Daar zullen we wel niet meer komen, denk ik, Harm, maar hier een stukje verderop zit zo’n Chinees massagekot die ook alles masseert maar geen wip, helaas, dus af en toe ga ik daar heen om aan mijn trekken te komen, want jezelf behelpen is niet altijd zo bevredigend. En bovendien spuit je toch ook niet meer tegen het onderdeks, Harm, op deze leeftijd.”
“Bij IKEA hebben ze anders goeie stapelbedden hoor. Ben je dichterbij.”, grapte ik.
“Ha. ha, ja, dat klopt, maar op zo’n ding klimmen zie ik niet zo zitten, hoor. Ik ben als de dood dat ik aan dek donder en wat breek, want dan kon het wel eens lang duren voordat er iemand opmerkt dat ouwe Gerrit niet meer is gezien.”
“Je kunt ook gewoon de onderste kooi nemen, Gerrit, dan is het plafonnetje ook dichterbij.”
“Ha, ha, ha! Ja, dan kan natuurlijk ook nog. Vroeger op de “Willemeijn” had ik een klein onderkooitje daar kon je maar net aan in klimmen, zo krap. Als je op je kussentje lag zat je bijna tegen het onderdeks met je kop. Aan één kant wel gunstig, want dan kon je er ook niet zo makkelijk uitrammelen als het zeetje wat wild was. Klein bootje, kustertje, veel beweging op de zeegang. Lang geleden, dat wel.”
“Ja, dat bootje ken ik dus niet, dat was voor onze tijd samen, Gerrit! Dus je gaat af en toe naar de Chinees hier.”
“Lekker wijffie, man, klein, stevig opdondertje met lange zwarte haren en heel veel kracht in haar handen, en toch zacht. Niet te geloven gewoon! Als een bootsman! Ze bezorgt je gewoon spierpijn met haar geknaai in je spieren, dan loopt ze over je rug ook, zodat je het voelt kraken. Goed voor die ouwe botten, zou het niet, en ook zij geniet duidelijk en hoorbaar van haar bezigheden, aan haar gekir te horen, maar verstaan doe ik ze niet – verder dan miauw kom ik ook niet. Maar het venijn zit in de staart, want een happy end is een must, natuurlijk. Nou, en dat kan ze, hoor! Lekker dichtbij met dat koppie met haar, maar dan weer nét niet dichtbij genoeg, je weet wel. En dan héérlijk uit je stok hoesten, dat is het! Het is maar goed dat de muren goed geïsoleerd zijn! Ha, ha, ha!”
“Ga weg, man! Je denkt toch niet dat de buren jouw gekreun oppikken?”
“Nou, gekreun is zwakjes uitgedrukt, Harm, mijn vriend. Maar er zijn ook nog meer kamertjes en je weet niet wie daarin bezig is. Ik hoor soms wel wat, weet je, maar je wilt ze niet storen in hún ding, toch? Maar goed, dat geeft verder niks. Niks om je voor te generen, vind ik; ieder zijn meug. Maar ik raad het je wel aan! Net als vroeger samen in Singapore naar de massage in China Town en er met een happy face weer weggaan, klaar om die avond te zuipen en misschien nóg eens van bil te gaan.”
“Die tijd komt niet terug, Gerrit, dat weet je ook wel, oud. Toen was je weken van huis en dan is de druk hoog. Bij zo’n ouwe lul als jij en ik loopt dat zo’n vaart niet.”
“Dat zal dan wel zo zijn, maar op een natte droom ga ik ook niet wachten, Harm! Tegen die tijd kunnen ze me wegdragen. Nee, Nel is er niet meer, en dat is een gemis aan alle kanten, maar het leven gaat door en de hormonen hou je niet tegen.”
“Goddomme, hoe zal Hetty reageren als ze te weten komt dat ik naar een Chinese massage met happy end ga! En dat terwijl zij naar haar meditatietherapie gaat bij een hoop van die gelijkgestemde linkse mutsen! Ouwe ik met een stofwolk van een bijna droge ejaculatie en zij in hogere sferen van een transcendente meditatie, of hoe je dat ook mag noemen – niet mijn ding. De deegroller ligt klaar als ik thuiskom!”
“Ze hoeft niet alles te weten, Harm. Kom op! Dat wist ze vroeger ook niet, dus die deegroller blijft lekker in de kast.”
“We zien wel. Heb je er wel eens over nagedacht om zo’n sekspop te kopen, Gerrit? Ik denk dat ik daar naar zou gaan kijken als ik Hetty niet meer thuis had. Je hebt er prachtige poppen bij, zag ik op internet, in alle vormen en maten, levensecht. Ze worden discreet met de post thuisgebracht. Je kunt je eigen harem aanleggen!”
“Dat zou misschien kunnen. Ik heb dat ook wel eens bekeken, het was laatst zelfs op het nieuws en zo, maar maatje Nel zit er niet tussen. Allemaal van die slanke dellen en dat trekt me niet, dat weet jij ook wel, Harm. Het is me allemaal zo ideaal nagemaakt! Slank, lang haren, grote stevige borsten, en overal openingen waar je je pik in kunt steken, ook waar ik het nog nooit heb gedaan! Nel draait zich om in haar graf als ze wist dat ik op zo’n ideaal gevormde slanke del ging liggen en mijn tokus in haar reet duwde! En ik wil haar op de flamoes, Harm, om je neus in te steken, dat spreekt voor zich en die poppen zijn meestal vooral kaal! Nee, Harm, dat gaat me te ver. Misschien leuk voor een enkele oversekste jongere, maar niets voor een grijze ouwe rups. Ik hou het voorlopig bij mijn Chineessie, gewoon van vlees en bloed.”
“Een beetje haar op de pruim is lekker, maar niet zo’n bos, Gerrit. Dan is het net of je Ted de Braak die net een paar zoute haringen heeft weggewerkt lig te tongen, alleen díe gedachte laat mijn broer een flinke tijd hangen, al heb je de ziekte van Hul – je zak langer dan je lul. Maar hoezo voorlopig je Chineessie? Heb je nog wildere plannen, Gerrit?”
‘Nou nee, niet direct, maar ja, weten doe je het nooit. Je hebt van die datingsites en daar zie ik wel eens wat voorbijtrekken wat mijn aandacht heeft. Moeilijk om te besluiten met een ander wijffie aan te pappen, Harm. Zo’n iemand weet niks van je verleden, en dat zal je dan eens moeten vertellen, denk ik, en dan nog is het maar de vraag of ze begrijpt hoe een zeeman in elkaar steekt. Een zeemansvrouw moet in die rol groeien, dat weet je. Als ze al van goeder trouw zijn natuurlijk. Dat is allemaal wel erg moeilijk, denk ik. En een eerlijke zeemansvrouw is ook niet makkelijk te vinden en veel van die wijffies hebben geen stuiver meer te makken maar wel gewend aan een rijk leven, en dus vinden ze het wel lekker om met een wat rijkere zeeman aan te pappen, net zolang als dat het geld op is. Je moet zo uitkijken, Harm! Een foutje is zo gemaakt en veel tijd om daarvan te recoveren is er dan ook niet meer, net zo min als de lust. Dan blijf je gebroken achter, zoiets zie ik toch ook niet zitten”
“Misschien als je een rijnreisje maakt of zo? Of in ieder geval eens een wat duurdere vakantie boekt, want daarmee filter je de golddiggers die geen cent te makken hebben er gelijk uit. Volgens mij zijn  daar wel de wat rijkere weduwes te vinden, niet van die uitgelubberde rokende drankorgels met hangtieten, al zal een vrijgezelle maagd op die leeftijd utopisch zijn, hahaha!.”
“Ja, dat is misschien wel een goed idee! Als het maar geen kouwe kak is, Harm, want daar zakt mijn broek van af! Ik doe ook maar gewoon, al zou het me financieel geen moeite kosten om me onder de kouwe kak te bewegen. Maar goed, ik ben er nog niet zo erg aan toe, hoor, echt niet actief op zoek of zo. Bovendien kosten ze niet alleen veel van je geld, maar ook veel van je tijd, wat af gaat van de tijd om je eigen plezier te maken, met een Chineessie of zo. Nee, veel tijd gun ik mezelf er toch ook niet voor. Ik ben vaak op de fiets weg en zie ook wel de wat oudere, nette dames alleen op een rondtripje, niet op weg naar de supermarkt, maar gewoon om te genieten, sportief doen om in vorm te blijven, maar dan wel alleen, dus de man is óf een flinke chagrijn óf dood. Maar ik heb nog nooit contact gehad met zo’n eentje. Soms moet je gewoonweg op een terrasje gaan hangen tijdens je fietstochtje en kijken wat er zoal langs gaat komen. Ach, ik wacht het op mijn leeftijd allemaal wel af en mijn Chineessie houdt me happy in the end!”
“Je bent me er eentje, Gerrit!”

Die middag genoten we van elkaars aanwezigheid en spraken van vroeger tijden, het heden volkomen kwijt. Er volgde nog wat meer bier op het terras na de lunch, een heerlijke maaltijd met brood, salades, eieren en vis, weggeslobberd met een glas Franse rode wijn, Bourgondische tijden. Geld speelde geen rol, nooit gedaan, genieten was de boodschap. We hadden het verdiend na ruim 45 jaar noeste arbeid op grote schepen in de wilde wateren van de wereld, in hitte en in kou, in de enorme herrie van de machinekamers waar de zware motoren zorgden voor de voorstuwing en voor alle benodigde elektriciteit, en dat ging niet zomaar, al was het de laatste jaren wat minder bewerkelijk geworden door betere technologieën. Vroeger in de 70-er jaren was het dagelijks zwaar buffelen, elke wacht van 12 uur weer, maandenlang, totdat we de veeleisende bedrijfstak offshore verlieten en daarna de vrachtvaart jarenlang onveilig gingen maken. Over de wereld reizen, dat was ons doel geworden. Overal waren we geweest, altijd aan de wal bier kopen en de plaatselijke cultuur opsnuiven, de plaatselijke bevolking bekijken en met ze praten, en soms had je het geluk dat je de liefde kon bedrijven met een lokale juffrouw die eenzaam was en zoekende. Wat een rijkdom aan kennis was daardoor vergaard!

Nu, als oude rupsen, met versleten knieën en slechte ruggen, dikke buiken en slappe spieren, maar met zeer actieve hersenen, konden we samen herinneringen ophalen, met weemoed terugdenken aan wat geweest was en onze ervaringen waren zoveel meer dan die van de lokale oude rupsen die meest uit boeren en fabrieksarbeiders bestonden en hun leven hadden besteed aan het dagelijks onderhouden van hun gezin, en dat ging ook niet altijd van een leien dakje. Op zee hadden we als zeelui ook een stuk meer verdiend dan die lokale arbeiders en konden nu dus ook meer van ons land gaan genieten, het land waar we wel ons eigen gezin hadden gehad maar waar we maar weinig hadden vertoefd en waar moeder-de-vrouw altijd de scepter had gezwaaid, en uit gewoonte nog steeds deed in de situatie van mij, waar ik het toch niet zo gewend was moeder-de-vrouw als baas te hebben. Wat een geluk dat ik mijn oude vriend Gerrit tegenkwam, want nu was er iemand die mijn taal sprak, mijn manieren kende en mij niet beoordeelde en veroordeelde, maar alles gewoonweg accepteerde zoals het tot hem kwam, absorberend, want dat was ons hele leven geweest: het is wat het is. In Timboektoe leg je aan een lokale man niet uit hoe het bij ons er aan toe gaat, want dat snapt hij toch niet, en wij verbazen ons nergens meer over als we achter hun manier van doen beginnen te komen. Voer voor hilariteit, dat wel, en daarna gewoonweg weer aan boord, buffelen in de machinekamer aan boord, tot je naar huis mag met verlof, niet meer denkend aan Timboektoe totdat je er een volgende keer eens komt. Maar met wie ga je daarover praten als je als ouwe rups gepensioneerd thuis zit naar buiten te kijken? Gerrit en ik zullen nog vaak bij elkaar komen, biljarten, pool spelen, bier drinken en veel ouwehoeren. Dat het maar lang mag duren!

“Harm, een fantastische middag gehad, maar ik ga nu op huis aan. Vanavond maar makkelijk eten maken. Spreken we af, volgende week donderdagochtend om 11 uur hier voor een bier, even over de politiek en het leven lullen en dan fietsen we naar de pool-bar voor een game?”
“Prima idee, Gerrit! Die houden we er in. En als je tussentijds niets te doen hebt kom je gewoon op je fietsie bij me langs, ok? Ik heb ook bier natuurlijk! Maar geen tap, helaas.”
“Zal ik doen, Harm. Ik ben benieuwd hoe het met Hetty gaat ook, of ze me nog kent! Ik denk zondagmiddag dan even, om een uur of drie. Komt je dat uit?”
“Altijd, man!’
“Tot dan dan, ouwe rups!” en stak zijn hand op, een grote glimlach op zijn gezicht, net als bij mij.

We gingen allebei een kant op, met een goed gevoel, beter dan eerder die dag en dat bleef lang hangen, want onze contacten zouden worden voortgezet. We zagen nu al uit naar zondag en wat onze vaste poolmiddag zou worden. Twee gelukkige ouwe rupsen van de zeevaart, die veel te verhalen hebben. We kijken er naar uit het volgende verhaal te horen!

Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 406
(Gemiddelde waardering 5 met 1 waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Wil je deze schrijver nomineren!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Alle gepubliceerde inzendingen

Geef een waardering voor een artikel
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Hoogste beoordeelding:

Schrijfwedstrijden

Boekentip

Top 10 : Meest gelezen

BookBuster