Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Kort verhaal
Inzendingen: 897
Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."

Het Geheim (uit mijn roman 'het Geheim)

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Ze krijgt een harde blik in haar ogen.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Het is stil in huis als ik twee weken later de keuken binnenstap. De gordijnen zijn nog dicht en er is niemand in de keuken. Dan hoor ik gerommel boven.
‘Ik ben er hoor!’ roep ik naar boven.
‘Ja, kind, ik kom er zo aan!’ klinkt een stem.
Micha! Is ze soms ziek? Ze klinkt niet bepaald vrolijk. En die sigarettenrook boven? Het verbaast me dat de dat doet. Ik ga op een keukenstoel zitten en wacht af. Gelukkig hoor ik haar de trap af komen en ik zie dat ze er inderdaad niet goed uitziet. Ze heeft kringen onder haar ogen en die ogen staan somber. Verder is ze nog niet aangekleed en draagt een witte peignoir. Haar haar is nog niet gekamd. Het lijkt alsof ze zo uit bed is gestapt.

‘Dag mevrouw Bosma, bent u alleen vandaag?’
‘Dag kind, ik moet even gaan zitten. Wil je een sigaretje voor me opsteken, en neem er zelf ook maar eentje.’
Ik geef haar een vuurtje
‘En waar is uw man?’
Micha neemt een haal van haar sigaret en staart naar de grond.
‘Hein heeft het boek met de brieven gevonden vanochtend, en we hebben ruzie gehad.’
Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Welke brieven bedoelt u, mevrouw Bosma?’
‘Hij wilde ze lezen en ik zei dat ik dat absoluut niet wilde en toen is hij de deur uit gestapt. Zonder jas. Hij zal het wel koud hebben.’

Micha’s gezicht betrekt. Ze slaat haar handen voor haar ogen.
‘Nooit zal hij ze te zien krijgen. Dat zou mijn lieveling niet gewild hebben.’

Aha, lieveling! Zo stom was ik niet! ‘En wanneer is hij vertrokken?’ vraag ik voorzichtig.
Micha maakt een afwezig gebaar.
‘Die komt wel weer terug, maar het blijft wel mijn geheim en dat moet hij maar respecteren. Wil je nog een sigaret?’
Ik loop naar het aanrecht.

Zal ik een kopje koffie zetten?’ zeg ik en ik pak alvast de koffie. Micha wrijft over haar hoofd.
‘Ja, veel koffie, vooral koffie. Wil je soms een boterham? Ik heb nog niet ontbeten, maar dat hoeft vandaag ook niet. Ja, lekker koffie.’

Micha neemt een slok van haar koffie en steekt haar derde sigaret op. Ze staart in de verte.
Dan zie ik tranen in haar ogen.
‘Ik moet het kwijt aan iemand. Dit kan niet langer doorgaan,’ zegt ze met zachte stem. Ze staat op en ik hoor haar de trap op gaan. Het blijft even stil. Dan komt ze terug met een dik zwart boek. Ze legt het op tafel en gaat weer zitten.
‘Hier zijn ze dan, de brieven van Samuel.’

Ik voel dat ik een beetje nerveus word, want ik krijg de indruk dat ik deel uitmaak van iets wat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd is. Veel hoef ik niet te doen, want Micha slaakt een diepe zucht en begint te vertellen.

‘Samuel en ik hebben elkaar eind jaren dertig ontmoet,’ begint ze haar verhaal. ‘Best apart, want ik werkte als zijn secretaresse en hij was advocaat.’

Ze glimlacht.

‘En ik herinner me dat ons eerste persoonlijke gesprek over katten ging. Veel tijd om met mij te keuvelen had hij natuurlijk niet, want er waren veel zaken te behandelen en ik was máár een secretaresse. Je moet het verhaal wel plaatsen in de tijd. Vrouwen waren toen nog niet zo geëmancipeerd als nu. Maar die poezen hè? Ik vond het zeer aandoenlijk dat Samuel een foto van een poes op zijn bureau had staan. Je zou verwachten dat een advocaat foto’s van familieleden op zijn desk zou zetten, maar een poes? Dat was in de Rivierenbuurt in Amsterdam. Een prachtig kantoor met uitzicht op een gracht, goed salaris, afijn, een fijne tijd. Wat me aansprak bij Samuel was dat hij zo rustig was, ook in hectische tijden. En ja, een echte man hè, met prachtig zwart krullend haar en diepbruine ogen. Die moest al een lief hebben.’
‘En die had hij ook,’ vervolgt ze haar monoloog, ‘maar op een gegeven moment verdwenen de telefoontjes en zag ik haar nooit meer komen. Prachtige, elegante vrouw trouwens, net Audrey Hepburn. Die ken je toch wel?’

Opeens verandert haar blik.
’Maar de situatie begon grillig te worden daar in Duitsland en we volgden thuis het nieuws, hoewel schaars toen nog, op de voet. Maar wat wist je als jong meisje? Ver van je bed! Je bent op een leeftijd dat alles nog openligt, en wat er later gebeurt,’ haar adem stokte even, ‘wisten wij allemaal nog niet.’
Dan zie ik iets zachts in haar ogen.
‘Je zult het niet geloven, maar toen kreeg ik een vreemd verzoek van hem. Op een ochtend verscheen hij in mijn kantoor en hij leek nogal nerveus. Hij vertelde dat hij op zakenreis moest en niemand kende die voor zijn poes zou kunnen zorgen, en of ik misschien… afijn, dankzij die maffe poes voerden wij steeds meer gesprekken samen.
Niet dat het een lolletje was met die poes van hem trouwens, want die had mijn hele huis ondergepoept van ellende. Ik herinner me dat hij haar kwam ophalen na zijn werkbezoek en naar haar keek alsof het zijn dochter was, en dat ontroerde me zeer. Hoe heette ze ook al weer? Oh ja, Snow White. Want het was echt een heel bijzonder dier. Wit met grote groene ogen.’

Nu zie ik dat ze boos wordt.
‘Natuurlijk werd hij steeds nerveuzer. Hij was ook niet gek en luisterde ook naar de radio en las kranten. Gelukkig wist hij toen nog niet hoe het hem zou vergaan en ik wist nog niet dat wij een stel zouden worden dankzij,’ ze grinnikt, ‘Snow White. En toen werd het elke ochtend bij wijze van grap: “Hoe gaat het met uw mooie poes?” En hij: “U krijgt de groetjes”, want humor had hij wel, Samuel. En dan onze eerste lunch samen omdat we wat dingen zouden doornemen. Toen zag ik pas voor welke elegante man ik eigenlijk werkte. Prachtig zwart pak op maat en pianovingers, ja, dat had hij, pianovingers.’
Ze neemt een nieuwe sigaret. ‘Was ik toen al verliefd? Nou ja, wel een beetje. En hij? Moeilijk te peilen, maar ik kreeg wel de indruk dat hij wat opener werd.’

Ze begint te zuchten. ’Dit wordt een lang verhaal …we werden een stel en trouwden al vrij snel, omdat we steeds meer verontrustend nieuws uit het buitenland kregen. Ik hoopte,’ opnieuw stokte haar adem, ‘ik hoopte dat ons huwelijk de pijn zou verzachten die hij elke dag moest voelen. En kinderen? Terwijl we niet wisten of we in Nederland zouden blijven.’

Je moet bedenken dat de informatie die we kregen gefilterd was, en we wisten niet half hoe ernstig de situatie in het buitenland was. En toen we het met beide ogen konden aanschouwen was het al te laat!

Die brieven zijn me heilig en ik heb ze altijd verstopt, maar nu wordt het tijd dat ik er eentje aan je voorlees.’

Micha pakt het boek, begint erin te zoeken en haalt er een brief uit.

Ze begint te lezen.

14 maart 1943,

Mijn allerliefste Micha,

Ik hoop dat je deze brief bezorgd krijgt zoals ik heb afgesproken met mijn medebewoner, die goede contacten heeft met de buitenwereld. Mijn lieverd, ik zou je zo graag de ellende willen besparen waarin ik me momenteel bevind. Toch mag ik niet klagen. Ik werk als boekhouder voor een Duitser omdat niemand anders dit soort werk kan doen. Heel wat anders dan mijn medebewoners, die elke dag in de velden moeten werken. Kun jij je dat voorstellen, lieveling? Je man gekleed in een gestreept hemd terwijl het buiten zo ongelooflijk koud is. Maar wees niet ongerust, ik krijg elke dag iets warms te eten van mijn opdrachtgever, omdat hij zo tevreden is over mijn werk. De Heer zij geprezen dat ik dit beroep heb uitgekozen. Als ik ‘s avonds terugkeer in de barak ruikt het naar zweet en ontsmettingsmiddelen, omdat, schrik niet Micha, mensen ziek worden van de kou en de ontberingen die ze moeten ondergaan. Hoe gaat het met onze poes, lieveling? Het is toch ons geheimpje dat wij door een poes samen zijn gebracht? En maak je je niet te veel zorgen? Ik heb vreselijke verhalen gehoord van mijn medebewoners, maar het zijn allemaal maar geruchten en ik probeer er niet naar te luisteren. Informatie van buiten het kamp krijgen we nauwelijks. Mijn lief, straks is deze hele waanzin over en dan zijn we weer samen. Wil je goed voor jezelf zorgen, Micha, en je niet te veel zorgen maken? Volgende week schrijf ik weer een brief en ik denk dat ik over niet al te lange tijd weer bij je ben.
Dag mijn allerliefste
Je Samuel

Voordat ik iets kan zeggen pakt ze een nieuwe brief. ‘En deze?’

1 april 1943

Mijn allerliefste Micha,

Elke dag denk ik aan je! Krijg je mijn post wel? Waarschijnlijk heb je ook geprobeerd om mij te bereiken, maar dat laten ze niet toe. Ik voel dat ik vandaag opstandig ben, Micha, want ik maak vreselijke dingen mee. Dingen die ik je eigenlijk wil besparen, maar ik moet het tegen iemand zeggen. De wereld moet dit weten. Gisteren werd het rantsoen uitgedeeld en een van mijn medebewoners was behoorlijk verzwakt en pakte niet één maar twee boterhammen van de stapel die ze hem voorhielden. Dat was ten strengste verboden, maar Micha, hij werd zomaar voor mijn neus neergeschoten. Wat zijn we geschrokken! De situatie hier wordt elke dag grimmiger. Maar Micha, ik heb gehoord dat er nog andere kampen zijn die veel erger zijn en dat ik het relatief goed heb. Krijgen jullie die informatie ook? Ik krijg veel informatie van nieuwe mensen die arriveren en bij aankomst al heel erg verzwakt zijn, maar Micha, moet ik echt geloven dat ze mensen als wij, dat ze mensen als wij willen vermoorden? Ik weet zeker dat God dit niet wil en dat we geduld moeten hebben. Maar er blijven maar mensen toestromen. Voor zo veel mensen is eigenlijk helemaal geen plaats en de Duitser voor wie ik werk heeft steeds minder geduld met mij. Hij vertelde me vanochtend dat ik waarschijnlijk vervangen zal worden door iemand die wat sneller kan werken. En hij begon in het Duits op me te schelden. Ik ben zo moe, Micha, ik heb het zo koud. En die konvooien, moet ik het allemaal geloven?

Vandaag is geen goede dag, mijn liefste, en ik mis je zo. Als ik alleen maar wist wanneer ze ons laten gaan? Er doen verhalen de ronde dat de Amerikanen in opmars zijn, maar ik denk echt dat niemand weet hoe het hier in z’n werk gaat. De ontredderde gezichten van de vrouwen die gescheiden worden van hun man en kinderen, de honger en uitputting. Mijn schat, ik vraag me af of ik deze brief wel moet sturen. Tot heel gauw, mijn Mischa, over een week schrijf ik je weer!
Je Samuel

Micha vouwt de brieven weer op.
‘En Hein, het gaat hem niets aan.’ Alweer die felle blik in haar gezicht.
’Hij komt echt wel terug, maar dit zijn brieven die ik wil koesteren.’ Dan kijkt ze me indringend aan. ‘Het zou fijn zijn als deze brieven als oorlogsdocumentatie zouden dienen, heb ik bedacht. Iedereen mag weten hoe het de mensen is vergaan. Zou jij me kunnen helpen, kind?’

En dan hoor ik eindelijk de verlossende stem. ‘Micha, ben je daar? We moeten echt eens praten!’

Dit artikel delen?

Publicatie op .
Hits: 112

geef een waardering voor: "Het Geheim (uit mijn roman 'het Geheim)"

Geschreven door Ingrid Karsten . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
30.08.20
Feedback:
Heel mooi geschreven, Ingrid. De verteltrant van de oudere vrouw is levensecht. Gezien de lengte van het verhaal is het echter geen kort verhaal. Ongeveer 20 keer zoveel tekst als door de redactie als maximum geadviseerd. Dus niet passend in deze rubriek.
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
30.08.20
Feedback:
Heel mooi geschreven, Ingrid. De verteltrant van de oudere vrouw is levensecht. Gezien de lengte van het verhaal is het echter geen kort verhaal. Ongeveer 20 keer zoveel tekst als door de redactie als maximum geadviseerd. Dus niet passend in deze rubriek.
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Ewald Hagedorn 30.08.20
    Waarom de reactie dubbel wordt weergegeven weet ik niet.
    • Ingrid Karsten 01.09.20
      dank je wel ewald ik vind het erg aardig wat je schrijft en ik heb de spelling aangepast!

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !