Klik hieronder op een van de mogelijkheden.

Het besef

 

Ik ben dood. Dat kan niet anders. Zo kalm ben ik nog nooit geweest. Wat is het hier wit. Zo wit! De zon verblindt me. Engeltjes in witte gewaden. Allemaal engeltjes. Er voelt er eentje aan mijn pols. Een vrouw. Een gezicht zie ik niet, maar haar handen zijn heerlijk warm en zacht als dons. Ze zingt. Iets over een vlinder, geloof ik. Haar zoetgevooisde stem verdwijnt heel, heel langzaam naar de achtergrond. Ik zweef. Licht wordt weer donker. En ineens is alles weer stil. Stil ...

Ik kan zelfs bij benadering niet zeggen hoeveel later ik mijn ogen opnieuw opende. Een tijdje toch, vermoedelijk, want de zon was verdwenen. De engeltjes ook. En het wit was veel minder wit. Eerder grauw. Auw! Wat was dat? Auw. Ik slikte schuurpapier. Mijn mond leek wel een woestijn. Pas nu besefte ik dat ik in een bed lag. Blauw bandje rond mijn pols. Met een etiket. ‘Danny Vandenberk, tonsillectomie, St-Vincentiusziekenhuis, Antwerpen.’ Juist! Danny! Dat ben ik! Mijn amandelen moesten er heel dringend uit. Ik leef nog! Wat een opluchting! Ik wil zingen! ‘Alive’ van Pearl Jam. ‘Oooow … Auw!’ Goed geprobeerd.

‘Welkom, jongen! Niks forceren. Op ‘t gemakje. Niet te veel praten nu. We halen dat nog in, straks of later. Ik heet Kamiel. Jij Danny, volgens de verpleegsters. Eindelijk iemand bij mij op de kamer! Dag Danny! En nu zwijg ik weer. Ze hebben mij gezegd dat ik je met rust moet laten en dan doe ik dat. Je met rust laten. En zwijgen. Zwijgen doe ik ook.’

Hij zat op zijn bed, met opgetrokken knieën. Aan de vensterkant. Ik had ‘m niet eens opgemerkt, maar schrok ook niet van zijn stem. Misschien was ik daar gewoon nog te suf voor. Hij sprak rustig en toch ietwat opgewonden. Een klein, schriel, oud ventje met een vrij groot uitgevallen reukorgaan en een langwerpig kaal hoofd met een grote wijnvlek erop. Of een levervlek. Een ouderdomsvlek misschien. Weet ik veel. Ik ben geen huidspecialist. Wat ik wél weet is dat hij me aan Michail Gorbatsjov deed denken, maar dan te warm gewassen of zo.

‘Dag Kamiel,’ zei ik schor. Daarna zwegen we. Na een slokje water ging het al wat beter met mijn keel. Langzaam werden mijn gegevens opnieuw in mijn hoofd geïmporteerd. Lang vervlogen jaren en weken. Uiteindelijk ook de voorbije dagen en de paniek. De paniek. Hoe ik niet meer kon slikken als ik dat wilde. Daar werd ik hypernerveus van. Televisie kijken lukte niet meer. Lezen of studeren ook niet. Het enige wat ik nog deed was rondlopen. Rond de keukentafel. IJsberen als een snelwandelaar met peper in zijn gat. In de keuken, in mijn slaapkamer, in de gang. In paniek. Mijn amandelen waren zodanig ontstoken dat ze helemaal opgezwollen en gekarteld waren. Alsof ik twee dikke tennisballen had ingeslikt. Zo snel mogelijk operatief laten verwijderen, had de huisarts gezegd, waarna hij meteen begon rond te bellen. Twee dagen later kon ik in Antwerpen terecht. Meteen de twee langste dagen uit mijn tot dan toe 21-jarige leven.

Ondertussen waggelde Kamiel als een gepensioneerde pinguïn door de kamer. Helemaal van zijn venster naar de deur, even piepen in de gang, en weer terug. Traag maar gestaag. Steeds weer opnieuw. Zoals tachtigplussers ijsberen. Zijn bruine, gevoerde pantoffels schuifelden langzaam over de betegelde vloer en zijn blauw-wit gestreepte pyjama was duidelijk op de groei gekocht, dus veel te groot, zeker qua mouwen (pinguïns hebben korte armpjes) en aan de nek. Nu zag ik ook gelijkenissen met een gier. Het leek alsof zijn nek in een hoek stond en zijn gerimpelde gezicht was gespannen. Zijn blik werd woest of alleszins wat verwilderd.

‘Hoor je dat geklingel? Hoor je ‘t?’ riep hij ineens verrukt. ‘Ze zijn daar met het eten!’ Hij waggelde vastberaden naar het kleine tafeltje dat in het midden van onze kamer stond en ging op de stoel aan zijn kant zitten. Kaarsrecht en in een afwachtende houding. Toen de verpleegster binnenkwam, lachte hij zijn tanden bloot. Alle drie. ‘Laat maar komen!’ grinnikte hij. Behendig smeerde hij drie bruine boterhammen vol aardbeienjam. Daar legde hij dan telkens een plakje jonge kaas op en vervolgens plooide hij boterham per boterham dicht. ‘Laat het smaken!’ zei hij tegen zichzelf. Ik bestond al een tijdje niet meer. Na elke hap nam hij een klein slokje koffie. Dat vergemakkelijkte het knabbelen. Zijn mond, die nooit helemaal dicht ging, leek wel een menselijke betonmolen. Tijdens de maalwerken keek hij strak voor zich uit. Na een paar minuten was alles verzwolgen. Hij sloot zijn ogen, boerde binnensmonds en fluisterde iets dat bedoeld was voor de Heer. Even later draaide hij zijn gierennekje traag in mijn richting.

‘Ga je dat niet opeten? Nee zeker? Je kan zeker nog niet zo goed slikken?’ Ik lag nog steeds in mijn bed. Naast me stond een potje yoghurt. Mijn avondeten. Nog voor ik nee kon schudden had hij het al weggeritst.

‘Sorry, jongen,’ fluisterde hij een tijdje later, toen hij weer gekalmeerd was. ‘Ik heb soms echt veel honger. Maar echt veel. Die rotte oorlog ook ... Als er eten is, moet je eten.’

Veel zei hij daarna niet meer. Verpleegster Jessica bracht onze medicatie. Pijnstiller voor mij (ging heel moeilijk binnen) en een vijftal pillen in allerlei kleuren voor Kamiel. Het leken wel M&M’s. Ze keek aandachtig toe hoe hij ze een voor een netjes doorslikte. Ik ook. Hij had echt een vreemde nek. Alsof hij ooit een winkelhaak had doorgeslikt. ‘Doe ze maar dicht, Kamiel,’ zei ze. Dat deed hij. Het avondnieuws was nog niet eens begonnen.

‘Kamiel maakt het nooit laat. Eten vergt nogal veel van ‘m en dan zijn medicatie nog … Enfin, hoe gaat het met jou? En lukt het een beetje met je oude buurman? Ik ben de nachtzuster. Jessica.’ Ik antwoordde twee keer dat het wel ging. Haar naam had ik een paar minuten eerder al op haar borst gelezen. Op het naamplaatje aldaar, voor alle duidelijkheid. Hoewel ze er niet bepaald onsmakelijk uitzag, had ik weinig zin in conversatie, laat staan in flikflooierij. Praten was pijnlijk en ik had me net gerealiseerd dat ik over twee weken een examen Franse Woordenschat voor de boeg had en dat ik mijn cursus had meegebracht. Niet dat ik nu meteen wilde studeren, maar het gaf me wel een bepaald gevoel van onrust. Achteraf bekeken wel erg toegewijd, zo vlak na een operatie. Plichtsbewust. Consciencieux. Dat wist ik nog. Goed voor mijn vertrouwen.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd, zat Kamiel op een stoel vlak naast mij, op geen halve meter afstand. Hij keek me strak aan.

‘Aha! Je bent wakker! Goedemorgen, Danny!’

‘Goedemorgen,’ stamelde ik.

‘Je hebt een ietwat Limburgs accent, alhoewel, misschien eerder een randgeval … Ben je van Balen? Mol? Geel?’ vroeg hij in plat Antwerps. Heel ver zat hij er niet naast.

‘Lommel,’ zei ik naar waarheid.

‘Juist! Ik dacht het! Ik ken Lommel als mijn broekzak. Ik ben schipper geweest, weet je, en ik heb heel dikwijls op Lommel gevaren. Kanaal Bocholt-Herentals. Plezante cafeetjes daar. De Blauwe Kei en Dikke Louis! Succes bij de vrouwtjes dat ik daar had, niet te geloven. Ik was een vrouwenmagneet. Jong, knap en gespierd was ik. Ja, dat waren tijden! Hoe zou het eigenlijk met mijn tuin zijn? Prei en selder dat ik dit jaar heb! Ons Alice zal nogal soep kunnen koken, zeker weten. Alice is mijn vrouw, trouwens. Ze zeggen dat ze dood is. Onzin. Touwtjespringen doe ik ook graag. Komt de voetbalmatch vandaag niet op de televisie? Deze middag eten we varkenshaasje met kroketten, maar we beginnen met een zalmcocktail en eindigen met een tieratsjoe of zoiets. Ik verstond de verpleegster niet te best, maar ze zei dat het iets met chocolade en amaretto was. Volgens mij gaat ze ziek worden, met haar genies. Hoe dan ook, ik heb aangepaste wijnen besteld. Voor jou en voor mij. Het zal ons deugd doen. Schol.’

Er was geen speld tussen te krijgen. Een antwoord van mijnentwege verwachtte hij duidelijk niet. Mompelend stond hij recht, om een paar meter verder, nabij het venster en zijn eigen bed, in de zetel te ploffen. Ik zag hoe zijn hoofd van links naar rechts bewoog, alsof hij een tennismatch aan het volgen was en ik besloot mijn cursus Frans even in te kijken. De verwarring: la confusion, mompelen: murmurer, het medelijden: la pitié, beseffen: réaliser. Het stond er allemaal, tussen honderden andere woorden weliswaar. Een piepend geluid. Een piepend geluid? Gehuil. Gesnik. Ik keek naar Kamiel en zag hoe zijn langwerpige, kale kopje meetrilde op het ritme van de snikjes. Ik nam de stoel die hij daarstraks had achtergelaten en ging naast hem zitten. Onmiddellijk stopte hij met huilen. Hij veegde zijn tranen af met een van de veel te grote mouwen van zijn pyjama en tuurde naar buiten. Voor het eerst keek ik zelf ook door het venster. Ik zag een lange, smalle parking die zo goed als leeg was en daarnaast een grasveld. Na een paar seconden had ik het wel gezien. Kamiel bleef naar buiten staren. Zonder mij aan te kijken, stak hij opnieuw van wal.

‘Mijn hoofd is als die parking hier. Soms is ze helemaal leeg, zoals nu. Op andere momenten is ze zo vol dat er niet genoeg plaats is. Elke auto is een herinnering of een gedachte. Ze komen en gaan. Weet je, als het niet druk is, parkeren alle chauffeurs hun auto zo dicht mogelijk bij het gebouw, zodat ze niet ver hoeven te lopen naar de ingang. Zoals nu, kijk, er staan amper acht auto’s. Allemaal vlakbij. Ik vergelijk ze met gedachten van nu. Van dit ogenblik. Op mijn parking staan de auto’s bijna altijd een heel eind verderop. Zo ver mogelijk weg. In het verleden. Bij mij staat het voorste gedeelte altijd leeg. Het heden gaat me niet meer zo goed af, ‘t gaat veel te vlug en er hangt altijd mist. Ik leef liever in het verleden. Ik moet wel. Vroeger had ik alles. Nu heb ik niks meer. Mijn herinneringen, ja, die wel, maar binnenkort ben ik die ook kwijt.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen.

‘Je moet niks zeggen,’ fluisterde Kamiel, die me al een tijdje opnieuw zat aan te kijken. Helderder dan ooit tevoren. In zijn blik zat eerst wanhoop en vertwijfeling (désespoir), later berusting en gelatenheid (démission). Daarna een glimlach.

‘Il vaut mieux accepter l’inévitable. Je kan het onvermijdelijke maar beter aanvaarden!’ zei hij kordaat, terwijl hij in het opstaan twee keer met geringe spierkracht op mijn rechterschouder klopte en daarna naar de cursus op mijn tafeltje wees. ‘Staat erin!’ riep hij enthousiast. Zijn drie tanden moesten dringend nog eens gepoetst. Hij stond op en ging ijsberen, in afwachting van het ontbijt. Steeds zenuwachtiger, steeds schuifelender, steeds waggelender en met een steeds wildere blik.

Voor het eerst in mijn nog jonge leven stond ik uitgebreid stil bij dementie en bij dat wat onvermijdelijk is: de dood. Voor het eerst borrelde de drang op om te schrijven, écht te schrijven. Om mijn gedachten open en bloot weer te geven en mijn denkwereld te tonen, te vereeuwigen, voor hij instort.

Bedankt, Kamiel.

 

 

 

 

 

 

© Danny Vandenberk op .

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.
23.11.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Fijn dat Kamiel je dit kon leren.
grappig is, dat toen ik aan mijn amandelen was geopereerd (16 jaar), ik op een kamer lag met 2 dames van dik in de tachtig en al flink opgeschoten in de negentig. bij beiden waren benen afgezet. ik was zo ontzettend ziek van de narcose. het eerst wat ik zag toen ik mijn ogen opende op zaal: mevrouw A over me heen hangend die verslag uitbracht aan mevrouw B over mijn geestelijke toestand.
hun conclusie was dat ik nog lang niet dood was en me niet zo moest aanstellen.
daar kon ik het mee doen. uiteindelijk hebben we met zijn 3en zoveel lol gehad en toen ik na 2 weken naar huis ging, besloot ik ze nog op te zoeken. mevrouw A was gezond genoeg verklaard en naar huis. mevrouw B verloor in rap tempo haar contact met de wereld.
maar tot ze uiteindelijk naar een verzorgingstehuis ging, was ik elke keer weer die Aanstelster die dacht dat ze dood ging. zij mocht me zo noemen.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
22.11.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Wat ben je goed met dialoog! Ik heb graag dit stukje gelezen. Ik ben benieuwd naar meer van je werk :)
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
19.11.22
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Een heel lang kort verhaal waar je gretig door leest. Niet je echt eigenste stijl maar doorspekt met je typische woord- en beeldvondsten. De dood, ja, knaagt aan me, niet voor mezelf maar voor mijn kinderen. Ik heb ze het leven geschonken... maar ook de dood. Griezelig egoïstisch op een manier.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Danny Vandenberk 19.11.22
    Ik schrijf wel vaker op deze manier, denk ik, Helena, zeker in mijn, zoals je zelf al aangaf, iets langere teksten. Meestal worden we hier op Schrijverspunt beperkt op dat vlak en als ik dat doe, ga ik veel sneller jongleren met woorden. Bij het nalezen van de 'reglementen' zag ik dat men 'de voorkeur geeft aan maximaal 1000 woorden', dat laat speling. Als ik echt een 'verhaal' wil vertellen, zakt mijn gehalte aan woordspelingen zienderogen. Wat ik echter veel interessanter vind, is je filosofische overschouwing. Griezelig, ook in mijn beleving, omdat ik me vaak exact dezelfde bedenking maak jegens mijn kinderen ... Niet dat IK mijn kinderen het leven heb geschonken, maar ik heb er wel flink aan meegewerkt. Daar ga ik althans toch vanuit. :-)