Korte verhalen

55 woorden verhalen op Schrijverspunt
  • kort verhaalHet korte verhaal leent zich voor het type analyse waaraan literaire romans worden onderworpen, voor wat betreft bijvoorbeeld de verteltechniek. Een kort verhaal verschilt van de anekdote doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard. Poe vond dat een kort verhaal in een half uur tot twee uur, maar in elk geval in één keer moest kunnen worden uitgelezen en gericht moest zijn op het bereiken van een enkel effect.

    De waarschijnlijk meest uitdagende vorm van een kort verhaal is het flitsverhaal. Een flitsverhaal is een compleet verhaal in het kleinst mogelijk aantal woorden. Het moet een begin, midden en einde hebben en bij voorkeur een draai of verrassing aan het einde. "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef."

    Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen.
  • meedoenWil je ook een kort verhaal publiceren op Schrijverspunt? Jouw zelf geschreven korte verhaal  of flitsverhaal is hier ook welkom. Graag eerst even inloggen (lid worden is gratis).Een kort verhaal bij Schrijverspunt mag uit maximaal 500 woorden bestaan.
  • Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

    Een artikel beoordelen? Breng dan s.v.p. een stem uit  door op de gewenste(1-5) ster te klikken. (5 sterren is de hoogste waardering)

Het Antiquariaat dat er moest zijn

1.
Nooit heb ik iemand ontmoet die zó gebukt ging onder het verschil tussen ‘hoe-het-is’ en ‘hoe-het-zou-moeten-zijn’ als Jan de Archiefman.

In de tijd waarover ik spreek liep ik stage bij een Amsterdams productiebureautje ten oosten van het centrum. Jan, die gelaten naar zijn pensioentje strompelde, had een baantje in het toen nog noodzakelijke archief van honderden opnametapes. Jan dreigde zijn werkend leven te eindigen zoals ik destijds vreesde het te beginnen: betamelijk maar zonder geestdrift; gedoogd maar nauwelijks gewaardeerd; vaardig maar zonder buitengewone begaafdheid.

Omdat het baantje, waarschijnlijk gekregen uit het medelijden dat zijn tragische gezicht onveranderlijk aftroggelde, niet méér van hem verlangde dan het archiveren van teepjes die met trage regelmaat werden aangeleverd, was hij vaker in de binnenstad te vinden dan op kantoor. Vaak gingen we lunchen in een café aan de Zeedijk, vlak naast de Basiliek van de Heilige Nicolaas. Een gedeelde liefde voor boeken had ons bij elkaar gebracht.

Jan leefde in boeken. Het had er alle schijn van dat hij de samenhang van de roman - het begin-midden-eind ervan - nodig had om zijn eigen zwalkende bestaan structuur te geven. Na Borges te hebben gelezen had hij, al was het maar een paar uur, vrede met zijn leven. Anders gezegd: boeken maakten zijn bestaan dragelijk.

Hij struinde obsessief de antiquariaten af. Met de moed der wanhoop bijna, alsof hij daar de wijsheid hoopte op te doen om hem uit dit aardse tranendal te verlossen: de belofte van bovenzinnelijkheid, die joeg hem een boekwinkel in.

Toch leek het er soms op dat het hem niet eens zozeer om de boeken ging, maar om de zoektocht ernaar. Een antiquariaat vond hij meestal spannender dan de boeken die ze er verkochten. De context was belangrijk. En waarom ook niet? Iemand kan apathisch langs een kinderboerderij vol herten lopen, maar pas als hij verderop in het bos een wilde reebok ziet staan denkt hij: een hert! Zo vond Jan een Nabokov op de stoffige onderste plank van een antiquariaat specialer dan dezelfde Nabokov in de schappen van Scheltema.

Afijn, Jan de Archiefman zou waarschijnlijk zonder achterlating van sediment uit mijn geheugen zijn verdwenen als er niet iets opmerkelijks was gebeurd.

2.
Het was laat in de herfst en Jan was al een tijd niet te genieten. Dat kwam omdat hij wel zo’n beetje alle boekhandels in de stad had gezien.
‘Als je voor het eerst in Amsterdam komt,’ zei hij, ‘dan is het een plek vol geheimen en mogelijkheden. Maar als je het tot de laatste uithoek hebt uitgekamd besef je dat het gewoon een stad is als alle andere, dat er geen verborgen plekjes zijn, alleen maar meer Burger Kings.’

Maar op een dag liep hij enthousiast het café binnen. Jan had de gebogen, bijna verontschuldigende tred van iemand die zich erbij neerlegt dat het straatbeeld net zoveel behoefte aan hem heeft als aan een tweedehands sokkenwinkel, maar nu bewoog hij zich snel en voortvarend.

‘Ik heb een nieuwe boekhandel gevonden,’ zei hij. Het leek wel alsof hij buiten adem was.
‘Ja?’ zei ik.
‘Hier vlakbij,’ zei hij.
Hij trok een papieren zak tevoorschijn. Daarin zaten drie oude boeken. Hij stapelde ze op het tafelblad en de prettige geur van oud papier verdrong heel even die van verschaald bokbier: twee Franse dichtbundels uit het begin van de 20e eeuw, en een derde dat erg oud leek.

‘Het is de Inventio Fortunata,’ zei Jan met een blik die ik pas veel later als betekenisvol herkende. ‘Het verslag van een Franciscaner monnik die al in de 14e eeuw naar de Noordpool reist.’
‘Wat leuk,’ zei ik. Wat wist ik als onnozele blaag van de Noordpool?

Enige tijd later meldde hij zich opnieuw. ‘Ik ben weer in die boekwinkel geweest,’ zei hij. Hij fluisterde, maar ik kreeg het idee dat zijn stem wilde overslaan van opwinding. ‘Het is een antiquariaat. Maar een heel bijzonder. En heel oud. Ik vertel het je straks.’

Ook ditmaal had hij een papieren zak met boeken. In ons café aan het einde van de Zeedijk, aan het einde van een week die alleen maar regen had gebracht, stalde hij zijn schatten uit.
‘Kijk,’ zei hij, ‘dit is The Isle of the Cross, van Melville.’
Ik bekeek het aandachtig. Weer een statig oud boek, midden 19e eeuw.

Jan vertelde over het antiquariaat dat hij zo geweldig vond. ‘Het is een heel raar klein zaakje. Twee kamertjes van een paar vierkante meter. Achterin zit een mottig oud kereltje dat nooit iets zegt. Het geld stopt hij in een kistje op een bijzettafel naast zijn stoel. Er is geen kassa, geen toonbank, het is net alsof je een woonkamer binnenloopt.’
‘Wat ongemakkelijk lijkt me dat.’
‘Totaal niet, dat is het rare,’ zei Jan. ‘In veel kleine winkeltjes heb je dat, het gevoel dat je stoort, dat je in andermans kastjes snuffelt, dat je een ongenode gast bent. Maar daar niet. Ik voel me juist compleet thuis. Welkom bijna.’

Hij bevestigde dat het antiquariaat zich op nog geen vijf minuten van het café bevond. Grappig, merkte ik op. De hele stad had hij afgestruind, elke straat, en nu zat zijn favoriete winkel praktisch om de hoek.
‘Ja, vreemd is dat, hè?’ zei hij. Hij was onherkenbaar vrolijk, ten prooi aan luimige opgewektheid. ‘Maar het is niet zo raar dat ik het niet eerder heb gezien. Het zit enorm weggestopt. Als je niet weet dat het er zit, vind je het niet.’

Hoe was hij er dan gekomen? Dat wist hij niet precies. Hij hield het erop dat hij per ongeluk de juiste steeg was ingeslagen. De vondst, zo leek het, was een toevallige, en niet de opbrengst van een verbeten zoektocht. Hij vond wat hij zocht toen hij stopte met zoeken.

‘Er is nog iets bijzonders aan,’ zei hij geheimzinnig. ‘Ik zal het je vertellen, maar nu nog niet.’

3.
Jammer genoeg kwam ik verder niet veel te weten. Jan belandde kort daarop met een lichte beroerte in het ziekenhuis en de daaropvolgende maanden was hij uit de running. We bezochten hem een paar keer, en dan lag hij met scheve mond uit het raam te staren. In lezen had hij geen zin: hij kon nog geen vijf regels onthouden.

Iemand om voor hem te zorgen had hij niet. Hij was ooit getrouwd geweest, met een importbruid uit Ghana of Togo, maar die had hem verlaten, woonde inmiddels bij een ander, een ander met minder boeken, meer geld, meer geluk en meer handelingsbekwaamheid.

Toen Jan weer op kantoor verscheen was hij veranderd. Niet alleen zijn lichaam was uit het lood geslagen. Waar hij voorheen nog een bepaalde balans had bewaard tussen hoop en smart, daar helde zijn ziel nu over naar het laatste. Toch probeerde hij te glimlachen: ‘Dat was een benauwd halfelfje,’ zei hij luchtig.

Pas toen hij zei dat hij een frisse neus ging halen moest ik weer aan het antiquariaat denken.
‘Ga je daarheen?’ vroeg ik. ‘Lukt dat wel, helemaal naar het centrum?’
Hij gebaarde dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Sterker nog, hij vroeg of ik hem rond de middag op de Zeedijk wilde ontmoeten.

Weer was daar de papieren zak zonder opdruk of herkenningstekens. Zijn rechterarm was bijna onbruikbaar en ik hielp hem om zijn laatste aanwinst op tafel te leggen. Het was een oud Franstalig boek over religieuze architectuur in Brabant. Hij had het voor mij gekocht omdat ik elke dag de trein uit Den Bosch nam.
‘Het is een zeldzame misdruk,’ zei Jan. ‘Ze hebben twee keer hetzelfde hoofdstuk afgedrukt.’

Ik was nu toch wel erg nieuwsgierig geworden. ‘Waar zit dat antiquariaat ook alweer?’ vroeg ik.
‘In het Wijngaardstraatje,’ zei hij. ‘Dat is een zijstraat van de Warmoesstraat. Tussen Restorante Italiano en Hotel Luxer. Er is een hek maar dat staat altijd open. Ongeveer halverwege kom je bij de Bethelemsgang. Daar is het. Een lage groene deur in de witte muur.’

4.
Een paar dagen later besloot ik zelf te gaan kijken. Bij de pizzeria sloeg ik linksaf het Wijngaardstraatje in, een steeg die zo nauw was dat je ongemerkt de armen tegen de romp gedrukt hield. Het hek was er, de Bethelemsgang ook. Maar een antiquariaat vond ik niet, ook niet nadat ik een paar keer op en neer door de steeg was gelopen.

‘Raar. Het zou er moeten zijn,’ zei Jan later.
‘Ik zag geen groene deur,’ zei ik.
‘Zoek nog maar eens,’ zei Jan. ‘Dat antiquariaat moet er zijn.’

Toen ik het een tijd later nog eens probeerde had ik ook geen succes. Ditmaal sprak ik een man aan die net uit een poortje kwam. Hij woonde daar.
‘Een boekwinkel, hier?’ vroeg hij alsof ik hem voor de mal hield. Van een groene deur wist hij niets. Zijn vrouw, een jonge blonde die hem naar buiten volgde, ook niet. ‘Wie heeft u verteld dat er hier een boekwinkel zit?’

Ik vertelde het verhaal van Jan.
De vrouw opperde: ‘Misschien is dat die verlamde man die hier altijd komt.’
‘Verlamde man?’ vroeg ik.
‘Een man die halfzijdig verlamd is. Waarschijnlijk een beroerte gehad.’
‘O ja, die,’ viel haar echtgenoot bij. ‘Die ouwe vent. Beetje vreemd. Strompelt hier altijd door de steeg. Zegt nooit wat.’
‘Hij blijft halverwege opeens staan,’ vulde de blondine aan. ‘Soms wel een halfuur. Tuurt maar wat voor zich uit. We gingen er vanuit dat ie niet helemaal goed was. Je hebt hier zoveel gekken. Verslaafden en zo ...’

Ik geloof dat ik eerst verbouwereerd was en daarna bedroefd, alsof mijn verbazing langzaam afzakte naar mijn maag en daar als een loodzware bal van medelijden bleef liggen.

5.
Ik durfde Jan niet te zeggen wat er was gebeurd en hij vroeg er niet naar. De weken daarop was hij vanwege zijn handicap onregelmatig aanwezig. Meestal rehabiliteerde hij bij de fysio. Maar op een dag begon hij er weer over. Hij fluisterde: ‘Kom straks naar het café, ik ben in het antiquariaat geweest!’

Met lood in de schoenen ging ik naar de Zeedijk. Wat moest ik doen? Iemand bellen? Het melden op kantoor?

Hij zat weer aan ons tafeltje. Met papieren zak op schoot. Was het steeds dezelfde zak of elke keer een nieuwe?
‘Moet je zien wat ik nu weer gekocht heb,’ zei hij, en het kinderlijk enthousiasme waarmee hij het zoveelste boek tevoorschijn toverde kwam nu op me over als een zorgwekkende, maniakale geestdrift.

Zijn laatste ‘aankoop’ - god mocht weten waar hij het vandaan had - betrof ‘A visit to a Mortuary’ van een nog baardeloze Hemingway. Uit beleefdheid bladerde ik het door, het illegaal gedrukte boekje uit 1922.

‘De boeken die ze daar hebben, prachtig,’ zei hij. ‘Bladzijden zo zacht als vrouwenhanden. En het mooie is echt dat ze precies alle boeken hebben die ik zoek. Alsof ze op mij staan te wachten.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Maar er is nog iets anders,’ zei hij en zijn stem werd lager. ‘Ik moet je iets vreemds vertellen. Iets heel wonderlijks.’
‘Oké,’ zei ik.
Hij boog zich voorover alsof hij bang was dat het lege café hem zou horen.

‘Toen ik er voor de eerste keer was,’ begon hij, ‘had ik eigenlijk haast, want ik moest een kennis van de trein halen. Maar ik was zo geboeid door het antiquariaat dat ik er zeker drie kwartier binnen ben geweest. Nou, toen schrok ik me natuurlijk rot. Dus ik ren als een gek naar het station. Wat bleek nou? Ik was een uur te vroeg!’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, er wás dus helemaal geen drie kwartier verstreken!’ zei Jan. ‘Sindsdien is het vaker gebeurd. Dat ik in de winkel stond te lezen, urenlang, en dat er helemaal geen tijd verstreken was toen ik weer buiten kwam!’
‘Oké.’
‘Dat is wat ik je wilde vertellen. In het antiquariaat kun je eindeloos boeken lezen en kennis vergaren en alle wijsheden tot je nemen, en het kost je geen enkele tijd! Je zou er de eeuwigheid door kunnen brengen, bladerend, zonder een dag ouder te worden!’

Hij leek te merken dat ik hem niet geloofde. Met iets van milde teleurstelling mompelde hij: ‘Misschien ben je er nog niet klaar voor. Nog niet.’

Na afloop zag ik hem door de regen weg schuifelen. Ik herinner me dat hij me op dat moment deed denken aan een jeugdvriendje. Toen we klein waren groeven we een keer samen een schat op. Wij uitzinnig van opwinding natuurlijk. Later bleek dat hij hem daar zelf had begraven. Hij wilde zó graag een schat vinden dat hij hem zelf maar verstopt had.

Mijn stage kwam tot een eind en ik ging terug naar school. Aan Jan dacht ik niet vaak meer. Te pijnlijk misschien: zijn wanen en mijn goedgelovigheid. Pas een jaar of wat later, toen ik een keer met het productiebureau belde, hoorde ik dat hij kort na mijn vertrek was overleden: vrij plotseling en nog vóór zijn pensioen.

6.
Soms kom ik nog op de Zeedijk. En af en toe kom ik in de verleiding om het Wijngaardstraatje in te lopen. Om dat hekje naast Hotel Luxer door te gaan en halverwege de Bethelemsgang naar een lage groene deur te zoeken.

Ik vind hem nooit. De deur niet en de winkel niet. Misschien heeft Jan gelijk, ben ik er nog niet klaar voor. Misschien vind ik hem pas als ik het hard genoeg nodig heb.

Maar het boek dat ik van hem kreeg, de ‘zeldzame misdruk’, staat nog steeds in de kast. Gekocht in een antiquariaat dat er eigenlijk zou moeten zijn.

Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 125
(Gemiddelde waardering 5 met 3 waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Wil je deze schrijver nomineren!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Top 10: Hoogste beoordeelding in deze rubriek

Top 10 : Meest gelezen in deze rubriek

Recente inzendingen voor schrijfactiviteiten met een hoge waardering van bezoekers.

Haiku bij aquarel

sept 21, 2019 Poëzie Guido Aerts

ziek zijn

okt 12, 2019 Poëzie Sherina aka.sheri

Meer schrijfactiviteiten