Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

De zee
Inzendingen: 876
Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."

De zee

Van jongs af aan heb ik iets met de zee. Als kind was ik vooral bang voor water. Er is een foto van mij, waarop ik, drie jaar oud, in een blauw badpakje, emmertje in de hand, aan zee sta. Het andere handje is gestrekt naar voren, in een ‘gooi’beweging. Het mag raar klinken, maar ik herinner me dat nog, hoe ik daar stond en de zee weg wilde maken. Eindeloos stond ik daar en gooide handjes zand in het water. Als ik dat maar lang genoeg zou doen, zou de zee uiteindelijk dicht gaan, zo redeneerde ik. Ik vond het eng, dat water en wilde er ook niet in. Mijn vader nam me weleens mee de zee in. Handen onder mijn oksels en huppakee, mee met papa. In het begin dacht ik nog dat dat weliswaar spannend, maar ook leuk was. Al gauw kwam ik erachter dat er altijd wel een moment kwam dat papa me los liet. Dan kwam er een hoge golf over me heen en verdween ik in niemandsland. Volledig gedesoriënteerd zag ik alleen maar water om me heen. Terwijl ik in paniek met mijn handen om me heen sloeg, voelde ik hoe ik beetgepakt werd en kwam ik, naar adem happend, hoestend en proestend weer boven. Ik geloof niet dat het mijn angst voor water minder maakte, terwijl dat toch, neem ik aan, de bedoeling was van mijn vader.
Mijn vader kon niet zo goed tegen ‘angst’. Liever wilde hij dat ik stoer was, voor alles ‘in’, iemand die de grenzen opzocht. Dus dat bangige gedoe bij het water irriteerde hem, zoals ook mijn dromerigheid hem irriteerde. Erg consequent was hij overigens niet. Op het moment dat hij last had van mijn doortastendheid, mijn onverschrokkenheid, ik over zijn grenzen heenging, werd hij woest. Ik zag zijn ogen veranderen en voor ik het wist bulderde zijn stem door de ruimte. Dan schrok ik geweldig, kroop in mijn schulp, hield me stil en gedroeg me weer naar de regels zoals ik die van mijn ouders geleerd had.
Meermalen verbrandden mijn zus en ik aan het strand. Ook in die tijd bestonden al zonnebrandmiddelen, maar mijn vader vond dat ‘geldklopperij’. Hij legde uit dat mensen nou eenmaal geld willen verdienen, en dat ons, de consument, wijs werd gemaakt dat we dat nodig hadden. ‘Onzin’, placht hij te zeggen. ‘Buiten zijn is gezond en verbranden hoort erbij.’ Dus speelden we een hele dag of middag aan het strand, en bleken we ’s avonds knalrood te zijn, meestal vooral op de rug. Mijn moeder kwam dan met de bekende rode fles Tschamba-fii, waarop een geheimzinnige man met een hoed stond afgebeeld. Het goedje kleefde, maar werkte verzachtend, zei ze. Vaak kon ik moeilijk in slaap komen, zoveel pijn deed het. Na een aantal dagen begon het vervellen. Vele jaren later heeft mijn vader zichzelf vervloekt, gok ik, toen bleek dat hij verdachte plekjes op zijn huid had. Toen hij de uitslag ‘huidkanker’ kreeg en hij er spaarzaam over repte naar ons toe, keek hij bang en in zichzelf gekeerd, zijn blik gericht op een verte. Waar dacht hij aan? Aan wat dit nu voor zichzelf betekende of ook aan de uren vol rood en pijn waar hij ons aan had blootgesteld?
Ik kan me herinneren dat ik ondanks dit verbranden de zee en het strand een fijne plek vond om te zijn. Om er te spelen, te liggen op je handdoek en de zee in te gaan. Ik had inmiddels zwemlessen gehad en vond het water niet meer zo eng. Een durfal was ik nog niet, de waarschuwingen voor draaikolken indachtig, maar steeds vaker stortte ik me in de golven. Ik lette goed op tot hoever de mensen om me heen de zee in gingen, en waande me veilig. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit dorst had, terwijl wij als gezin nooit iets als water bij ons hadden. Mijn moeder diepte nog weleens een boterham uit een tas, de bekende boterham met zand en dat was het. We kochten niets in de strandtent, bij hoge uitzondering kregen we, als we het strand verlieten, een ijsje of een zure bom. Mijn ouders hadden de schaarste van de oorlog meegemaakt en verwennen was een doodzonde. Hierin ging mijn moeder overigens verder dan mijn vader. Als iemand een portemonnee trok om te trakteren, was het meestal mijn vader. Of dat door gulheid kwam, of door zijn bourgondische inslag, die hij toch ook vooral voor zichzelf wel had, of wellicht door het feit dat mijn moeder afgepast huishoudgeld kreeg … het zal een mengeling van dit alles geweest zijn.
De puberteit brak aan. Ik ging graag naar het strand, nu voornamelijk om bruin te worden. Dat bruin worden ging op de manier die ik kende: niet insmeren, of, afgekeken van anderen, met olie en dan uren bakken. Knalrood werd ik soms, maar dan was ik in ieder geval lekker gekleurd. Als kind was ik heel vaak ziek geweest en had niet alleen altijd moeten horen dat ik zo dun was, maar ook dat ik ‘zo wit’ zag. Daar was ik helemaal klaar mee. Bruin zijn was in en ik wilde meetellen! Dat laatste was voor mij al moeilijk genoeg: vanaf de kleuterschool was mijn positie op school weliswaar niet zo pijnlijk als die van mijn zus, ik werd getolereerd, maar daar was alles mee gezegd. Toch vond ik het op het strand ook gewoon spannend en leuk, al die jongeren bij Kijkduin, sommigen met radio, in groepen bij elkaar. Het was een drukte van jewelste. Je lag hutjemutje, er klonk muziek en iedereen observeerde elkaar.
Ik lag nooit in een groep. Meestal lag ik met mijn zus of die ene vriendin samen en verlangend vroeg ik me stiekem af hoe het zou voelen om bij een groep te horen. De groepen gedroegen zich alsof het leven één feest was, ze waren luidruchtig, namen letterlijk en figuurlijk veel plek in en ik voelde me geconfronteerd met mijn niet populaire status. Wel veranderde er iets toen ik een jaar of zestien was: zoals dat gaat op die leeftijd, kwamen er ook ineens jongens op mij af. Het gebeurde nogal eens dat er zomaar een paar bij me kwamen zitten. Niet gewend aan enige vorm van aandacht, wist ik me hier geen raad mee. Ik was verlegen, het leidde tot niets en het veranderde dan ook niets aan mijn status: niet op school en niet op het strand. Als het me te heet onder de voeten werd, nam ik een duik in zee. Ik voelde me vrij in de golven. De zee hoefde voor mij allang niet meer dicht.
Hoe anders werd mijn behoefte toen ik ouder werd. Mijn ouders hadden een tweede huis in Zeeland, niet al te ver van zee. Daar was een natuurstrand als een groot, wit zandlaken. Natuurmonumenten zwaaide daar de scepter. Om het strand te bereiken, moest je eerst een lang duinpad aflopen, heuvel op, heuvel af. Als kind had ik dat verschrikkelijk gevonden, zelf sjouwend met mijn emmer en schep, mijn vader voorop. ‘Wanneer zijn we er nou?’, begon het de eerste keer, maar daar had mijn vader geen geduld voor. ‘Hup, doorlopen!’ Het duurde voor mijn gevoel eindeloos. Maar áls je dan bij zee was, dan zag je ook wat! Een grote, eindeloos witte zandvlakte van een kilometer breed, zoals mijn vader vertelde, en daarna die mooie, ritmische zee. Er waren bijna geen mensen, geen hippe strandtenten. Het was zo anders dan het strand bij Den Haag, maar zoals dat bij kinderen gaat, neem je het, na de eerste verbazing, zoals het is.
Toen ik ouder werd, ging ik juist dit strand zo waarderen. Mijn ouders waren inmiddels definitief verhuisd naar hun tweede huis, dus als ik ze wilde bezoeken, moest ik naar Zeeland toe. De stilte van het strand was allengs minder stil geworden, de toeristen hadden het ontdekt. Toch gingen, gelukkig, de meeste toeristen naar het strand met de korte overgang. Het bleef een relatief rustig strand.
Mijn vader overleed, ik kreeg kinderen en toen ze klein waren gingen mijn man en ik weleens rond etenstijd met ze naar dat strand. Broodjes en fruit mee, een flesje water, daar spelen en eten met elkaar. Het was heerlijk, ik kwam daar volledig tot rust. Het strand was bijna leeg, de kinderen speelden. Ik hoorde hun stemmetjes ijl door de lucht, het geschreeuw van de meeuwen, het gebeuk van de golven. Een beetje weemoedig dacht ik dan ook aan vroeger. Ik realiseerde me dat het toch vooral mijn vader geweest was, die me de liefde voor de zee had bijgebracht. Voorgoed associeerde ik duinen, strand en zee, het natuurschoon daarvan met mijn vader. Hij was er in mijn gedachten altijd bij.
Mijn kinderen werden pubers. Als we naar Zeeland gingen, lukte het bijna niet meer om naar het strand te gaan. Mijn moeder was ziek geworden, behoefde steeds meer zorg en als ik daar kwam, schoot ik in mijn rol van mantelzorger. Mijn ingewikkelde broer woonde bij haar in. Mijn zus en ik deden de boodschappen, maakten schoon, kookten, en waren zoveel mogelijk bezig met mama. Als er een moment was, werkten we keihard in de tuin, die toch langzaam maar zeker dichtslibde. Het werd daar steeds meer een dweilen met de kraan open. Het water dat ik zag, was geen zout zeewater meer, maar water met schoonmaakazijn in de emmer, gevuld om het huis te poetsen en te boenen, ongelukjes op te ruimen. Het was een verdrietige tijd en ik realiseerde me dat de plek, hoewel nog aanwezig, voorgoed veranderd was. De mooie herinneringen gingen schrijnen, de dagelijkse werkelijkheid putte mijn zus en mij uit en zorgde ervoor dat we elkaar als zussen kwijtraakten.
We zijn nu weer jaren verder. Ik kom nog steeds in Zeeland, weer voor taken, niet voor ontspanning. Het strand heb ik al jaren niet meer gezien. Nog één keer wil ik naar dat fijne, brede, mooie natuurstrand. Hunker ik naar die wandeltocht door de duinen. Ik zit daar, op een duintop, in de stilte, hoor de meeuwen en de zee. Voel de wind langs mijn wangen. Zie het oneindige mooie witte strand. Het lijkt op vroeger, maar het is het niet. Mijn ouders zijn dood, met mijn broer gaat het niet goed. De keren dat ik nu in Zeeland kom, gaat mijn zorg vooral uit naar hem. Mijn kinderen zijn uitgevlogen en gaan niet meer mee. Ik kijk over de zee, voel de stilte. Het laatste dat ik wil, is dat de zee dicht zou gaan. Ik wil de zee in me opnemen, omarmen. Diep adem ik in en ruik de zilte lucht. De schoonheid beroert mijn hart, maar ik voel het gemis van alles wat niet meer is. Ik voel dat ik op ben en wat er allemaal verloren is gegaan. Bovenal voel ik hoe ik mezelf ben kwijtgeraakt. Voor het eerst in jaren laat ik mijn tranen de vrije loop en proef het zout van de zee.
 
Dit artikel delen?

Elka Le Mair

Avatar

Publicatie op .
Hits: 99

geef een waardering voor: "De zee"

Geschreven door Elka Le Mair . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
08.11.20
Feedback:
Je hebt me helemaal laten meeslepen in dit inkijkje in het leven van een ander, op sommige punten herkenbaar, op andere punten niet maar wel steeds invoelbaar. Goed geschreven!
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
08.11.20
Feedback:
Ik heb je verhaal met veel plezier gelezen, Elka.
Net of ik even een kijkje mocht nemen in het dagboek van iemand anders.
Mooi geschreven.
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!