SCHRIJFACTIVITEIT: KORT VERHAAL

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal.
Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Klik voor alle schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

  • DEZE INZENDING:
  • Waardering
  • Hits
    593

De Vlisotrap

Publicatie: | Dianne van Oosterhout

Als ik de foto's kan geloven was ik een vrolijke baby en peuter, grote donkere ogen en een klein plukje haar boven op mijn hoofd als een kuifje. Ik kan me mijn rode driewieler nog herinneren, de spelletjes 'ik kijk voor niemand uit' met mijn broers in de woonkamer, het grote grasveld achter het huis waar we in een teiltje in bad gingen, en mijn kamertje met het hoge spijlenbed. De eerste keer dat ik bij de kleuterschool mocht gaan kijken en hoe nerveus ik was omdat ik niet zeker wist of de zusters me wel wilden hebben. De hoofdzuster keek streng vanonder haar kap naar mij, en ik zei in mezelf het Weesgegroet op, al kon ik dat nog niet helemaal, denkend dat ze mijn gedachten kon horen. Maar ik mocht komen. Ik kreeg als welkomstgeschenk een oranje vogelfluitje, zo een waar je water in moest doen en als je dan ging blazen ging het vogeltje fluiten. Ik bracht toen nog veel tijd door met mijn moeder, in mijn herinnering vooral achterop de fiets. Mijn broers zaten al lang op de kleuterschool en mijn moeder nam op straat de tijd om met kennissen bij te kletsen. Ik zat achterop ongeduldig te wachten op het moment dat ze zou doorfietsen en voelde me vaak vergeten. De verkleurde grote bloemen op haar jas, ceintuur om haar middel, de zachte sandalen met hakje, haar oranje sjaaltje in het haar. Ik kan het nog steeds uittekenen. Toen ik dan eindelijk ook naar de kleuterschool mocht zaten mijn broers al op de grote school. Ik was dol op de taakjes en hoopte dan dat de juf zou zien dat ik het goed deed, maar dat gebeurde niet vaak want ik verzon er meestal van alles bij, en de lijm bleef altijd aan mijn vingers kleven. Mijn grote broers waren zo slim, hoorde ik altijd achter op de fiets. Ik was trots en jaloers tegelijk. Ik wist dat dat niet mocht, jaloers zijn, maar het was moeilijk die brandende pijn weg te duwen. Ik wilde dat ze mij ook slim zou vinden, ooit. Niet het minder goed gelukte kind. Elke ochtend liep ik naar de Spar aan het einde van onze straat, waar ik samen met een paar andere kinderen uit de buurt in een mini Cooper stapte om naar school te gaan. Ik zat in de kattenbak want hoorde bij de blonde haren club. Ik voelde me in die tijd nog mooi: ik was klein voor mijn leeftijd, werd snel bruin en had blonde krullen. Zo voelde geluk hebben. Geluk was ook mee mogen spelen met de grote kinderen uit de buurt, als ze bij ons kwamen spelen. We hadden nog geen vaste trap, dus mijn moeder trok de vlizotrap naar beneden zodat wij naar boven naar de verkleedkist konden klimmen. Daarin lagen vooral oude badpakken, jurken van mijn moeder en haar trouwschoenen. We speelden soms vadertje en moedertje, en als jongste lag ik dan het langste onder de dekens te wachten tot ik eindelijk geboren werd. Ik keek vanonder de deken toe hoe de rest ondertussen het verhaal speelde, hopend dat ze me niet zouden vergeten. Maar als ik dan geboren werd, dan was ik het schattigste kind van mijn grote buurmeisje. De wereld voelde nog als die deken die over me heen lag, vol belofte van de goede dingen die komen gingen, en die me beschermende.

In mijn kleuterklas zat een beetje een vreemd meisje, zo een waarvan je voelde dat ze anders was. Een beetje ordinair. Ze droeg net zulke korte rokjes en jurkjes als iedereen in die tijd, maar droeg er oorbellen, armbandjes en nagellak bij. Dat mochten wij nog helemaal niet, het had iets te maken met als we later groot zouden worden, dan kon dat pas. Ze had vettige blonde slierten tot op haar schouders en hele lichte blauwe ogen waaromheen je de wimpers nauwelijks kon zien, zo blond was ze. Toch zat ze niet in onze blonde haren club. In de eerste plaats omdat ze niet met dezelfde auto als ons mee naar school reed, maar vooral omdat we vonden dat ze stonk. Er hing een weeïge geur om haar heen, we dachten dat dat kwam omdat ze nooit in bad mocht. Ik wel, ik ging elke dag in de grote granieten wasbak in de bijkeuken. Zo een met gespikkelde steentjes. Er lag een stuk seringen zeep naast, in het uitgeholde stukje. Ik wist dat sommige kinderen alleen op woensdag en zaterdagmiddag in bad gingen, want daarna mochten ze niet meer mee buiten spelen. Maar Lizette, die ging misschien wel nooit. We pestten haar vaak door Lizette plast in bed te roepen. Soms gaf ze me een glitterend poëzie plaatje, ik wist wel dat ze dit deed omdat ze vriendinnen wilde worden, maar ik wilde niet. Mijn moeder zou haar vast niet binnen willen laten. Ook niet een van haar kettinkjes die ze bij mij om wilde doen. Het leek alsof ze een onuitputtelijke voorraad aan spulletjes had om uit te delen, dingen die ik toch niet mocht hebben. De glitters bleven heel de dag aan mijn vingers plakken als een herinnering aan mijn onaardigheid, maar ik was banger om mijn moeder niet te gehoorzamen. Lizette bleef vaak thuis van school. Dan kwam ze een paar dagen later opeens weer in de klas, alsof er niets gebeurd was. Ziek, zei ze dan. In onze fantasie was ze echter thuis haar teennagels aan het lakken, of iets anders grote mensachtigs aan het doen. Toen ze op een dag helemaal niet meer terug kwam voelde ik me heel schuldig. De juf zei dat ze erge buikpijn had gehad en niet meer terug zou komen. Ik schrok, als een warme band kroop de schaamte omhoog tot in mijn kruin. Ik was er van overtuigd dat ze ziek was geworden omdat wij haar zo vaak pestten, zo ziek dat ze nooit meer naar school kon. Misschien was ze zelfs wel dood. En ik had niet met haar willen spelen. We waren er allemaal stil van. Misschien was ze er nog geweest als ik toch ja had gezegd. Als ik toch een armbandje of plaatje van haar had aangenomen. Die dag liep ik alleen naar huis, ik klom niet zoals gewoonlijk achterin de mini Morris want ik verdiende het niet om mee te mogen rijden. De blonde haren club was stom. 

Waar de gedachte precies vandaan kwam weet ik niet meer, maar ik was opeens bang dat mijn moeder zelfmoord zou plegen. Ergens moet ik hebben gevoeld dat er iets mis was. Veel later hoorde ik dat ze in die tijd regelmatig weg liep. Ik kan me herinneren dat ze zich soms opsloot op haar kamer en daar dan stiekem aan het huilen was, de deur aan de andere kant tegen hield zodat ik niet naar binnen kon. Ik voelde me dan buitengesloten en dacht dat het misschien iets met mij te maken had, dat ze teleurgesteld in me was of zo, of dat ze weer ruzie had gehad met mijn vader. Om de zoveel tijd barstte de bom, vloekte mijn vader en smeet met de deuren waarna hij naar de schuur vertrok en mijn moeder ging huilen. Ze trok zich dan een poosje terug in haar kamer en deed daarna of er niets aan de hand was. Op een dag kon ik haar ook op haar kamer niet vinden en zag dat de vlizotrap naar de zolder naar beneden gehaald was. Dat kwam bijna nooit voor. Ik was er ook al een tijdje niet meer geweest en mijn ouders kwamen er eigenlijk nooit. Opeens leek de zolder hoog en donker, en beangstigend. Een plek waar ik tot een verschrikkelijke ontdekking zou komen. Ik was er van overtuigd dat mijn moeder zichzelf aan de balken van het dak zou hebben opgehangen en beklom doodsbang een voor een de treden van de ladder. Zo in mijn eentje was die best eng, want heel stijl en er was niemand die achter me liep om me op te vangen als ik uit zou glijden. Stap voor stap nam mijn angst toe, werd het donkerder om me heen want boven brandde geen licht. Ik had een heel kort jurkje aan, roze met schuine oranje ruiten. Mijn moeder had die voor mij genaaid. De stof prikte een beetje. Toen ik op de bovenste sport was aangekomen stond ik midden in een pikdonkere zee. Ik wiebelde en hield de leuning stevig vast. Wat was de zolder groot geworden. Maar ik moest doorzetten. Het lichtknopje zat een paar stappen verderop en mocht ik normaal gesproken niet zelf aandoen want het was geen veilig stopcontact. Kleine kinderen zouden onder stroom komen te staan, zei mijn zoldermoeder altijd. Het moest. Ik moest haar op tijd vinden en dan het touw los maken om te zorgen dat ze niet dood zou gaan. Met kloppend hart legde ik de laatste meters af en deed het licht aan, bang om onderweg tegen mijn moeder aan te lopen, die misschien wel boven het trapgat hing. Haar benen zwaaiden zachtjes tegen me aan toen ik per ongeluk tegen haar aan liep, en zwaaiden nog een paar keer op en neer. Ik kon haar zelfs bijna ruiken. Ik stelde me voor dat ze haar lange wit-roze nachthemd aan had, de lintjes in een strikje geknoopt, met blote voeten er onder. Dat ze op de verkleedkist was geklommen, het touw over de zolderbalk had gegooid en van de kist was gestapt. Ze was er niet. Ze was waarschijnlijk ook niet op het dak om misschien dan maar te springen, maar ik kon niet bij het klapraampje dus dat was niet zeker. Dat was zo hoog, daar zou ze vast niet uit hebben kunnen klimmen. Het bloed klopte in mijn hoofd toen ik de ladder weer af klom, en toen ik weer in de felverlichte hal stond voelde alles heel onwerkelijk. Het huis leek normaal, maar voor mijn gevoel was alles anders geworden. Ik hoorde beneden de stem van mijn moeder. Ik begreep niet waar ze vandaan was gekomen terwijl ik voor mijn klim naar de zolder al het hele huis en de tuin had doorzocht. Toen ik haar huilend vroeg waar ze was geweest antwoordde ze doe niet zo raar, er is niets aan de hand, ik ben gewoon hier. Maar ik wist zeker dat ze het had gewild, zelfmoord plegen, dat we net ontsnapt waren aan een groot drama ook al deed ze alsof ik gek was.

In het jaar erop werd de zolder verbouwd. De vlizotrap verdween en werd een ladder in de schuur achterin de tuin. Mijn kamertje werd de overloop naar de zolder. Het fleurige bloemetjesgordijn in de deur werd een saaie beige harmonicadeur. En ik kreeg een andere kamer, de kamer van mijn oudste broer die naar de zolder verhuisde. De nieuwe wenteltrap stond precies op de plek waar mijn ledikantje had gestaan. Het klapraampje op zolder werd vervangen door een dakkapel. Tijdens de verbouwing klom ik mijn broers achterna, via een stoel door een gat in het dak de dakrand op. Ik dacht dat mijn broers misschien het dak op waren geklommen om haar te zoeken, dat ze net als ik bezorgd waren. We kropen onder een zeil over de houten richels waar de pannen op hadden gelegen. Het oranje zeil klapperde in de wind. Onder dat zeil kwam de beklemming van mijn zoektocht op de zolder weer naar boven. Het voelde alsof ik haar ieder moment daar tussen het dak en het zeil aan zou kunnen treffen, op weg om te gaan springen. De dakkapel die er zou komen werd in mijn verbeelding een soort startblok om vanaf te duiken, net als in het zwembad. Als ik naar beneden keek zag ik het zeil opbollen en kon zo de tuin in kijken, zeker een meter of 10-12 naar beneden. Drie verdiepingen en een dak. Ik dacht, als ik nu val, val ik precies op die stoeptegels. Ik zag haar nergens liggen. We kropen onder het zeil vandaan de pannen op en verder naar de schoorsteen. Ik kon de huizen van al onze buren zien. Soms droom ik nog wel eens van die klim en dan glijd ik altijd van de richel af en val keihard en morsdood op de stoep, waarna mijn moeder boos op me wordt omdat ik op het gevaarlijke dak geklommen ben.

Rond de periode dat de vlizotrap verdween, het was aan het einde van de lente voordat ik naar de grote school zou gaan, zat ik op zwemles en was al tot het 1 meter 10 bad bevorderd. Ik kon als ik op mijn tenen stond nog net adem halen. De badmeester had een lange stok met een haak en liep ermee langs de kant om onverwachts iemand mee te porren als die zijn buik niet goed omhoog deed. We hingen in een lange sliert aan de buis langs de kant te watertrappelen. Het was koud, het water was maar niet iets warmer dan de lucht. Ik had kippenvel. Zo onder het water zag dat er vreemd uit. Witte bultjes op mijn witte huid. Onder water werd alles bleker. En groter. Mijn benen waren steviger dan op het droge. De badmeester was aan het kletsen met een badjuf, hij lette alleen maar op haar en lachte vaak. Hoewel wij alles konden horen begrepen we niet wat er nou zo grappig was. Het duurde eindeloos. Het flauwe zonnetje was ondertussen verdwenen, grijze wolken hadden zich samengepakt. Koud. Ik wilde dat de les voorbij was en dat we er uit mochten. Ik draaide me om en zag toen pas dat het meisje naast me mistte. Ze had glad haar tot net over haar oren en was een beetje mollig. Ze praatte raar, niet in zinnen maar in woorden. Maar we lieten haar met rust, we begrepen dat ze niet helemaal normaal was. Ik deed soms mijn best om aardig te zijn, en had haar ook wel eens verdedigd als iemand anders haar uitlachte. Ik hield haar in de gaten of ze wel mee kon komen, wist wanneer ze iets moeilijk vond. Even was ik gedesoriënteerd en draaide om mijn as. Ik zag haar op de bodem van het water liggen, en keek recht in haar opengesperde, wat scheve ogen. Dit klopte niet, ze durfde nooit goed onder water. Ik probeerde de aandacht van de badmeester te trekken, zwaaide met m'n armen, riep met overslaande stem naar hem. Maar zoals gewoonlijk lette hij niet op me. Eindelijk haalde de badmeester haar naar boven. Ze werd op de koude stenen gelegd. Doodsbleek en stil lag ze op de grindtegels. De badmeester gaf haar een zoen, althans, dat dacht ik. Maar ze reageerde helemaal niet. De badjuf rende naar de telefoon bij de kassa van het zwembad om een ambulance te bellen. Het duurde lang voordat die kwam, ons dorp was een half uurtje rijden van het ziekenhuis vandaan. Het meisje bewoog nog steeds niet. Ondertussen bleven wij allemaal aan de kant hangen en hadden het vreselijk koud. Mijn vingers hadden rimpels. Ik bibberde in het water. De ambulance reed het veld op, de zwaailichten van de ambulance stonden nog aan, het blauwe knipperlicht maakte grillige patronen op de golfjes.  Hoewel niemand ons iets vertelde wisten we wel dat er iets heel ergs was gebeurd. Ze zou nooit meer terug komen. Ik was boos, ik had  haar zelf van de bodem had moeten opvissen. Ik kneep mezelf, voor straf.  Witte stukken been bolden tussen mijn vingers naar boven, met stukjes blauw zwaailicht er overheen. Maar ik voelde niets, mijn lijf leek nep. Kort erop moest ik ook van zwemles. Ik had ernstige bronchitis opgelopen zei mijn moeder door al dat hangen in het steenkoude water, maar ik wist wel beter. Ik had beter op haar moeten letten. Als ik mijn ogen sluit zie ik haar nog op de bodem van het zwembad liggen en hoor ik het gillen van de kinderen door een muur van water, kijk ik zelf vanaf de bodem naar boven, naar de vervormde benen van de andere kinderen, naar de blauwe flitsen aan het wateroppervlak, en wordt mijn blik onherroepelijk naar het zwarte gat van de zolder getrokken in de hoek van het 1.10, daar waar de dood woont.

Later, ik was toen hooguit 6 of 7, heb ik mijn moeder nog wel eens gezocht, op mijn kleine fietsje zo hard mogelijk trappend naar de rivier een kilometer of 5 verderop, ver buiten mijn comfortzone. Het water afzoekend naar mijn moeder die zichzelf aan het verdrinken was. Lizette en het mongooltje riepen me spottend toe. Je komt toch te laat, stomkop.  Inwendig gilde ik om mijn moeder, in paniek het water afturend. Dat ik dat niet hardop kon doen was duidelijk, ze zou zich doodschamen om mij en me vanuit het water boos toeroepen dat ik me niet zo moest aanstellen. En toen de lange weg terug door de winderige polder. Bang dat ik op de verkeerde plek had gezocht en bang voor de blaffende honden die van de boerenerven af kwamen rennen en mij probeerden te pakken. Ik voelde de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat mijn moeder dood zou gaan in mijn hart bonzen. IJskoude ogen kelen me aan, Lizette, het meisje dat verdronk, de ogen van mijn moeder. Ik moest mijn moeder redden, voor mijzelf, voor hen, voor mijn vader, mijn broers. Het was mijn schuld dat ze niet dood kon, het  kind dat in de weg stond. Nog steeds voel ik haar verwijtende blik, omdat ik het niet goed had gedaan. Voel ik mijn natte zwemhanden die niet meer droog willen worden. Ik had haar moeten laten hangen, haar laten verdrinken, had het niet voor haar mogen verpesten. Want dit is wat ze wilde, weg van mijn vader, weg van ons. Weg van mij. 

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.
20.10.21
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Ik word hier ook stil van en ik sluit me aan bij het commentaar van Wies en Eric.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
20.10.21
Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
Ontroerend nostalgisch.
"Het was mijn schuld dat ze niet dood kon": hoe kleine literatuur heel groot kan zijn!
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Ook gratis meedoen aan een schrijfactiviteit? We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.