SCHRIJFACTIVITEIT: KORT VERHAAL

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal.
Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Klik voor alle schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

De Vlindertuin

Publicatie: | Jasper Rebel

De Vlindertuin

Het bestelbusje was weggereden en stofwolken daalden traag weer neer op het onverharde pad dat tussen de graanvelden door naar de provinciale weg leidde. Hier, beschut door enorme iepen die als paraplues de hoogte in groeiden en te midden van geurige lavendelplanten, bevond zich een kleine vlindertuin die alleen gevonden kon worden door zij die dat echt graag wilden. Langs het pad stond een magere man te kijken naar een pakket dat zojuist was bezorgd. Hij durfde het niet op te pakken maar liep eromheen en bekeek het van alle kanten. Op momenten wilde hij zich omdraaien en weggaan; het pakket achterlaten en terugsturen. Maar hij bleef staan waar hij was. Hij wist, dat als hij de doos eenmaal mee naar binnen nam, er geen weg meer terug kon zijn, dat hij aan het einde van de dag iets verschrikkelijks zou doen. Hij voelde een beklemmende pijn diep in zijn borst waarbinnen duizenden gedachten met elkaar in gevecht waren en maar geen enkele leek te winnen. Tenslotte ging hij door zijn knieën en raakte het pakket voor het eerst aan. Het was een kartonnen doos met kleine gaatjes. Toen hij tenslotte zijn oor te luisteren legde tegen het karton en een zacht gezoem hoorde, nam hij een beslissing met verstrekkende gevolgen. Met de doos onder zijn arm liep hij het gebouw binnen waar zijn moeder al achter de kassa zat.

Wie een kaartje wilde kopen om de vlindertuin te bezichtigen, moest het geduld opbrengen om de kassière, tevens eigenaresse en boven alles dus zijn moeder, te passeren. Ze was een oude vermoeide vrouw waar het beste inmiddels vanaf was. Met de jaren was haar zachte kant verdwenen en bij tijd en wijle haalde ze bij haar zoon het bloed onder de nagels vandaan. Ze hield haar ogen steeds samengeknepen, zodat je niet meer kon zien of ze wakker was of sliep. Haar rimpels leken zo diep dat je er kleine insecten in zou kunnen verbergen en haar adem rook naar krenten die veel te lang hadden liggen wellen. Boven alles was ze ontzettend langzaam. Wanneer ze een kaartje had verkocht en terug moest geven van een tientje zuchtte ze eerst diep alvorens ze haar ketting over haar hoofd deed waaraan het zilveren sleuteltje van het geldkistje hing. Pas wanneer klanten de kwelling hadden doorstaan van het natellen en nogmaals natellen van het wisselgeld, schelde ze met een klein koperen belletje ten teken dat haar zoon de deuren van de vlindertuin kon komen opendoen.

Zachtjes groette hij zijn moeder die over de rand van haar boek naar hem keek. Haar kleine ogen volgden hem nauwgezet. Hij balanceerde nu de doos op zijn linker hand, terwijl hij met de andere de zware deur naar de tuin openhield. De doos wankelde een moment. Verschrikt liet hij de deur los die daarop met een klap dichtsloeg. Zijn ringvinger raakte tussen het stalen frame bekneld. Met een schreeuw trok hij zich los. Zijn moeder deed met een klap haar boek dicht. Wanneer ze sprak, gingen haar mondhoeken aan beide kanten omlaag. Gelijktijdig trok ze haar wenkbrauwen omhoog waardoor ze niet alleen boosaardig maar ook verbaasd keek. ‘Hou je in!’ zei ze hardop, en daarna zachtjes en bijna onhoorbaar: ’klootzak’. Ze sloeg haar boek weer open en kneep haar ogen nog verder dicht. De man keek naar haar. Het liefst wilde hij haar het zwijgen opleggen met zijn eigen blote handen; haar bij de nek vastgrijpen en haar als een zeem uitwringen tot er niets meer uitkwam. Maar hij boog het hoofd, mompelde ‘sorry’ en wrikte met zijn voet de deur op een kier. Snel wurmde hij zich door de opening en liep het pad af dat tussen bananenbladeren en bloemige planten de kas in meanderde. Aan het einde van het pad bevond zich zijn kantoor. Midden in de kamer stond een bureau met een schemerlamp en tegen de achtermuur stonden glazen kasten, gevuld met opgeprikte dode vlinders en zich verpoppende levende rupsen. Het rook er naar aarde en rottend fruit. Toen hij de doos eenmaal had neergezet zag hij zijn vinger. Een dood stukje vlees hing los aan de zijkant van het topje. Hij trok het los en legde het op de rand van zijn bureau. Toen hij In het schemerdonker van zijn kantoor de doos had geopend, zag hij wat hij al vermoedde. In de doos zaten tientallen cocons die op het punt van openbarsten stonden en enkele felgekleurde vlinders waren nagenoeg aan hun omhulsel ontsnapt. Ze spreidden hun vleugels uit alsof ze elk moment konden wegvliegen. Ze waren groot, veel groter dan hij normaal geleverd kreeg. De vleugels waren egaal oranje en de pootjes leken extra stevig, alsof ze niet alleen bedoeld waren om vederlicht op te landen, maar ook om kracht mee te zetten. De beestjes hadden bovendien geen normale vlindertong. Ze leken een kaak te hebben met kleine scherpe karteltjes. Voor het eerst vandaag kwam er een schittering in zijn ogen.

In de verte klonk het schelle geluid van het koperen belletje. Direct voelde hij de pijn in zijn borst weer terugkeren. Hij schoof de doos van zich af en stond op. Zijn blik viel op 2 vlinders die inmiddels de doos hadden verlaten. Ze vlogen nog niet, maar kropen naar de rand van het bureau. Achter hem klonk opnieuw het belletje, maar nu wat langer. Hij bracht zijn gezicht dichterbij het tafelblad. De diertjes waren op het stukje dode huid geklommen dat hij zojuist nog van zijn vinger had afgetrokken. Gespannen bleef hij kijken en zag dat de vlinders niet stil zaten of probeerden om hun vleugels uit te slaan. In tegendeel, het leek wel alsof ze waren begonnen te eten. Hij draaide zich om en liep over het pad tussen de bananenbladeren naar de ontvangstruimte van de vlindertuin. Hij opende de deur en viel in de woedende blik van zijn moeder. ‘Ik heb honger’ zei ze. Ze had haar lichaam alvast gedraaid naar de plek waar hij straks het bord met boterhammen neer zou zetten. Sinds de dokter bij haar suikerziekte had vastgesteld was het uitgesloten dat ze zonder hulp nog zou proberen om zelf iets te doen. Dit was nu zijn taak geworden naast het kweken en laten opbloeien van vlinders: hij verzorgde zijn moeder. Uit een kastje bij het keukentje haalde hij een insulinepen en draaide het getalletje naar 30. Hij tilde de bloes van zijn moeder iets op zodat hij in haar uitbollende grauwe buikvlees kon prikken. Ze slaakte een diepte zucht toen hij de injectie had toegediend en sprak hem direct op zelfde manier als net toe: ‘Geef me te eten! Je weet dat ik dood ga als je me niet meteen te eten geeft na de insuline. Waarom wacht je? Wil je dat? Dat ik dood ga?’. Ze keek hem aan met de verwijtende blik die hij van haar kende wanneer ze een hap nam van het eten dat hij ’s avonds voor haar gekookt had. Hij legde de insulinepen terug in het kastje en greep naar de broodtrommel. Natuurlijk fantaseerde hij al jaren over wat hij had kunnen doen als hij niet dag in dag uit in de tuin zou werken om daarna in de avond voor zijn moeder te mogen koken. Maaltijden die ze tergend langzaam at. Dan reed hij naar de rivier en keek naar de overkant, waar op elke straathoek een kans voor het oprapen lag. Waar hij kon afspreken met vrouwen en nooit meer op tijd naar huis hoefde, omdat zijn moeder al vroeg uit bed gehaald wilde worden. Hij zou willen zeggen dat hij dat uit liefde deed.
‘Ik weet wel wat je denkt….’ zei ze zonder hem aan te kijken. ‘Je haat je moeder. Je spuugt op mijn boterhammen en dan kijk je verlekkerd hoe ik het opeet. Je kookt expres vies om te kunnen lachen’. Ze hoestte uitbundig en het slijm dat op haar lippen verscheen veegde ze weg met de mauw van haar bloes. 
‘Als je wist hoe je mijn lijk zou kunnen dumpen, had je me al lang vermoord! Maar je bent te stom en te dom om iets te verzinnen. En dat is dan mijn zoon, een nietsnut die vlinders laat uitkomen en ze dan weer dood laat gaan.’ Zijn neutrale, moedeloze gezichtsuitdrukking paste op geen enkele manier meer bij de vernedering die zijn moeder hem dag in dat uit liet voelen. Zijn boosheid draaide al maanden rond in zijn hoofd en zijn borst en leek zich een weg naar buiten te willen branden. Hij keek zijn moeder aan, ze zag er bleker uit dan anders. Ze reageerde heftig op de insuline. Misschien kwam het door de warmte. Hij wist dat hij moest opschieten met het maken van eten, want anders zou ze inderdaad een gevaarlijk lage suikerspiegel krijgen. Hij keek naar haar lippen die al smakten en naar haar ogen die hem afkeurend aankeken. Haar vingers trilden meer dan anders alsof ze zelf iets te eten had willen pakken. Hij dacht aan de doos die op zijn bureau stond en aan de vlinders die uit hun cocon gekropen waren. Iets van het plezier dat hij zojuist had gevoeld kwam weer bij hem terug. Zijn wangen trokken kuiltjes en zijn ogen gingen wijder open staan. Hij tuitte zijn lippen en vouwde zijn handen voor zijn borst. 
‘Wat doe je!?’ riep ze weer en ze prikte haar kromme wijsvinger vol schilfers verwijtend in zijn richting. In haar ogen had de boosheid nu plaatsgemaakt voor twijfel. Ze probeerde op te staan uit haar stoel, maar haar hand schoot van de leuning. ‘Jongen toch..’ zei ze zachtjes. Hij keek zijn moeder aan en in haar ogen zag hij heel even de vrouw die ze ooit geweest was; Een mooie vrouw met pikzwart haar met een slag, zijn moeder die ’s ochtends vroeg opstond om zijn boterhammen te smeren, zijn beste vriendin die al zijn stomme spelletjes met hem mee speelde en overal foto’s van maakte om die op de schoorsteenmantel te zetten en trots te laten zien aan wie maar wilde, zijn eerste liefde die hem duizend kusjes had gegeven. Het beeld van de moeder die hij zo lief had gehad, veranderde langzaam in de vrouw die die ze nu geworden was. Hij draaide zich om en keek door de glazen pui naar buiten, waar het inmiddels donker was geworden. Achter hem klonk het kleine koperen belletje. 1x, 2x. Daarna werd het stil in de vlindertuin. Hij haalde diep adem en deed zijn handen in zijn zakken.

Toen later die middag het belletje weer klonk, nam hij plaats bij de kassa, rekende twee toegangskaartjes af en ging de bezoekers voor door de zware deur. Hulpvaardig wees hij hen op de vlinders die zich verzameld hadden bij een hoopje overrijpe peren. Hij tilde bananenbladeren op waar de morpho’s schuilden en beantwoordde geduldig al hun vragen over het verpopping-proces. Ze waren erg geïnteresseerd geweest in hoe zo’n uitgebluste rups met een kleine inspanning kan veranderen in een prachtig diertje dat meer kleur had en meer levensvreugde uitstraalde dan daarvoor. Ze vroegen hem of zo’n rups weet wanneer de tijd rijp is om het oude leven achter zich te laten. Al wat hij kon antwoorden was dat zo’n beestje dat van nature haarfijn aanvoelt. En als de tijd gekomen is, gaat het eigenlijk gewoon vanzelf.

Ze hadden hem bedankt voor de prachtige rondleiding en op weg naar buiten hadden ze opgewonden gewezen op een zwerm oranje gekleurde vlinders en vroegen hem wat dat was. De zwerm was zo dicht dat niet te zien was waar ze op zaten; de massa golfde op en neer als een donzen dekbed. Van een afstandje maakten ze geen geluid, maar als je dichterbij kwam klonk een knisperend, knagend geknetter, alsof de vlinders aan het eten waren. Naast de bewegende oranje hoop lag een kettinkje met daaraan een klein zilveren sleuteltje. 
‘Oh dat!’ had hij geantwoord terwijl hij zijn handen voor zijn borst openvouwde. ‘Dat is het karkas van een oud varken dat ik steeds maar bij me hield omdat het me deed denken aan vroeger, maar inmiddels was gaan stinken. Ik had dat al lang geleden weg moeten doen’. Tevreden met het antwoord verlieten de wandelaars de vlindertuin, namen de bus terug naar de stad en spraken nog lang tegen vrienden over die alleraardigste vlindertuin die iedereen beslist eens moest gaan bezoeken.

 

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker kan een reactie geven! Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Wil je automatisch een bericht ontvangen bij een reactie? Klik op de + boven de reacties.

Ook gratis meedoen aan een schrijfactiviteit? We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.