Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 

126 Hits

Publicatie op:
De Lift

De lift kwam schokkend tot stilstand toen de stroom uitviel. Eerst was er angst, maar zoals meestal temperde mijn ratio bijna ogenblikkelijk mijn emoties. Weetjes, waarvan ik me in één moeite had overtuigd dat het feiten waren, schoten met lichtsnelheid door mijn hoofd: ‘De batterij neemt over. De noodrem slaat aan. De liftcentrale wordt automatisch opgeroepen.’  

Het flikkerende licht van de noodverlichting schoot aan, alsof het daarmee wou aangeven dat ik de juiste antwoorden gaf. Ik fantaseerde er de stem van mijn favoriete presentator bij: ‘Ding. Ding. Ding. Dat was de eerste ronde met drie correcte antwoorden! Goed gedaan, Martha, u mag een prijs kiezen.’ Natuurlijk koos ik het liefst de vrijheid die achter deur nummer één zat, maar die moest om veiligheidsredenen gesloten blijven Daarom graaide ik maar in de rommel die mijn handtas vulde, als was het de prijzenpot, en haalde er mijn mobieltje uit. Het schermpje lichtte op bij mijn aanraking, maar gaf niets dan slecht nieuws: geen bereik.

‘Juist, een metalen kooi binnen in een liftschacht in een gebouw van gewapend beton. Mijn eigen kleine gevangenis en dat voor God weet hoe lang nog.’ Opnieuw die angst, maar ik besloot me niet te laten doen, ik had immers al veel erger mee gemaakt. Drie bevallingen zonder epidurale. Dit was daar niets bij. ‘Kom maar op met die tweede ronde.’

De noodtelefoon! Het archaïsche telefoontoestel hing net naast me en had evenveel gebruik sporen als de rest van de liftkooi, wat op zijn zachtst gezegd niet veelbelovend was. Gejaagd nam ik de vergeelde hoorn van de haak en hield hem tegen mijn oor. Bezettoon. Te laat vroeg ik me af hoeveel mensen voor me in volle paniek het onding al tegen hun oor hadden gedrukt en hield de hoorn iets verder van me af. In normale omstandigheden zou ik het toestel eerst volledig ontsmet hebben met een nat doekje en zelfs dan nog het ding met een zakdoek vastgepakt hebben, maar vieze ziektes waren even niet prioritair. ‘Rustig, controleer je ademhaling. Je kan dit.’ Ik luisterde echter niet meer naar mezelf en drukte als een bezetene repetitief op het enige knopje aan de module. Om één of andere reden dacht ik dat door steeds harder te drukken het toestel plots zou gaan werken, maar het baatte niet. Nog steeds bezettoon. Binnenin schreeuwde ik de longen uit mijn lijf. Weg humor. Weg kalmte. Als een daad van verzet tegen mijn ongecontroleerde gedachtegang haakte ik de hoorn hardhandig terug op het toestel. Versteld van mezelf, wreef ik met mijn hand over mijn gezicht, van mijn wang tot aan mijn kin. Niet zacht, maar ruw, alsof ik mijn kaak probeerde te  verzetten.

‘Werkt het niet?’

Opgeschrokken door een zware stem achter me, draaide ik me snel om. Ik was zo opgeslorpt door mijn eigen gedachten dat ik vergeten was dat er nog iemand in de lift stond. De jongeman die daarnet nog zonder van zijn gsm scherm weg te kijken in de lift was gestapt en achteraan in de hoek was gaan hangen, keek me met grote vragende ogen aan. Hij leek me iets jonger te zijn dan mijn oudste zoon. Een jongvolwassene, maar uit zijn houding leidde ik af dat hij nog minderjarig was. Klaar voor de wereld, maar hij moest zich nog even gedeisd houden; zo zag hij er uit. De sliert haar in zijn gezicht leek te dienen als camouflage voor de onverwerkte emotionele bagage die hij nog meesleurde uit zijn puberteit. Hij was tenger en een kop groter dan mij, een vlaggenstok ten aanzien van mijn schamele meter vijfenvijftig – ook al krikte ik die met hakken enkel centimeters op. Met zijn kledij leek hij ontsnapt uit een gangster rap videoclip. Ik kon niet beslissen of ik zijn voorkomen triestig of grappig vond. Net toen ik dacht ‘daar groeit hij nog wel uit,’ merkte ik dat hij zijn lijf reeds had onteerd met een grote tattoo in zijn nek. Afgrijselijk vond ik dat, maar ik veronderstelde dat zijn moeder blij mocht zijn dat hij ze niet in zijn gezicht had laten zetten.

De ongeïnteresseerdheid en respectloosheid waarmee hij in de lift was gestapt, leken door de stroomuitval verdwenen. De eens zo stoere knaap keek nu hulpeloos naar mij als de volwassene die het probleem maar moest oplossen. Het duiveltje op mijn schouder fluisterde me in om er een opvoedkundige les aan te knopen en hem een aantal opvoedkundig verantwoorde vragen te stellen die hem misschien tot inzicht zouden brengen over zijn houding ten aanzien van ouderen in de maatschappij, maar zoals meestal sprak het engeltje:

‘Nee, bezettoon… Werkt jouw gsm?’

‘Nee, geen ontvangst.’

‘Kooi van Faraday.’

‘Wa?’

‘De… Niets, laat maar.’

‘Wat moeten we doen?’, zei hij terneergeslagen. Het leek dat hij de hoop al had opgegeven. Hij verwachtte ongetwijfeld geen antwoord op zijn vraag, maar in een poging hem niet verder te laten wegzakken in moedeloosheid, antwoordde opnieuw de engel in mij:

‘Niets. We moeten niets doen. Ons vooral geen zorgen maken en niet panikeren. Er zijn strikte veiligheidsvereisten voor een lift, weet je. Ik heb eens een artikel gelezen dat een lift het veiligste transportmiddel is ter wereld. Als er mensen vast zitten in een lift dan moeten ze bevrijd worden binnen het uur.’ Opgewekt, bijna triomfantelijk, deelde ik mijn kennis met hem, maar hij had er geen oren naar. Het engeltje had weer gefaald en het duiveltje fluisterde me in hem bij zinnen te proberen brengen door hem een klap in het gezicht te geven, net zoals mijn vader dat bij mij deed destijds, maar toch koos ik opnieuw voor de zachte aanpak; ongetwijfeld mijn moederinstinct:

‘Het komt wel goed. We moeten gewoon geduld hebben.’

Zonder iets te zeggen, nam hij zijn gsm er bij. Afgaand op het geluid om een spelletje te spelen. Het duiveltje op mijn schouder lachte luid omwille van de onbeleefdheid van de jongeman, het engeltje trok zijn schouders op.

Een uur met niets dan het irritante geluid van zijn app passeerde. Bezorgd keek ik nogmaals op mijn mobieltje en nam ik opnieuw de telefoon van de haak. Status quo: afgesloten van de rest van de wereld. De jongen voelde mijn onrust, keek voor de eerste keer op van zijn scherm en bevestigde wat ik al wist:

‘Er is al meer dan een uur gepasseerd.’

Treiterend vervolgde hij: ‘Je zei toch dat ze zouden komen?’

Ik wou hem er op wijzen dat hij me met ‘u’ moest aanspreken en dat als hij zelf niets nuttigs aan de situatie bijbracht, hij beter zou zwijgen, maar bedacht me dat hij zich vermoedelijk beter voelde door zich superieur te gedragen en besloot het zo te laten.

‘Ja. Ja, dat zou moeten. Ik begrijp het ook niet.’

‘We moeten iets doen’, zei hij terwijl hij recht krabbelde.

‘Wat dan? Alle ideeën zijn welkom hoor.’

Ik kon mijn minachting nog moeilijk verbergen en dat merkte hij. Hij keek me met een onverwachte zelfzekerheid uitdagend aan. Plots begon hij, mij nog steeds strak aankijkend, luidkeels te schreeuwen:

‘Help! Help! Er zitten mensen vast in de lift! Help! Iemand! Help!’

Eerst schrok ik, maar al snel vervoegde ik hem. ‘Help! We zitten vast in de lift! Help!’ De lift stond vast op het tweede en het gebouw was zeker tien verdiepingen hoog, dus de kans dat er zich iemand bevond in één van de appartementen boven ons was realistisch. Als twee wolven die huilden naar de maan richtten we onze blik opwaarts, in de hoop dat de liftschacht ons geluid zou dragen tot aan de bovenste verdiepingen. Samen schreeuwden we wel meer dan vijf minuten lang de longen uit ons lijf, maar niemand reageerde. De jongeman sloot onze poging abrupt af met een oerkreet vol woede en trapte nijdig tegen de houten armleuningen die rondom de liftkooi hingen. Opnieuw schrok ik op van de agressie die huisde in de jonge bonenstaak.

‘Rustig maar, dat helpt niet’, probeerde ik hem te kalmeren, maar dat had een averechts effect. Door hem aan te spreken, richtte hij zijn woede naar mij. Kwaad keek hij me aan en stapte op me af terwijl hij riep: ‘Rustig? Rustig! Hoe kan je nu rustig zijn? We zitten hier al meer dan een uur vast! Ik heb eens gehoord van een man die wel veertig  uur vast zat in een lift. Veertig uur!’ Op neuslengte stond hij voor me te briesen. Ik voelde me plots niet alleen maar fysiek heel klein ten aanzien van hem. Moedig probeerde ik toch de kalmte in de kleine ruimte te herstellen:

‘Het is een weekdag.’

‘En dan?’

‘Misschien is iedereen gaan werken. Straks komen de mensen thuis en zijn we zo bevrijd.’

‘Denk je dat echt? Sorry, maar jij weet duidelijk niet wat er buiten aan de hand is, of wel?’

‘De stroom is uitgevallen. We moeten vooral kalm blijven, er komt hulp.’

‘Nee, Mevrouwtje, dat niet. Heb je het nieuws niet gehoord? Beetje wereldvreemd ja?’

‘Welk nieuws?’

‘Er is iets serieus aan de hand. Mensen worden ziek en doen raar. Héél raar. Vallen andere mensen aan en zo. Ik heb daarnet nog een filmpje gezien waar…’

‘Laten we nu niet aan paniekvoetbal doen. Waar jij van spreekt is gewoon een virusje. Was nog gisteren op het journaal. Dat heeft toch niets te maken met de stroom die uitvalt.’

‘Ha! Dat denk je maar!’

‘Maar, jongen..’

‘Hoe kan je daar nu zeker van zijn?’

‘Nee, dat…’

‘Mevrouw, ik leef met mijn gsm aan mijn hand. Alles, maar dan ook alles, van over heel de wereld volgt ik in real time. Vinger aan de pols, mij maak je niets wijs.’

‘Maar, het nieuws..’

‘Ha! Het nieuws! Gemanipuleerde propaganda! Virus, m’n reet. Ik zie andere dingen. Filmpjes van krankzinnige mensen met moordlustige bloed doorlopen ogen. Mensen die elkaar aanvallen. Alles wordt in de doofpot gestopt, maar ik… ik…’

‘Stop. Je bent aan het ratelen, jongen. Paniek gaat niet helpen.’

‘Ik ben niet paniekerig! En ik ben geen jongen! Je neemt me beter een beetje serieus, Mevrouwtje.’

‘Och. Het internet en de tv maakt de jeugd gek. Dit is de realiteit, geen...’

De discussie werd onderbroken door de noodverlichting die uitviel. Enkel nog de rode schijn van het lampje verlichtte de liftkooi. Nog voor mijn ogen gewend waren aan de donkerte, weerklonk een angstaanjagende gil, gevolgd door snelle voetstappen, een aantal luide klappen, gehuil en nog meer kreten. ‘Mensen!’, zei ik en begon terug om hulp te roepen. De jongeman sprong op me af, bedekte mijn mond en duwde me met een onverwachte kracht tegen de liftwand. Mijn hoofd knalde tegen de spiegel die boven de armleuning hing. Ik wou krijsen van pijn, maar zijn hand snoerde me de mond. Terwijl hij me in positie hield, speurde hij met zijn ogen het plafond af, op zoek naar het geluid dat zich niet meer dan één verdieping boven ons leek te bevinden. We hoorden beide gestrompel. Ik probeerde uit zijn greep te geraken, maar hij loste niet. Ik probeerde iets te zeggen, maar kon niet anders dan onverstaanbaar mompelen. Hoe meer ik probeerde, hoe harder hij met tegen de wand duwde. Hij was tenger, maar sterk. Deels met zijn heup, deels met zijn dijbeen hield hij me tegen de wand gedrukt. Zijn heupbeen duwde tegen mijn middenrif waardoor het moeilijk ademen was. Zijn zweet- en sigarettengeur drong diep in mijn neusgaten. Hij legde de wijsvinger van zijn vrije hand op zijn mond, waarmee hij me gebaarde stil te zijn. Daarbij negeerde hij mijn grote angstige ogen die hem probeerden te zeggen dat ik zou doen wat hij zei, als hij me maar los liet.

Hij deed me pijn, maar het enige dat ik kon doen was stil staan, in de hoop dat hij zijn greep zou lossen. Ironisch genoeg zei ik tegen mezelf wat ik momenten geleden nog tegen mijn aanvaller zei om hem te proberen helpen: ‘Rustig blijven. Paniek helpt niet.’ Het bracht niet op. Gevangen als een wild dier namen mijn emoties weer de overhand. Mijn hart bonsde razendsnel. Het zweet parelde van mijn voorhoofd. Gealarmeerd door mijn snel op en neer gaande borstkas en de korte en hevige ademhaling via mijn neusgaten op zijn hand, richtte hij zijn blik weg van het plafond en terug naar mij. Voorzichtig liet hij zijn greep los, maar het was al te laat. Een warme gloed gleed via mijn kousenbroek over mijn been naar beneden en vormde een plas op de grond. De jongen sprong dadelijk achteruit. Hij slaakte een kreet van verbazing gemengd met walging, maar snoerde zijn eigen mond met beide handen.

‘Mevrouwtje, ik wil ons beschermen’, fluisterde hij, in een poging zichzelf te verschonen. Ik had er geen oor naar en kon alleen denken aan de beschamende positie waarin ik me bevond.

‘Tuig!’ snauwde ik, verstopte mijn gezicht in mijn handen en liet me zakken tegen de liftwand. Ongecontroleerd schokkend zat ik op mijn hurkje als een geslagen bochelaar te huilen. Mijn tranen vielen als regen neer in de plas onder me.

‘Shttt. Ze mogen ons niet horen!’, maande hij me op stille, maar autoritaire, toon.

Opnieuw hoorden we voetstappen, deze keer tot net voor onze liftdeur. De jongen deed opnieuw teken met zijn wijsvinger dat ik stil moest zijn. Bang voor zijn reactie slikte ik mijn verdriet in en stopte ik onmiddellijk met huilen. Met de bal van mijn hand probeerde ik mijn ogen droog te wrijven en met de rug van mijn hand veegde ik mijn snot weg. Het laatste neusvocht snoof ik op, maar dat maakte in de beslotenheid van de liftkooi veel meer lawaai dan ik had verwacht. De jongen en ik keken angstig naar elkaar, zij het elk om een andere reden.

Zijn angst werd voor hem waarheid toen een luid en hol gebonkt weerklonk. Ze stonden voor de deur van onze lift.

‘Stomme trut! Ik hoop dat je nu je zin hebt!’ De vinger waarmee hij me meermaals tot stilte had gemaand, wees nu verwijtend naar de liftdeur.

‘Als ze die deuren open krijgen, dan gaan we er alle twee aan’, blafte hij me af. We waren gevonden, er was geen reden meer om stil te zijn en dat vulde hij in met gevloek, ik met gejammer.

De liftdeuren klonken als hongerige gieren wanneer ze traag open gewrikt werden. Het licht dat binnen scheen verblindde ons beide. Aanvankelijk kon ik enkel een gestalte die naar binnen reikte ontwaren en een moment vroeg ik me af of de jongeman gelijk had. Dat gedacht deed mijn hart even stil staan, maar een grote man met een dikke snor deed het onmiddellijk terug slaan: ‘Sorry voor het wachten mensen, de stroomuitval was over heel de Stad en we zijn eerst nog de mensen uit de andere lift in het gebouw gaan bevrijden. Alles goed hier?’

 
Noot van de schrijver: Ik ontvang graag feedback

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "De Lift"

22.04.21
Feedback:
Graag gelezen.
  • Schrijfkwaliteit
    4/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig