Voor schrijvers, door schrijvers
Kort verhaal

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 746

Serieus Gesprek

Buitentafelgesprek van Ouwe Rupsen

Het was weer een schitterende dag, zonovergoten en geen wolkje aan de lucht. De windsterkte was minimaal voorspeld en deze keer ook gebleken. Het was ’s morgens na het ontbijt dan ook een uitnodiging om de elektrische fiets van stal te halen, die met een volle accu bijna stond te steigeren van plezier toen het uit de schuur werd gehaald. Eindelijk weer tijd voor een flinke ronde door het boerenlandschap van Noord-Holland, waar het bruist van de natuur in de weilanden. De coronacrisis hield iedereen nog in zijn greep en velen zaten bibberend in de warmte van een afgesloten woning achter het raam te kijken of er mussen van het dak gingen vallen. Er kwamen mensen voorbij, jonge mensen, die buiten de risicogroepen vielen maar toch een sociale afstand moesten houden – wie verzint zulke woorden, dacht ik nog, er is niet sociaals aan afstand houden! Die mensen keken schichtig om zich heen om te zien of er andere mensen te dicht in de buurt zouden komen. Besmettelijke mensen misschien wel! Om anderen te besmetten! Gewoon ziek!

Ik wist dat die kans vrijwel nihil was, zelfs kleiner dan het winnen van de Staatsloterij, maar nu had de Staat doen voorkomen of het krijgen van het coronavirus een grote kans in de gezondheidsloterij was, compleet met de veel grotere kans op een flinke prijs, zoals geadverteerd in al die stompzinnige loterijen, waarin toch heel veel mensen hun inleg mee verloren. Het was aan mij niet besteed. Mijn loterij had ik al gewonnen, al had ik er heel lang voor moeten werken, zwaar werk op schepen die de wereld rondgingen. Dat lag achter mij en de levenslange vrijheid lag voor me. Eropuit dus!

Vanuit mijn woonplaats Purmerend vóór de A7 rechtsaf en de polder in, langs mooie oude boerderijen die langs de vaart stonden. Een schitterend fietsweggetje met weinig verkeer in de richting van Hobrede en dan Oosthuizen. Daar even op het bankje voor de dorpskerk de zadelpijn laten wegtrekken voor een minuut of tien en het langskomende verkeer, dat toch drukker was dan gedacht in zo’n dorpje, in ogenschouw nemen, waarbij het opviel dat de langsfietsende mensen vriendelijk groeten.

Verder langs het plaatsje Etersheim, bekend van Dik Trom, naar de dijk van het IJsselmeer en dan naar Schardam, Scharwoude en via De Hulk naar Hoorn, waar Gerrit al zat te wachten op mijn aankomst.

“Zo, ouwe rups, je hebt er een mooi tochtje van gemaakt, denk ik,” zei Gerrit, terwijl ik mijn fiets door de poort wurmde en onder een afdakje in de schaduw parkeerde, “ben je over Middelie en langs de provinciale weg gegaan of heb je de route langs de dijk genomen?”

“Langs de dijk leek mij het mooiste, Gerrit, dus ik heb de lange route genomen. Maar ik ben toch nog wel op tijd voor de schootan?”

“Je weet dat de schootan altijd klaar staat en qua tijd zijn we zo flexibel als een stoeprand: de hele dag is het schootan-tijd. Maar straks wel even lunchen en de blinde kleppen voor, want je moet nog datzelfde eindje terug ook. Je wordt er echt niet jonger op met je racefiets.”

“Dat klopt,” zei ik, “dus laten we van wal steken, vriend! En terug neem ik de kortere route wel via Middelie, ook een fantastisch weggetje. Weet je trouwens dat je daar lekker zou kunnen vissen?”

“Niet zo mijn ding, Harmen, maar ik ben er ook wel langsgefietst natuurlijk. Over dat weggetje met die knotwilgen, een paar kilometer buiten Oosthuizen, en daar is inderdaad een mooi visgebied. Je ziet ze er vaak op de karper zitten.”

“Je ziet ze daar gewoon zwemmen!”

“Overal in Noord-Holland heb ik ze zien zwemmen, maar vangen is een ander verhaal. Ik vind het wel leuk om langs de waterkant te zitten kijken, maar zonder te vissen. Je ziet zoveel voorbijkomen daar. Blauwe Reigers, sperwers en valken, watervogels, weidevogels en -beesten, maar ook vissen en ander waterleven. Erg relaxt om te doen!”

“Zeker. Dat is het mooie leven van een pensionado, Gerrit!”

Gerrit schonk de glazen in. Rode wijn deze keer, maar straks bij de lunch had hij vast nog een ijskoude klets. Ik ging in mijn vaste hoekje hangen en keek Gerrit eens goed aan.

“Is alles wel goed met je, Gerrit? Je ziet een beetje bleek, vriend. Toch geen virusje opgelopen, wat!”
”Scheid toch uit over dat virus, Harmen. Dat is zo’n wassen neus aan het worden. En de mensen maar banger maken met een tweede, veel ergere golf, of veel besmettingen na Hemelvaartsdag, teveel mensen op één plek en ga maar door. Wedden dat het allemaal erg gaat meevallen! De zon wordt sterker en dus ook de UV-straling en voor je het weet is er geen coronaatje meer over. Nee, dat virusje moet ergens anders voor dienen en die ver doorgevoerde bangmakerij wijst daar ook op. Het leven in de wereld staat op zijn kop, iedereen loopt op zijn tandvlees daarmee. Ik heb van een goed onderlegd persoon gehoord dat er meer mensen sterven aan de behandeling van corona, omdat de doctoren alles onder corona onderbrengen, ook als je wat anders mankeert. Dan krijg je een paracetamolletje en als je ziekte dan wat anders is ga je gewoon dood terwijl je met andere medicijnen niet dood hoefde te gaan! Nee, Harmen, we worden met dat virus enorm besodemietert!”

“Maar de hele wereld gelooft er in! Je leest niet anders.”

“Klopt ook, maar dat berust op onderbuikgevoel en niet op feiten. Zogenaamde sociale media zorgen er voor dat iedereen zit te bibberen van angst. Al die opblazerij, het stopt maar niet! De kans dat je doodgaat aan corona is de helft minder dan dat je doodgaat in het verkeer. En dan heb jij nog de grootste kans, want jij moet straks nog door de polder terug naar huis en ik ga nergens meer heen vandaag.”

“Klinkt simpel, ja. Maar al die maatregelen dan?”

“Allemaal bangmakerij, Harmen! Ja, natuurlijk kun je aan een virus doodgaan, er zijn honderden virussen om je heen. Je kunt niet eens leven zonder virussen! De virussen die niet goed zijn voor je lichaam worden door je immuunsysteem onschadelijk gemaakt. Al dat gedoe met geen handjes geven en afstand houden maakt je immuunsysteem kapot waardoor je weer sneller ziek kan worden. Maar ja, als je al wat mankeert en je immuunsysteem is niet op orde of kan die bijkomende zaken niet meer aan, dan loop je kans om te overlijden, ja. En díe mensen moeten geholpen worden met medicamenten en niet een paracetamolletje vanzelf!”

“Dus door geen handen te geven en afstand te houden worden we juist zwakker en bevattelijker voor virussen?”

“Kijk, Harmen, nu heb je het door! Dat hele virusgedoe is erop uit om meer mensen dood te laten gaan dan gewoon het geval zou zijn, en verdomd, het lukt behoorlijk goed. Die tweede golf zou best het gevolg kunnen zijn van een verzwakt immuunsysteem, waardoor andere virussen ook niet meer onschadelijk kunnen worden gemaakt door je eigen lichaam. Het gevolg is dat er nóg meer doden zullen vallen dan bij de eerste golf, want ze sturen je precies de verkeerde kant op, en je kunt mij niet vertellen dat ze dat niet weten.”

“En dat wereldwijd?”

“Ja, Harmen, ze apen elkaar alleen maar na, lui als ze zijn, behalve met geld vragen, want wij mogen weer opdraaien voor het grote verlies aan mensen en geld in de wereld. Ook die virologen lullen maar wat raak. Alsof dit het eerste virus is dat ze tegenkomen! Ik las vorige week op Scientias.nl dat er 10 tot de macht 31 virussen zijn! En dan is juist dit ene virus uitverkoren om de mensheid uit te roeien? Dat gelooft toch zeker niemand meer, als je tenminste gezond verstand hebt. En dat lijken er niet véél meer te zijn! Die site maakt er ook melding van dat er veel grotere virussen zijn gevonden die 30.000 jaar in de permafrost hebben gelegen, bij ontdooien direct actief kunnen zijn en dan vele malen sterker zijn van dit kleine coronavirusje, dus we mogen onze borst nat maken met al die vaccins die ze nog moeten uitvinden! Ik ben bang dat ze dat niet gaan redden!”

“Dat is verontrustend nieuws, Gerrit. Net nu de aarde opwarmt, door welke oorzaak dan ook, en dat zulke virussen dus gaan vrijkomen. Zouden er nog wel mensen overblijven als dat eenmaal gaat gebeuren?”

“Vast wel, want het lichaam van een mens kan toch verschrikkelijk veel hebben, hoor, en is veel gecompliceerder dan welk virus dan ook. Ja, er zullen er vast wel een flink aantal aan doodgaan, maar de mens als soort niet, daar ben ik van overtuigd.”

“En hoe zit het dan met ons, vriend? Lopen wij niet het grote risico tot de doden te gaan horen?”

“Die kans is natuurlijk zeer reëel aanwezig op onze leeftijd, Harmen, maar wat geeft dat? Eens gaan we allemaal en dan zijn we wel heel erg lang dood, hoor. Eeuwig, heb ik wel eens gehoord en dat lijkt me knap lang.”

“Tja, ik denk daar wel eens over na, Gerrit. Hoe is het om dood te zijn?”

“Nou, het is niet iets om erg over in te zitten of je over op te winden, want zelf heb je daar echt geen weet van. Als je ophoudt te bestaan, houd alles voor je op. Gewoon alles op zwart, niks ronddwalende geesten of zo. Dat is allemaal lariekoek van de dronken kanenbraaier.”

“Maar gaat het ook niet een beetje om de manier waarop een mens doodgaat, dan?”

Tussen deze serieuze zinnen door werden de glazen wijn behoorlijk veel leger, dus Gerrit schonk nog maar een keertje bij. Een beetje wijn helpt altijd wel om de gedachten op een rijtje te zetten.

“Tja, Harmen, dat weet eigenlijk ook niemand, hè. Kijk, als je eenmaal de pijp aan Maarten hebt gegeven, maakt het dan nog wat uit hoe of iemand is gestorven en dus niets meer weet of voelt?”

“Als je het zo zegt, dan niet natuurlijk, maar als je mag kiezen dan liever in een zacht bed gedurende de diepe slaap dan op een pijnbank waar ze je het hart zonder verdoving uitsnijden.”

“Ja, en toch maakt dat uiteindelijk toch ook geen bliksem meer uit, is het wel?”

“Voor de één wel, de andere niet.”

“Maar dan ga je ervan uit dat het wél uitmaakt, maar als je dood bent, wat voor erg heb je er dan nog in? Is de ervaring dan nog ergens aanwezig of gewoon ook niet?”

Gerrit is wat dat betreft wel erg rechtlijnig natuurlijk, maar ergens had hij wel gelijk. Ik had er ook wel eens over zitten denken maar kon er niet goed uitkomen. Je kunt wel alles op een religie gooien, maar maakt dat het minder erg of zo? Ja, elke religie heeft wel een hiernamaals voor je in petto, maar daarmee hoefde je bij Gerrit niet aan te komen. Ik besloot om toch een balletje op te gooien.

“Maar denk je dan dat er na dit leven geen andere is, of dat je hierna naar een hemel gaat of zo?”

“Scheid toch uit, Harmen! Die onzin geloof je toch niet, wel. Als je nou gecremeerd ben en er is een vaasje as van je over, hoe kan dát dan ergens verder leven? Er is niets tastbaars van je over! En dat is ook zo als je begraven wordt en je door uitdroging verschrompeld en door ongedierte wordt opgepeuzeld. Er blijft niets van je over, dus waar praat je dan over? Wat gaat er dan zo nodig naar de hemel of zo?”

“Nou, een ziel bijvoorbeeld.”

“Een ziel,” zei Gerrit quasi-spottend.

“Ja, een ziel. De ziel verlaat het lichaam als dat lichaam ophoudt met leven om ergens anders verder te gaan leven, maar dan op een andere manier natuurlijk. Niet meer bij jezelf natuurlijk.”

“Een ziel,” zei Gerrit weer en schudde de kop. En het bleef even stil voordat hij de draad weer oppakte.

“De dominee ging voorbij, Gerrit.”

“Zit je me nu weer in een religie te praten, Harmen? Je weet dat ik daarin niet geloof. Misschien ben ik té technisch daarvoor en is een immateriële ziel iets té ontastbaar.”

Weer bleef het een tijdje stil, waarin we nipten van de glazen, een ieder diep in gedachten verzonken.

“Zware kost voor de lunch, Harmen,” zei Gerrit even later. “Maar goed, als je de dood wil begrijpen moet je paradoxaal ook het leven kunnen begrijpen en dát is net zoiets ongrijpbaars als de dood. Kijk, je wordt opeens zomaar geboren. Daar heb je niet om gevraagd, je bent er opeens, voor jezelf zomaar uit het niets en in een tijd die je ook al niet uitgekozen hebt. Daaruit trek ik de conclusie dat je dáárvoor geen keuze had. Met andere woorden, voordat je werd geboren was er niets waaruit je kunt afleiden dat je voor jezelf een keuze hebt gemaakt om op dat tijdstip en op die plek in de wereld geboren te worden, om maar niet te spreken over hoe je er uit zou moeten zien. Je had er helemaal niets over te zeggen, zelfs niet of je een jochie of een wijffie werd en toch wás je er opeens, en voor een heel mensenleven lang. En niet langer. Dus uiteindelijk ga je dood, en ook daarover heb je niets te beslissen. Je kunt natuurlijk zeggen dat als je zelfmoord pleegt dat je dan wel het tijdstip en de plaats van je dood hebt bepaald, maar niet dat je doodgaat en dan ergens anders terecht gaat komen. Bovendien is dat een plotselinge daad, waarover je misschien wel eerder hebt nagedacht maar niet precies hebt kunnen bepalen wanneer, waar en hoe. Aan de andere kant maakt het geen bliksem uit wanneer, waar en hoe je doodgaat, want eenmaal dood heb je geen enkel besef meer dat je levend bent geweest en nu dood. Ík denk dat alles gewoonweg ophoudt. Je bent weg, en net zo weg als vóór je geboorte. Waar, dat weet niemand. Alleen is het zo dat vóór je geboorte niemand jou kende en na je dood er wel mensen zijn die je kende, althans meestal, en zo’n 50 jaar daarna is ook iedereen in de wereld je weer vergeten. Dus wat doet het er allemaal toe. En dan zijn er mensen die in een religie geloven en dat wat er van je overblijft, jij noemt dat een ziel, naar iets prettigs gaat als je doodgaat en daar eeuwig zal vertoeven, al dan niet met een goede toevoer van schone maagden. Je mag van mij geloven wat je wilt, natuurlijk, maar bij mij krijg je dát er niet in. Het zal ook wel erg druk worden in die hemel met al die miljarden mensen die daarheen zijn gegaan, en het eind is niet in het zicht. Nee, Harmen, voor mij is het leven een zéér korte tijd in de eeuwigheid dat je kunt bestaan en als het stopt is het net zo uit als het nachtlampje nadat je het knopje hebt omgezet om te gaan slapen. Denk jij daar anders over?”

“Ik weet eigenlijk niet wat ik moet geloven,” zei ik. “Ergens zal er wel iets zijn dat dit alles gemaakt heeft, niet?”

“Dat zou kunnen, maar dat betekent niet dat er een hemel is.”

“Nee, daar heb je gelijk in. Ik denk dan ook dat het vooral voor anderen een rot gevoel is als er iemand doodgegaan is.”

“Juist, dat kan ik volgen. Die gevoelens hebben we allebei gehad, maar ik heb geen gevoel dat Nel of Hetty over onze schouders zitten mee te kijken. Het waren schatten van zielen, maar ook dat is niet gebleven toen ze overleden.”

“Ja, dat idee heb ik ook zo.” zei ik. “Maar wat heb je voor de lunch vandaag, Gerrit? Ik word een beetje weeïg van die wijn zo. Er moet wat vaster door de mond geduwd worden.”

“Ik heb het een beetje simpel gehouden, vriend. Ik heb wat carpaccio van het vlees van een Black Angus koe, arm beest, met een lekker sausje erbij, en wat plakken zalm die we op een vers gebakken broodje met wat roomboter en krulsalade kunnen draperen met een ander sausje en met de vers gewassen handen kunnen verorberen. Voor elk twee van die knapperige broodjes zal wel genoeg zijn, niet?”

“Zeker! Klinkt erg goed, baasje!”

“En dan hoeven we het glaasje wijn niet weg te halen, of heb je liever een koud biertje?”

“Nee, nee, dit is uitstekend zo, Gerrit! Je had kok moeten worden!”

“Jaja, slijmbal. Maar jij mag afruimen.”

Gerrit liep naar zijn kombuis en haalde alles tevoorschijn en bracht het naar buiten. Hij zette het op tafel en ik verdeelde dat over het tafelkleedje terwijl Gerrit alweer binnen was om borden en bestek te pakken. Toen hij ook weer ging zitten maakten we ons eigen broodje klaar, en ging het gesprek verder terwijl we genoeglijk de broodjes weg knaagden.

“Maar zou het niet een slechte dood zijn als je met veel pijn in je donder doodgaat, Gerrit?”

“Voor jezelf feitelijk niet, al is leuk anders vanzelf. Maar als je dan toch dood bent maakt alles wat je hebt meegemaakt niet meer uit, want er zijn geen gevoelens meer als de stop eruit getrokken is. Het gaat weer om de nabestaanden. Zij moeten met het idee leven dat je met veel pijn bent doodgegaan en kunnen daarover veel verdriet hebben. Maar voor jezelf is het gewoon over en uit. Linksom of rechtsom, je weet er niets, helemaal niets van.”

“Dat snap ik wel,” zei ik tussen twee happen en een slokje wijn door, “maar het blijft een vreemd idee dat je er opeens niet meer kan zijn.”

“Dat is natuurlijk zo, maar nogmaals, het is hetzelfde vreemde idee als je er bij je geboorte opeens wel bent en iedereen gaat een keertje de pijp uit en feitelijk maakt het niets uit of dat vroeg of laat in je leven is, want elk leven stopt een keer. Het is alleen verdrietig voor de nabestaanden, meer is het niet, die natuurlijk hopen op een andere manier dood te gaan, maar je hebt niets voor het zeggen. Dat is ook het vreemde daaraan. Niemand weet hoe, wanneer en waar. Maar ja, zou jij dat willen weten?”

“Nee, er zullen maar weinig mensen zijn die dat wel willen. Maar er zijn er natuurlijk ook die het zien aankomen. Zoals met dit virus. Als je ziek bent en je woont in een verzorgingshuis waar je besmet raakt met corona, dan weet je dat je dagen geteld zijn. Hoe ga je daar dan mee om?”

“Ja, Harmen, ik denk dat je dan té ziek bent om te beseffen dat het einde nadert. En als je dat dan wel gaat beseffen zou je best een opgelucht kunnen zijn met het inzicht dat er snel een eind komt aan je lijden, zou het niet?”

“Ja, ik zou dat ook als een verlossing zien, maar dat is dan wel met het besef dat je leeft en niet in de wetenschap dat je even later doodgaat, maar alleen omdat je dan geen pijn meer zal ervaren.”

“Je begrijpt het helemaal, Harmen! Dus het is soms toch een totale verrassing dat iemand op zijn laatste momentje het inzicht krijgt dat het leven gaat stoppen. Dat kan een zeer beangstigend moment zijn, denk ik dan.”

“Nou, dat denk ik ook! Het zal maar een moment zijn dus, en dan gaat het licht uit. Maar ja, iedereen, nou ja, de meesten, wil graag blijven leven en als je dan toch dood moet dan liever een zachte dood, geen gewelddadige of pijnlijke, ook al is daarna alle gevoel weg en kun je van niets meer weten. Vreemd allemaal, hoor. Je kunt het niet goed begrijpen.”

“Maar blijven leven is er niet bij, voor niemand niet! Stel je nou eens voor dat je altijd blijft leven en nooit doodgaat! Hoe vreemd een gevoel is dat dan! Zou jij voor altijd willen leven?”

“Nou, daarover heb ik nog nooit nagedacht, maar als je het zo zegt …. tja, dan is het wel heel erg vreemd als je er altijd bij blijft en er geen eind aan komt. Nee, dat is het ook niet. De dood is zo’n vast onderdeel van het leven dat je dat niet moet wegnemen, met welke mooie techniek dan ook. Straks gaan ze ook het omgekeerde nog uitvinden, dat je toch niet levend gaat worden terwijl je geboorte eraan zat te komen. Een soort abortus dus, maar dan wetenschappelijk en zo. Net zo wetenschappelijk als de dood steeds maar weer uitstellen. Maar in dat geval leef je wel. Zonder geboorte ook geen dood, maar ook geen leven. En de dood komt als een verlossing na een vermoeiend leven welke eindigt met veel pijn, Gerrit. Net zoals wij op de schepen hebben gehad, alleen leven we nog en zijn we niet toe aan de dood. Maar nu we ouder zijn weet je ook dat er eens een eind aan komt. Daarover dacht je vroeger nooit zo na. En als ik het nu doe gaat mijn kop draaien alsof ik na een jaar walverlof in storm oehoe terecht ben gekomen.”

“Ja, maar dat komt omdat je lichaam veroudert, Harmen. Als de wetenschap dat onder controle krijgt, en ze zijn natuurlijk daarmee bezig, dan zal je in eerste instantie veel langer kunnen blijven leven en uiteindelijk heel veel langer tot altijd. Wat een vooruitzicht! Ik word ook zeeziek!”

“Ik zou best wat langer willen leven, zolang dat in goede gezondheid is en er mensen om me heen zijn die hetzelfde hebben meegemaakt. Als je een oudje tussen alleen jongeren wordt is de lol er ook snel van af, want dan is er geen klik meer met de samenleving, lijkt me.”

“Nee, maar misschien wordt je alleen langer in leven gehouden om te werken, net zoals nu dus eigenlijk. Alleen de laatste paar jaar van je leven, naar verwachting, mag je op je lauweren rusten. Als je ouder wordt moet je gewoonweg ook langer werken. Nu is er lichamelijk een eind aan, maar als dat er niet meer is, dan ben je je hele leven, die erg lang gaat duren, alleen maar aan het werken. Het zal wel even wennen zijn, maar als je het mij vraagt vind ik het wel perfect zo, zoals het nu is. Gewoon dat overal een eindje aan komt en je dood kan gaan en in de vergetelheid komt. Niemand is zo belangrijk in iemands leven dat hij voor altijd herinnerd moet blijven. Snap je, Harmen, het is goed om het allemaal achter je te laten uiteindelijk, ook om anderen te ontlasten van je aanwezigheid, gewoon dat je je vrijer kan voelen als je geen rekening met een ander hoeft te houden. En omdat er dan ook niets meer voor jou is maakt het geen bal uit wanneer, hoe en waar dat gebeurt. Het is alleen voor jezelf leuker tijdens je leven als je een prettig leven hebt, dus moeten we dáárvoor zorgen en de rest vergeten, want het heeft daarna geen enkele waarde meer.”

“Ja, ik begin het te snappen wat je zegt, Gerrit. Niet zo’n gekke gedachte eigenlijk. En voor ons goed uitvoerbaar ook, maar dat is niet voor iedereen in de wereld het geval. Wel moeilijk te bevatten, Gerrit!”

“Nee, hoor, je kunt niet de hele wereld op de schouders nemen zonder dat je er zelf onderdoor gaat en dan zorg je dus niet meer voor jezelf, om het leuker te maken dus. Je kunt best voor anderen zorgen, maar alleen uit een eigen situatie die leuk genoeg is om te kunnen zeggen dat je een aardig leven hebt gecreëerd. Ja, en is dat afgelopen, dan is alles afgelopen, ook je hulp voor anderen die snel ergens anders hulp moeten gaan zoeken om hun leven aangenamer te houden, maar daarvan heb je dan geen weet meer. En nee, je gaat niet naar een hemel om achterom te kunnen kijken naar wat je achterlaat. Daarin geloof ik niet. Ik geloof dat je als een druppel bent die terugvalt in de oceaan van het leven en zich mengt met de rest van het water. Er blijft niets van je over dat je kunt onderscheiden als zijnde van jouw ouwe jou. Zo zie ík dat.”

“Interessante visie heb je, Gerrit. Maar het kan toch niet zo zijn dat alles zomaar is ontstaan? Dat moet toch door iets of “iemand” zijn gemaakt en bedacht?”

“Als mens zou je dat zeker kunnen denken, maar weten doen we dat natuurlijk niet, anders zouden we het ons niet hoeven afvragen. Maar ik ben bang dat het wat buiten onze capaciteit van begrip valt. De mens mag dan een gecompliceerd wezen zijn, als je kijkt naar de wereld en de kosmos, ons heelal dus, dan gaat het je duizelen van de grote hoeveelheid gevarieerde gecompliceerdheid die bovendien continue veranderd en dan is het voor ons mensen niet meer te bevatten. Ook denk ik niet dat het bij ons heelal ophoudt en dan wordt het alleen nog maar erger. Dus, ja, er zal best wel een iets zijn dat je kunt aanmerken als creatief maker van het alles, maar het is vele malen gecompliceerder dan een mens kan bevatten, dus kun je je beter je hoofd er niet over breken en gewoon plezier proberen te hebben in het leven dat je wel kunt bevatten en genieten van de dingen die wij mooi vinden.”

“Moeilijk, maar ik begrijp je wel, als je kijkt naar dat alles zomaar is ontstaan, maar hoe zit het dan als je kijkt naar alles dat zomaar is beëindigd?”

“Zeker moeilijk. Dat is het mooie van alles, want alles is tegenstrijdig. Geen leven zonder dood. Geen zwart zonder wit, en ga maar door. Dus zo bezien het beëindigen van alles net zo gecompliceerd als het ontstaan van alles. Je kunt helemaal gestoord worden als je er te lang over doordenkt, dus dat doen we dan ook maar niet, vind je ook niet. Laten we het bij het plezier in het leven houden, in de wetenschap dat we later nog erg lang dood kunnen zijn. Nog een beetje wijn?”

“Nee, dank je, ik moet nog rijden.”

“Dat is zo, Harmen, en nog een lekker stukkie ook. Wat is het? Zo’n kilometer of 22?”

“Inderdaad, 22 of 23 kilometer. Maar de batterij zit nog redelijk vol, dus ik ga als een speer.”

“Zullen we dan nog even de blinde kleppen voorzetten, voordat je weer het zeegat uitvaart?”

“Een goed, plan, Gerrit. Even dit moeilijke gesprek over leven, dood en heelal verwerken. Het was leerzaam wat je me zo vertelde, en het geeft te denken. Dat zeker. Maar je hebt een goede kijk daarop en weet het goed over te brengen. Bedankt daarvoor.”

“Ik doe alles voor mijn vrienden, dan weet je, Harmen, en speciaal voor jou ouwe zeebonk!”

De gemakkelijke stoelen werden in de relaxstand gezet, de kop achterover op een kussentje, en niet lang daarna zou de argeloze voorbijganger in de steeg denken dat er aan de tafelpoten werd gezaagd met een grote botte zaag. Een half uurtje genoten de ouwe rupsen van de middagdut na de kostelijke lunch.

Gerrit maakte nog een kop koffie en ik vulde mijn waterfles op voor onderweg en het was alweer na tweeën dat ik de fiets door de poort manoeuvreerde, afscheid nam van mijn vriend die me uitgeleide deed. Het duurde niet lang of ik zat langs de hoofdweg op het fietspad en zette de elektrische ondersteuning op vol. Een uurtje later reed ik Purmerend alweer binnen en was weldra thuis.

Wat is het toch fijn om gepensioneerd te zijn!

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Harmen Sneer
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 279
Publicatie op .

Geef een waardering voor: "Serieus Gesprek"

Geschreven door Harmen Sneer . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
19.07.20
Feedback:
Correctie i.v.m. oude waarderingen.
  • Lezenswaardig:
    90%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Hedwig Meesters 31.05.20
    Leuk, die complottheoriee n. Hier is goed over nagedacht. Ik vond de tekst soms iets te breedsprakig en er staan nogal wat taalvautjes in..

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Nu te koop...