Voor schrijvers, door schrijvers
Kort verhaal

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
Aantal gepubliceerde inzendingen: 803

Berend Botje en Femke Fiederelsje

‘Waar ga je heen, jongetje?’

‘Zuidlaren, meneer.’

‘In dat speelgoedbootje, met een plastic peddel?’
‘Ja, meneer.’
‘Weten je ouders dit wel?’
‘Jazeker. Ze zeiden nog: “Pas op jongen, soms is de weg recht en dan weer krom. Ze zullen later een liedje over je schrijven.”’

‘Wacht eens even… Wat is je naam?’
‘Berend.’
‘Berend wat?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Je achternaam, natuurlijk.’
‘O, Botje.’
– nee hè! Dat is die galbak aan wie we dat kutliedje te danken hebben. Ik kan het nog voorkomen…
‘Berend.’
‘Ja, meneer.’
‘Je wilt helemaal niet naar Zuidlaren, hè? Maar naar Amerika.’
‘Eh… ja, meneer.’
‘We gaan eerst een spelletje doen: wie het langst onder water kan blijven. Jij begint!
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven…

Hè, waar ben je nou gebleven?’

‘Geef me je peddel, dan trek ik je aan boord. Ik ben Christoffel. Wie ben jij?’
‘Berend Botje. Christoffel…? Is uw achternaam Columbus?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik kom uit de toekomst.
Keer om meneer! U zult een vreselijk land ontdekken: Amerika.’
‘Nee, Berend, ik ga naar Indië.’
‘U vergist zich. De indianen zullen op gruwelijke wijze worden vermoord. De slechtste Europeanen zullen chauvinistische Amerikanen zijn. Een donkere dominee en meerdere presidenten worden vermoord.
Geloof me, een vreselijk volk. Met de Bijbel op tafel vermoorden ze elkaar. Voeren bloedige oorlogen in landen waar ze niets te zoeken hebben. Alles uit naam van God en lotsbestemming.
Een gevaarlijke man met gek haar wordt daar president.’
‘Haha, jochie, heb je zeewater gedronken?’

‘Nee, meneer Columbus.’

‘Kijk, Berend, daar komt de Titanic aan. Wat ziet dat schip eruit zeg. Het lijkt wel of het tegen een ijsberg is aangevaren. Kapitein, mag dit jongetje aan boord, hij wil naar huis. Toch, Berend?’

‘Ja hoor,’ zegt de kapitein, ‘veel passagiers heb ik toch niet meer.’

De stuurman is een echte Nederlandse Amerikaan. Tjonge, hij gaat van voor naar achter en van links naar rechts. Berend wordt er kotsmisselijk van. Ook van de haring die met kieuwen en ingewanden en al wordt gegeten. Zul je altijd zien: als je Willem Beukelszoon nodig hebt om het haringkaken uit te vinden, is hij er niet.

‘Wat een eigenwijs opdondertje ben jij,’ klaagt de stuurman. ‘Ga je mij even vertellen hoe ik een schip moet varen? Kom zeg. Heet jij soms Johan en word jij later een beroemde voetballer?’

‘Welnee,’ zegt Berend. ‘Ik heb geen zin om onder de tatoeages te zitten. Zo ordinair.’

Dat was tegen het zere houten been van de kapitein: ‘Wat is er mis met een tatoeage? Johan heeft trouwens helemaal geen tatoeages.’

‘Dat kunt u niet weten, kapitein. Kunt u soms in de toekomst kijken? Johan moet nog geboren worden.’

Daar heeft de kapitein geen antwoord op. Hij is blij als ze weer aan land komen en hij eindelijk van die apenkop af is. Dat durft hij niet hardop te zeggen, omdat ‘apenkop’ heel omstreden zal gaan worden.

‘Berend!’ roept Elsje Fiederelsje.

‘Elsje!’ roept Berend. Wat fijn dat je er bent. Heb je mijn appje ontvangen?’

‘Ja, natuurlijk, anders stond ik hier toch niet, eikel. Waar was je al die tijd?’

‘Ken je die mop van dat jongetje dat naar Amerika ging?’

‘Nee, wel die van dat jongetje dat naar Zuidlaren ging.’

Ach ja, er gaat weleens een mop de mist in.

‘Heb je honger?’ vraagt Elsje.

‘Een berehonger,’ zegt Berend die wel van een woordgrap houdt.

‘Ik moet nog meel kopen, mijn moeder bakt pannekoeken.’

‘Dat zeg je verkeerd,’ zegt Berend – ook al is dit geen mooie zin: zeg en zegt in dezelfde zin.

‘Hoe dat zo?’ vraagt Elsje.

‘Het is pannenkoek,’ Elsje.

‘Ho ho, die tussen-n is nog lang niet uitgevonden.’

‘Nee, maar dat gaat wel gebeuren.’

‘Jij zegt trouwens zelf beregoed; zonder tussen-n.’

‘Dat klopt: bij een versterking zoals bere en reuze krijg je geen tussen-n.’

Die Berend toch. Hij weet het altijd beter.

Ze lopen naar de Lidl, maar daar is geen zelfrijzend bakmeel. ‘Wat wil je,’ zegt de verkoopster, ‘het is vakantietijd; wie is er dan niet op reis?’

Berend en Elsje lopen naar haar huis in de Van Eeghenstraat. Een chique straat in Amsterdam-Zuid, genoemd naar de ontdekker ervan: Frans Fiederelsje, die daar een liedje over heeft geschreven. Niet te verwarren met Frans Hals, want die kon absoluut niet zingen.

‘Dag mevrouw, ik ben Berend.’

‘Dag Berend. Ik ben mevrouw Fiederelsje. Maar zeg gerust Femke Halsema.’

‘Bent u soms familie van Frans Fiederelsje?’ vraagt Berend.

‘Nee, hoor, maar ik kan wel goed schilderen.

Elsje, zet je klompen maar bij het vuur. Heb je het meel?’

‘Ja, mama.’

‘Zo duur?!’

Dat is nou weer typisch mevrouw Fiederelsje. Altijd weer zeuren. Maar ze heeft het ook niet makkelijk. Nee zeg. Haar man is veroordeeld omdat hij een neppistool in zijn bezit had. Zó dom, Oey wat is die man dom zeg. Je zag gelijk dat het nep was. Alleen zijn zoon had het niet door, die was nog dommer.

‘Lust je spekpannenkoeken, Berend?’ vraagt Femke.

‘Jawel hoor, als er maar geen spek in zit.’

Wat een rare jongen, denkt Femke. Als die geen corona heeft… Ze doet haar mondkapje voor.

‘Wat stinkt het hier,’ zegt Berend.

Femke doet haar mondkapje naar beneden, blaast in haar hand en zegt: ‘Ik ruik niets. Behalve rook; ben je nu weer begonnen, Elsje?’

‘Mama!’ Elsje wijst naar het fornuis…

‘Potverdikke, stomme trut! Ik had gezegd je klompen bij en niet op het vuur te zetten.’

‘Dat zijn mijn klompen niet, mama.’

Alle pannenkoeken zijn verbrand. Op zijn sokken loopt Berend naar huis. Het zit hem ook nooit mee. Zijn vader heeft een ziekelijke slaapzucht met een moeilijke naam: lethargie. Hoe kun je nou van een jochie verwachten dat ie zo’n moeilijk woord als lethargie onthoudt? Hij kan nooit op het woord lethargie komen. ‘Gebruik dan een ezelsbruggetje,’ zegt zijn vader dan. ‘Bijvoorbeeld liturgie. Maar liturgie is minstens net zo moeilijk en slaapverwekkend als lethargie dat hij daar een ezelsbruggetje voor moet verzinnen.

Berends moeder is een dame van plezier, maar hij heeft haar nog nooit zien lachen. Dat vinden haar klanten ook: ‘Wat een zuurpruim.’ De man van de fruitstal stuurt haar altijd weg: ‘Scheer je weg, zo verkoop ik nog geen pruim.’ Maar dat vindt Berends vader nooit een goed idee: ‘Wat stinkt mijn scheermes toch zuur,’ klaagt hij dan weer.

‘Vader, vader, slaapt gij nog?’

‘Potverdikke, nee nu niet meer,’ zegt Jacob. ‘Eerst die kut kerklokken of die moskee, en nu jij weer, oelewapper! Ik heb weer zo’n last van die, uh…’

‘Lethargie, vader?’

‘Ja, onthoud dat woord nu eens, sukkel.

En wat hebben al die sirenes te betekenen, Berend?’

‘Er staat een huis in de fik, vader.’

‘Waar?’

‘In de Van Eeghenstraat, vader.’

‘O, dat is toch een kakbuurt. Er wordt aangebeld, doe eens open en vraag wie het is.’

‘Wie is daar…?

‘Andries.’

‘Het is Andries, vader.’

‘Vraag wat ie komt doen.’

‘Wat komt u doen.’

‘Ik kom Jezus brengen.’

‘Hij komt Jezus brengen, vader.’

‘Zeg maar dat ie ‘m op de trap zet en dat ik hem later wel kom ophalen. Dat gezeik.’

Maar Andries houdt zijn poot stijf zoals het Andries betaamt; voordat ze het weten staat hij bij Jacob in de slaapkamer, samen met een man met een pijp in zijn mond en een schriel mannetje met een voetbal onder zijn arm. Hij praat slecht Nederlands, met kromme zinnen.

‘Jezus,’ zegt Jacob.

‘Dag Jacob.’ ‘Dag Jacob.’

‘Zeg Andries, alles goed en wel, maar wie is nu Jezus?’

‘Daar zijn we nog niet uit, Jacob. Maar morgen is het Hemelvaartsdag, dus kun je gelijk mee. Je krijgt tien procent korting op je uitvaart en zo reduceer je ook die kut-coronaverspreiding, op jouw hoge leeftijd’ – ja, die Andries is soms best grof.

‘Die heb ik helemaal niet, Andries.’

‘Heb je je dan laten testen, Jacob?’

‘Als aartsvader weet ik toch zeker zelf wel of ik een kut heb of niet?’

Het was een mooie uitvaart. Voor het eerst zag Berend zijn moeder lachen.

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Han Maas
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 110
Publicatie op .

Geef een waardering voor: "Berend Botje en Femke Fiederelsje"

Geschreven door Han Maas . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Grammatica & Spelling:
Passend in deze rubriek:
02.10.20
Feedback:
Zelden zo gelachen om een kort verhaal en zeer goed geschreven ook!
Grammatica & Spelling:
Goed
Passend in deze rubriek:
Ja
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Han Maas 03.10.20
    Haha, wat heerlijk dat je erom kunt lachen. Dank voor je waardering!

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!