Voor schrijvers, door schrijvers
Poëzie

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 735

Als wat je te zeggen hebt niet mooier is dan de stilte, zwijg dan

'Mevrouw word eens wakker, doet u de ogen eens open’, schreeuwt een onbekende mannenstem dicht bij haar oor. ‘U heeft een auto-ongeluk gehad en ligt in het ziekenhuis.’
Ze probeert zich te oriënteren, maar door het schreeuwende geluid in haar oor is dat onmogelijk.
‘Ik ben wakker’, zegt ze zachtjes.
De man reageert niet en blijft onverstoorbaar 
hard doorpraten. Ze probeert haar hoofd te draaien, maar dat lukt niet. Ze opent haar ogen, de schaduw op haar netvlies verdwijnt langzaam en vanuit haar ooghoeken ziet zij een man in groene kleding staan.
‘Ik ben chirurg en heb u net geopereerd’, zegt hij nu zonder te schreeuwen terwijl hij met zijn vingers tegen de slang van een infuus tikt.
‘Ik ben wakker’, zegt zij nogmaals nu harder.
De man reageert nog steeds niet. De deur van de kamer gaat open en een jonge vrouw komt binnen lopen.
‘Is ze wakker?’ vraagt de vrouw belangstellend.
‘Ze heeft sinds een paar minuten haar ogen open’.
Met een onderzoekslampje schijnt de man in haar ogen. ‘Ik ga haar wat pijnprikkels geven om te zien hoe zij daarop reageert.’
De man drukt gemeen met iets hard op het nagelbed van haar wijsvingers.
‘Au, dat doet pijn.’ Ze probeert haar hand weg te trekken, maar de chirurg is sterker en houdt haar hand vast.
‘Kan iemand mij misschien overeind helpen?’ vraagt ze smekend, maar zowel de man als de vrouw negeren haar verzoek.
Ze ziet de man langs haar bed lopen. ‘Het is afwachten’, hoort zij hem zeggen en met een kort knikje naar de verpleegster verlaat hij de kamer. 

De verpleegster doet zwijgend haar werk. Op de piepjes van het apparaat naast haar bed na is het nagenoeg doodstil in de kamer. De situatie voelt onwerkelijk, alsof het een ander overkomt. Ze probeert zich te herinneren wat er is gebeurd. Het enige wat zij zich kan herinneren is dat ze naar haar auto liep om naar een feestje van haar werk te rijden. Maar wat er gebeurd is vanaf het moment dat ze de auto instapte en het wakker worden in het ziekenhuis is een groot zwart gat, haar geheugen weigert dienst. Ze wil overeind komen, maar iets houdt haar tegen, het is alsof ze is vastgebonden aan het bed. De nawerking van de narcose begint zijn tol te eisen. Luisterend naar de piepjes van het apparaat naast haar bed doezelt ze weg.

‘Schatje, hoor je me?’
Heel langzaam komt zij bij haar positieven en draait haar ogen richting het geluid. Naast haar bed staat een man. Ze herkent hem direct, het is haar echtgenoot. Zijn gezicht is bont en blauw alsof hij net uit een boksring is gestapt, op zijn voorhoofd prijkt een snee met een flink aantal hechtingen en zijn linkerarm zit in het gips.
‘Liefje, het spijt me zo!’
De woorden geven haar een onbehagelijk gevoel. Een traan druppelt over zijn wang. Ze voelt geen medeleven, eerder irritatie.
‘Het is goed, huil maar niet’, maant ze hem tot kalmte. Haar man veegt met zijn mouw de tranen van zijn wangen en pakt een stoel. Hij houdt haar hand vast en streelt de bovenkant met zijn duim. Stilzwijgend zit hij naast haar.
‘Wat is er gebeurd?’ Zachtjes vraagt ze hem om uitleg. Hij reageert niet. ‘Wat is er gebeurd?’ Haar stem klinkt nu dwingend.
Hij geeft geen antwoord op haar vraag, maar staat op en loopt naar het raam. Haar ogen volgen zijn bewegingen. Met gebogen schouders kijkt hij nog een keer op zijn telefoon voor hij deze in de binnenzak van zijn jas opbergt. Met zijn rechterhand in zijn broekzak blijft hij voor het raam staan.
‘Wat een ellende’, mompelt hij verslagen. Hij draait zich om en met een lege blik staart hij naar de vrouw in het bed.

‘De situatie is onveranderd sinds de operatie’, klinkt het vanaf het uiteinde van haar bed.
Ze verplaats haar blik van haar echtgenoot naar de spreker. De chirurg en een man die zij niet eerder heeft gezien zijn de kamer binnen gekomen. De onbekende man controleert haar status en schudt meewarig zijn hoofd. Haar man staat nog steeds bij het raam, zijn tranen zijn opgedroogd.
‘Wat is het vooruitzicht?’ vraagt hij de artsen.
De chirurg haalt zijn schouders op. ‘Het is te vroeg om conclusies te trekken. Ze is in vegetatieve toestand, niet hersendood. De aankomende weken maanden zijn cruciaal, wanneer de situatie niet verbeterd zal zij de rest van haar leven doorbrengen als een kasplantje.
Ongemakkelijk ligt zij te luisteren naar het gesprek tussen de drie mannen. Er wordt over haar gesproken alsof zij er niet bij is. Dat stemt haar somber. De chirurg heeft het over een kasplantje. Wat bedoelt hij daarmee?’ Opeens beseft ze haar situatie. Angstig probeert ze overeind te komen. Wanneer dat niet lukt overvalt haar het gevoel van machteloosheid.
‘Help me!’ snikt ze geluidloos.
Een traan rolt over haar wang op het spierwitte laken. Ze zoekt oogcontact, maar de plek aan het uiteinde van haar bed en de plek bij het raam zijn leeg, de mannen hebben ongemerkt de kamer verlaten.

Haar hersenen werken nu op volle toeren. In een flits komt een herinnering boven. Ze staat in de voorkamer van haar ouderlijk huis. Ze draait zich naar de plek waar de witte kist had gestaan met daarop de vele gele bloemen. Geel was de lievelingskleur van haar zusje. Haar twee jaar jongere zusje was op 13-jarige leeftijd overleden na een lange periode van ziek zijn. Het gevecht tegen de leukemie was vanaf dag 1 een ongelijke strijd geweest en kostte niet alleen haar zusje, maar ook haar ouders al hun kracht. Zij wist dat haar zusje op het einde de behandelingen alleen maar onderging om haar ouders de hoop niet te ontnemen. Toen de leukemie voor de derde keer terugkwam was het voor haar zusje duidelijk geworden dat zij de strijd zou gaan verliezen, toch was het moeilijk voor haar geweest het leven los te laten. Niet omdat ze bang was voor de dood, maar meer voor het verdriet dat haar ouders zouden hebben om haar dood. Soms kroop haar zusje ’s nachts bij haar in bed. Op die momenten was het dappere meisje heel kwetsbaar en dat deed haar als grotere zus pijn, heel veel pijn, want woorden van troost voor haar zieke zusje had zij niet.

Het was een normale doordeweekse dag geweest de dag dat haar zusje overleed. Het beloofde zelfs een mooie dag te worden, de opkomende zon had vrolijk door de ramen naar binnen geschenen. Iedereen sliep tot ze werden opgeschrikt door een hoog schril geluid van een mens met intens verdriet, een geluid dat zij de rest van haar leven nooit meer zal vergeten. Ze wist meteen dat het voorbij was. Met haar hoofd onder de dekens was ze in bed blijven liggen. Haar vader had haar onder de dekens vandaan gehaald en haar in zijn armen had genomen. Samen hadden ze gehuild. Na de begrafenis van haar zusje was haar moeder veranderd in een apathisch vrouw die enkel en alleen leefde omdat haar hart bleef kloppen. Haar vader was vader en moeder tegelijk geweest en zorgde voor haar. Zij en haar vader waren een hechte eenheid geworden. Wat was de man trots geweest toen ze aan de Pabo ging studeren. Opeens staat ze op een begrafenis. Het duurt even voor ze beseft dat het niet de begrafenis van haar zusje is, maar die van haar vader. De herinnering aan zijn kist die langzaam afzakt in een gat in de grond doet haar hart samentrekken, haar ademhaling komt met horten en stoten. Ze begint te hyperventileren en snakt naar lucht.

Iemand drukt op de alarmknop. De deur vliegt open, de zaalarts gevolgd door een verpleger stormen binnen. Haar ademhaling stopt. De druk in haar hoofd voelt alsof ze met haar hoofd in een bankschroef is geplaatst en iemand de schroef extra aandraait. Het ziekenhuisschort wordt van haar lichaam gerukt. Onbeweeglijk ligt ze naakt naar lucht te happen. Iemand duwt een slang door haar neus. Ze voelt een koude stroom lucht door haar keel haar longen binnendringen. Haar ademhaling wordt rustiger. De hectiek rond haar bed neemt af.
Een verpleegster streelt haar zachtjes over de wang. ‘Het is wat met u.’

De dagen slepen zich voort, ze is het besef van tijd volledig kwijt. Haar moeder is in al die tijd één keer langs gekomen. Ze was geen fijn bezoek. Zonder begroeting of aanraking was ze in de stoel naast het bed gaan zitten. Geen woord was er uit haar tot streep vertrokken mond gekomen, ze had alleen maar gezucht. Na een half uurtje was ze opgestaan en naar de deur gelopen. In de deuropening had zij zich nog een keer omgedraaid en met haar herkenbare koude blik naar haar dochter gekeken om vervolgens zonder te groeten de deur achter zich dicht te trekken. Voor de zoveelste keer was ze teleurgesteld in haar moeder. De empathie voor de vrouw die haar baarde is volledig verdwenen. Het gevoel dat haar moeder het haar kwalijk neemt dat niet zij maar haar zusje was overleden is terug.
Haar echtgenoot komt dagelijks langs, waarschijnlijk rechtstreeks uit zijn werk. Hij stelt haar elke dag de vraag hoe het gaat, zonder een antwoord te verwachten, zonder haar aan te kijken. Vervolgens gaat hij op de rand van het bed zitten. Stilzwijgend, druk in de weer met zijn telefoon waar hij zijn ogen niet van af kan houden. Hij blijft nooit lang.
‘Ik ga nu naar huis, snel wat eten en vroeg mijn bed in, morgen weer werken’ en weg is hij.
Uit het niets herinnert zij zich opeens de dag van hun eerste ontmoeting. Zij en haar vriendinnetje Tisja waren na een week van zware tentamens gaan stappen met de bedoeling flink dronken te worden. Een beloning voor maanden hard blokken. Ze had al verschillende drankjes op toen zij hem zag staan in haar favoriete kroeg. Hij had hij doorlopend oogcontact gezocht, zonder toenadering te zoeken. Hij bouwde de spanning geduldig op en na sluitingstijd was zij gewillig met hem meegegaan. De eerste maanden van hun relatie was een rollercoaster. Hij ging en kwam wanneer het hem schikte. Tot hij haar op een dag onverwachts ten huwelijk vroeg. Zij wat totaal overrompeld, niet in staat tot praten en had alleen maar kunnen knikken zo gelukkig was zij met zijn aanzoek.
Haar vriendin Tisja verklaarde haar voor gek. ‘Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken’.

‘Amy, wij zijn het’, de deur gaat voorzichtig open.
Een groot bos bloemen verschijnt in de deuropening. Ze slikt.
Het monotone stemgeluid van Francien haalt meteen een hoop herinneringen boven. Het zijn haar collega’s van de universiteit waar zij lesgeeft. Op het werk ontloopt zij Francien en haar schaduw Louise waar mogelijk, dat is helaas nu niet mogelijk. Francien komt als een tornado op haar af met in haar kielzog Louise. Francien duikt voorover, houdt haar wang naast die van haar en maakt een kus geluid zonder echt een kus te geven. Met tegenzin ondergaat zij de begroeting. Louise blijft gelukkig op veilige afstand staan en steekt als een bang muisje haar hand ter begroeting op. Francien vult de vaas met water, snijdt de bloemen schuin en plaatst de vaas met bloemen op het nachtkastje naast het bed.
Ze wijst naar de vrouw aan de andere kant van het bed. ‘Louise en ik hebben onze vrije middag opgeofferd om jou te bezoeken. De rest heeft zogenaamd andere verplichtingen’, moppert ze, ‘die niets te maken hebben met het zeldzame mooie weer buiten, stelletje schijnheiligen.’
Francien trekt een wenkbrauw op en pruilt haar rood gestifte lippen. Het oogt hilarisch en als de situatie niet zo in en in triest was geweest had ze er om kunnen lachen.
‘Zou ze het weten van haar man?’ vraagt Louise aan Francien.
Francien port de vrouw hardhandig in haar zij. ‘Sssssst, stil’, fluistert ze. Louise haalt haar schouders op, friemelt wat aan haar kleding en mompelt.
‘Waarom? Ze kan ons toch niet horen.’
Francien twijfelt. ‘Straks hoort ze ons wel’, mompelt ze.
‘Welnee, ze kan helemaal niets meer, ze is zo goed als dood’, zegt Louise zonder enige sympathie voor de vrouw in het bed, ‘kijk dan!
Demonstratief pakt ze een arm, tilt hem omhoog en laat de arm in bed terugvallen.
‘Ahh gossie’, giechelt Francien, ‘het lijkt wel een lappenpop.’
Francien slaat de dekens terug en pakt een been. Ze tilt het been een klein stukje op en laat vervolgens los, al gauw heeft ze de smaak te pakken en laat het been van een steeds grotere hoogte terugvallen op het bed.
‘Maak wat foto’s’, fluistert Francien lachend.
Louise bedenkt zich geen moment en pakt haar telefoon. Francien heeft ondertussen de knoopjes van de pyjama losgeknoopt en de borsten van haar slachtoffer ontbloot.
Zij hoort Francien van spanning opgewonden hijgen.
‘Schiet op, straks komt er iemand binnen.’
De twee vrouwen zijn een triest aanblik, ze richt haar ogen op het plafond boven haar. Dan is het voorbij. Voor de eerste keer sinds lange tijd is zij blij dat ze alleen is.

Uit gesprekken tussen de artsen en verpleging is het haar duidelijk geworden dat de onderzoeken en testen niets positief hebben opgeleverd, ze is stabiel. Zelfstandig ademhalen kan zij niet meer sinds de slang in haar neus is aangebracht, een pomp naast het bed houdt haar in leven. Het verplegend personeel blijft vriendelijk, maar besteedt steeds minder aandacht aan haar. Een leerling-verpleegster vertelde tijdens het verschonen van het bed aan een collega dat haar organen in een lichaam van een ander nog prima zouden kunnen functioneren. Die opmerking raakte haar flink. Ondanks dat haar lichaam haar in de steek laat is wat haar tot een uniek mens maakt nog steeds intact, haar persoonlijkheid en gevoelens zijn niet veranderd.   

Haar hartsvriendin Tisja is voor een weekje over uit Australië waar ze is gaan wonen voor haar prins op het witte paard. Samen liggen ze naast elkaar in het ziekenhuisbed. Tisja houdt haar stevig vast en streelt zachtjes haar wangen.
‘Meisje toch, wat heb je met laten schrikken.’
Heel voorzichtig draait zij het hoofd van haar vriendinnetje naar haar toe. Neus aan neus staren zij elkaar aan.
‘Wat zal jij eenzaam zijn daarbinnen’, merkt ze op. ‘Kan je me horen Amy?’, vraagt ze met een schorre stem.
Tisja knippert met haar ogen om de tranen terug te dringen.
‘Genoeg gejankt, ander onderwerp’, glimlacht ze dapper. ‘Waarom heeft die vent van je geen contact met me opgenomen na het ongeluk dan was ik veel eerder gekomen?
Het onbegrip over het gedrag van haar man druipt van de vraag af. Denkbeeldig haalt Amy haar schouders op, ze heeft geen idee wat haar man beweegt om iedereen bij haar weg te houden. Ze lijkt hem niet meer te kennen. Bij elk bezoek wordt de afstand tussen hem en haar groter. Tisja draait het hoofd van haar vriendin weer terug in het kussen en staat op.
‘Tijd voor ontspanning’, zegt ze vrolijker dan ze zich voelt. Ze pakt een boek uit haar tas en begint hardop voor te lezen.
Zij ligt te genieten, het is zo fijn dat Ties er is. Het verhaal nadert zijn climax. Vol spanning wacht ze op het plot, ze hoopt op een goed einde, net als voor haar zelf. Tisja klapt het boek dicht en staat op. Ze moet even strekken, haar spieren zijn stijf van het lange zitten op het ongemakkelijke ziekenhuisstoeltje. Ze kijkt naar het stille lichaam in het bed en hoopt dat Amy heeft genoten van het voorlezen. Ze slikt een brok weg, haar vriendinnetje zo te zien liggen is hartverscheurend. Een jonge vrouw in de bloei van haar leven, maar dan vermaant zij zich, het leven is pas voorbij als de laatste adem is uitgeblazen.
Ze geeft haar vriendin nog een laatste liefdevolle knuffel en met de woorden ‘tot morgen’ neemt ze afscheidt. 

‘Heeft u nagedacht over wat wij eerder deze week hebben besproken?
Het gordijn rond haar bed is dicht. De spreker is haar onbekend, maar hij heeft een aangename stem om naar te luisteren.
‘Ja, ik heb erover nagedacht, maar kan daar niet een twee drie een antwoord op geven.’
Ze hoort haar man zijn keel schrapen iets wat hij alleen doet als hij heel zenuwachtig is. Ze krijgt een onbehagelijk gevoel. Een van de mannen loopt naar de wasbak, ze hoort het gerinkel van glaswerk en stromend water. Als de kraan is dichtgedraaid gaat de spreker verder.
‘De operatie van uw vrouw is nu vijf maanden geleden en we kunnen met zekerheid stellen dat zij niet meer beter gaat worden. Ook al ontwaakt zij uit haar coma ze wordt nooit meer zoals u haar herinnert, de schade in haar hoofd is onherstelbaar.’
Hij pauzeert even om een slokje water te drinken.
‘De artsen achten de kans dat zij kan praten of dat haar motoriek aangestuurd gaat worden vrijwel nihil. Ze zal bij alles hulp nodig hebben en totaal afhankelijk worden van andere mensen. Haar weerstand is zodanig vermindert dat er een verhoogd risico is dat zij alsnog overlijdt aan een virusziekte.’ Hij laat zijn woorden even inwerken. ‘Als CEO van dit ziekenhuis bied ik u de mogelijkheid de behandeling te stoppen.’
De woorden komen hard bij haar binnen, maar zij is overtuigd dat het voorstel van de ziekenhuisdirecteur kansloos is, haar man houdt van haar. Het gordijn wordt opzijgeschoven.
De spreker is een aantrekkelijke man, zijn uiterlijk past precies bij zijn stem. 
‘Ik neem het in overweging, maar wil het ook thuis bespreken. Het is niet zomaar een dingetje, het is een loodzware beslissing die u van mij vraagt’, hoort zij haar man zeggen.
Verbijsterend door zijn antwoord sluit zij zich af voor het gesprek.

De dagen na het gesprek met de ziekenhuisdirecteur komt haar man niet op bezoek, Ties is terug naar Australië. Het zijn lange eenzame dagen met als hoogtepunt de verpleging die een zak met zoutoplossing of een sondevoeding vervangt. Het gesprek tussen haar man en de ziekenhuisdirecteur maalt de hele dag door haar hoofd.
De twijfel bij haar man over het stoppen van de behandeling begrijpt ze niet. Ze zijn een stel, getrouwd in voor- en tegenspoed. Is haar toestand een te grote beproeving voor hem, houdt hij niet meer van haar? Wat is er toch tussen hun gebeurd?

De afgelopen dagen flitsen er steeds vaker flarden van herinneringen door haar hoofd. Vanmorgen vormden de losse stukjes herinneringen bijna een logisch geheel.
Hij is naar zijn werk en heeft zijn gsm op het sleutelkastje laten liggen. Zij besteedt er geen aandacht aan tot zij geïrriteerd raakt door het geluid van de vele inkomende berichten.
Chagrijnig pakt ze zijn telefoon. Hij heeft zijn telefoon beveiligd met een pincode. Zij probeert zijn geboortejaar, haar geboortejaar, trouwdag, bij het intoetsen van zijn verjaardag springt de gsm van de beveiliging. Even is er een aarzeling, de telefoon openen is inbreuk op zijn privacy.
‘Piep piep’, het zoveelste berichtje. Weg is haar aarzeling en zonder scrupules opent zij de berichten box van zijn telefoon. De berichten zijn seksueel getint en verwijzen naar eerder ontmoetingen. In de vijf minuten die het neemt om de berichten te lezen stort haar wereld volledig in. De basis van hun relatie, open en eerlijk, is niets meer dan gebakken lucht. Het gaat hier niet om een one night stand, maar over een relatie van maanden of misschien wel jaren. De berichten zijn opgeslagen onder een naam van een collega die een paar jaar geleden bij zijn bedrijf is komen werken, maar die zij nooit heeft ontmoet. De goede man blonk uit door zijn afwezigheid op personeelsfeestjes. Ze twijfelt nu aan zijn bestaan. Ze confronteert haar man meteen bij thuiskomst met de berichten van zijn vriendinnetje. Hij speelt de vermoorde onschuld. De berichtjes zouden verkeerd geadresseerd zijn en hij heeft geen idee van wie ze komen. De man die voor haar staat is een complete vreemde geworden. Ze slaapt die nacht op de bank.

De dagen daarna probeert hij haar te overtuigen van haar ongelijk, dat er niets aan de hand is, dat het hersenenspinsel zijn, dat zij zich vergist. Maar zijn woorden versterken haar gevoel van wantrouwen alleen maar. Het klopte niet wat hij haar probeerde wijs te maken, noem het vrouwelijke intuïtie. En ze krijgt ongewild haar gelijk. Op weg naar een tandartsafspraak meent ze op de snelweg de auto van haar man te zien. Ze was dichter naar de auto toe gereden en had het kenteken van de auto van haar man herkend. In de auto zaten twee personen. Haar man en een onbekend persoon. Ze was de auto op veilige afstand gevolgd. Ondanks de drukte op de weg was het haar gelukt om zonder op te vallen dezelfde afslag te nemen als haar man. Via talloze dorpjes en B-wegen bereikte ze een bosrijk gebied. De auto stopte op een parkeerplaats van een hotel. Zij had haar auto geparkeerd onder het afdak van het hotel waar ze goed zicht had op zijn auto. Hij was uitgestapt. De medepassagier, een man, stapte ook uit. De man liep om de auto heen, greep haar man rond zijn middel en duwde hem tegen de auto. Hij zoende haar man vol op zijn mond. Het was overduidelijk dat haar man genoot van zijn kus. Hij trok de man zelfs dichter tegen zich aan. Na de onstuimige kus wandelde ze hand in hand het hotel in. Ze was terug naar huis gereden. Er was zoveel door haar hoofd gegaan. Was zijn geaardheid de rede geweest om met haar te trouwen, had hij een schijnvertoning willen schetsen voor de buitenwereld, man vrouw relatie, huisje boompje beestje? Wanneer hij thuiskomt zegt zij niets. Hij vertelt dat hij naar een klant in het oosten van het land is geweest en daar de hele middag heeft doorgebracht. De woede in haar hoofd om de zoveelste leugen stapelde zich op.

De herinneringen volgen elkaar nu snel op. Ze zijn op weg naar een feestje van haar werk, haar man rijdt. Ze hebben ruzie.
‘Jij’, ze benadrukt het woord en spuugt vervolgens de beschuldiging uit, ‘bent een leugenaar. Waarom zou ik jou nog geloven’, schreeuwt zij boos, ‘vuile hypocriet!’
Haar man kijkt haar heel even aan voor hij zijn ogen weer op de weg richt. ‘Schatje, ik…‘, stamelt hij, maar ze geeft hem geen gelegenheid om zijn zin af te maken.
‘Niets schatje, ik ben je schatje niet, ik ben helemaal niets meer van jou, laat me.’
Ze draait haar gezicht weg zodat hij de tranen in haar ogen niet ziet. Met de mouw van haar blouse veegt ze woest de tranen van haar wangen en draait zich weer om.
‘Deze keer hoef je me niet te vermoeien met je leugens.’
Ze stopt even met praten, haar mond is droog en met haar tong probeert ze haar lippen te bevochtigen. ‘Ik heb je gezien, met hem.’
De man wil wat zeggen, maar bedenkt zich. Slikkend probeert ze haar tranen tegen te houden. De pijn die zij voelt is zo heftig, haar hele lichaam reageert op zijn aanwezigheid.
Natuurlijk heeft ze gevoelens voor de man met wie zij al zo lang samen is, maar de drang om hem te kwetsen is groter. Ze zou hem willen slaan, hem willen laten voelen hoeveel pijn zijn leugens haar doen.
‘Het is geen bewuste keuze geweest, het is me overkomen, het stelt niet eens wat voor’, hoort ze hem zachtjes met schorre stem zeggen.
Ze kijkt hem aan en de tranen stromen over haar wangen. ‘De eerste keer overkomt het je misschien, de tweede keer is het een keuze’, zegt zij. ‘Je bent een monster geworden door al je leugens, voor jouw gedrag is geen enkel excuus.’
‘Ik kon niet anders, ik wil je niet kwijt’, mompelt hij.
Zijn woorden wakkeren haar boosheid verder aan. Ze ziet nu pas zijn ware aard. ‘Het is over en uit’, het lucht haar op de woorden eindelijk uit te spreken.
Hij slikt. Hij weet dat het geen zin meer heeft maar pakt toch haar hand. ‘Alsjeblieft, blijf bij me, ik beloof je dat het de laatste keer is geweest.’
Ze rukt haar hand los en duwt hardhandig zijn arm weg. Haar kracht verrast hem en even is hij de macht over het stuur kwijt. Hij probeert het te herstellen, de auto begint te slingeren en op het moment dat hij de controle over de auto terug heeft bevindt het voertuig zich in de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer. Hij kan een botsing met een tegenligger niet meer voorkomen. Het geluid van metaal op metaal is oorverdovend.
Het laatste wat zij hoort is haar eigen gegil dan wordt het zwart om haar heen.

Haar herinneringen zijn terug. Voor haar geen mooie prins die een doornhagen trotseert, wel een overspelige echtgenoot die haar gevoel van eigenwaarde een enorme knauw heeft gegeven. Zijn list en bedrog voelt als een gapende wond. Ze zucht ongemakkelijk en beseft dat wonden helen, ook gapende wonden. Zij leerde omgaan met de dood van haar vader en zusje. Niet door de dood een plek te geven, maar de liefde die zij voor beiden voelt. Ze heeft geleerd dat verdriet verwerken tijd en kracht kost en dat het leven ondanks de pijn doorgaat. De afgelopen maanden zijn geen graadmeter voor haar leven. Ze beseft dat ze de duivel niet zwarter moet maken dan hij is, haar man heeft ook goede kanten die haar heel gelukkig hebben gemaakt. Wil ze verder met haar leven dan moet ze haar pijn en boosheid laten varen. Ze kan het verleden niet meer veranderen, wel de ruimte die zij haar negatieve gedachtes in het heden geeft. Vergeven betekent dat hij niet langer een prominente rol speelt in hoe zij zich voelt, maar dat zij zelf de verantwoording neemt voor haar welzijn. De gapende wond begint zich te sluiten.

‘Voorafgaand aan het proces zal ik u uitleggen wat ik precies ga doen. Als eerste stap breng ik een slang aan die verbonden is met het infuus met barbituraten. Dit middel wordt gebruikt om patiënten in coma te brengen. Mevrouw ligt al comateuze toestand waardoor het toedienen van de barbituraten kan leiden tot direct overlijden. De tweede stap is het toedienen van een spierverslapper waardoor de ademhalingsspieren worden verlamd met als gevolg dat de mevrouw stopt met ademen, dit kan maximaal 5 tot 10 minuten duren. Mevrouw merkt daar niets van. Het hart van mevrouw kan al die tijd door blijven kloppen en zij kan blauw verkleuren.’
De man met de witte handschoenen trekt zijn kin een beetje naar zijn borst en kijkt boven zijn leesbril de twee mannen naast het bed aan. ‘Heeft u nog vragen?’
Zij volgt zijn blik. Ze herkent de man naast haar man direct van het parkeerterrein bij het hotel. Haar goede voornemens over vergeven verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Vergeven, helemaal niets vergeven! Het liefst zou zij haar echtgenoot zo hard trappen dat hij de rest van zijn leven door een buisje moet plassen. ‘
Hem bedoelde je dus met thuis bespreken’, woedend kijkt ze haar echtgenoot aan. ‘Waar haal jij de gore moed vandaan om samen met hem over mijn dood te beslissen.’
Ze draait dramatisch haar ogen in het rond. ‘Door jou lig ik hier, narcist. Als jij eerder open en eerlijk over je geaardheid zou zijn geweest dan waren we nu allebei gelukkig.’
Ze schreeuwt en tiert, maar geen mens die haar hoort. De man met de witte handschoenen schuift geconcentreerd de naald van het infuus in de bovenzijde van haar hand.
‘Stop alsjeblieft, maak me niet dood’, smeekt ze nu zachtjes huilend.
De man gaat stoïcijns door zonder te beseffen dat in het verstilde lichaam een levende ziel ronddwaalt.
Het infuus is aangesloten en de man kijkt haar echtgenoot weer aan. ‘Ja?’
Haar echtgenoot knikt bevestigend. De tranen stromen over zijn wangen.
‘Ugggghh krokodillentranen’, gromt ze.
De man met de witte handschoenen kijkt op, buigt voorover en schijnt met zijn lampje in haar ogen. ‘Hoorde jullie wat?’
Beiden mannen schudden het hoofd, ze waren te druk met elkaar.
‘Jaaaa, je hebt het goed gehoord, ik zit hier binnen’, gilt ze gestrest.
‘Ugggghh, ugggghh. Ugggghh’, probeert ze nog een paar keer, maar de man met witte handschoenen hoort haar niet.
‘Het is zover. Wilt u nog wat zeggen voor ik de procedure start.’
Ze draait haar ogen weer naar haar echtgenoot. Hij staat daar maar te staan en lijkt niets te kunnen zeggen.
‘Het is goed zo’, fluistert ze berustend. ‘Als wat je te zeggen hebt niet mooier is dan de stilte, zwijg dan.’
De man met de witte handschoenen draait het kraantje tussen de slang en het infuus om. Langzaam druppelt de slang vol en vloeit de barbituraten door de naald van het infuus haar lichaam binnen.
Het is zoals de man met witte handschoenen heeft beloofd. Ze merkt er helemaal niets van.

 

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Anita Vlietman
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 570
Publicatie op .
 
  Meer van deze schrijver:

Geef een waardering voor: "Als wat je te zeggen hebt niet mooier is dan de stilte, zwijg dan"

Geschreven door Anita Vlietman . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
24.03.20
Feedback:
Ja, zeer knap gebruik van show don’t tell.
Ik kan het uit eerste hand weten, ik was de vrouw in zekere zin: zelf zeven maanden in coma gelegen. Lock in syndroom. Je weergeeft hoe zij spreekt, althans denkt dat zij spreekt en de wijze waarop de omgeving reageert, maakt duidelijk hoe de zaken er waarlijk voor staan.
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
25.02.20
Feedback:
Erg mooi!

Ik vond de dik gedrukte tekst wel lastig lezen. Mede omdat het doordat gesproken zinnen in de tekst staan ipv op nieuwe regel, zijn het flinke blokken. Ik heb daarom alleen eerste en laatste alinea gelezen. In die alinea's leg je al zo'n duidelijk beeld en zoveel emotie dat het zonder de rest al een prachtig stuk is.

De titel is wel erg lang, maar ook heel mooi. Door het als titel te zetten haalt het wel de kracht weg aan het eind. Ik zou denk ik een kortere titel bedenken met de lading, maar niet volledige zin. Maar is natuurlijk kwestie van smaak. Zo'n sterke titel heeft geen uitroepteken nodig, is van zichzelf al sterk.

Voor de leesbaarheid zou ik zelf ook de gesproken zinnen op nieuwe regel zetten en telkens wanneer iemand anders spreekt, weer nieuwe regel.

Wellicht dus nog veel mooier dan ik heb gelezen, maar heel sterk stuk!
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Anita Vlietman 25.02.20
    Dank je wel voor de opbouwende kritiek. Aan de dik gedrukte tekst kan ik niets doen, wanneer ik het verhaal open is het niet dik gedrukt, het uitroepteken in de titel is verwijderd. De rest hou ik in mijn achterhoofd.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!