Feuilleton

Feuilleton

Een feuilleton is een verhaal dat uit meerdere delen en afleveringen bestaat en over een langere tijd wordt uitgezonden of gepubliceerd.

Met een feuilleton verschijnt een groot verhaal in meerdere delen. Elke keer moeten mensen na het lezen of beluisteren van een stuk een tijd wachten op het vervolg. Door het gebruik van zogenoemde cliffhangers wordt het wachten een stuk spannender. Anders dan bij een boek of film kan men niet meteen verder kijken of lezen en moet er in spanning worden gewacht op het vervolg. Oorspronkelijk waren feuilletons de losse blaadjes als bijlage van een blad en later werden het vaste rubrieken over recensies, wetenschappelijk of culturele nieuwtjes en andere zaken. Inmiddels gaat een feuilleton vooral om romans, novellen en verhalen, ofwel fictie.

 

Je kunt hier ook jouw feuilleton toevoegen. Periodiek kun je dan een nieuwe 'aflevering' aanvullen. Gebruik elke keer dezelfde titel, maar voeg een afleveringsnummer toe.

Blog

EEN TIJDMACHINE VOOR OOM ADRIAAN, DEEL 1

jeugdnovelle over pesten en terugpesten, 10/12 jaar- DEEL 1


 

ZONDAG: Een bloedbad

De drie kinderen bekeken de oude, manshoge kledingkast van buiten. Langs de golvende bovenrand had- lang geleden- een meubelmaker ouderwetse letters uitgesneden met een guts. Links lazen ze: ‘We zien, wat we zijn’ en rechts: ‘We zijn, wat we zien’. Adriaan diepte de sleutel op uit zijn broekzak. Tergend langzaam stak hij hem in het slot, draaide hem om, verschoof tegelijk een grendel en opende met een plotselinge ruk beide deuren. Aan de binnenzijde daarvan bevonden zich twee verweerde, lange, ovale spiegels. Daarvoor hadden ze echter geen belangstelling. Op de bodem van de kast lag Harm zachtjes te kreunen en te hijgen.

“Hee, jij,” riep Adriaan en porde onzacht met de afgetrapte neus van zijn rechterschoen tegen Harm aan. Langzaam viel die naar voren om en rolde de kamer in. Daar bleef hij verkrampt liggen. Om zijn schouders had hij een oud wit laken geslagen. Zijn gehijg nam langzamerhand af. Veel verbazing wekten zijn zorgvuldig van tevoren vies gemaakte, blote voeten: “Waar heb je je nieuwe sneakers gelaten, Harm?” vroeg Richard nieuwsgierig.

“Verloren onderweg.”

“Onderweg waar?” Adriaan veegde ter controle met zijn handen over de stoffige kastbodem. Omhoog keek hij niet- stom genoeg. Bovenin, verstopt achter een lange winterjas, hingen Harms schoenen met samengeknoopte veters aan een roestige spijker te bungelen.

“Hoe was het? Zeg op. Waar was je precies? Vertel, vertel,” wilde Adriaan weten.

“Ja, en vooral wannéér was je ook al weer?” vroeg Sippi met een stalen gezicht.

“Ben je dat vergeten? Ik had gekozen voor de letter ‘S’ en voor ‘209’. Vervolgens drukte ik op de min-knop. Ik kwam niet terecht in Stadskanaal of Schiedam.”

“Waar dan?” vroeg Adriaan. “Sjina?”

Richard en Sippi lachten plagerig.

“Dat schrijf je met een ‘C’, man,” verbeterde Harm geduldig. “Nee, het was Spanje. Spanje begint met de letter ‘S’.”

“In Spanje niet,” wist Richard, die postzegels spaarde. “Daar begint het met een ‘E’. Ze noemen het daar Espanja.”

“Stil nou,” ging Harm verder. “Ik had op de min-knop gedrukt. Dat betekent inderdaad ‘vóór Christus’, zoals Sippi al dacht. Ik bevond me in de buurt van een klein kustplaatsje. Hoe die plaats tegenwoordig heet, weet ik niet. Maar de Romeinse soldaten daar hadden het over Carthago Nova. Dat betekent ‘Het Nieuwe Carthago’. Maar dat begreep ik pas veel later.”

“Cartagena,” beweerde Sippi deskundig.

“Kan best. Er is iets raars met de tijdmachine. Of ben ik echt twee weken weggeweest?”

“Nee, twee uur hoogstens,” zei Richard. “En toen?” (Hij kon zijn lachen bijna niet inhouden. Adriaan had niets door.)

“Twee uur? Gek, hoor. Het lijkt veel langer. Daarom heb ik zo’n honger.”

“Schiet nou op. Vertel verder.”

“Ik drukte tenslotte op ‘BACK’. Eerst hoorde ik minutenlang een vreemd geluid als van een eh…, van een stofzuiger. Er blies een gloeiende luchtstroom door mijn haar. De kast ging open. Het ding balanceerde op een hoge, kale rots. Ik donderde bijna dertig meter omlaag in een kaal ravijn. Er klonk meeuwengekrijs en geruis van de branding. Ik bevond me in de buurt van zee. Ik liep er naar toe over een stoffig paadje. De zon brandde aan de strakblauwe hemel. Bij het strand aangekomen volgde ik de eenzame kust naar het noorden. Rechts golfde de Middellandse Zee. Nergens badgasten te bekennen.”

“De Middellandse Zee? Waarom niet de oceaan?”

“Omdat ik namelijk al die tijd, dat ik er rondliep, niets gemerkt heb van eb en vloed. Rechts lag de zee. Dus moet ik naar het noorden gegaan zijn. Onderweg kwam ik geen mens tegen. ‘s Nachts sliep ik niet op de grond, maar in een boom, want ik hoorde wolven huilen. Ik stopte op een paar honderd meter afstand van een havenstadje. Daar hield ik me een paar dagen schuil. Ik wilde eerst weten, wat voor volk er woonde. De hutjes werden omringd door hoge muren, behalve langs de oever van een vrij diepe lagune.”

“Wat is dat? Zo’n la-dinges?” snauwde Adriaan.

“Een la-gu-ne, bedoel je? Een soort strandmeer met zout water. Er blies een harde wind vanuit zee, die het water de inham in stuwde. Bij zonsondergang veranderde alles. Even bleef het bladstil. Daarna stak een stijve bries op vanaf land, waardoor het waterpeil zakte.”

Drie stemmen: “Dus toch eb?”

“Nee, het water zakte veel te snel. En het gebeurde telkens om dezelfde tijd. Dat is bij eb en vloed normaal niet zo.”

Adriaan keek argwanend. “Hoe weet je dat?”

“Nou, gewoon. Algemeen bekend. Misschien van mijn vader gehoord. Die is wielman, zoals je weet. Eb en vloed heb je elk etmaal twee keer. Het gebeurt telkens pak weg een kwartier later. Dáár gebeurde dat helemaal niet.” Harm haalde adem. “Kon ik op mijn klok zien.”

“Maar je hebt geen horloge om,” zei Adriaan achterdochtig.

Harm haalde zwijgend zijn telefoon uit zijn broekzak en duwde die onder Adriaans neus. Hij ging verder met zijn reisverslag: “Goed, je kon dan ’s avonds makkelijk naar de overkant waden. Dat deed ik onder dekking van de schemering, omdat ik honger had. Uit de keuken van een soort restaurant pikte ik gebakken vis. Op de derde ochtend viel ik in handen van Romeinse soldaten. Ik werd uitgelachen om mijn kleding. Een spijkerbroek hadden ze nog nooit gezien, laat staan een geruit overhemd met knopen of een bril. Ik moest mee naar de aanvoerder, een zekere Skopi, of nee, Skipo, of…” Hij stopte.

“Bedoel je soms Publius Cornelius Scipio?” informeerde Sippi.

“Ja, die,” zei hij. (Stom van hem om die naam te vergeten. Ze hadden samen alles de vorige dag nog zo zorgvuldig gerepeteerd!)

“Dan ben je nauw betrokken geraakt bij de strijd tussen Romeinen en Puniërs tijdens de Tweede Punische Oorlog. Dat kan niet anders,” zei Sippi geleerd.

“Ik werd naar het midden gebracht van een groot vierkant tentenkamp in aanbouw. Geen gewoon kampeerterrein. Een castra noemden ze het. Rondom groeven ze een dijk. Alle tenten bestonden uit lappen dierenhuid en houten stokken. Vrouwen en kinderen zag ik niet. Er liepen daar alleen oorlogszuchtige boeren met leren jurken aan. Ik werd de tent van de aanvoerder in geschopt. Het was stikdonker binnen. Dus ik gebruikte mijn mobieltje als zaklamp. Dat maakte veel indruk op die kerels. Ze deden allemaal een paar stappen terug. Behalve de aanvoerder, de generaal. Dat was een jonge man met stekende ogen. Ik bedoel ogen, die me heel indringend aankeken. Die aanvoerder was niet bang en pakte mij mijn telefoon af.”

“Je hebt hem toch?” vroeg Richard.

“Die kreeg ik later terug. Mijn bril mocht ik houden. Ik heb uitgelegd, dat ik anders halfblind was. Onderbreek me niet steeds. Waar was ik gebleven?”

“In de tent van de leider.”

“O ja. Scipio pakte mijn mobieltje af en stuurde daarna iedereen naar buiten. Hij ondervroeg me vriendelijk over Carthago Nova. Dat stadje, waarover ik het had. Hij wilde het op de Puniërs veroveren. Mij hield hij voor een Spaans jongetje. Veel wist ik er niet van, maar in elk geval meer dan hij, want hij was pas die ochtend met zijn legioenen ter plekke aangekomen. Mijn uitleg over het draaien van de wind bij het invallen van de nacht interesseerde hem hevig. Hij gaf me als dank een stuk pizza.”

Sippi schudde van nee, keek waarschuwend naar Adriaan en tikte met haar wijsvinger op haar voorhoofd. Het betekende: Ben je gek geworden?
Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 37
(Gemiddelde waardering 0 met waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Wil je deze schrijver nomineren!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Alle gepubliceerde inzendingen

Geef een waardering voor een artikel
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Hoogste beoordeelding:

Schrijfwedstrijden

Boekentip

Top 10 : Meest gelezen

BookBuster