Feuilleton

Feuilleton

Een feuilleton is een verhaal dat uit meerdere delen en afleveringen bestaat en over een langere tijd wordt uitgezonden of gepubliceerd.

Met een feuilleton verschijnt een groot verhaal in meerdere delen. Elke keer moeten mensen na het lezen of beluisteren van een stuk een tijd wachten op het vervolg. Door het gebruik van zogenoemde cliffhangers wordt het wachten een stuk spannender. Anders dan bij een boek of film kan men niet meteen verder kijken of lezen en moet er in spanning worden gewacht op het vervolg. Oorspronkelijk waren feuilletons de losse blaadjes als bijlage van een blad en later werden het vaste rubrieken over recensies, wetenschappelijk of culturele nieuwtjes en andere zaken. Inmiddels gaat een feuilleton vooral om romans, novellen en verhalen, ofwel fictie.

 

Je kunt hier ook jouw feuilleton toevoegen. Periodiek kun je dan een nieuwe 'aflevering' aanvullen. Gebruik elke keer dezelfde titel, maar voeg een afleveringsnummer toe.

Blog

EEN TIJDMACHINE VOOR OOM ADRIAAN, DEEL 6

jeugdnovelle over pesten en terugpesten, 10/12 jaar- DEEL 6



Ze aten vroeg warm (chili con carne). Vader had nachtdienst. Die trok na de maaltijd zijn uniform aan, zette zijn pet op en vertrok met de auto naar de Westsluis. Na de afwas, omstreeks zeven uur, ging moeder met de fiets op pad voor haar wekelijkse kaartavond bij kennissen. Harm moest haar plechtig beloven om het niet te laat te maken. “Op tijd naar bed, lieverd. Morgen moet je weer naar school.”

“Ziezo,” zei Adriaan, toen de grote mensen verdwenen waren en Sippi arriveerde, “het gaat beginnen. Waar heb je je vriendje gelaten?”

“Richard kan niet meteen komen. Hij heeft een afspraak met zijn grootvader.” (Geen leugen, want opa Gert mocht pas naar binnen, als Adriaan boven veilig opgesloten zat.)

Adriaan griste een flesje water uit de koelkast mee. “Voor het geval dat ik straks dorst krijg,” zei hij ter verklaring. Hij begaf zich naar de rommelzolder. Hij maande de anderen tot spoed. Ze volgden hem omhoog- elkaar opgewonden aanstotend.

Adriaan pakte de tijdmachine. Hij verroerde zich niet meer, nu hij het plankje in zijn handen had. Werd hij bang? “Wat is er?” vroeg Sippi. “Toe dan. Of durf je soms niet? Geef maar hier.” Ze trok hem het ding uit handen en koos een datum: ‘plus 12-10-1896’. “Zo, en nu de ‘L’ van Londen.” Ze stak hem het grijze paneel weer toe.

Adriaan leek iets van zich af te werpen. Hij ging op de kastbodem zitten en knipte het rode lampje aan. “Oké. Doe de deur maar op slot,” zei hij schor. Sippi en Harm sprongen op de kast af. Harm ontfermde zich over de grendel en Sippi draaide de sleutel om.

Nu moesten ze opschieten. Ze wilden, dat Adriaan er straks vast van overtuigd was, dat hij zich op een andere plaats en in een andere tijd bevond, wanneer de kastdeuren geopend werden. Om te beginnen zette Harm daarom vlug de stofzuiger aan. Het helse kabaal  overstemde alle andere activiteiten. Hij tilde zo geruisloos mogelijk wat oude meubels van de vliering naar de overloop: een somber schilderij van een fruitschaal, gevat in een brede vergulde lijst, een ongemakkelijke stoel met leeuwenpoten. Sippi hing een gestreepte deken met punaises voor het zolderraam en legde een versleten tapijt voor de kast. Harm plaatste ergens in een hoek nog haastig een staande schemerlamp met een vergeelde kap, waarop bootjes geschilderd waren, terwijl Sippi naar beneden ging om het bezoek binnen te laten. Op een bijzettafeltje stond bovendien een olielampje. Ze hadden geen brandstof- jammer genoeg. Dan had alles nog ouderwetser geleken. Binnen zes minuten was het in orde.

Beneden bij de voordeur stond Richard met de twee bejaarde heren te wachten op een seintje. Sippi deed open en siste: “Zzzachtjesss, mannen!”

Opa Gert was bijna onherkenbaar: Zijn gelaat onder een zwarte hoge hoed leek magerder dan een paar uur geleden. En zijn neus leek langer. Hij rookte zoetgeurende tabak in een kromme pijp, droeg een keurige grijze broek met een daarboven lange donkerrode jas. Ze ging voor detective Gert en zijn assistent, die er overtuigend uitzag als een Engelse straatagent, de trap op en bracht hen naar de rommelzolder. Richard bleef vanzelfsprekend niet achter.

Harm deed de stofzuiger uit en trok het ding naar de overloop, Sippi en Richard tegelijk terug drijvend. Hij overhandigde de sleutel aan de mannen en wees nadrukkelijk op de kast, waarna hij beide duimen omhoogstak. Met een armzwaai droeg hij hun op om te beginnen met de toneelvoorstelling. Hij verdween geruisloos naar de donkere overloop en liet de deur van de rommelkamer op een kier staan. De kinderen hielden hun adem in en keken vanuit het duister in de richting van de schemerige ruimte, die ze zojuist opnieuw hadden ingericht.

Opa Gert sprak met een vreemd, bijna onbegrijpelijk Engels accent: “Loek out, Woudstra. Haha, het spoor is nog fresj. De gewiekste schurk heeft zich hier ergens verstopt. Hij kan niet langer ontsnappen. We zullen hem arresteren, wohnt-wie? De handboeien, ik bedoel de hendkufs, doe je ze hebben? Hier, pak aan: mijn dienstwapen. Houd het zolang vast.” Hij overhandigde een klapperpistool, diepte een gouden vestzakhorloge op en bestudeerde het uurwerk. “Mooi zo. Half na zevenen. Wanneer alles meezit, hebben we hem nog voor negen uur op het bureau in de verhoorkamer.” Hij morrelde aan het kastslot.

Zijn metgezel Woudstra (als de ander inderdaad Woudstra heette) gromde: “Zeker, meneer Sherlock. Moet ik de revolver gebruiken?” Agent Woudstra droeg niet alleen een donkerblauw uniform, maar ook een grote, zwarte politiehelm- net een echte ‘bobby’. Een gummiknuppel hing aan zijn koppelriem. Hij zwaaide het pistool onverschillig rond aan zijn wijsvinger.

“Ho-ho! Nee, niet schieten. Nog niet, man.” Gert verbeterde zichzelf: “Ik bedoel: Doont sjoet. Not jet.”

Daarna opende hij het bergmeubel met een stevige ruk. Hij vatte Adriaan ruw in de kraag. “Mag ik je even voorstellen, Woudstra. Dizzis unkel Edri-un. Ik verdenk de booswicht van een roofoverval op zijn zuster. Doe hem de handboeien maar om.”

Woudstra legde het speelgoedwapen zolang op de grond en deed, wat er van hem verlangd werd. Intussen bibberde Adriaan, alsof het vroor en sneeuwde. Hij piepte zachtjes: “Hoe kunt u dat weten? Wiewiewie heeft mij verraden?” en: “Ik he-he-heb dat stomme ge-ge-geld toch allang teruggegeven?”.

“Je hebt het volste recht om te zwijgen, boy. Alles wat je zegt, kan tegen je gebruikt worden. Dus pas maar op! Agent Woudstra, voer de arrestant mee omlaag.”

“Is dit wel het jaar 2033? Na Christus, bedoel ik. Het ziet er hier zo lang geleden uit. Hoe kan dat nou? Ik heb de tijdmachine naar de toekomst gestuurd, vlak voordat de kastdeuren dicht gingen,” klaagde Adriaan. Niemand reageerde.

Sippi, Harm en Richard glipten zwijgend naar beneden en bleven in de vestibule staan wachten. Harm deed het traplicht aan. Zij begonnen te joelen en te klappen, zodra Sherlock Holmes als eerste boven aan de trap verscheen. De detective daalde de trap af (waardig), gevolgd door Adriaan (snikkend en half struikelend), op zijn beurt gevolgd door de politieman (normaal).

De grote mensen maakten onder aan de trap een diepe buiging en werpen links en rechts kushandjes. Daar keek Adriaan van op. Hij snikte nog wat na.

Woudstra gaf Adriaan een por in zijn zij: “Je mag nu wel stoppen met lawaai maken, hoor. Het is afgelopen. Goed geacteerd trouwens.”

Sippi richtte zich vol bewondering tot opa Gert: “Prachtige toneelspel. En vond u Adriaan ook zo goed acteren? Mooi decor, hè?”

In de keuken trachtte Woudstra Adriaan te sussen: “Hee, natuurtalent. Het is afgelopen.” Hij gaf hem een goedmoedig schouderduwtje.

Opa Gert voegde eraan toe: “Levensecht. Een geboren komediant is die jongen.”

Sippi zei: “Goed gedaan, hoor. Vond je het een leuk spel, Adri?”

Adriaan stopte met jammeren en vroeg met verstikte stem, half opgelucht, maar nog naschokkend: “Was het…eh, niet echt?”

Harm kreeg medelijden met zijn oom en riep: “Nee, joh. We hebben je voor de gek gehouden.”

Richard voegde er tamelijk kinderachtig “Lekker, puh!” aan toe.

Natuurlijk vond opa Gert op zijn beurt, dat ook hij en Woudstra voor de gek gehouden waren. En hij wilde er beslist het fijne van weten. “Ik dacht, dat die jongen wist, dat het doen-alsof was, dat het niet echt was. Stel je voor, dat hij een hartverzakking had gekregen of een zenuwinzinking.” En na enig nadenken: “Waarom, waarom, waarom? Leg ons dat eens snel uit. En geef me maar gauw een biertje.”

Dus begon Richard, aangevuld door Sippi en Harm, alles zo duidelijk mogelijk uit te leggen.

“Als ik het goed doorheb, moest ik die arme jongen de stuipen op het lijf jagen, omdat jullie hem vervelend vonden? Fraai is dat!”

“Ja, maar,” begon Harm. En hij somde alle pesterijen op. Vooral het vals spelen met dammen, de tandpasta ‘s nachts en de rampzalige fietstocht naar de Braakman zaten hem erg dwars. Ook de diefstal van het geld beschreef hij omstandig. En tenslotte vertelde hij, dat vorige week het zout en de suiker in het restaurant verwisseld waren.

Opa trok een beetje bij: “Zout en suiker? Gebeurde dat afgelopen donderdagavond? In De Molenhoek, zei je?”

Harm bevestigde dat. Opa Gert piekerde  een ogenblikje en zei: “Die avond heb ik daar koffie besteld. Smerige zoute rommel. Ik heb me beklaagd. De kelner deed aangeslagen. Hij verontschuldigde zich, maar zei, dat hij er niets aan kon doen. Een van de jeugdige gasten had daar lopen rommelen met de spullen en de boel op stelten gezet.” Zich streng tot Adriaan wendend: “Dat was jij dus. Hm.”

In de keuken ging Sippi intussen rond met een dienblad vol glazen cola. Harm trok een zak chips open.

“Mag ik een pils?” vroeg de man, die voor politieagent gespeeld had.

Sippi opende de koelkast en trok een fles tevoorschijn. Woudstra schonk deze voor een kwart leeg in een koffiekopje. Hij stootte Adriaan goedmoedig aan. “Hier, kerel. Neem een slok van mij voor de schrik. Drink op.” Hij overhandigde Adriaan het kopje. Die nam een teug en klaarde direct op.

Richard zei: “Jammer, dat het morgen geen Pinksteren meer is. Anders konden we bijvoorbeeld naar de piramiden toe of Amerika ontdekken. Haha.”

Sippi zei tegen een beetje verdrietig Adriaan: “Ja, jammer, morgen komt je oma al weer, ik bedoel, je moeder weer om je op te halen.” Bijna in tranen: “En ik had je nog wel willen leren vliegen.”

“Hoe?” vroeg Adri.

Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 34
(Gemiddelde waardering 0 met waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Wil je deze schrijver nomineren!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Hoogste beoordeelding:

Top 10 : Meest gelezen

Schrijfactiviteiten