Feuilleton

Feuilleton

Een feuilleton is een verhaal dat uit meerdere delen en afleveringen bestaat en over een langere tijd wordt uitgezonden of gepubliceerd.

Met een feuilleton verschijnt een groot verhaal in meerdere delen. Elke keer moeten mensen na het lezen of beluisteren van een stuk een tijd wachten op het vervolg. Door het gebruik van zogenoemde cliffhangers wordt het wachten een stuk spannender. Anders dan bij een boek of film kan men niet meteen verder kijken of lezen en moet er in spanning worden gewacht op het vervolg. Oorspronkelijk waren feuilletons de losse blaadjes als bijlage van een blad en later werden het vaste rubrieken over recensies, wetenschappelijk of culturele nieuwtjes en andere zaken. Inmiddels gaat een feuilleton vooral om romans, novellen en verhalen, ofwel fictie.

 

Je kunt hier ook jouw feuilleton toevoegen. Periodiek kun je dan een nieuwe 'aflevering' aanvullen. Gebruik elke keer dezelfde titel, maar voeg een afleveringsnummer toe.

Blog

EEN TIJDMACHINE VOOR OOM ADRIAAN, DEEL 2

jeugdnovelle over pesten en terugpesten, 10/12 jaar- DEEL 2



Adriaan had er geen erg in. “En?” vroeg hij.

“En ik at het op.”

“Lekker? Met kaas en salami?”

“Nee, smerig deeg, belegd met enkel olijven. Eigenlijk geen pizza, maar een taaie pannenkoek. Nou, die Scipio loopt naar buiten en laat zijn mannen bij elkaar roepen. Hij houdt een korte toespraak: ‘Mannen Romeinen, landgenoten, ik heb een dutje gedaan. Ik droomde, dat de god van de zee ons zal gaan helpen bij de belegering van Carthago Nova. We vallen zo direct massaal de muur aan de landzijde aan. De tegenstanders zullen proberen ons op die plek tegen te houden. Ik blijf hier in het kamp achter met een paar vrijwilligers. Als de schemering valt, komt de zeegod Neptunus ons allen te hulp. Jullie zullen het zien en beleven.’ Iedereen roept hoera en wil meteen knokken. Er waren helemaal geen vrijwilligers bereid om achter te blijven. Scipio moest ze aanwijzen. Kom,” zei Harm tegen de anderen. “Laten we naar beneden gaan. Ik heb zo’n honger.”

Dus zij de trap af en naar de keuken. Daar at Harm een paar boterhammen met pindakaas. (Met tegenzin. Hij had eigenlijk geen trek. Hij deed het alleen maar om zijn verhaal geloofwaardiger te maken.) Hij vervolgde: “Je begrijpt, toen de Romeinse aanval begon, holden alle Carthagers ter verdediging naar de stadsmuur.”

“Carthagers?”

“Is hetzelfde als Puniërs. Eh, Scipio bekeek het bloederige gevecht in de verte met veel plezier vanaf een heuveltje. Mij hield hij bij zich. Een enorm kabaal! Oorverdovend getoeter van boodschappers tussen al die vechtende manschappen in, want ja ze hadden destijds geen telefoon om bevelen door te geven. Het wordt avond en wat denk je? Een landwind steekt op en de zee trekt zich terug. Scipio stuurt zijn speciale, pootje badende vrijwilligers door het ondiepe water naar de plek, waar de vijand geen aanval verwacht. Ze klimmen stiekem naar binnen en zetten de poort aan de landzijde wijd open voor de andere Romeinen. Er volgt een bloedbad. Bijna niemand heeft het overleefd. Mijn schuld allemaal.” Hij trok een bedroefd gezicht.

Adriaan bekeek hem opeens met enig ontzag.

Harm ging door: “Scipio springt opgewonden rond. ‘Je bent vrij om te gaan, waarheen je maar wilt,’ zegt hij en als dank geeft hij me alles, wat hij me afgenomen had, plus een paar gouden munten en deze toga hier om mijn gewone kleren mee te bedekken. Dan zou ik onderweg minder opvallen.” Hij wapperde met een punt van het verkreukelde tweepersoonslaken om zijn hals.

“En het geld? Geef hier! Laat zien,” zei Adriaan hebberig.

“Op de terugreis naar de tijdmachine ben ik die munten kwijtgeraakt.”

Hij daalde onmiddellijk in de achting van Adriaan: “Sufferd. Wie verliest nou zoiets? Zonde, zeg. Maandag wil ik.”

Sippi en Richard moesten nu naar huis. Bij de buitendeur in de vestibule wenkte Sippi stiekem naar Harm. Die kwam gehoorzaam naderbij. Ze fluisterde in zijn oor: “Wat een goedgelovig familielid heb jij! Zou hij echt denken, dat jij Latijn verstaat?”

“En Spaans en Carthaags. Waarom niet? Hij twijfelt toch ook niet aan het tijdreizen en dat ik in een andere tijd de afgesloten kast zomaar open kan duwen!”

“Hopeloos geval: die jongen.” Sippi wierp een blik op de rug van Adriaan, die zich van haar medelijden niet bewust was. Toen gaf ze Harm bij wijze van afscheid een kus op de wang en vertrok hand in hand met Richard de regen in.

VRIJDAG: Nachtmerrie

Harm had een oom, de jongere broer van zijn moeder. Die logeerde sinds afgelopen donderdagmiddag bij hen op het platteland. Die broer van mamma heette Adriaan. Hij was, wat je noemt, een nakomertje. Eenentwintig jaar later dan zijn zus Annie kwam hij ter wereld, twee maanden na de geboorte van Harm. Adriaan en zijn neef zagen elkaar weinig - eigenlijk alleen wanneer Harm met zijn ouders een uurtje op familievisite ging bij oma in de grote stad Rotterdam.

Iemand moest gedurende een paar dagen op Adriaan letten. Oma had geen man meer en voedde Adriaan in haar eentje op. Ze wilde eindelijk eens een lang weekend zonder haar vermoeiende zoontje op vakantie. Daar had Harm achteraf veel begrip voor. Wanneer Adriaan zichzelf in de spiegel bekeek, zag hij een breed lachende mond met daarboven een sproetige neus en kortgeknipte, oranje haren. Harm daarentegen zag bij de nadere kennismaking vooral Adriaans half dichtgeknepen, loerende ogen. Die ogen zochten altijd naar een kans om anderen hartelijk uit te lachen.

Een goeie mop bijvoorbeeld vond hij het om stiekem achter iemand aan te sluipen, vervolgens de ander een tikje te geven op de rechterschouder, en tegelijk links voorbij te lopen. Niet alles echter vond Adriaan grappig. Hij lachte niet, toen Harm met gemaakte belangstelling wilde weten: “Dus jij bent vorig jaar blijven zitten. Vond jij het zo leuk in Groep Zeven?” Wie zoiets op plagerige toon vraagt, maakt zich bij weinigen geliefd. Het zou kunnen verklaren, waarom Adriaan daarna allerlei flauwigheden uithaalde ten koste van zijn neef. Wel moet ik er dit aan toevoegen: Niet alleen Harm maakte Adriaan tot slachtoffer van zijn ideeën over wat lollig was en wat niet. Hij gedroeg zich, alsof het altijd 1 april was.

Dom kon je hem niet noemen. Hij had veel op straat geleerd. En hij wist precies, hoe je winkeliers zenuwachtig moest maken. Ook had hij, dankzij de televisie, heel wat opgestoken over gemaskerde superhelden (Superman, Batman, Spiderman). Niet dat hij- net zoals die filmmannen- met zijn tegenstanders vocht, al was hij beslist sterk. Zo stak hij niet in elkaar. Nee, hij zette het je op een andere manier betaald, als je hem tot vijand maakte. Harm beklaagde zich daarover later een keer tegen zijn moeder. Zij antwoordde onverschillig: “Jij bent de oudste. Dan moet je ook de wijste wezen. En hij heeft hier geen vrienden zoals jij. Dat zal hij niet prettig vinden.”

Harm had geen broers of zussen, maar inderdaad wel vrienden. Hij zat in de hoogste klas van de basisschool (Groep Acht) en was twaalf jaar oud. Samen met Sippi en Richard zou hij volgend jaar naar de middelbare school gaan. Hij woonde in een vrijstaand huis op de Molendijk. Het stond in een klein, saai dorpje midden in Zeeuws-Vlaanderen, vlakbij België.

Over zijn vader kan ik kort zijn. Die werkte, en werkte, en werkte dag en nacht als wielman rond de haven van Terneuzen. Als een buitenlandse zeekapitein vreesde te verdwalen in onbekende wateren, bestelde hij een loods. De Nederlandse loods gaf in de Nederlandse taal aanwijzingen over de juiste koers van het schip. Om taalproblemen te voorkomen ging Harms vader tegelijk met de loods mee aan boord en nam het roer over van de bemanning. Als er onderweg moeilijkheden ontstonden, dan in elk geval niet door de taal. Zijn vader stuurde het Russische of Braziliaanse schip via het kanaal naar Gent of over de rivier naar Antwerpen.

Harm zag hem niet vaak. Dat had een groot voordeel: Van hem had hij dus weinig last. Met zijn moeder lag dat anders. Die kookte en zo, wat prima was. Maar omdat ze meestal thuis was, bemoeide ze zich, vond hij, veel te veel met hem: “Hoe staat het met je huiswerk? Trek een schone trui aan, lieverd. Neem liever nog wat bloemkool in plaats van karamelpudding. Ruim je kamer op, schat.” Dan waren Sippi en Richard beter af, vond hij. Hun ouders hadden geen tijd voor al die bemoeizucht.

* * *

Toen Harm thuiskwam uit school op vrijdagmiddag, luidde zijn eerste vraag aan de logé, hoeveel één plus één was- niet uit werkelijke interesse, maar om de ander te ergeren. Adriaan antwoordde: “Hebben jullie die som overgeslagen op jullie school?” Daar had Harm even niet van terug.

“Meekomen,” commandeerde Adriaan. Ze klommen naar de zolderverdieping. In de rommelkamer, waar een bijna lege, antieke eikenhouten kast stond, die nog van de vorige bewoners was geweest, verlangde hij van Harm, dat deze hem voortaan als ‘oom Adriaan’ zou aanspreken. Adriaan zei: “Jij vind jezelf geweldig, hè? Want jij zit in Groep Acht en jij bent twee maanden ouder. Nu moet je eens heel goed luisteren: Ik ben jouw oom en dus moet je me ‘oom’ noemen.” Harm weigerde. Waarop de oom beide kastdeuren opende, zijn verbijsterde neef naar binnen schoof, de deuren dicht klapte en hem opsloot door links de roestige grendel omhoog te schuiven en rechts de sleutel knarsend om te draaien. Machteloos riep Harm om hulp.

Adriaan ging naar buiten voor een speurtocht over een drassig paadje door het hoge, wuivende riet van de kreek. Hij kwam een paar vechtende ratten tegen en vergat daardoor volkomen, wat hij Harm had aangedaan. Die kreeg het weliswaar benauwd in het donker, maar hij stikte niet. In de achterwand bovenin zat een flinke kier, waar frisse lucht doorheen kwam- een meevaller. Niemand in huis hoorde zijn gebonk en geschreeuw, want niemand was aanwezig. Zijn moeder deed boodschappen. En zijn vader werd op z’n vroegst tegen zeven uur binnen verwacht.

Pas vlak voor het avondmaal herinnerde oom Adriaan zich, waar zijn neef uithing. Hij sleurde de ander uit de kast tevoorschijn. Harm was in opgevouwen toestand in slaap gevallen en had zeer angstig gedroomd over roofridders en martelkamers. In zijn verkrampte handen klemde hij een grijs gelakt, houten plankje met een hele hoop schakelaars, klokken en wijzertjes. Het ding leek op een kruising tussen een autodashboard en het bedieningspaneel van een wasmachine en een stereo-installatie. (Harm z’n vader had het ding vroeger ooit voor hem in elkaar geknutseld, toen hij nog een baby was. Het moest voorkomen, dat hij de kwetsbare, elektrische huishoudelijke apparaten van de grote mensen al te grondig met zijn babyvingertjes zou onderzoeken- en vernielen. Hij had er tot zijn derde veel aardigheid aan beleefd. En zijn ouders nog veel meer: Er ging namelijk bijna niks meer stuk in huis.) Bij het plotselinge ontwaken raakte Harm in de war en riep iets over de Middeleeuwen, tot hij besefte, wie en waar hij was.

Hij smeet zijn oude kinderspeelgoed terug in de kast en ging over tot de orde van de dag. Hij eiste van Adriaan excuses. Die had echter nergens spijt van, “Behalve als je me oom Adriaan noemt.” Harm bleef aandringen. “Nou goed dan,” zei Adriaan. “Het spijt me, dat het jou spijt, dat het mij niet spijt.” Daarmee kwam, zoals je begrijpt, geen einde aan het meningsverschil. Voor de zekerheid fluisterde Adriaan: “Vandaag zal ik je niet knijpen. Hou verder je kop hierover tegen mijn zus.” Het werd geen gezellige maaltijd.

Na het toetje stuurde Harm sms-jes naar Sippi en Richard: “Moet jullie wat zeggen.” Daarom spraken ze met elkaar af buiten op een bankje langs de kreek bij de treurwilg. Adriaan bleef thuis en keek naar een tekenfilm over een onzichtbaar makende drank van een of andere gekke professor, totdat zijn zus de TV overschakelde op een andere zender. Zij wilde het journaal zien.

DEZELFDE VRIJDAG: Tijdmachine?

Sippi, Harm en Richard ontmoetten elkaar omstreeks acht uur ‘s avonds. Het weer begon om te slaan. Het werd kouder. Het begon harder te waaien. De lucht betrok. Zou de winter weer aanbreken na de lente? Snaterende eenden en gakkende ganzen waggelden naderbij om te bedelen, maar dropen al snel onverrichter zake af. De kinderen hadden geen oud brood voor de dieren bij zich- om nog maar te zwijgen van koek of snoep.

Harm rapporteerde uitgebreid, wat Adriaan allemaal had uitgespookt het afgelopen etmaal: “Hij werd gistermiddag afgeleverd door mijn oma. Dat is- maar dat zei ik al- Adriaans moeder. Die ging er na een kwartier vandoor. Ze wilde op tijd in Zeebrugge zijn voor de boot naar Engeland. Wij aten ‘s avonds buitenshuis. Mijn vader niet. Die had een klus in Vlissingen. Het was warm.”

Richard bevestigde dat: “Onze thermometer wees 25 graden aan.”

Harm zei: “Adriaan, mijn moeder en ik liepen naar de Markt. We namen plaats aan een tafeltje voor drie personen achter het raam in De Molenhoek. Ik was nog nooit binnen geweest.”

“Ik wel. Met mijn opa. Die woont er naast,” beweerde Richard.

“Je moet het ‘Oberzje’ noemen. Het is een deftig Frans woord, maar het is een doodgewoon restaurant. We bestelden patat. Als nagerecht kregen we ijs. Adriaan knoeide met zijn eten. Het vlees lustte hij niet. De friet vond hij te koud en het ijs te warm. Hij liep steeds van tafel om verderop te klieren- al moet ik eerlijk toegeven, dat ik mijn lachen niet kon inhouden, wanneer klanten al etend ontdekten, dat een grapjas zout in de suikerpot en suiker in het zoutvaatje gedaan had.

“Bij het afrekenen keek mijn moeder vreemd op,” zei hij tegen zijn vrienden. “Ze opende haar portemonnee en ontdekte de verdwijning van twee briefjes van vijftig euro. Ze zag Adriaan streng aan. Die zette grote, onschuldige ogen op en vroeg nijdig: ‘Verdenk je mij soms? Ik wil mijn zakken best leegmaken, als je me niet vertrouwt, Annie.’ ”

Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 52
(Gemiddelde waardering 0 met waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Wil je deze schrijver nomineren!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Hoogste beoordeelding:

Top 10 : Meest gelezen

Schrijfactiviteiten