Voor schrijvers, door schrijvers
Cursiefje

Cursiefje

Aantal gepubliceerde inzendingen: 340

Toine

Als het winterde, droeg hij zwarte rubberen overschoenen, en daar keken wij naar. Omdat het overjaars was, iets waarmee niet alleen de rekels van onze leeftijd maar ook de grote mensen  nog zelden voor de dag kwamen? Of omdat er een zekere, overjaarse zuinigheid op het schoeisel uit sprak? Of intrigeerden die overschoenen ons omdat wij, die pirouettes maakten op het ijs, er de aarzelingen in zagen van de oudere man, die zich op winterse wegen een vastere tred zocht te verzekeren? Hij helde lichtjes voorover terwijl hij stapte. Tegen de muur aan gleed traag maar vastberaden zijn grijze figuur voorbij. De drukte op de speelplaats beroerde hem niet; wat kon hem dat jongensgedoe nog deren? Hij keek afwezig vóór zich uit, alsof hij moederziel alleen tussen de stammen van een bosdreef ging. En steevast hing dat vies peukje tussen zijn lippen, het uitgedoofde restantje van een zelf gerolde sigaret. Maar onder zijn deukhoed golfden sierlijk en fier zijn lange haren over de verweerde artiestenkop uit. Een verschijning die, inderdaad, haar gelijke niet had. 

            Vanaf de vierde werd hij een half uurtje per week op ons losgelaten. Ja, zó ongeveer moest het door onze onderwijsmakers wel ervaren worden, want waarom anders werd hij daarbij door een andere leraar – meestal de klastitularis – geëscorteerd. Die moest hem tijdens zijn klassikaal optreden gadeslaan. Ik huiver van het affront dat zijn superieuren hem aldus aandeden. Maar ik zie, gelukkig, ook nog de gegeneerde blik van de titularis die deze maatregel moest uitvoeren, en diens goedschikse glimlach bij de onorthodoxieën die vanachter de lessenaar royaal over ons uitgegoten werden. Wij, van onze kant, namen aan zijn afwijkende pedagogie geen aanstoot. Wij vonden integendeel dat juist hij ons op de goede manier wist aan te pakken. Hij sprak vrijuit over kwesties die ons direct aanbelangden. Wie van ons herinnert zich niet hoe hij elk jaar opnieuw de sleutels van zijn wagen uit zijn zak opdiepte, en ons voorzegde wat hij zijn zoon gezegd had toen die achttien jaar geworden was: "Hier, kerel, die sleutels zijn voor u. Maar één keer dronken achter het stuur, of met vrouwvolk in de auto, en het is voor goed gedaan!" Dat was taal die ons aansprak. En we luisterden naar hem. Niet zozeer naar de voordrachtkunstenaar die onze uitspraak van het Nederlands diende bij te schaven, maar naar de oude voorganger die op de golflengte van zijn jonge toehoorders zat. Dat hij daarbij om de haverklap en zonder veel omhaal een heilig huisje deed wankelen, kon zijn populariteit alleen maar doen toenemen. En voor het geval wij óók eens amok durfden maken, ging hij daar met zijn eigen wapens tegen te keer: "Wil je d´er misschien één onder uwen inktpot hebben?"  

            Of hij vertelde ons van zijn boeiende ervaringen met de literaire reuzen uit die tijd: Streuvels, Verschaeve, Moens en konsoorten. Zelfs de paus van Rome liet hij vóór ons defileren: "Hij stond op zijn benen te trillen toen hij mijn stem door het Vaticaan hoorde galmen!" Toine. Dát was Toine, ten voeten uit. Hij had een ondankbare taak, maar een dankbaar publiek. We verwachtten hem iedere week een beetje zoals een kind Sinterklaas verwacht. 

            Het was in de vierde, denk ik, dat één van die sprankelende halfuurtjes weer eens véél te snel voorbij was, en ik hem door de deuropening achterna riep dat hij te vroeg had opgehouden. Resoluut keerde hij op zijn stappen terug. Toen hij opnieuw tussen de deurstijlen stond, moet een mooie blos mij verraden hebben. Hij staarde me recht in de ogen. Een situatie waarin we hem nimmer gezien hadden, en waarin géén van ons dus wist hoe hij zou reageren. Ik stokte wel niet van de schrik, maar de resonantie van die "inktepot" belette me toch om de toekomst met veel vertrouwen tegemoet te zien. En zie, hij kwam pal vóór mij staan, keek me volstrekt emotieloos aan, en zei toen op eenzelfde emotieloze toon, met de vinger wijzend: "Gij?" aarzelde hij eventjes, "gij zult later nog minister worden." Met gejoel en geraas deden we hem daarop uitgeleide. De zaak bleek daarmee evenwel nog niet afgehandeld. Bedaard als altijd stapte hij de klas uit, maar nog net vóór hij uit ons vizier moest verdwijnen, keerde hij zich opnieuw om. En alsof het compromis pas dán bezegeld werd, bezwoer hij mij vanuit de verte: "Zorg dan tenminste voor een goed pensioen voor mij!"  

            Ik heb hem voor de laatste keer ontmoet in Leuven, toen we hem in ons clubcafé op de Oude Markt voor een voordrachtavond ten tonele voerden. Het centrum van onze bacchanalen werd aldus de scène voor een sussend cultureel pendant; daar hadden wij maar weinig moeite mee. Het café was tot in de nok gevuld. We verdrongen elkaar op de lange bank die aan de muur was vastgehecht, op stoelen, krukken en tafels die naast en op elkaar gestapeld waren, tot tussen de lampions die boven het lange buffet hingen. Hijzelf stond helemaal achteraan in dat smalle café, tussen flipper en tapkast, en met zijn rug naar een deur gekeerd die hem nog net niet in het urinoir drukte. Zo zie je maar weer: het waren maar dunne schotten die in het studentenleven natuur en cultuur uit elkaar hielden. Toine stoorde zich daar niet aan; of hij liet dit althans niet merken. Dat hij in die penibele positie maar weinig plaats had om te gesticuleren, hinderde hem al evenmin; hij sprong zuinig om met zijn gebaren. Langzaam kwam hij op dreef, tastte een tijdje zijn publiek af. Dan begon hij, als een meester-organist, zijn registers één voor één open te trekken. Hij deed het, en hij deed het weergaloos. Ik zie hem daar nog vóór mijn ogen staan. De blaaskapelle zélf, die Van Ostaijens “Boere-charleston” ten beste gaf, spetterend als een tuba, ronkend als een basson. De clown ook die in dit circus tot leven kwam, wenend en lachend in éénzelfde pose. En bovenal - hoe kan ik ooit dat gezicht vergeten - het Verdriet zélf dat tot ons kwam wanneer hij schrijnend de weerbarstige ziel van Felix Timmermans' Boer Wortel liet breken bij de dood van diens oogappel, de dood van "Ons Polleken". Hij schreide, zoals Boer Wortel dat moet gedaan hebben: droogjes, een beetje schurend. Toen is de stilte blijven hangen, lang blijven hangen, in dat overvolle café. Tot eindelijk zijn verkrampte blik ontspande, en het losbrekend applaus de  stilte brak. Mijn laatste ontmoeting met hem, mijn allermooiste beeld van hem.

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Lieven Vandekerckhove
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 287
Publicatie op .
Tags: Cursiefje

Geef een waardering voor: "Toine"

Geschreven door Lieven Vandekerckhove . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
24.04.20
Feedback:
Correctie i.v.m. oude waarderingen.
  • Lezenswaardig:
    80%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Nu te koop...