Cursiefje

Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 

Ga s.v.p. naar het overzicht van deze schrijfactiviteit om ook jouw verhaal/gedicht toe te voegen.

172 Hits

Publicatie op:
Te luid

Grote, donkere krullen kapselen zijn kop langs alle kanten in, alsof de natuur hem tegen de Siberische kou heeft ingeduffeld. Als een blok staat hij daar, in weer en wind, de benen lichtjes gespreid en één voet lichtjes naar achter om, ondanks de ongewone last, het evenwicht te behouden. Zijn jas zit gezwollen van de pullovers, die hij elke dag tegen de winterkou aantrekt. Zijn zware bottines geven hem vaste tred. Met de rechterhand bespeelt hij de pistons van een trombone, terwijl tegelijk zijn linkerhand over het klavier van zijn accordeon glijdt. Zijn trekharmonica hangt ietwat opzij getrokken, zodat hij tegelijk ook zijn geblutste trombone  kan bespelen. Zo kent de stad hem al jaren, want immer weer duikt hij hier in Rostock op. Dan nestelt hij zich God weet waar aan de stadsrand, waar hij allicht goedkoop een kamer kan huren, en start een muzikaal oponthoud van enkele maanden, dat hem in staat moet stellen om kind en kraai in het verre Litouwen, zijn heimatland, te voeden. Hij stelt zich op waar hij het meest passage verwacht, in de winkel-wandelstraat, of op het Universiteitsplein. Of hij trekt naar Warnemünde, het badplaatsje dat Rostock zoveel flair en dus zoveel toeristen bezorgt.

De trombonekast legt hij vóór zich open op het plaveisel. Als een voorbijganger er min of meer achteloos een geldstuk in werpt, buigt hij al spelend zijn grote gestalte in dank naar voren - niet te diep evenwel, want zijn outfit, het gewicht van zijn schippersklavier en het tegelijk bespelen van accordeon en trombone laten hem niet veel pirouettes toe. Af en toe blijft eens iemand staan en luistert vanop enige afstand aanmoedigend toe. Dat zal dan wel een toerist zijn, want de stedelingen kennen zijn repertoire al jaren. Soms ook laat hij de trombone liggen, en zingt hij met een baritonstem, die helemaal bij zijn corpus past, zwaarmoedige Litouwse liederen terwijl hij zichzelf begeleidt op zijn accordeon. Wannéér zijn werkdag aanvat, weet ik niet, ik ben geen ochtendmens en kom dus niet zo vroeg in de stad. Hij ook niet, denk ik. Maar ´s avonds staat hij er tot de laatste winkels hun deuren hebben dichtgedaan, en het centrum leegloopt. Dan verdwijnt hij, en gaat op zijn kamer, denk ik zo, de oogst van de dag inspecteren.

De Litouwer is niet de enige straatmuzikant in de stad. Integendeel, tijdens de zomer behoort life gebrachte straatmuziek er veelvuldig tot het stadsbeeld. De winkel-wandelstraat is niet zó lang, en dus vissen ze alle in dezelfde vijver, op korte afstand van elkaar. Ook Viktor, Oekraïner, weet altijd weer langs de as van de Kröpelinerpoort tot de Nieuwe Markt een plaatsje te vinden. Omdat hij comfortabel op een stoeltje zit terwijl hij zijn accordeon bespeelt, kan hij er vlot de mooiste melodieën uit jagen. ´s Winters draagt hij gebreide handschoenen met halve vingers, zodat zijn vingertoppen nog steeds de juiste toetsen vinden. Zijn Litouwse collega trekt weliswaar de aandacht door gelijktijdig met twee instrumenten uit te pakken, doch muzikaal ligt Viktor – bij mij althans - een streepje voor. Viktor weet me te charmeren met de meest romantische melodieën. Daarom kan ik nooit aan hem voorbijgaan zonder even stil te staan om van zijn muzikale strelingen te genieten. We kennen elkaar al goed; zó goed, dat, wanneer ik aanstalten maak om verder te stappen, hij de melodie afbreekt en met een brede glimlach van zijn stoeltje opstaat om zich in gebroken Duits te bedanken voor de sympathie (en voor het centje, neem ik aan). En sinds enige tijd schudt hij mij daarbij ook de hand.

Als ik in de stad kom, hoor ik van aan de Kröpelinerpoort wie verder in de straat aan het spelen is. Met Juris, de Litouwer, kan men er nooit ver naast zitten; alléén hij kan een trombone door de Kröpelinerstraat laten schallen. Maar Viktor heeft wél concurrentie. Een jonge, tengere man neemt steevast plaats op een elektriciteitskastje tegen de etalage van een winkel aan, en speelt er virtuoos accordeon. Ik herken zijn muziek van ver. Zijn uiterlijk laat méér dan bij Juris en Viktor een vreemde, ik vermoedde aanvankelijk maghrebijnse, herkomst raden. Hij is donker, tenger, en loopt achter een spitse neus aan. Zijn bovenlichaam danst nerveus op en neer op het snelle ritme van de muzikale hoogstandjes, die hij brengt. Is het de bange blanke man in mij, die mij spijts zijn muzikale prestaties veelal doet voorbijgaan aan hem? Of is het omdat hij mij nooit aankijkt, want steevast het hoofd weggedraaid houdt, zodat hij zijn publiek nooit in de ogen moet kijken? Toch heb ik eens gewacht tot ik oogcontact kreeg met hem. Ik greep de kans om te vragen waar hij vandaan kwam. Meteen kwam zijn hele biografie eruit. Zijn moeder woont in zijn thuisland, Roemenië; zijn vader, hartpatiënt, speelt muziek in de straten van Zweden; en hijzelf zwerft hier al musicerend aan de Oostzeekust rond. Nu is hij weer voor een tijd in Rostock, waar hij met zijn Roemeense vriendin samenhokt, „op een kamer zonder elektriciteit en zonder warm water“. Toen ik hem eens vroeg of hij wel eens in België was  geweest, vertelde hij dat hij ooit met zijn vader en twee neven door België gereden was om het via de kanaaltunnel in Groot-Brittannië te proberen. Maar toen ze voor de tocht onder water 200 € moesten ophoesten, waren ze met de 150 €, die ze alles samen op zak hadden, onverrichter zake terug naar Nederland gereden. Nu spelen ze in gespreide slagorde. Zijn vriendin speelt niet mee; aan de ingang van de supermarkt verkoopt ze „De Strohalm“, een straatkrant door en voor ´benachteiligte Menschen.‘

En dan zijn er nog de Kozakken, een koor van vijf mannen, in zwart uniform met rode biesjes gestoken, en met een kepie op, die als een grote platte schijf nog net niet in hun nek valt. Het kleine koor bestaat uit vijf struise, doorgewinterde mannen, die ik alle boven de vijftig schat. Ze staan steeds op een rij naast elkaar, één ervan speelt eveneens accordeon. Op de gebrande cd die ik van hen voor 15 € kocht, bleken de eerste twaalf nummers akoestisch in orde, maar de laatste zeven nummers stokten hopeloos. ´s Anderendaags kreeg ik een ander exemplaar, helaas in hetzelfde bedje ziek. Maar op straat stokt het Kozakkenkoor niet, Kalinka danst er op los.

En hoort nu toch eens wat het stadsbestuur opeens ontdekt heeft: dat de straatmuzikanten teveel lawaai maken. Te luide muziek zou „de openbare veiligheid en de openbare orde in gevaar brengen“. De wethouders hebben daarom een „Algemene beschikking tot regeling van de straatmuziek in de stad“ uitgevaardigd, waarin plechtig gestipuleerd wordt dat „bijzonder luide instrumenten zoals slagwerk, koperen blaasinstrumenten, saxofonen en klavieren in het algemeen verboden zijn“. Punt. Eveneens verboden zijn groepsoptredens met méér dan vier muzikanten. Punt. Dat tot nog toe de straatmuzikanten om de zoveel minuten van standplaats moesten wisselen om de ‚burenlast‘ wat te spreiden, was blijkbaar niet meer voldoende. Er waren teveel klachten binnengekomen van omwonenden en van de commercie. Juris zou voortaan zijn trombone mogen thuis laten, ofwel  ophoepelen. En de vijf Kozakken zag ik onder elkaar al loten om vrijstelling van dienst, want één van hen zou moeten afhaken.

Gisteravond trof ik Juris musicerend aan onder een straatlantaarn. Ofschoon de krant dit in een uitvoerig bericht over het besluit van het stadsbestuur ook vermeld had, vroeg ik hem toch nog eens waar hij vandaan kwam, zomaar, om een gesprek te openen. Uit Riga kwam hij. En een vrouw en een dochter had hij daar. En hij zag hen inderdaad wel niet zo vaak, want hij was meestal om den brode hier in Rostock, „maar áls hij ze zag, dan zág hij ze“. Ik denk dat hij iets méér innemends wilde zeggen, maar dat zijn taal daarvoor tekortschoot. „En hij verbleef niet hier in het centrum, doch in de jeugdherberg van Warnemünde“. Enkele minuten later sprak hij van zijn kampeerauto in Warnemünde. Ik combineerde maar één en ander, en besloot dat hij in een camper sliep, die hij op het terrein van de jeugdherberg mocht parkeren. Ik vroeg hem of hij hier nu nog wel mocht spelen. „Mogen?” schoot hij verontwaardigd uit zijn krammen, als een kind dat zich ten onrechte verongelijkt voelt, want hij had natuurlijk ook de onheilsboodschap van het stadsbestuur opgevangen. “Ik zal hier maar eens lekker de teugels vieren. Kom, wat zal ik voor u spelen? Waar komt u vandaan?“ Ik zei dat ik uit België kwam. „Uit België?“ lachte hij, als kwamen onverwacht enkele plezierige herinneringen naar boven, „dan zal ik iets moois voor u spelen. Hij tastte de pistons van zijn trombone af, en zette dan een deuntje in dat mij, ach, zo bekend in de oren klonk: „Tulpen uit Amsterdam“. Hij legde zijn trombone weer neer, en zong verder het lied in het Duits. Ik zong stilletjes met hem mee, in het Nederlands, en lachte hem aan. Wie weet, dacht ik, mag hij volgende week niet zijn Hollandse tulpen in Riga uitdelen. Althans, mocht daar óók eens een Belg voorbijkomen.


&caption=www.schrijverspunt.nl" class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'facebook');"> facebook
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'googleplus');"> google+
  • twitter
  • pinterest
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • %0A%0Ahttps://www.schrijverspunt.nl/verhalenwedstrijd/ik-heb-dorst%0A%0A" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'email');"> email
  • instagram
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'linkedin');"> Linkedin
  • Youtube
  • Printen
  • Whatsapp
  • Telegram
  • Als een auteur geen behoefte heeft aan feedback verschijnt er geen review mogelijkheid.

    Feedback voor schrijfactiviteiten

    Review voor: "Te luid"

    © Lieven Vandekerckhove
    14.02.21
    Feedback:
    , Mooi verhaal, leest vlot
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    08.02.21
    Feedback:
    prachtig verhaal van straatmuzikanten in een idyllisch land!
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    02.02.21
    Feedback:
    Ontzettend mooi verhaal, Lieven.
    Je 'ziet' de muzikanten voor je en 'hoort' ze, zoals Janneke zegt.
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    • lieven vandekerckhove 03.02.21
      Van harte dank, Manuel!
    • Ingrid Karsten 08.02.21
      prachtig Lieven, je voelt de sfeer tussen de mensen! Ik geef je vijf sterren! Zou best eens naar een Baltische staat willen gaan net als jij! Kom je ook nog eens bij mij kijken, kan je kritiek zo goed plaatsen en waarderen. Groetjes van Ingrid
      • lieven vandekerckhove 09.02.21
        @lieven vandekerckhove je vraag daarnaar
      • lieven vandekerckhove 09.02.21
        Ik heb zojuist je laatste stukje gelezen en overvloedig besproken (nog voor ik je vaag daarnaar hier gelezen had). Ik heb het inderdaad kritisch bekeken, omdat ik ervan overtuigd ben dat ik je daarmee wat kan helpen. Er zitten namelijk zwakheden in die echt kunnen vermeden worden. Ik heb je daarvoor een advies gegeven.
    31.01.21
    Feedback:
    Weer prachtig geschreven Lieven, ik hoorde de muziek :)
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

    In elke boekenwinkel: