Voor schrijvers, door schrijvers
Cursiefje

Cursiefje

Aantal gepubliceerde inzendingen: 342

Scheikunde

In onze collegetijd stond wetenschap gelijk aan natuurwetenschap. De fameuze boeken 'Jongens en Wetenschap', die Sinterklaas toen in alle erudiete gezinnen rondstrooide, hadden het wel over de structuur van het atoom, doch nooit over de structuur van een verwantschapssysteem; wel over de rijping van de druiven, maar niet over de rijping van het intellect; enzovoort. Een duidelijke narimpeling van enkele eeuwen natuurwetenschappelijke hegemonie, die zich bijwijlen zelfs het monopolie van het weten aanmatigde. 

Hoe oud en verdienstelijk dat soort wetenschap ook was, ze heeft me slechts weinig kunnen boeien. Ik vermoed dat ik de scheikunde en de fysica alleen maar te vroeg op mijn weg heb gevonden; dat ze te levensvreemd waren voor een ontluikende geest, die zich nog niet in de abstractie vermeide. De basen en de zuren kwam ik nergens tegen wanneer ik stad en dorp doorkruiste, ik vond er nergens enig spoor van. En wat moleculen waren, dat kon ik mij nauwelijks voorstellen, want niemand had er mij ooit één kunnen tonen. En hoewel die moleculen natuurlijk alomtegenwoordig waren, zag ik langs geen kanten de band met de cryptische gedaante die ze in de formules op het bord aannamen. Water was voor mij water, en daarmee basta. Dat dit water soms borrelde, betekende enkel dat ik moest opletten om me niet te verbranden. Of misschien dat er spuitwater van gemaakt was. Méér zag ik daar niet in.     

Zo is het helaas ook gebleven. De meest wazige foto van mijn vader brengt mij onverkort bij mijn vader, doch de meest exacte formulering van de scheikundige elementen waaruit mijn dagelijks brood bestaat, zwiert mijn boterhammen op interplanetaire afstand. Dat een aaneenschakeling van formules mijn ontbijt representeert, wil ik wel geloven, maar ik zie het niet. Dat de foto mijn vader representeert, moét ik niet geloven, ik zié het. 

Het kan natuurlijk ook met didactiek te maken gehad hebben. Op een keer dat we samen stonden een eitje te koken, legde mijn dochter de gedaanteverwisseling uit die zich daar vóór onze ogen voltrok in dat potje op het vuur. Ze begon over de watermoleculen die door de temperatuurstijging zó beweeglijk werden (dat noemen ze de verandering van de aggregatietoestand, zei ze terloops), dat ze aan het dansen gingen, en zich uiteindelijk zó hoog boven het borrelend oppervlak riskeerden, dat ze - floep! - ineens weg waren en niet meer naar het potje terugkeerden. En als je het bal liet voortduren, zei ze, dan kwamen ze op de duur allemaal in hogere sferen terecht, en dan was ons potje uitgekookt. Voilà, zó simpel is dat. Inderdaad, dacht ik toen, doch waarom heeft onze leraar dat op het college niet zo simpel uitgelegd, zodat ik er niet eerst op middelbare leeftijd voor naar het tweedekansonderwijs in onze keuken moest? 

In het voorlaatste jaar van het middelbaar onderwijs, toen ik voor het eerst met de scheikunde geconfronteerd werd, heb ik meteen alle kansen op een loopbaan als chemicus verbrod. De leraar moest met lede ogen aanzien welke onverschilligheid ik ten aanzien van zijn vak tentoonspreidde. Beslist, het moet niet prettig geweest zijn, zich op die manier vernederd te voelen. Een vakmens gaat zich immers met zijn vak identificeren, en wie het vak negeert, miskent dus ook een beetje de beoefenaar ervan. Ik kon het echter niet verhelpen, ik lepelde de scheikunde binnen zoals ik ooit veel levertraan heb binnen gelepeld: met afgrijselijke weerzin.    

Eén enkele keer, toch, ben ik geïnteresseerd naar de chemie les getrokken. De leraar had op voorhand aangekondigd dat hij 'proeven zou doen', kwestie van het formule-gedoe eens concreter te maken, het onderwijs in een aanschouwelijke vorm te gieten, ja zelfs van de scheikunde het tastbare leven zelf te maken. Ik moest even terugdenken aan de wetenschapsdoos die Sinterklaas op verzoek van mijn ouders mij óók eens gebracht had: poeders, waarvan ik de naam nooit in één keer gelezen kreeg, en accessoires die alléén maar door een Marsbewoner konden uitgevonden zijn. Ik heb eens goed aan alles gesnuffeld, en ben toen enkele keren, méér uit verplichting dan om wat anders, de experimentele toer opgegaan. Vrij snel bleek echter dat in mijn reageerbuisjes niéts reageerde. Ik heb de doos dan maar voor altijd dichtgedaan.  

Met mijn leraar zou ik evenwel geen amateur aan het werk zien. Daar kwam een beroepsmens op de proppen, iemand die wist wat een laboratorium was. Zijn lessenaar was als een toonbank, bijna zo breed als de klas zelf. Daarop had hij een brander geplaatst, aangesloten op een gasstel, dat op de trede stond. In diverse houders hingen diverse reageerbuisjes. Verder had hij een arsenaal van ingrediënten meegebracht, die hij voor zijn toverijen nodig had. Terwijl hij zijn geleerde uitleg gaf, zaten we geboeid te kijken naar de mirakels die hij verrichtte. Plots echter liep het mis. Zijn brander was te dicht in de buurt van wat gemorste spiritus gekomen en sloeg de vlam in dat goedje, op goed één meter van de eerste rij toeschouwers. Alsof de duivel er letterlijk mee gemoeid was, schoot een beetje verder op de lessenaar een tweede vlam omhoog, wat verder nóg een, en dan nóg een. We zaten perplex. Het verlammende besef, dat we namelijk allemaal samen in de val zaten, duurde maar luttele seconden. Vanop de laatste rij sprong er één recht, spurtte naar voor, zwaaide de deur naast de lessenaar open, en verdween in een flits. Ik denk dat hij recht naar huis is gelopen, de chrono van zijn leven. De deur stond wagenwijd open, maar niemand volgde hem, ook niet de leraar, die de vlammen trotseerde. Is dat óók geen mirakel? Vooraan stond de tovenaar ongewapend. Enkel met een handdoek rond zijn vuisten bond hij de strijd aan, moedig, helemaal alléén. Na een poosje week het vuur ook vanzelf, want de brandstof was vluchtig. Inmiddels had hij zich wel lelijk bezeerd. Maar pas als hij alles opnieuw onder controle had, verliet hij met opgeheven, verbrande polsen en met opengesperde, verbrande vingers het lokaal. Hij kon de pijn nauwelijks verbergen, maar geen zucht kwam over zijn lippen. Dan, dan gingen wij ook maar, doelloos, de speelplaats op.  

Scheikundige, dat zou ik nooit worden, dat wist ik al lang. Maar leraar, zou dat niet iets voor mij zijn?

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Lieven Vandekerckhove
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 294
Publicatie op .
Tags: Cursiefje

Geef een waardering voor: "Scheikunde"

Geschreven door Lieven Vandekerckhove . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!