SCHRIJFACTIVITEIT: CURSIEFJE

Bij een cursiefje verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon. Maximaal 750 woorden.

Klik voor meer schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

Pastoor Vancoppenolle

Publicatie: | Lieven Vandekerckhove

        

Als er op het hof van mijn grootvader gebakken werd, twaalf, dertien, veertien grote broden tegelijk, werd ik door mijn grootmoeder met een heerlijk geurend boerenbrood naar de pastorie gestuurd. En als er geslacht werd, eenmaal per jaar ter gelegenheid van de kermis, werd ik er heen gestuurd met twee verse varkenskoteletten, één voor de pastoor en één voor zijn huishoudster. Die twee bewoonden samen de statige pastorie, gebouwd in het midden van de achttiende eeuw, met veel te veel kamers beneden en veel te veel slaapkamers boven - ook als elk van beiden beneden, en zeker ook boven, zijn eigen vertrekje had. Het was altijd de huishoudster, die me binnenliet. De pastoor zag ik enkel in de kerk, of als hij eens op pad ging door het dorp, zijn bloeiende wijngaard. In soutane, met zijn baret op het hoofd, de handen samengevouwen op de rug, het bovenlijf lichtjes naar achter duwend om op de sterk afhellende Kloosterberg de pas wat af te remmen, stapte hij dan de voormiddag in. Waar hij zoal heen ging, weet ik niet. Een keer zag ik hem bij de koster aanbellen. Die woonde eveneens met een meid onder één dak. En Pastoor Vancoppenolle had met zijn koster nog wel méér gemeen: voor een glaasje klare zou géén van beiden ooit zijn neus hebben opgehaald. Misschien was dit wel de reden waarom Pastoor Vancoppenolle nooit met de auto reed, ofschoon hij jaren lang een Volkswagentje had: dat  oubollig karretje, het Kevertje met die twee half ovalen piepraampjes achteraan, en met een richtingaanwijzer, die er opzij uitfloepte. Doch zélf reed hij er nooit mee. Pastoor Vancoppenolle liét zich rijden. Hij kón niet eens rijden, hij had het op zijn leeftijd niet meer willen leren. En trouwens, het was ook veel praktischer om zich te laten voeren, want de jeneverdamp kon wel eens zó van zijn soutane af slaan. Zijn karretje stond in de werkplaats van mijn oom geparkeerd, en telkens Pastoor Vancoppenolle ergens heen wilde waar hij te voet niet geraakte, mocht oompje of één van oompjes kinderen Pastoor Vancoppenolle ter bestemming brengen. Wat een mens zoal moet doen om zijn hemel te verdienen! Wie weet wat voor deal daar tussen passagier en chauffeur  gesloten werd – allicht was voor beide partijen de absolutie zonder biecht nog de meest opportune.

Op zondagmorgen was Pastoor Vancoppenolle op zijn best. Zijn medepastoor deed om half zeven de vroegmis en daarna ook de achturenmis. Maar als om halftien de bel naast de sacristiedeur de plechtige, gezongen hoogmis inleidde, was het de pastoor die als vóórganger het hoogkoor binnen trad. Hij kon wel niet zo best zingen, maar dat was geen reden om de hoogmis aan zijn medepastoor over te laten. Dié mocht wel naast hem aan het altaar staan, als secundant dus - in het leven moet men nu eenmaal zijn plaats kennen. De kazuifels die zij daarbij droegen, waren echte pronkstukken: gemaakt van brokaat, met zilver- en gouddraad bestikt. Als zulke stukken heel, heel oud zijn, komen ze al eens in een museum terecht, waar ze, over een beugel hangend en van ouderdom wat dof geworden, achter glas aan een tweede, meer steriele bestaan beginnen. Doch vooralsnog pronkten de twee sjieke heren tijdens de hoogmis steevast met hun glanzende kazuifels tussen wolkjes van wierook.

En er was nog méér pracht in de hoogmis. Eén enkele man was het namelijk toegestaan om de ganse tijd in groot ornaat op en neer te lopen, van voor naar achter in de kerk, en van achter naar voor: de suisse. Helemaal in het zwart gestoken, met laag uitgesneden jas, geborduurd bandelier over de schouder, en een steekhoed, die uit de garderobe van Napoleon had kunnen komen, stapte de suisse traag door de middengang van het schip om tijdens de eredienst de orde te handhaven. Met witte handschoenen aan droeg hij als teken van zijn gezag een korte staf, waarmee hij tegen de stoel tikte van elke snoodaard, die er het zwijgen niet toe deed, of die zelfs maar wat oneerbiedig over zijn stoel hing.

Eén keer nam Pastoor Vancoppenolle voor de ordehandhaving zelf het heft in handen. Ofschoon de traditie wilde dat de vrouwen op zondag niet blootshoofds ter kerke gingen, was er één vrouw, die het met deze richtlijn niet al te nauw nam. Overigens niet de eerste de beste vrouw, maar de echtgenote van de dorpsarts, een dame van stand dus. Ze was uit Limburg afkomstig, net geen Marsbewoonster dus, en naar haar uiterlijk te oordelen beslist niet van boerenafkomst. Haar rosse haardos was altijd heel verzorgd gecoiffeerd, en misschien was het wel om de schoonheid ervan te onderlijnen, dat ze ´s zondags blootshoofds naar de mis ging. Pastoor Vancoppenolle kreeg het ervan op de heupen, en op een keer stelde hij zich, reeds helemaal opgedirkt voor de eredienst, buiten op de trappen vóór de kerkdeur op, waar hij de dame van stand opwachtte. De confrontatie was kort en woordenloos. Pastoor Vancoppenolle hief zijn arm omhoog, strekte zijn wijsvinger, en deed de dame teken dat ze rechtsomkeer kon maken. Met opgeheven hoofd keerde de vrouw met de mooie haren zich om, ging naar huis, en zondigde dan maar tegen de zondagsplicht. De goegemeente gniffelde.

Een tijd geleden kwam ik nog eens in het dorp en trof er de pastorie leeg aan, te koop aangeboden. Door het natte gras van de tuin, dat op een maaier wachtte, ben ik er omheen gelopen. De hoge vertrekken, nog ontworpen op maat van het hoge aanzien van de dorpsherder, straalden maar weinig glans uit. Het behangpapier was hier en daar gekwetst, en op de vloer van het washokje lagen enkele witte tegeltjes stuk.  Tristesse pure. De pastorie werd naderhand verkocht, en veranderde van naam: ze werd meteen „de oude pastorie“. Ook de kerk, op een boogscheut van de pastorie, lag er  verlaten bij. Om de maand, zo werd mij verteld, kwam er nog eens een gezant van hierboven de mis doen. Ik vroeg me af voor hoeveel volgelingen, en voor hoe lang nog. Want de schare volgelingen was al net zo snel afgebrokkeld als de reserve aan  voorgangers. De kerk stond weliswaar nog steeds in het midden van het dorpsplein, maar eigenlijk was ze ver, heel ver uit het centrum weggegleden. De wijngaard leek opgedroogd, als was er gif over uitgestrooid.

Aan de noordkant van de kerk ligt Pastoor Vancoppenolle nu begraven tussen de notabelen van het dorp, dicht tegen de kerkmuur aan. En zie, elke zondagmorgen, om half tien, spitst hij de oren, en wacht op het geluid van de bel, waarmee de entrée van de mooiste kazuifels in het hoogaltaar wordt aangekondigd. Maar hij wacht tevergeefs, helaas. De bel is verstomd, en in de laden van de sacristie blijven de kazuifels onaangeroerd liggen. En wanneer Pastoor Vancoppenolle dát dóór heeft, keert hij zich om in zijn graf. Elke zondag opnieuw.

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker (lid zijn is niet noodzakelijk) kan een reactie geven! Schrijvers stellen vooral je tips en opmerkingen op prijs.

Ook gratis meedoen aan een schrijfactiviteit? We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.