• Cursiefje
  • Blog
  • Column
  • Cursiefje
  • Essay
  • Haiku
  • Poëzie
  • Senryu
  • Limerick
  • Vrij vers
  • 55 woorden
  • Kort verhaal
  • Flitsverhaal
  • Volksverhalen
  • SF & Fantasy
  • Proefstuk
  • Ik, schrijver
  • 3 kleuren
  • Schrijfopdracht
  • Mijn schrijftip
  • Cursiefje

    518 gepubliceerde artikelen.
    Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
    Maximaal 750 woorden.
  • Blog

    256 gepubliceerde artikelen.
    Een blog is in feite een persoonlijke webpagina met verhalen over het leven van de schrijver. In een blog vertel je iets aan de lezer waar hij/zij wat aan heeft. Heel vaak is dat iets informatiefs (hoe kun je het beste....) maar het kan ook inspirerend zijn (een persoonlijk verhaal over hoe je omgaat met een scheiding).  Bij een blog hoort een losse en informele schrijfstijl. In een persoonlijke blog draait het erg om de verteller die opschrijft wat hij of zij zelf allemaal meemaakt. Dat kan bijvoorbeeld de dagelijkse beslommeringen als moeder van twee kleine kids (mamablog) zijn.
    Maximaal 1000 woorden. 
  • Column

    433 gepubliceerde artikelen.
    Een column is een artikel waarin de schrijver zijn mening geeft over een onderwerp. Soms is de tekst humoristisch, soms provocerend, maar het is altijd de persoonlijke kijk op de wereld van de columnist. Een columnist geeft een beschrijving van een gebeurtenis en maakt daarbij zijn eigen mening duidelijk. Een column moet een emotie bij de lezer losmaken, de lezer moet erom kunnen lachen, het stemt hem tot nadenken of maakt hem boos.
    Maximaal 750 woorden.
  • Cursiefje

    518 gepubliceerde artikelen.
    Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
    Maximaal 750 woorden.
  • Essay

    1 gepubliceerde artikelen.
    Een essay is een beschouwende prozatekst of een artikel over een we­ten­schap­pe­lijk, cul­tu­reel of fi­lo­so­fisch on­der­werp, waarin de schrijver zijn persoonlijke visie geeft op hedendaagse verschijnselen, problemen of ontwikkelingen.
    Maximaal 1000 woorden.
  • Haiku

    274 gepubliceerde artikelen.
    Haiku is een vorm van Japanse dichtkunst waarin de natuur, of iets in de natuur, centraal staat, geschreven in drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen. We accepteren alleen gedichten in tekst en dus geen afbeelding van een gedicht..
  • Poëzie

    1149 gepubliceerde artikelen.
    Poëzie is de kunst van het dichten. Ook is poëzie een verzamelnaam voor gedichten en verzen. Poëzie is een taaluiting waarbij een grote nadruk ligt op vorm, klank en beeldspraak. Het geheel is meer dan de som der delen.
    Toen hem gevraagd werd een definitie van poëzie te geven, zei de dichter Robert Frost: "Poetry is the kind of thing poets write." - Poëzie is wat dichters schrijven .
  • Senryu

    409 gepubliceerde artikelen.
    Senryu is een vorm van Japanse dichtkunst over de onvolkomenheid van de mensen, geschreven in drie regels van 5, 7 en 5 lettergrepen. We accepteren alleen gedichten in tekst en dus geen afbeelding van een gedicht.
  • Limerick

    34 gepubliceerde artikelen.
    Een limerick is een gedicht van vijf regels met het rijmschema a a b b a. In de eerste regel wordt (meestal) een persoon of dier geïntroduceerd met een plaatsnaam die meestal gekozen wordt vanwege het rijm. Voorts heeft een limerick vaak humoristische of dubbelzinnige inhoud. De laatste regel is de clou.
  • Vrij vers

    18 gepubliceerde artikelen.

    Een vrij vers is een gedicht zonder regelmatige strofebouw. De eerste strofe telt bijvoorbeeld zes, de tweede twee, de derde vijf verzen. Het gaat om poëtische teksten die vooral een sfeer oproepen. De strofe in een vrij vers heeft veelal een eenheid van idee. Vrije verzen hebben vaak eveneens geen vast maatsysteem. Het ontbreken van (eind)rijm komt eveneens vrij vaak voor in het vrije vers. Daarentegen komt binnen- en middenrijm veel voor in vrije verzen en soms zelfs voorrijm.

  • 55 woorden

    1031 gepubliceerde artikelen.
    Waarom een verhaal in exact 55 woorden (incl. titel)? Omdat de vorm ons dwingt te schrappen tot de essentie van wat we willen zeggen. “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”, of anders gezegd, in weer een andere taal: “Less Is More.” Alleen fictie komt in aanmerking. Dus een echt, afgerond prozaverhaal, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind en met één of meerdere personages , moet in exact 55 woorden, inclusief de titel, worden verteld.
  • Kort verhaal

    976 gepubliceerde artikelen.
    Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 
    Fragmenten uit gepubliceerde manuscripten of vervolgverhalen zijn niet toegestaan en verwijderen we! Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.
  • Flitsverhaal

    119 gepubliceerde artikelen.
    Een flitsverhaal is, bij Schrijverspunt, een krachtig en compleet verhaal in het kleinst mogelijk (maximaal 150) aantal woorden. Het moet een begin, midden en einde hebben en bij voorkeur een draai of verrassing aan het einde. De voorkeur gaat uit naar een verhaal in een of slechts meerdere zinnen. Geen zgn quotes, wijsheden, gezegden, etc. Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
    " Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
  • Volksverhalen

    39 gepubliceerde artikelen.
    Sprookjes behoren tot een oude orale traditie en bevatten vaak een zedenles of diepere wijsheid. Het woord sprookje is afgeleid van het middeleeuwse 'sproke', dat verhaal of vertelling betekent. Als ongeschreven vertelling richtte een sproke zich tot ongeletterde volwassenen. De bekende sprookjes kennen we natuurlijk allemaal maar we lezen/horen ook graag verhalen die zelf verzonnen zijn. In deze schrijfactiviteit bieden we de mogelijkheid om zelf verzonnen sprookjes of een fabel toe te voegen. Gewoon om lekker voor te lezen voor kinderen of wie ze ook maar horen wil.
    Maximaal 1000 woorden.
  • SF & Fantasy

    12 gepubliceerde artikelen.
    Science fiction en Fantasy vallen beide onder een speculatief fictiegenre waarin veel elementen, personages en instellingen worden gecreëerd uit verbeeldingskracht en speculatie in plaats van uit de realiteit en het dagelijks leven. Er is echter een duidelijk verschil tussen science fiction en fantasy. Science fiction is gebaseerd op wetenschap en technologie en geeft daarom scenario's weer die op een dag waar zouden kunnen zijn. Fantasie daarentegen heeft betrekking op veel bovennatuurlijke elementen en vindt plaats in een wereld die niet bestaat en nooit kan bestaan.
    Bij een SF of Fantasyverhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.
  • Proefstuk

    19 gepubliceerde artikelen.
    Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien. Dat is mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen. Je mag max. 1 proefstuk insturen!
    Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback.
  • Ik, schrijver

    9 gepubliceerde artikelen.
    Ken jij ook van die momenten waarop je totaal geen inspiratie hebt en niet tot schrijven kunt komen? Misschien kan het lezen of uitvoeren van een schrijfopdracht je helpen om je creativiteit aan te spreken. Zo omzeil je je eigen gewoontes en vaste manieren in je schrijven.
    Schrijf een fantasierijk verhaal met als onderwerp 'Ik, schrijver'. Waarheidsgetrouw of compleet fictief, het is aan jou als het maar de moeite waard is om te lezen. Probeer de lezer te boeien en mee te trekken in jouw wereld als schrijver.
  • 3 kleuren

    4 gepubliceerde artikelen.
    Een verhaal geschreven in maximaal 300 woorden waarbij 3 kleuren een rol spelen. De schrijver bepaalt zelf de kleuren. Het is echter niet de bedoeling om een kleur sec alleen als kleur te gebruiken maar ook als bv begrip, symbool of gemoedstoestand (Een blauwtje lopenZich groen en geel ergeren, wit wegtrekken, etc) .
  • Schrijfopdracht

    87 gepubliceerde artikelen.
    Ken jij ook van die momenten waarop je totaal geen inspiratie hebt en niet tot schrijven kunt komen? Misschien kan het lezen of uitvoeren van een schrijfopdracht je helpen om je creativiteit aan te spreken. Zo omzeil je je eigen gewoontes en vaste manieren in je schrijven.
    Inzenden voor deze schrijfactiviteit is niet meer mogelijk. Op termijn beëindigen we deze mogelijkheid.
  • Mijn schrijftip

    Elke auteur heeft zo haar/zijn persoonlijke ervaringen met schrijven en weet vaak wat haar/hem beter, makkelijker, lezenswaardiger, spannender, etc. doet schrijven. Die ervaringen willen we hier graag delen met andere schrijvers. Zo beknopt mogelijk worden hier persoonlijke schrijftips voor schrijvers beschreven. Voor de een een ervaring, voor de ander wellicht een eye-opener.
    Maximaal 20 woorden.

Ook jouw artikel is welkom! Ga s.v.p. naar het overzicht van deze schrijfactiviteit om ook jouw verhaal/gedicht toe te voegen.

In haar blauwbebloemde kleed

Tot ze voor de laatste keer naar de kliniek gebracht werd, was ze thuis kunnen blijven wonen. Zelfstandig. Weliswaar met veel assistentie, de laatste tijd quasi de klok rond. Hoeveel oudjes hebben zo een privilege? Toen ze 103 werd, zei ze dat ze nog voor een jaar had bijgetekend. Dat zei ze in een vlaag van euforie. Maar op andere momenten twijfelde ze. ‘Waarom moet ik zo oud worden?’ klaagde ze, toen ze op weg naar de plee gevallen was en niet eigenstandig meer was recht geraakt. Ze had toen al lang die rode knop aan de pols, waarmee ze haar jongste zoon kon alarmeren, die nabij woonde, maar nog liever dan ‘mensen te storen ´s nachts’ was ze op de grond blijven zitten tot de thuisverpleegster haar ´s morgens aantrof. Ze was daar blijven zitten… met een tweevoudige bekkenbreuk.

            Op een keer dat ik haar in de kliniek bezocht, bleek ze niet op haar kamer te zijn. Het oudje dat de kamer met haar deelde, was er evenmin. Een verpleegster kwam me meedelen dat de hele gang was ontruimd voor de verwachte grote instroom van coronapatiënten. In heel het land stonden de  klinieken onder hoogspanning, en bereidden ze zich op de noodtoestand voor. Moeder lag op dezelfde verdieping als bij mijn laatste bezoek, doch in een afgesloten vleugel, en met een andere buurvrouw. Of haar kamergenote van voorheen ontslagen was, dan wel elders geaccommodeerd, wist ze niet. Waarom ze zelf omgelegd was, wist ze ook niet. Het coronaverhaal ontging haar. Het kliniekverblijf had haar reeds behoorlijk in de war gebracht, doch de nieuwe verhuis maakte dat nog een stuk erger. Allerlei kennissen, zowel levende als dode, passeerden de revue. Het spookte in haar hoofd. Nu en dan vroeg ze waar ze zich bevond. Dan weer kon ze zich oriënteren, en vroeg ze om naar huis te gaan.  

            Dat zat er helaas niet meer in. Onderling overleg tussen de broers leidde tot de beslissing om ze nu echt niet meer thuis te laten wonen. Op minder dan een jaar tijd twee keer struikelen met ernstige verwondingen en daarenboven een problematische vergeetachtigheid lieten ons geen andere keuze meer. Omdat ze zelf nergens anders naartoe wilde dan naar huis, zouden we er voorlopig maar niet over reppen. Intussen werd de jongste telg, zelf bijna pensioengerechtigd, op prospectie gestuurd. Veel hoop om op korte tijd ergens een vrije plaats te vinden hadden we wel niet, maar we hadden geluk: in een naburige gemeente bleek er perspectief.

            Niet onverwacht kwam de dag, waarop ons in de kliniek werd meegedeeld dat bezoek aan moeder niet meer mogelijk was. Het coronavirus loerde overal, en in een krampachtige poging om het buiten de muren te houden, gingen de deuren van de klinieken overal te lande dicht voor bezoek. Dat ze haar kinderen niet meer zag, begreep moeder niet. Er was zoveel dat ze niet begreep. Van dan af had ik dagelijks telefonisch contact met de afdeling geriatrie. Wie ik ook aan de lijn kreeg, een verpleegkundige, de hoofdverpleegster, of de behandelende geriater, telkens lichtten ze met veel empathie de ontwikkeling toe. Moeders medische toestand was gecompliceerd. Haar bekkenbreuk was nog niet eens het ergste. Al meerdere jaren signaleerde haar hart dat het nu echt wel moe werd, maar nu bleek het nog méér te gaan sputteren. De pomp schuurde, er bleef méér water achter in de longen. Het werd schipperen tussen vocht afdrijven en vocht toedienen.

            Op een avond net voor het slapengaan kreeg ik telefoon van een verpleger. De geriater had hem opdracht gegeven mij op te bellen, omdat het overlijden nakend leek. Ik reed opnieuw naar mijn geboorteplaats, honderdvijftig kilometer ver. Er was maar weinig verkeer op de weg, want om de verspreiding van het virus tegen te gaan, had de regering alle niet essentiële verplaatsingen verboden. Maar wat is essentieel, en wat niet? Niet voor mij, maar voor de politieagent die me mogelijk kon doen stoppen onderweg. Hoe zou ik overigens kunnen bewijzen dat mijn moeder op sterven lag?

            Langs de nachtingang geraakte ik binnen. Het was akelig stil in de kliniek. Tot ik op de tweede verdieping kwam, was nergens iemand te zien. Ik tikte op de ruit van de deur, die de geriatrische afdeling afsloot, om me te melden. De man die me had opgebeld en me dus verwachtte, kwam mij tegemoet met dezelfde uitrustingsstukken in de hand als deze die hij zelf om had. Hij bond me het jasje om, gaf me een paar rubberhandschoenen en een mondmasker. Ingepakt ging ik vóór mijn  moeder staan. Ze lag in een diepe slaap. Eigenlijk nog goed, dat ze me zo niet zag. Via een slangetje dat zich splitste, werd langs beide neusgaten zuurstof toegediend. Ik keek de verpleger vragend aan. Hij zag me peilen, maar zweeg. En na een poosje: ‘Daar staat geen uur op.’ ‘Mijn moeder is een taaie,’ reageerde ik, ‘ze heeft al vaker aan de rand van het graf gestaan.’

            ´s Anderendaags kon men mij bezwaarlijk nog de toegang tot de kliniek weigeren. Stervensgevaar wijkt doorgaans maar langzaam. En daarenboven, hadden ze niet zelf vanuit de kliniek alarm geslagen en mij laten afkomen? Ik trof moeder alleen aan in haar kamer. Ter wille van de intimiteit had men spontaan haar kamergenote naar een andere kamer omgelegd. Ik was er het personeel erkentelijk voor. Bijna de hele dag bleef ik aan het ziekbed van mijn moeder. Al die tijd sprak ze weinig. Waak en slaap wisselden elkaar af. Ook de volgende dag kon ik vrijuit op bezoek komen en blijven zo lang ik wilde. Veel communicatie met moeder was niet mogelijk, maar gestaag kwam ze niettemin terug. De geriater kon er geen touw aan vastknopen. Vóór mijn komst op die dag was moeder, aan weerszijden door een verpleegster ondersteund, zelfs enkele passen door de gang gestapt.  

            Toen ik de kamer betrad, lag ze terug in bed. Een vreemd zicht: tot aan de hals ingepakt in een stoffen omhulsel, als een lichte slaapzak, die achteraan het bed was vastgemaakt en haar net nog toeliet om af en toe in bed rechtop te gaan zitten. Ik kon de ondraaglijke herinnering niet onderdrukken aan de witte plastic zak, waarin ik lang geleden het verstijfde lichaam van mijn geliefde nonkel René had zien inpakken. De absurde verbeelding, dat hij toen nog ging stikken in die zak, had me bij die confrontatie doen sidderen van kop tot teen. ‘Ze probeert voortdurend om uit het bed te stappen’, rechtvaardigde de verpleegster de maatregel, en brak daarmee mijn blitz-reis naar het verleden af. Of moeder daadwerkelijk uit bed wilde stappen, kon ik niet achterhalen. In elk geval greep ze herhaaldelijk naar de ritssluiting ter hoogte van haar knieën om zich uit het carcan te bevrijden. Telkens weer zei ik haar dat ze het te koud zou krijgen, en telkens weer verlegde ik haar hand. Op de duur liet ze het hoofd zakken, greep langs beide kanten de hoge bedstijlen vast, en bleef zwijgend rechtop zitten. ‘Neem dat kindje uit mijn armen’, zei ze na een poos. Ik gesticuleerde om het kindje over te nemen. Dan keek ze me aan met een raadselachtige blik, die elke toegang tot haar gespinsel afblokte. Ze herhaalde rustig: ‘Neem dat kindje uit mijn armen.’ Ik nam dat kindje dus nog maar eens over. Waar in ´s hemelsnaam is ze nu, vroeg ik me af.

            Ik kon alle tijd nemen om haar het eten op te geven. Meestal moest ik zachtjes aandringen, want al na twee, drie happen zei ze dat ze genoeg had. Drinken kostte geen moeite, integendeel, ze vroeg zelf herhaaldelijk naar water. ‘Ik drink graag water,’ verraste ze mij na haar eerste glas. Ik wist dat ze niét graag water dronk. Thuis dronk ze veel te weinig, ik had er de grootste moeite mee om haar regelmatig een paar slokken te doen nemen. Maar hier lagen de zaken anders, het  vocht afdrijvende medicijn droogde haar uit, en vóór men dat in de gaten had om dan weer via het infuus vocht toe te dienen, leed ze dorst, grote dorst. Dan sliep ze weer in, veel communicatie was niet mogelijk.

            De enige mensen die ik in de gang zag, waren de professionals. Blauw jasje over de witte jas, blauwe rubberhandschoenen, blauw mondmasker. Strijdend tegen vijand nummer één dezer dagen, dat minuscule, onzichtbare ding, dat intussen de hele wereld de oorlog verklaard had. Af en toe zag ik ook een patiënt in kamerjas door de gang waren, of een poetsvrouw haar wagentje voorbij rollen. Maar niet één bezoeker. Tussen al die geüniformeerden moest ik onvermijdelijk opvallen, en alleen al dat besef deed me de abnormaliteit van heel de situatie sterk aanvoelen. De tolerantie was groot, zowel geriater als verpleegkundigen accepteerden mijn aanwezigheid. Toch hoedde ik mij ervoor, een verkeerde stap te zetten, een verkeerde vraag te stellen, of op welke wijze dan ook mijn aanwezigheid nog extra onder de aandacht te brengen. Ik wist maar al te goed dat ik van een uitzonderingsregime profiteerde. Mettertijd veranderde evenwel de blik in de ogen van enkele verpleegkundigen, en effectief, de derde dag meldde een verpleegster mij, dat, gezien de situatie van moeder gestabiliseerd leek, ik ´s anderendaags niet nodeloos nog een risico moest vormen voor zowel patiënten als personeel. 

            Ik reed terug naar huis, in bange verwachting. Weer zou ze de dag lang geen mens op bezoek krijgen, geen van haar kinderen, geen van haar kleinkinderen, geen van haar buren, niemand. Zelf zou ik er niet opgekomen zijn, maar op een keer stelde de geriater voor om een chatgesprek met mijn moeder te organiseren. Reeds de dag nadien plaatste een ergotherapeute zich met een laptop naast het ziekbed. Moeder zat rechtop in haar carcan. Ik hoorde de  therapeute de actie verduidelijken.

            ‘Zie je je zoon?’ vroeg ze.

Ik zag moeder wezenloos naar het scherm staren, ze leek erdoor verward te zijn.

            ‘Zie je je zoon?’ herhaalde de therapeute, ‘dat is je zoon daar.’

Moeder bleef zwijgen. Na een poosje wendde ze zich tot de therapeute en zei: ‘Ik dacht al dat die zo goed op mijn zoon gelijkt.’

            ‘Het is ook je zoon,’ beklemtoonde de therapeute.

Verwonderd keek moeder me aan. En dan plots, met krachtige stem : ‘Ik ben je moeder!’ Méér zei ze niet, maar wuifde me toe. Op mijn beurt wuifde ik, en loog dat ze er goed uitzag. Ze baadde in het zonlicht. De eerste lentedagen waren ook abnormaal warm. Buiten schoot de natuur volop in gang, daar binnen was ze echter langzaam aan het kwijnen. De sessie duurde niet lang, we waren snel uitgepraat. Vóór de therapeute afsloot, wuifden we nog eens, en ik hoorde me zeggen: ‘Tot later, moeder, tot later.’

            Het telefoontje met de geriater was weinig opbeurend de volgende dag. ‘De nieren laten het afweten,’ zei ze, ‘uw moeder is op.’ Ze had me eerder al gezegd dat wanneer er nu nog verwikkelingen zouden optreden, zij geen behandeling meer zou starten, enkel nog voor haar comfort zorgen: ‘De grens van het haalbare is bereikt’, lichtte ze deze beslissing toe. Zodra er op de palliatieve afdeling plaats was, zou moeder naar daar overgebracht worden. Maar vóór het zover was, moest ze nog op mogelijke besmetting met het coronavirus getest worden, want op palliatieve lagen de besmette en de niet-besmette patiënten strikt gescheiden. Twee onaangename testen met een wissertje via de neus, en, godbetert, een onderzoek in de scanner, waarvoor ze nog naar een andere kliniek in de stad moest worden vervoerd. De eerste test met de wisser zou dezelfde dag nog plaatsgrijpen, de tweede ´s anderendaags, en het onderzoek met de scanner zo mogelijk ook nog dezelfde dag. Alle testen bleken negatief. Maandag zou ze dan naar palliatieve verhuizen. Zaterdag werd haar wat morfine toegediend, ze had pijn gesignaleerd. Zondag was ze rustiger. Toen de verpleegster haar kamer betrad, zat moeder in de zetel. Ze had haar sonde uitgetrokken, was over de hekkens van het bed geklommen en helemaal alleen in de zetel gaan zitten. Een klein wondje aan het been verried dat ze zich daarbij bezeerd moest hebben. Maandagmorgen hielp de verpleegster haar een boterham met choco eten: ‘Ze zag er niet ongelukkig uit of triestig, ze was rustig, had geen pijn.’ Een uurtje later ging ze terug om moeder een poosje in de zetel te plaatsen, maar dat was plots niet meer nodig. ‘Ze voelde nog warm aan, en had nog kleur.’

           

Opgebaard ligt ze nu in het blauwbebloemde kleed, dat ze voor haar honderdste verjaardag nog gekocht heeft. Zo heb ik ze me nooit kunnen voorstellen. Je bent er zó lang zó zeer aan gewend geraakt dat ze er is, dat je op de duur gaat denken dat ze er altijd zal zijn. Tot de realiteit de droom natuurlijk achterhaalt. Daar ligt ze, koud en bewegingsloos, om nooit nog op te staan. Ze zwijgt, om nooit nog te spreken. Ik denk aan de videochat van vóór enkele dagen, en ik hoor haar zeggen, alsof ik haar niet herkende: ‘Ik ben je moeder’. Ik zie ze wuiven, en ik hoor mij zeggen:  ‘Tot later moeder, tot later.’ Maar ze slaapt, om nooit nog te ontwaken.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "In haar blauwbebloemde kleed"

© Lieven Vandekerckhove
30.04.20
Feedback:
Correctie i.v.m. 12 oude waarderingen.
  • Kwaliteit
    4/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

In elke boekenwinkel: