Voor schrijvers, door schrijvers

Cursiefje

Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon en  relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
Aantal gepubliceerde inzendingen: 211
Klik op de profielnaam of -afbeelding van de schrijver voor meer informatie en een overzicht van zijn/haar schrijfactiviteiten.

In haar blauwbebloemde kleed

| Lieven Vandekerckhove

Tot ze voor de laatste keer naar de kliniek gebracht werd, was ze thuis kunnen blijven wonen. Zelfstandig. Weliswaar met veel assistentie, de laatste tijd quasi de klok rond. Hoeveel oudjes hebben zo een privilege? Toen ze 103 werd, zei ze dat ze nog voor een jaar had bijgetekend. Dat zei ze in een vlaag van euforie. Maar op andere momenten twijfelde ze. ‘Waarom moet ik zo oud worden?’ klaagde ze, toen ze op weg naar de plee gevallen was en niet eigenstandig meer was recht geraakt. Ze had toen al lang die rode knop aan de pols, waarmee ze haar jongste zoon kon alarmeren, die nabij woonde, maar nog liever dan ‘mensen te storen ´s nachts’ was ze op de grond blijven zitten tot de thuisverpleegster haar ´s morgens aantrof. Ze was daar blijven zitten… met een tweevoudige bekkenbreuk.

            Op een keer dat ik haar in de kliniek bezocht, bleek ze niet op haar kamer te zijn. Het oudje dat de kamer met haar deelde, was er evenmin. Een verpleegster kwam me meedelen dat de hele gang was ontruimd voor de verwachte grote instroom van coronapatiënten. In heel het land stonden de  klinieken onder hoogspanning, en bereidden ze zich op de noodtoestand voor. Moeder lag op dezelfde verdieping als bij mijn laatste bezoek, doch in een afgesloten vleugel, en met een andere buurvrouw. Of haar kamergenote van voorheen ontslagen was, dan wel elders geaccommodeerd, wist ze niet. Waarom ze zelf omgelegd was, wist ze ook niet. Het coronaverhaal ontging haar. Het kliniekverblijf had haar reeds behoorlijk in de war gebracht, doch de nieuwe verhuis maakte dat nog een stuk erger. Allerlei kennissen, zowel levende als dode, passeerden de revue. Het spookte in haar hoofd. Nu en dan vroeg ze waar ze zich bevond. Dan weer kon ze zich oriënteren, en vroeg ze om naar huis te gaan.  

            Dat zat er helaas niet meer in. Onderling overleg tussen de broers leidde tot de beslissing om ze nu echt niet meer thuis te laten wonen. Op minder dan een jaar tijd twee keer struikelen met ernstige verwondingen en daarenboven een problematische vergeetachtigheid lieten ons geen andere keuze meer. Omdat ze zelf nergens anders naartoe wilde dan naar huis, zouden we er voorlopig maar niet over reppen. Intussen werd de jongste telg, zelf bijna pensioengerechtigd, op prospectie gestuurd. Veel hoop om op korte tijd ergens een vrije plaats te vinden hadden we wel niet, maar we hadden geluk: in een naburige gemeente bleek er perspectief.

            Niet onverwacht kwam de dag, waarop ons in de kliniek werd meegedeeld dat bezoek aan moeder niet meer mogelijk was. Het coronavirus loerde overal, en in een krampachtige poging om het buiten de muren te houden, gingen de deuren van de klinieken overal te lande dicht voor bezoek. Dat ze haar kinderen niet meer zag, begreep moeder niet. Er was zoveel dat ze niet begreep. Van dan af had ik dagelijks telefonisch contact met de afdeling geriatrie. Wie ik ook aan de lijn kreeg, een verpleegkundige, de hoofdverpleegster, of de behandelende geriater, telkens lichtten ze met veel empathie de ontwikkeling toe. Moeders medische toestand was gecompliceerd. Haar bekkenbreuk was nog niet eens het ergste. Al meerdere jaren signaleerde haar hart dat het nu echt wel moe werd, maar nu bleek het nog méér te gaan sputteren. De pomp schuurde, er bleef méér water achter in de longen. Het werd schipperen tussen vocht afdrijven en vocht toedienen.

            Op een avond net voor het slapengaan kreeg ik telefoon van een verpleger. De geriater had hem opdracht gegeven mij op te bellen, omdat het overlijden nakend leek. Ik reed opnieuw naar mijn geboorteplaats, honderdvijftig kilometer ver. Er was maar weinig verkeer op de weg, want om de verspreiding van het virus tegen te gaan, had de regering alle niet essentiële verplaatsingen verboden. Maar wat is essentieel, en wat niet? Niet voor mij, maar voor de politieagent die me mogelijk kon doen stoppen onderweg. Hoe zou ik overigens kunnen bewijzen dat mijn moeder op sterven lag?

            Langs de nachtingang geraakte ik binnen. Het was akelig stil in de kliniek. Tot ik op de tweede verdieping kwam, was nergens iemand te zien. Ik tikte op de ruit van de deur, die de geriatrische afdeling afsloot, om me te melden. De man die me had opgebeld en me dus verwachtte, kwam mij tegemoet met dezelfde uitrustingsstukken in de hand als deze die hij zelf om had. Hij bond me het jasje om, gaf me een paar rubberhandschoenen en een mondmasker. Ingepakt ging ik vóór mijn  moeder staan. Ze lag in een diepe slaap. Eigenlijk nog goed, dat ze me zo niet zag. Via een slangetje dat zich splitste, werd langs beide neusgaten zuurstof toegediend. Ik keek de verpleger vragend aan. Hij zag me peilen, maar zweeg. En na een poosje: ‘Daar staat geen uur op.’ ‘Mijn moeder is een taaie,’ reageerde ik, ‘ze heeft al vaker aan de rand van het graf gestaan.’

            ´s Anderendaags kon men mij bezwaarlijk nog de toegang tot de kliniek weigeren. Stervensgevaar wijkt doorgaans maar langzaam. En daarenboven, hadden ze niet zelf vanuit de kliniek alarm geslagen en mij laten afkomen? Ik trof moeder alleen aan in haar kamer. Ter wille van de intimiteit had men spontaan haar kamergenote naar een andere kamer omgelegd. Ik was er het personeel erkentelijk voor. Bijna de hele dag bleef ik aan het ziekbed van mijn moeder. Al die tijd sprak ze weinig. Waak en slaap wisselden elkaar af. Ook de volgende dag kon ik vrijuit op bezoek komen en blijven zo lang ik wilde. Veel communicatie met moeder was niet mogelijk, maar gestaag kwam ze niettemin terug. De geriater kon er geen touw aan vastknopen. Vóór mijn komst op die dag was moeder, aan weerszijden door een verpleegster ondersteund, zelfs enkele passen door de gang gestapt.  

            Toen ik de kamer betrad, lag ze terug in bed. Een vreemd zicht: tot aan de hals ingepakt in een stoffen omhulsel, als een lichte slaapzak, die achteraan het bed was vastgemaakt en haar net nog toeliet om af en toe in bed rechtop te gaan zitten. Ik kon de ondraaglijke herinnering niet onderdrukken aan de witte plastic zak, waarin ik lang geleden het verstijfde lichaam van mijn geliefde nonkel René had zien inpakken. De absurde verbeelding, dat hij toen nog ging stikken in die zak, had me bij die confrontatie doen sidderen van kop tot teen. ‘Ze probeert voortdurend om uit het bed te stappen’, rechtvaardigde de verpleegster de maatregel, en brak daarmee mijn blitz-reis naar het verleden af. Of moeder daadwerkelijk uit bed wilde stappen, kon ik niet achterhalen. In elk geval greep ze herhaaldelijk naar de ritssluiting ter hoogte van haar knieën om zich uit het carcan te bevrijden. Telkens weer zei ik haar dat ze het te koud zou krijgen, en telkens weer verlegde ik haar hand. Op de duur liet ze het hoofd zakken, greep langs beide kanten de hoge bedstijlen vast, en bleef zwijgend rechtop zitten. ‘Neem dat kindje uit mijn armen’, zei ze na een poos. Ik gesticuleerde om het kindje over te nemen. Dan keek ze me aan met een raadselachtige blik, die elke toegang tot haar gespinsel afblokte. Ze herhaalde rustig: ‘Neem dat kindje uit mijn armen.’ Ik nam dat kindje dus nog maar eens over. Waar in ´s hemelsnaam is ze nu, vroeg ik me af.

            Ik kon alle tijd nemen om haar het eten op te geven. Meestal moest ik zachtjes aandringen, want al na twee, drie happen zei ze dat ze genoeg had. Drinken kostte geen moeite, integendeel, ze vroeg zelf herhaaldelijk naar water. ‘Ik drink graag water,’ verraste ze mij na haar eerste glas. Ik wist dat ze niét graag water dronk. Thuis dronk ze veel te weinig, ik had er de grootste moeite mee om haar regelmatig een paar slokken te doen nemen. Maar hier lagen de zaken anders, het  vocht afdrijvende medicijn droogde haar uit, en vóór men dat in de gaten had om dan weer via het infuus vocht toe te dienen, leed ze dorst, grote dorst. Dan sliep ze weer in, veel communicatie was niet mogelijk.

            De enige mensen die ik in de gang zag, waren de professionals. Blauw jasje over de witte jas, blauwe rubberhandschoenen, blauw mondmasker. Strijdend tegen vijand nummer één dezer dagen, dat minuscule, onzichtbare ding, dat intussen de hele wereld de oorlog verklaard had. Af en toe zag ik ook een patiënt in kamerjas door de gang waren, of een poetsvrouw haar wagentje voorbij rollen. Maar niet één bezoeker. Tussen al die geüniformeerden moest ik onvermijdelijk opvallen, en alleen al dat besef deed me de abnormaliteit van heel de situatie sterk aanvoelen. De tolerantie was groot, zowel geriater als verpleegkundigen accepteerden mijn aanwezigheid. Toch hoedde ik mij ervoor, een verkeerde stap te zetten, een verkeerde vraag te stellen, of op welke wijze dan ook mijn aanwezigheid nog extra onder de aandacht te brengen. Ik wist maar al te goed dat ik van een uitzonderingsregime profiteerde. Mettertijd veranderde evenwel de blik in de ogen van enkele verpleegkundigen, en effectief, de derde dag meldde een verpleegster mij, dat, gezien de situatie van moeder gestabiliseerd leek, ik ´s anderendaags niet nodeloos nog een risico moest vormen voor zowel patiënten als personeel. 

            Ik reed terug naar huis, in bange verwachting. Weer zou ze de dag lang geen mens op bezoek krijgen, geen van haar kinderen, geen van haar kleinkinderen, geen van haar buren, niemand. Zelf zou ik er niet opgekomen zijn, maar op een keer stelde de geriater voor om een chatgesprek met mijn moeder te organiseren. Reeds de dag nadien plaatste een ergotherapeute zich met een laptop naast het ziekbed. Moeder zat rechtop in haar carcan. Ik hoorde de  therapeute de actie verduidelijken.

            ‘Zie je je zoon?’ vroeg ze.

Ik zag moeder wezenloos naar het scherm staren, ze leek erdoor verward te zijn.

            ‘Zie je je zoon?’ herhaalde de therapeute, ‘dat is je zoon daar.’

Moeder bleef zwijgen. Na een poosje wendde ze zich tot de therapeute en zei: ‘Ik dacht al dat die zo goed op mijn zoon gelijkt.’

            ‘Het is ook je zoon,’ beklemtoonde de therapeute.

Verwonderd keek moeder me aan. En dan plots, met krachtige stem : ‘Ik ben je moeder!’ Méér zei ze niet, maar wuifde me toe. Op mijn beurt wuifde ik, en loog dat ze er goed uitzag. Ze baadde in het zonlicht. De eerste lentedagen waren ook abnormaal warm. Buiten schoot de natuur volop in gang, daar binnen was ze echter langzaam aan het kwijnen. De sessie duurde niet lang, we waren snel uitgepraat. Vóór de therapeute afsloot, wuifden we nog eens, en ik hoorde me zeggen: ‘Tot later, moeder, tot later.’

            Het telefoontje met de geriater was weinig opbeurend de volgende dag. ‘De nieren laten het afweten,’ zei ze, ‘uw moeder is op.’ Ze had me eerder al gezegd dat wanneer er nu nog verwikkelingen zouden optreden, zij geen behandeling meer zou starten, enkel nog voor haar comfort zorgen: ‘De grens van het haalbare is bereikt’, lichtte ze deze beslissing toe. Zodra er op de palliatieve afdeling plaats was, zou moeder naar daar overgebracht worden. Maar vóór het zover was, moest ze nog op mogelijke besmetting met het coronavirus getest worden, want op palliatieve lagen de besmette en de niet-besmette patiënten strikt gescheiden. Twee onaangename testen met een wissertje via de neus, en, godbetert, een onderzoek in de scanner, waarvoor ze nog naar een andere kliniek in de stad moest worden vervoerd. De eerste test met de wisser zou dezelfde dag nog plaatsgrijpen, de tweede ´s anderendaags, en het onderzoek met de scanner zo mogelijk ook nog dezelfde dag. Alle testen bleken negatief. Maandag zou ze dan naar palliatieve verhuizen. Zaterdag werd haar wat morfine toegediend, ze had pijn gesignaleerd. Zondag was ze rustiger. Toen de verpleegster haar kamer betrad, zat moeder in de zetel. Ze had haar sonde uitgetrokken, was over de hekkens van het bed geklommen en helemaal alleen in de zetel gaan zitten. Een klein wondje aan het been verried dat ze zich daarbij bezeerd moest hebben. Maandagmorgen hielp de verpleegster haar een boterham met choco eten: ‘Ze zag er niet ongelukkig uit of triestig, ze was rustig, had geen pijn.’ Een uurtje later ging ze terug om moeder een poosje in de zetel te plaatsen, maar dat was plots niet meer nodig. ‘Ze voelde nog warm aan, en had nog kleur.’

           

Opgebaard ligt ze nu in het blauwbebloemde kleed, dat ze voor haar honderdste verjaardag nog gekocht heeft. Zo heb ik ze me nooit kunnen voorstellen. Je bent er zó lang zó zeer aan gewend geraakt dat ze er is, dat je op de duur gaat denken dat ze er altijd zal zijn. Tot de realiteit de droom natuurlijk achterhaalt. Daar ligt ze, koud en bewegingsloos, om nooit nog op te staan. Ze zwijgt, om nooit nog te spreken. Ik denk aan de videochat van vóór enkele dagen, en ik hoor haar zeggen, alsof ik haar niet herkende: ‘Ik ben je moeder’. Ik zie ze wuiven, en ik hoor mij zeggen:  ‘Tot later moeder, tot later.’ Maar ze slaapt, om nooit nog te ontwaken.

Dit artikel delen?

Graag je mening (waardering en/of commentaar) over deze inzending.
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Je waardering voor een artikel

Hits: 164

4.335

(De gemiddelde waardering is 4.3 door 12 stem(-men)

Reacties   

# RE: In haar blauwbebloemde kleedPol Coulier 03-05-2020 09:10
Heeeeeeeeeeel mooi!
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 03-05-2020 14:21
Dank voor je appreciatie, Pol.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedDorine Van der Marel 03-05-2020 07:34
Heel mooi geschreven, met zo veel gevoel. Veel sterkte.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 03-05-2020 14:20
Dank voor je appreciatie, Dorine.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedConnie van Vuuren 01-05-2020 23:13
Vanuit je hart geschreven. Het raakt. Veel sterkte Lieven.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 01-05-2020 23:51
Dank je zeer, Connie.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedVera Bijma 01-05-2020 17:14
Veel sterkte, Lieven.
Een dikke knuffel.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 01-05-2020 19:18
Warme dank, Vera!
# RE: In haar blauwbebloemde kleedDiane Thone 30-04-2020 15:00
Ontroerend!
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 30-04-2020 15:06
Mooi, Diane, dat het stukje je even bewogen had.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedGuido Aerts 30-04-2020 12:01
Mooi relaas,Lieven over de levensbeëindigi ng van een sterk mens. Het zal je hopelijk goed gedaan hebben deze onwezenlijke ervaring te delen en van je af te schrijven.
# RE: In haar blauwbebloemde kleedLieven Vandekerckhove 30-04-2020 13:23
Dat is het juiste woord, Guido: onwezenlijk.

Login of registreer (gratis) om een reactie te plaatsen

Tags: Cursiefje
Misschien wil je de volgende inzending ook wel lezen...

Zo maken ze ze niet meer...

Geschreven door Machteld Berkelmans. Geplaatst in Column.
Mijn middelbare schooltijd speelde zich af eind jaren 70 en begin jaren 80. De tijd van punk, new wave maar ook van disco. Er was een duidelijke scheiding tussen de versc...
Actuele Top 3 van deze rubriek

ZEN

22, mrt, 2020 Diane Thone

In haar blauwbebloemde kleed

30, apr, 2020 Lieven Vandekerckhove

Eerst even de wereld redden

23, apr, 2020 Vera Bijma
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen door bezoekers. Door een waardering (1-5 sterren) te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!