Voor schrijvers, door schrijvers

Cursiefje

Cursiefje
Inzendingen: 404
Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 

Ik zoek je

Tags: Cursiefje
Ik speel piano, met oortjes in, want niet iedereen hoeft het te horen. Gewoon bladmuziek, maar ook oude liedjes die ik vroeger heb geleerd via Youtube. Ik vind het fijn. Ik heb niet verwacht dat ik het nog kan. Nou ja, niet alles kan ik nog, maar het klinkt goed, de tonen klinken zuiver. Ik improviseer wat. Klinkt goed. Weet je, ik ga het een keer nog helemaal opnieuw leren, dit ene liedje waarvan ik alleen nog het begin ken. En het doet me denken aan mijn andere ambities die ik had. Er zijn meer liedjes die ik wil leren spelen. Ik zal het gaan opzoeken, straks, als ik terug ben. Ik sta op en 'sluit' het keyboard. Er zit zo 'n ding op, waarmee de toetsen worden bedekt. Ik doe het weer open, want eigenlijk ziet het er wel mooi uit, actief, zo ziet het eruit, actief, met al die witte en zwarte toetsen. Het valt op.
 
Ik loop naar beneden, de prullenbak meenemend om straks te legen, trek m'n schoenen aan, niet zeker of ik wel ga fietsen vandaag, maar zeker dat ik mijn prullenbak ga legen. Ik loop de woonkamer door en open de deur. Als ik straks honger heb, eet ik een banaan. In de fruitmand op de grote tafel zie ik een tros bananen, en in de koelkast zitten nog druiven, weet ik. In de keuken open ik de keukenla en pak ik mijn sleutels waarmee ik de achterdeur open en met de prullenbak de achtertuin inloop. De sleutels laat ik in het slot, de deur laat ik open. De papierbak is nog halfleeg, zie ik; ik kan mijn prullenbak helemaal legen. Het is fijn om buiten te zijn, en fijn om weer een lege prullenbak te hebben in m'n slaapkamer. Gerust en ontspannen loop ik terug het huis in, naar de gang, om de lege prullenbak neer te zetten bij de trap, en daarna loop ik weer naar buiten. Ik ga een rondje fietsen. Ik ben niet meer onzeker. De lichte wind doet me goed. De zon doet me goed.
 
Weer de achtertuin in, deze keer de deur sluitend en op slot doend, waarna ik opnieuw langs het veel te lange onkruid naar het achterste gedeelte van de tuin loop met de vuilnisbakken en de schuur, die ik open, waar ik mijn fiets uithaal, die ik weer sluit. Tuinhekdeur van het slot halen, openen, fiets erdoor heen, tuindeur sluiten en op slot doen. Lopend in de steeg, richting de grotere steeg, merk ik hoe rustig het is, fijn, fijn vind ik dat.
 
Gisteren kwam ik hier een buurmeisje tegen, waar ik vroeger vaak mee buiten speelde toen ik nog een kleuter was, maar om eerlijk te zijn word ik nu onzeker van meiden.
 
Ik word afgeleid door de keuze of ik nu naar links of naar rechts moet gaan, ook al weet ik dat ik uiteindelijk toch op dezelfde plek uitkom, op de plek waar ik wil zijn. Nou ja, ik ga maar naar links. Meestal is dat rustiger, denk ik, daar is geen schoolplein en geen school. Er rijdt een bus richting de steeg, en die slaat af naar links, of naar rechts. Het ligt eraan van welk perspectief je het bekijkt. Vanuit mijn perspectief gaat hij naar links. Dus voor de bestuurder - er komt een jongen van links aangereden op de fiets. Ook een jongere. Grappig, leuk om niet de enige jongere in de straat te zijn. Hey, wij zijn de toekomst, zeggen ze wel eens.
 
Bruggetje over, fietspad op, afslaan, helling op, tegenliggers tegenliggen (of tegenkomen), bruggetje op, dijkje op, planten langs, woonboten langs - de zon schijnt nog, blauwe lucht - stoplicht over, autoweggetje oversteken, en dan opnieuw: dijkje op, planten langs, woonboten langs. Berkenbomen, die zijn hier ook, weet ik. Tunneltje door en weer een drukke weg, zonder stoplicht hier. Als ik naar rechts zou fietsen, zou ik naar school gaan. Misschien neem ik er een kijkje, denk ik, maar wacht, nee, er zijn misschien leerlingen op school, omdat sommige mensen bijzondere toetsen hebben, nee, dan maar oversteken, en daar naar links. Dat doe ik. Ik steek over, nadat ik op de drukke auto's heb gewacht.
 
Weer een stoplicht. Helling af, afremmen, voor dat stoplicht. Ik sta stil. Ik druk op het knopje. Het gaat op groen. Ik fiets door. Steviastraat, staat er op een bordje. Dat weet ik. Hier fiets jij ook altijd langs, als je van school naar huis gaat, weet ik. Of ik dacht dat. Ik weet het niet zeker, schiet me te binnen. Misschien heb ik niet goed opgelet. Je ging in ieder geval dat stoplicht van daarnet langs. Dat weet ik zeker. Ik meen te denken dat ik je hier vandaan zag fietsen, een keer. Ik twijfel. Toch heeft dit stukje fietspad voor mij een romantische betekenis. Veel groen. Groener dan op andere plekken. En het weer is er altijd mooi. Wanneer ik er fiets dan tenminste.
 
Links is het station. Links van het station is een tunneltje waaronder een fietspad gaat. Daar had ik een keer over je gedroomd. Er was iets geks aan de hand met het tunneltje, want het was een soort pauzeplek met een snoepautomaat (?) en het was er druk. Wij waren er ook, gezellig, met z'n tweetjes, nadat ik in de wijk had rondgefietst.
 
Naar rechts, een rustige autoweg op, waar je mag fietsen, langs een oud gebouw, een bejaardentehuis was het vroeger denk ik, maar later zal ik weten dat het een schoolgebouw was. De reden dat ik dit dan als herinnering zal proberen op te leven zal mijn vergeetachtigheid zijn. Ik zal vergeten wat ik tijdens deze rit zal bedenken om te gaan doen wanneer ik weer thuis ben. Dit denk ik nu niet hoor, dit zal alleen worden opgeschreven, in de toekomst.
Ik sla af naar links.
 
Ik weet dat er familie woont in deze buurt, waar ik geen zin in heb vandaag. Ik zal ze niet tegenkomen, denk ik, maar dat weet ik niet zeker. Dat heeft wat geluk nodig, of ongeluk. Dat heb ik vaak, maar jou kom ik nooit tegen, dus de kans dat ik familieleden tegenkom is even klein. Ik heb weinig geluk, maar zelfs met 0,01% geluk kom ik ze niet tegen. Het is toch rustig op straat nu. Ik fiets door. Auto's passeren, mensen passeren, spelende kinderen op straat passeren. Ik rem een beetje af, zodat ik niemand aanrijd. Vanuit een tuin hoor ik mensenstemmen, voor me zie ik een groep van drie staan. Ze zijn aan het kletsen, die mensen daar.
 
Ik kijk voor me, fietsend, terwijl ik nog een auto zie, een auto met een open dak. Ik zoek het woord, maar kom er even niet op. Een cabriolet. Toch familie. We zien elkaar niet. We kunnen toch geen gesprek houden.
 
Ik ga naar links, naar een fietspad naast de weg. Het is niet heel druk, maar de autoweg is dat wel. Het is een weg richting Amsterdam, de hoofdstad. Vandaar dat het er druk is op die weg die richting bedrijven, supermarkten en kantoren gaat. Ik ben de enige fietser. Hier kan ik nadenken, op een lekker lang fietspad. Ik denk aan dingen, aan wat er is gebeurd, thuis, op mijn computer. Ik heb ruzie gehad met wat vrienden. Vorige keer dat ik hier was, dacht ik daaraan.
Dan moet ik remmen, een stoplicht, maar ik rem te laat, en moet dichterbij de fietser voor me aansluiten, maar afstand. Ik sta een beetje in de weg, maar keren is ook raar. Ik had beter moeten opletten. Het duurt een tijdje voor het stoplicht op groen gaat hier, hier op dit drukke kruispunt. Dit is een druk kruispunt. Het duurt een minuut, of twee minuten, of drie.
 
Dan is het er wel rustig, naast de weg. Op de weg is het nog even druk als het was, maar hier op het fietspaadje is het rustig. Er is niemand, alleen ik ben er. Links bomen en groen, rechts ook, die de autoweg scheidt van het paadje. Hier is het mooi. Bloemen. Er zijn bloemen. Ik ben gelukkig hiero, bij de vrijheid, bij de natuur, bij de zon en de lucht, terwijl de rest, de anderen allemaal binnen zittend op hun computer zitten te lachen om slechte, niet grappige grappen, waar de wereld niets aan heeft. Dit, dit is de wereld, waar ik nu ben.
 
'Vurige Vlam,' staat er op een klein huisje, naast een boerderij. Op het boerderijtje staat er, in kleine, maar leesbare letters: 'GOED GELEGEN'. Een paar meter verderop sla ik links af. En daar fiets ik rechtdoor, langs een weg waar alleen bussen rijden, volgens mij. Links zie ik paarden. Zal jij paardrijden? Vast niet, maar het zijn mooie dieren, langer dan schapen, koeien en varkens. Ik heb me trouwens vergist. Verderop is pas een weggetje waar alleen bussen mogen komen. Hier rijden gewoon auto's. Ik fiets een helling af, en rechts is er een afslag, waarvandaan twee andere fietsers komen: een vader en een dochter. Verderop gaan ze naar rechts, waar ik altijd naar links toega: mijn vaste route. Maar ik kijk naar rechts, terwijl ik bij het dijkje aankom, en bedenk dat ik graag achter meiden aan fiets, maar dan kijk ik naar links, want dat is onbeleefd. Glurend naar rechts, zie ik het meisje niet meer, maar alleen de achtergrond: weilanden, weilanden vol met schapen, boerderijen en op de achtergrond, ver weg, boerderijtjes en een dorpje, alleen verstoord door elektriciteitsmasten, maar die masten zijn mooi, denk ik, ze passen hier wel. Ik fiets richting het drukke Amsterdam, dat zo stedelijk is, dat de eerste stedelijke, bebouwde trekjes hier zijn te vinden. Ik wist het al. Ik zag deze elektriciteitsmasten eerder, terwijl ik in de bus zat, op weg naar Amsterdam, hier in het weiland waar ik nu fiets. Ik zal het me later realiseren, dat ik hier nog nooit ben geweest maar er altijd nieuwsgierig naar heb gekeken, verveeld in de bus.
 
Ik besluit om naar rechts te fietsen, wat een enorm verschil zal maken vergeleken met mijn normale route. Ik ga steeds verder, weet ik. Vroeger fietste ik altijd van school naar huis via de snelste weg, via mijn eigen, kleine dijkje. Daarna fietste ik via een omweggetje, omdat ik wist dat jij die richting opfietste, via de Steviastraat; zo fietste ik naar huis door na de Steviastraat naar links af te slaan, onder het tunneltje daar bij het station, maar later sloeg ik eens rechts af, en ging ik via het dijkje dat nu achter me ligt te fietsen. Nu ben ik nóg verder gegaan.
 
Ik fiets richting een onbekend dorp. Maar het is er prachtig. Altijd heb ik gedacht dat mijn dijkje, bij mij in de achtertuin, romantisch was, maar dit dijkje, zo vlak en smal, is nog schitterender. Er staan zoveel dieren in het weiland, links en rechts, en paarden weer. Ik weet nog steeds niet of jij paardrijdt. Het dijkje is lang, maar na wat denken, over waarover ik zal gaan denken, is het kort. Ik wil slalommen, omdat er zoveel vrijheid is. Ik kijk achter me en voor me en denk toch niet dat het zin heeft. Het is geen film. Het is echt. Ik geniet van de vrijheid, kijkend naar de koeien naast me. Het zijn er velen, naast de zoveelste boerderij, en toch zo knus en vrij en simpel.
 
Sneller dan ik denk kom ik aan bij een boerderijtje, waarna er meer boerderijtjes volgen: de eerste tekenen van een bewoond dorpje. Voor me zie ik een fietser. Of nee, het zijn er twee, zie ik nu. En ze fietsen achter elkaar, zodat ik er langs kan. Dat lukt maar net, op dit smalle dijkfietspaadje. Voor me een tractor, die een weggetje naar een boerderij in rijdt. En, voor me, twee hardloopsters, naast elkaar, met ertussen een meter afstand. Hoe kom ik daardoorheen?
Soms denk ik eraan ook een koe te willen zijn. Toen ik en mijn moeder aan het fietsen waren, in de buurt van andere kleine dorpjes, hielden we stil bij een smal fietspaadje naast huizen, met aan de andere kant weilanden zo lang als we kijken konden. Daar zaten we op een bankje, terwijl we crossaintjes aten en ijsthee dronken. 'Eigenlijk zijn we heel dom,' zei mijn moeder. 'Zie de koeien, zonder kleding aan, gras etend, zonder bestek nodig te hebben en zonder eten voor te bereiden. Het groeit voor ze.' Net als de vogels, die ook geen boot of brug nodig hebben om een sloot over te steken. 'Wij, mensen, zijn hartstikke dom,' zei ze.
 
Aan het einde van dit dijkpad is een verbreding, precies gemaakt voor tegenliggers. Ik fiets tussen de twee hardloopsters door. Dat past makkelijk, en ze kijken me dan ook niet verbaasd en boos aan, wat ze waarschijnlijk wel zouden doen als ik er eerder langs probeerde te gaan. Een nieuwe gemeente is dit, ook al zie ik geen bordje. Waarschijnlijk zie ik het over het hoofd. Ik fiets er zo in, niet zeker wetend of ik een andere kant op kan gaan, omdat ik hier nog nooit eerder ben geweest, volgens mij. Misschien met mijn vader, maar nu moet ik zelf kiezen, zelf kiezen welke kant ik op wil gaan. Ik ga zo het dorp in. Een fietser. Kinderen, spelend met waterpistolen en waterbalonnen. Nog een fietser. Gelukkig, ik ben niet de enige fietser, zo vreemd zie ik er niet uit, geen vreemde vogel. Hier kan ik naar links. Ik hoef niet de drukke rijtjeshuizenwijk in. Ik ga naar links, over een brug, naar een weg waar je nog eens links kan, maar ik ga naar voren. Op een bordje zie ik staan dat de weg naar voren richting Amsterdam gaat, en de weg naar links naar de plek waar ik vandaan kom. Ik negeer het en fiets gewoon naar voren. Het is hier eventjes te druk om rustig te kiezen. Ik voel wind, maar ik heb er geen last van.
 
Ik keer om. Als ik hierheen ga, ga ik te ver. Dan raak ik verdwaald. Nou ja, verdwaald, ik heb natuurlijk mijn telefoon mee. Ik keer om en merk meteen de tegenwind. Potverdorie, daar heb ik niet op gerekend. Ik trap hard door en zeur niet, want ik ben eraan gewend, aan wind. Ik kijk nog even naar links en rechts. Je kon ook naar links dus, vanaf mijn kant, hier, nu, rechts. Er zijn mensen aan het zwemmen, of aan het spelen, met water, links. Waar die weg naartoe gaat wil ik niet weten. Dat is vast helemaal ver weg. Naar rechts, die weg herken ik. Hier ben ik wel eerder geweest, zeker weten, met mijn vader ja. Langs boerderijtjes, nadat ik over een stuk van een dijkje rijd, maar het verschil met klassieke boerderijen is dat deze moderner zijn. Het zijn geen boerderijen, maar boerderijen omgetoverd tot woonhuizen. Eerlijk gezegd zijn er nog best veel boerderijen in de buurt van mijn stad, wat ik niet verwacht heb. Het is hier heel groen overal, nog steeds enorm veel weiland, maar ik heb al zoveel weiland gezien, dat het me eigenlijk niet meer opvalt. Ik zie weer paarden trouwens. Ik zal het later weer heel bijzonder vinden. Voor me fietst opeens een vrouw. Ik fiets achter haar, maar opeens slaat ze af naar links, om even stil te staan en pauze te houden. De laatste bocht, en dan een enorm lang stuk weg, waar alles langzamerhand dichter bevolkt wordt, ondanks een willekeurig bos, met meer boerderijtjes, en uiteindelijk rijtjeshuisjes.
 
Hier in de buurt is een plek die ik in gedachten altijd met liefde heb geassocieerd. Zou jij er wonen?
 
Links opeens een paadje door een parkje, een fietspaadje. Het ziet er heel erg mooi uit, misschien wat donker en beschaduwd, maar dat is juist goed als de zon zo fel schijnt als vandaag. Het is er alleen te druk, dus ik fiets door, rechtdoor, wachtend op waar dit weggetje me brengt, maar ik ben weer in mijn stadje, gelukkig. Ik fiets door bewoonde wijken, druk van de mensen, ondanks de rust die deze dag meebrengt. Overal mensen. De tel ben ik kwijt. Het besef ben ik kwijt. Alles slaat zo snel om.
 
Wat wilde ik nou doen? zal ik mezelf later afvragen. Wat wilde ik nou doen?
 
Ik probeer te kijken, naar de mensen om me heen, maar niemand ziet eruit als iemand die ik ken of als jou. Allemaal onbekenden. In deze wijk kom ik toch niet vaak. Het is mooi weer, dus het ziet er wel vriendelijk en vrolijk uit, maar er zijn geen paarden, geen koeien, geen boerderijen, geen dijkjes. Ik neem een afslag, ga een bruggetje over en versnel: een omweg, maar wel rustiger. Hier is het rustig. Nog steeds geen weidedieren. Ik steek een weg over, een weg die alleen voor bussen geschikt is, en van deze weg weet ik het zeker, waarna ik er langs fiets, over een grote brug over het water langs de dijk. Dat was de dijk richting dat ene dorpje, weet ik nog. Als ik op die ene plek een andere afslag had genomen, was ik hier allang voorbij geweest. Ik heb m'n wereld tenminste vergroot, waar ik tevreden mee ben, de vrijheid gezien, de plekken gezien waar ik altijd al wilde komen.
 
Ik sla rechts af, na de brug, het dijkje op, terug naar huis. Een knus, klein, smal paadje, omringd en begroeid door bomen. Een enkel huisje staat ertussen. Daarna staan er rijtjeshuizen, een parkje, wat weer dichter wordt begroeid naarmate ik verder fiets, en een tunneltje, waarover een autoweg gaat, waarna het fietspaadje wat onhandige bochten maakt, waarna ik weer op een dijkje terechtkom, die naar een weggetje gaat waar de auto's 'te gast' zijn. Daar ga ik naar rechts. En het is hier druk, net zo druk als in de wijk hiervoor. Maar hier woon ik. Ik ken dit. Ik ben bijna thuis. Na dit bruggetje ben ik in het parkje, waar ik vaak ben geweest, waar ik eigenlijk altijd al ben geweest sinds ik leef. Hier kom ik altijd. Dit is de eerste plek waar ik kom als ik naar buiten ga, dit parkje.
 
Op de brug sta ik nu, vlak voor de helling naar beneden, en ik vraag me af of ik nu naar links, naar het zoveelste dijkje, of naar voren, het park in moet. Ik ga naar links, het dijkje op. Daar fiets ik, langs de zeilboten, over het laatste dijkje van vandaag. Dan fiets ik het dijkje af, langs bomen. naast een klein openluchttheatertje, door het parkje, naar huis.
Ik steek over. Voor me: een vrouw met honden aan de lijn. Ik houd afstand, wacht totdat ze oversteekt, en ga zelf voor de weg staan, wachtend op een auto die voorbij komt rijden. Daarna fiets ik door en haal ik haar in, om daarna de straat over te fietsen, de steeg in, mijn steeg in, bij mijn achtertuin. Ik stap af. In de steeg stop ik en zet ik mijn fiets op z'n standaard, open ik het deur van het hek en haal ik het slot van de schuurdeur. De schuurdeur is niet op slot. Ik denk dat ik hem ben vergeten op slot te doen. Ik pak m'n fiets en zet hem in de schuur. Ik doe alles op slot en loop door de achtertuin naar binnen, naar huis, op naar m'n kamer, denk ik.

Nadat ik mijn schoenen heb uitgetrokken en mijn handen heb gewassen eet ik een banaan op, kijkend naar buiten. Buiten fietsen mensen langs, maar ik zie niet wie het zijn. Ik probeer onder de gordijnen heen te kijken. Ik kan het niet goed zien. Ik loop naar boven waar ik mijn glas pak om wat te drinken te pakken, en ik loop opnieuw naar boven, vergetend wat ik wilde doen en daarom gefrustreerd, maar voldaan.

Mei '20
 
 
Dit artikel delen?

Publicatie op .
Hits: 313

geef een waardering voor: "Ik zoek je"

Geschreven door Eduard Brand . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
30.05.20
Feedback:
Correctie i.v.m. oude waarderingen.
  • Lezenswaardig:
    60%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Lieven Vandekerckhove 31.05.20
    Het vraagt wat goede wil om deze lange tekst tot het einde te lezen, want er gebeurt niets, werkelijk niets in het verhaal. Maar misschien juist daarom drukt zulke tekst de wanhopige zoektocht uit naar diegene, de geliefde allicht, die men mordicus wil zien, maar helaas toch niet zal vinden.
    • Eduard Brand 08.07.20
      Mooi dat je het zo ziet, eerlijk gezegd heb ik er niet bij nagedacht, maar wat je beschrijft is exact de betekenis van dit verhaal: wanhopig zoeken en niet weten wat te doen.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!