Voor schrijvers, door schrijvers
Cursiefje

Cursiefje

Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon en  relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 
Aantal gepubliceerde inzendingen: 378

HOE IK DE PIJP AAN MAARTEN GAF

Waren het de omstandigheden of kwam het door mij? Feit is dat ik als klein jongetje veel liever met oudere kinderen speelde dan met leeftijdsgenoten. Misschien was je je leeftijd ver vooruit, hoor ik je denken. Dat gevoel had ik niet. Vaak begreep ik geen snars van wat die ‘ouderen’ uitkraamden, maar even zo dikwijls fronste ik mijn kleine wenkbrauwtjes bij het aanschouwen van hun vreemde, naar mijn gevoel soms kinderlijke spelletjes. Volgens mij lag het mede aan Bonanza, de cowboyserie die ‘voor mijn tijd’ uitgezonden werd. Ik groeide op in de nagalm. Volwassen refereerden er vaak naar en kinderen speelden opvallend vaak cowboy en indiaantje. Ik deed maar mee, veeltijds als figurant. Ik ben aan geïmproviseerde totempalen gebonden en neergeknald met rubberen kogels. Pijlen vlogen me om de oren. Ik doorstond het strijdgewoel voor het groepsgevoel. Erbij horen was toen nog belangrijk.

Op een sneeuwerige decemberavond schonk Sinterklaas me een lichtbruin indianenpak met tegenstrijdige, strijdlustig-vredelievende attributen als een tomahawk en een vredespijp. De behoefte om iemand met een plastieken bijl de kop in te slaan is nooit ontstaan en dat pakje deed ik nauwelijks aan, maar die vredespijp zou ik ooit nog meedogenloos misbruiken, al besefte ik dat toen totaal niet dat het ooit behoorlijk fout zou gaan. Ik begin er warempel spontaan van te rijmen. Ik herinner me dat het die avond zo koud en guur was dat ik vreesde dat de pieten of het paard van de Sint zouden uitschuiven op de spekgladde daken. Kun je nagaan hoe naïef ik was.

Enkele maanden later bleken de bleekgezichten vaak te sterk voor dit allesbehalve dappere indiaantje. Dat wilde gedoe als wilde wilde wel eens tegenvallen, zeker als ik voor de zevenentachtigste keer beschoten, geraakt, gevangen genomen en vastgebonden werd. Op een keer kraakte ik psychologisch en begon ik te huilen. Er werd wat gelachen, maar uiteindelijk werd medelijden sterker dan quasi onoverwinnelijke fantasie. Cowboys werden mannen en ik werd terstond vrijgelaten. Onder voorwaarden. Of toch eentje: de cowboys mochten een indianennaam voor mij verzinnen. Dat leek me nog wel jofel. Van blijdschap en opwinding liet ik een scheetje. Het bleef niet onopgemerkt. Voor ik het goed en wel besefte riep iemand: ‘Blètende poerter! Dat wordt zijn indianennaam!’ Voor mensen van buiten de streek vertaal ik dat vrijblijvend even naar ‘wenende windjeslater’. Hoongelach alom. Veel liever werd ik terug vastgebonden dan dat die naam aan mij verbonden werd, maar de grap was te goed. Tranen werden gelachen uit vele ogen. Niet door mij. Ik bleef droog, ook al vond ik iedereen hard, vochtig en hardvochtiger en wreder dan ooit. Ik vergaf, maar vergat niet, ging naar huis en herbeleefde de gebeurtenissen in mijn hoofd, turend naar mijn strijdbijl en vredespijp. De strijdbijl begroef ik in de tuin, de houten vredespijp stak ik half in de grond. In de schaduw van het tuinhuis. Een beetje teleurgesteld in het kleine wereldje rondom mij. Om mee te draaien moest ik harden, zoveel was duidelijk.

Een paar jaar later. Ik weet niet meer hoe of van wie, maar op een of andere manier was ik in het bezit gekomen van vuurpijlen. Mijn obscure leverancier had mij verzekerd dat je die dingen best losjes schuin in de grond stopte en aanstak met een lucifer. Bij een testlancering eind september achteraan in de tuin liep dat fout. De vuurpijl bleef steken en ontplofte ter plaatse. Gelukkig was deze angsthaas al lang een heel eind weggesprongen. Ik dacht en bibberde na, tuurde in de rondte en zag, een eindje verderop, mijn vredespijp uit de grond steken, daar waar ik mijn strijdbijl ooit begraven had. De vredespijp was vooral een holle, houten buis. Ik trok ze wat schuin, pleurde er een vuurpijl in en stak hem aan. De vuurpijl zoefde weg en ontplofte tientallen meters verderop, hoog in de lucht. Nog eens proberen... En nog eens! Machtig!

November. Opnieuw guur en winderig weer, bitterkoud maar droog. Sint-Maarten. Een ietwat vreemd feest dat we met het hele gezin vierden in, maar vooral rond de kantine van de straatvoetbalploeg van mijn vader. De ‘Sinte-Mette’ stond centraal: een gigantische brandstapel bestaande uit hout, autobanden en alles wat brandbaar was en wekenlang verzameld werd. ’s Avonds werd de hele reutemeteut met veel bombarie aangestoken en met het roet van het verschroeide hout werd achteraf het gezicht van elke aanwezige, desnoods met geweld, ‘ingevet’ (ingesmeerd). Er werden pannenkoeken gegeten, pintjes gedronken, bommetjes gegooid en vuurwerk afgestoken. Een gevaarlijke cocktail, die heden ten dage gelukkig veel minder vaak gedronken wordt. Het had iets heidens. Op een bizarre manier was het leuk en spannend. Meeslepend, al was ik nog steeds bijlange geen groepsdier. Na uren van drukte ging ik stilletjes op zoek naar de essentiële eenzaamheid. Min of meer uit noodzaak. Ik rende het verlaten voetbalveld op. Helemaal alleen en niemand om me heen. Daar waar het pikdonker was en niemand me kon zien. Tientallen meters verderop brandde de ‘Sinte-Mette’, werd er wild feest gevierd, gelachen en gedronken. Ook de kantine leek een gigantische lichtbak. Er was sfeer. Ik ademde diep in en genoot. Genieten vanop afstand heeft me altijd veel meer voldoening gegeven dan middenin het gejoel en gewoel te vertoeven. Ik kon het wel, maar vroeg of laat moest ik me onopgemerkt onttrekken aan het feestgedruis. Ongetwijfeld mijn grootste talent.

Ik bleef gewoon staan. Mijn armen gekruist. Een hele tijd. In de kou. Ik weet niet hoe lang, maar de feestende massa trok op den duur naar de gezellige warmte van de kantine. Ik genoot na. Af en toe druppelde een mannelijk iemand naar buiten om, druppelsgewijs of stralend, dat kon en wilde ik niet exact vaststellen, de houten ‘pismuur’ te zegenen met verse urine. Zoals nu. Twee paar sokken droeg ik. Ertussenin, rechts, ergens tussen scheenbeen en kuit zocht en vond ik mijn vredespijp, een vuurpijl en lucifers. Ik deed wat ik weken voordien geoefend had, maar met verkleumde vingers en een hard, bijna aangevroren grondoppervlak leek een en ander iets stroever te verlopen. Door een merkwaardige mix van onhandige rillerigheid en tegenslag lanceerde ik een vuurpijl op horizontale wijze, met mijn vredespijp als lanceerbuis en per abuis in de richting van een pissende medemens. De vuurpijl kwam tot ontploffing net voor hij de pismuur raakte. De pismuur die op dat moment bezeikt werd door een struise manskerel. Aanvankelijk gilde hij als een schoolmeisje, maar kort daarna hervond hij al vloekend de bij zijn gestalte matchende toonhoogte. Hij baste allerlei krachttermen, snoof en stoof in de richting van het donkere voetbalveld en vloekte en tierde als een bezetene. Instinctmatig schakelde ik over op overlevingsmodus. Plat op mijn buik lag ik. Adem ingehouden. De man vloekte fors en probeerde iets te zien. Na seconden die uren leken, draaide hij zich weer om en stapte richting kantine, nog steeds sakkerend en fulminerend. Voor ik opnieuw durfde te ademen ontsnapte er, allerminst geluidloos, een portie lucht uit mijn darmen. Blètende poerter! In inwendige stilte bad ik een ‘Onze Vader’, vrezend dat de man zich opnieuw zou omdraaien, maar mijn wind ging verloren in de gure novemberkilte. Minstens een kwartier bleef ik nog rondhangen op dat onmetelijk grote, pikdonkere voetbalveld. Daarna sloop ik stilletjes in de richting van wat nog overbleef van de heidense brandstapel en gooide mijn vredespijp in het laatste vuurtje. Ik keek toe hoe het bewijsmateriaal, een stukje van mijn jeugd, langzaam opbrandde.

Weer wat later, rond twee uur ’s nachts, zat ik in bad en waste ik mijn handjes in onschuld. Mijn moeder kwam ook nog even kijken. Ze nam het washandje uit mijn handen en veegde nogal hardhandig het roet van mijn gezicht. Uit noodzaak, want anders werd het nooit proper. Wenen deed ik niet, maar zware schuldgevoelens had ik wel. ‘Droog je af, trek je pyjama aan en ga slapen,’ zei ze, terwijl ze de stop uit het bad trok. Normaal gezien is ze veel liever, dacht ik toen. Volgens mij weet ze meer. Paranoïde misschien, maar alleszins vochtig en achterdochtig was ik gewassen en onvolwassen o zo dankbaar dat ze het kind niet met het badwater had weggegooid. Dat zal ik in mijn hoofd altijd een beetje blijven. Een kind.

 

 

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Danny Vandenberk
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 68
Publicatie op .
Tags: Cursiefje

Geef een waardering voor: "HOE IK DE PIJP AAN MAARTEN GAF"

Geschreven door Danny Vandenberk . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Grammatica & Spelling:
Passend in deze rubriek:
29.09.20
Feedback:
Weer een prachtig verhaal Danny, ik zou alleen proberen iets korter te schrijven, dan lezen misschien meer mensen het uit. En mijn favoriete zin uit dit verhaal is: "Dat wilde gedoe als wilde wilde wel eens tegenvallen"
Grammatica & Spelling:
Goed
Passend in deze rubriek:
Ja
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
1 van de 1 lezers vond deze review nuttig
  • Danny Vandenberk 30.09.20
    Dank je wel, Janneke! Ja, die zin vond ik zelf ook wel leuk. Bedankt voor de tip!
29.09.20
Feedback:
Het komt geloofwaardig op mij over.
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Danny Vandenberk 30.09.20
    Dank je wel, W Rolo!

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!