Voor schrijvers, door schrijvers

Cursiefje

Cursiefje
Inzendingen: 409
Bij cursiefjes verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. 

Het prentenboek

Tags: Cursiefje

Links en rechts met twee ouderwetse boodschappentassen zeulend, al tot over de rand gevuld met provisie voor de rest van de week, kwam mijn oude schoolkameraad Wouter mij op de zondagsmarkt tegemoet. Hij had mij over de hoofden heen al vanop afstand opgemerkt, en toen ik hem op mijn beurt in het vizier kreeg, lachten we elkaar aan, vermaakt door de gedachte dat een treffen op de wekelijkse markt, ofschoon nooit afgesproken, bijna iedere week quasi onontkoombaar plaatsvindt. Blijkbaar zijn we beiden gebrand op de combinatie van commercie en gezelligheid, die buiten het gejacht van de werkdagen de marktgang op zondag tot een uitgelezen tijdverdrijf maakt. Niet zelden zak ik zonder veel koopintenties naar het marktplein af, kom dan toch met enkele kleinigheden naar huis, maar ga er bovenal de gezellige drukte opzoeken die er gedijt. Gegarandeerd tref ik dan altijd ook weer lieden aan, die net zoals ikzelf, niet in het minst voor een uurtje goedkope ontspanning komen. Voor Wouter evenwel is de marktgang méér een commerciële bedoening. Tijdens de week ontbreekt hem veelal de tijd om zich om de praktische besognes van het leven te bekommeren, en daarom is de zondagsmarkt voor hem als alleenstaande een welkome gelegenheid om voor een dag of zeven in te kopen, want hier vindt hij alles wat hij nodig heeft om de week te overbruggen.

            Hij zette zijn boodschappentassen neer, en gaf daarmee te kennen dat hij wel enkele minuten tijd had voor een onderonsje. Op zijn ingepakte koopwaar lag een klein boekje. Toen hij zag dat ik er een nieuwsgierige blik op wierp, nam hij het uit de korf, en toonde het mij: een ingenaaid boekje van klein formaat, in een over de kaft gevouwen, transparante jacket. Hij had het net gekocht in het antiquariaat, dat vlakbij op zondag openhoudt omdat het altijd ook wat clientèle van de markt over de vloer krijgt. Tweedehands dus, maar het zag er als nieuw uit; zelfs in de dunne jacket viel niet één kreukje te bespeuren.

            „Ik had er verleden week al een exemplaar van gekocht,“ zei hij, „maar ik heb er nu een tweede moeten kopen.“ Hij liet er mij in bladeren, een boekje zonder tekst, doch met op elke rechter bladzijde een kleine  zwartwitprent van hooguit tien op vijf, zes centimeter. Het bleek een Duitse heruitgave van Frans Masereels beeldroman „Histoire sans paroles” uit 1920 - zoals de titel zegt: een verhaal zonder woorden, doch in puntgave houtsneden, alle uit een gelijk groot houtblokje gesneden.  

            „Wat die man in de jaren twintig heeft gemaakt, behoort tot het fijnste van wat er toen in Europa aan houtsnijkunst werd tot stand gebracht,“ beweerde Wouter. Ik wilde hem graag  geloven, want zoveel moderne schoonheid uit zo kleine blokjes gepuurd, daar stond ik echt wel van te kijken. Blad na blad liet ik de juweeltjes de revue passeren.

            „En heb je nu dat tweede exemplaar voor mij gekocht?," schertste ik.

            „Eigenlijk heb ik het voor mezelf gekocht,” antwoordde hij, “want ik heb deze week mijn eerste exemplaar weggegeven. Raad eens aan wie.“ Hij keek me aan met iets rakkerigs in zijn blik, dat evenwel wegebde zodra hij verder vertelde.

            „Ik ben verleden week op bezoek geweest bij de Kwak. Je weet dat hij ziek is, nietwaar?“

            De Kwak moet ongeveer de laatste nog levende leraar zijn, van wie we decennia geleden op het college les gekregen hebben. Hij was bijzonder populair bij ons, omdat hij nogal onconventioneel les gaf, ja zelfs al eens openlijk de draak durfde steken met de discipline waaraan de hele collegegemeenschap, niet het minst ook het lerarenkorps, onderworpen was. Ik wist dat hij nog leefde, maar ik wist niet dat hij ziek was.

            „Het is er erg mee gesteld,“ lichtte Wouter toe. „Hij verblijft nu al een jaar in een annex van Onze-Lieve-Vrouw-Middelares. Het schijnt dat het onmogelijk geworden was thuis.“

            “Tja, het eeuwige leven is niemand gegund, nietwaar?” zei ik met een gemeenplaats.

            “Inderdaad, maar zoals hij erbij zit, zo wil ik niet eindigen,” schudde Wouter de kop. “Zijn vrouw had me vooraf gewaarschuwd. ‘Hij is er vaak niet meer bij’, had ze gezegd. Ik had haar gevraagd waarmee ik hem dan een plezier kon doen. ‘Met niets, echt met niets,’ zei ze. Of een boek hem nog kon boeien? ‘Oh, neen, hij leest niet meer; als we hem de krant geven, bekijkt hij enkel de foto´s, méér niet. Meestal zit hij wel lang naar die foto´s  te staren zonder commentaar te geven. Hij zegt geen woord, en géén van ons kan gissen wat hij daarbij dan  denkt. Soms hebben we ronduit géén toegang tot hem’, had ze er meewarig aan toegevoegd.”

            Ik vroeg mijn schoolkameraad wat men daar dan eigenlijk nog kan gaan doen.

            “Dat kan men nooit op voorhand weten," zei hij, “de storm in zijn hoofd gaat wel eens liggen; alleen wéét je nooit vooraf hoe of wat.”

            “En hoe heb jij hem aangetroffen?” vroeg ik nieuwsgierig.

            “Hij zat alléén aan een tafeltje, met zijn gezicht naar de deur toe, in een donkerblauwe stofjas, die hij vooraan had toegegespt, als zat hij achter de lessenaar in de klas. Hij zat daar alléén, zijn schoenen had hij omgewisseld voor een paar bruine sloffen, het gaf het tafereeltje iets huiselijks. In de zaal zaten nog enkele medebewoners, al eens met zijn tweeën, maar meestal alleen. Er werd daar nauwelijks gecommuniceerd. Of ze allen een vaste plaats hadden, weet ik niet. Toen ik de zaal betrad en recht op hem afging, keek hij me aan zonder enige blijk van herkenning. Ik kon van zijn gelaat niet aflezen of mijn bezoek hem wel opbeurde. Als ik bij zijn tafeltje kwam, verwelkomde hij mij verrassend: ‘Je bent te laat.’ Eén enkel ogenblik wist ik mij geen houding te geven, want ik had me niet eens aangemeld, laat staan een tijdstip afgesproken. Doch omdat zijn blik daarbij geen enkele emotie liet zien, nam ik die koude  verwelkoming niet echt voor een verwijt. Het leek me eerder een droge kennisgeving, sans rancune. Het beste leek me best om maar meteen daarin met hem mee te gaan, en ik  verontschuldigde mij. Hij staarde me met gesperde ogen aan, alsof hij dwars door me heen keek.”

            “Herkende hij je dan niet?”

            “Ik weet het niet. Er hing in elk geval een ongemakkelijke sfeer. Het gesprek stokte, hij reageerde op alles maar met een ja en een neen. ‘Hier’, zei ik terwijl ik hem een omslag overhandigde, ‘ik heb een attentie voor je meegebracht’. Zijn vrouw had me ongewild een tip gegeven. Enkele dagen nadat ze me gezegd had dat hij weliswaar niet meer leest, maar wel alle foto´s in de krant bekijkt, viel het me als het ei van Colombus te binnen: ik zou hem het prentenboek van Masereel geven, dat ik kort tevoren had aangeschaft. Hij opende de omslag, nam het boek eruit, monsterde een poosje de kaft, daarna de titelbladzijde, en sloeg het dan open op een willekeurige bladzijde.”

            Wouter nam zijn nieuw gekochte exemplaar uit mijn handen, en zocht er de pagina in waarop de Klak het boekje had geopend.

            “Kijk, dié was het.”

Rechts in beeld haastte zich een rijzige man achter een vrouw aan, die links uit het beeld stapte. Hij droeg een lange halsketting voor zich uit, die letterlijk schitterde in het maanlicht, en waarmee hij beslist poogde om de vrouw voor zich te winnen. Op de grond lagen nog enkele diamanten, en achter zijn rug zweefde verder nog een edelsteen. Tussen hun beide hoofden in stond in de verte Janneke Maan aan de hemel met een dubieuze lach om de mond, instemmend of spottend, het kan beide kanten op.

            “Nu moet je horen,” zei Wouter terwijl hij het boekje terug tussen de prei en de selder legde, “de Kwak bekeek die prent, keek, en keek, en keek, en zei geen woord. Ik vroeg of hij het mooi vond, maar hij reageerde niet. Hij draaide de bladzijde, bleef ook bij de volgende prent hangen zonder een woord te uiten. Dan keek hij weer naar mij, ondoorgrondelijk. Toen gleed zijn hand naar de bovenkant van het blad, nam de hoek tussen duim en wijsvinger, en begon er met beide vingers over te wrijven, als testte hij de kwaliteit van het papier. Hij hief het blad wat hoger, haalde het naar zich toe, en trok het dan tergend langzaam uit de naad los. Ik zat er als een hond op een zieke koe naar te kijken, ik begreep geen snars van dat surrealistisch toneel. Hijzelf bleef er merkwaardig rustig bij. Hij legde het uitgescheurde blad opzij, en pakte dan traag het volgende blad aan, op precies dezelfde wijze: weer nam hij het blad tussen duim en wijsvinger, wreef er langs beide zijden over, om het dan zonder verpinken uit het boekje los te scheuren."

            “Je kan het je inderdaad niet voorstellen,” wierp ik tussenin.

            “En het ergste is,” vervolgde Wouter, “dat ik langs geen kanten kon achterhalen of hij wel besefte wat hij deed. Trok hij daar, blad voor blad, doelbewust dat boekje aan flarden, dat ik hem geschonken had? Omdat ik zogezegd te laat gekomen was? Of was hij daar overgeleverd aan een macht, die hem met elk nieuw blad dat hij er uitscheurde, telkens een streepje verder onderuit haalde?”

            “Misschien was hij inderdaad wel boos omdat je te laat gekomen was?,” giste ik.

            “Ik kon onmogelijk te laat gekomen zijn, want hij wist niet eens dát ik zou komen," opperde Wouter met verheven stem.  

            “In zijn hoofd was je te laat,” probeerde ik nog.

            “Ja, in zijn hoofd. Wat gaat er in zo een hoofd zoal niet om? Daar staat een muur rond, daar kan geen mens door kijken,” berustte Wouter.

Tot lang nadat hij met zijn voederbakjes naar huis was gestapt, tergde me het deerniswekkende beeld, dat mijn schoolkameraad me daar geschilderd had. Ik kon niet beletten, dit ook op mijzelf te projecteren. Hoe zal ooit voor mij het einde er uitzien? Ik bid dat ik op weg naar de uitgang aan het stuur mag blijven staan, in plaats van stuurloos rond te zwalpen in een wereld, die mij helemaal onherkenbaar is geworden.

 

Dit artikel delen?

Lieven Vandekerckhove

Avatar

Publicatie op .
Hits: 190

geef een waardering voor: "Het prentenboek"

Geschreven door Lieven Vandekerckhove . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
17.09.20
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
10.09.20
Feedback:
Leest weer fijn, maar behoorlijk confronterend!
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    80%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Lieven Vandekerckhove 13.09.20
    Dank voor je appreciatie Tryntsje

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !