SCHRIJFACTIVITEIT: CURSIEFJE

Bij een cursiefje verwachten wij een korte tekst, vaak geschreven in de ik-vorm, met gebruik van eenvoudige taal, die echter door de taalhumor vaak verrassend en origineel wordt. Het cursiefje vertelt iets over de dagelijkse realiteit, waarmee verbeeldingselementen worden vermengd, heeft een humoristisch-luchtige toon, vaak gecombineerd met een droefgeestige ondertoon, relativeert de realiteit en verzacht de problemen. Maximaal 750 woorden.

Klik voor meer schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

De broodzak

Publicatie: 13.02.2022 | Lieven Vandekerckhove

Gekroond met een sneeuwwitte fietshelm draait ze nu elke dag rondjes in de stad op haar elektrische fiets. Ze is met pensioen en heeft veel beweging in te halen, want tot voor kort stond ze van ´s morgens tot ´s avonds gevangen achter de toonbank van haar broodwinkel. Ik heb haar weten aanvangen en weten eindigen.

Ze nam de zaak over nadat ze al een halve loopbaan in het bouwwezen achter de rug had. Toen haar wederhelft het trouwboekje in het haardvuur had geworpen, zo vertelde ze me eens in een vertrouwelijke bui, is ze haar woonplaats ontvlucht, en heeft ze de koude bakkerij overgenomen die in mijn buurt te koop stond. Ze veranderde de inrichting van de winkel, en wijzigde de naam ervan: voorheen “Het kruimeltje” werd het iets beloftevoller “Het brood”.

Aanvankelijk was ze nogal  afstandelijk tegenover de klanten, vond ik. Alles was natuurlijk nieuw voor haar: de omgeving, de stiel, de koopwaar, het cliënteel, enzovoort. Of was ze alleen tegenover de mannelijke klanten zo zwijgzaam, omdat ze in elke man de schaduw van haar ex zag? Ze was in elk geval van het type dat na een scheiding geen enkel goed woord nog over de lippen krijgt aangaande ‘de’ man: “Nooit meer!” Wegens die tastbare kilte ben ik er enige tijd klant geweest zoals alle andere, maar op een keer riskeerde ik het toch om een gebruikte broodzak mee te nemen, en haar te vragen om mijn brood dáárin te verpakken in plaats van in een nieuwe zak. Ze keek me pinnig aan, en sneerde dat ze niettemin het kleingeld dat toen nog voor het snijden en verpakken betaald werd, zou moeten aanrekenen. Moeten? Ik glimlachte haar zurigheid weg, en stelde dat ik die luttele centen zonder foeteren zou betalen, want dat het mij niet om het geld te doen was, maar om de bomen die voor de aanmaak van die papieren zakken gerooid moesten worden. Ze hoorde het zichtbaar in Keulen donderen, nam de zak  aan, pakte het brood erin, en rekende af conform onze nette onderhandeling.

Mettertijd wende ze aan mijn aparte praktijk, en bekeek ze mij niet langer met een scheef oog. Méér nog, onze relatie raakte goed geolied, en als ik als enige klant in de winkel stond, vonden we menige keer wel stof voor een praatje. Ze leerde de buurt goed kennen, maar ook omgekeerd: de buurt leerde haar goed kennen. Voor alle nieuwsjes groot en klein werd zij de perfecte megafoon. 

Zekere dag stelde ik haar een bijzondere weddenschap voor: ik zou de broodzak, waarin ze die dag mijn brood verpakte, niet twee, drie, vier keren gebruiken, zoals ik tot dan toe gewoon was, maar zegge en schrijve honderd keren. Ze keek me zwijgend aan, en een flauwe glimlach verried dat ze in lengte van dagen zoveel onzin niet meer gehoord had. Om haar over de streep te trekken, bood ik haar groothartig de controle over het spel aan, zodat van bedrog mijnerzijds geen sprake kon zijn: iedere keer dat ik met die lege zak een brood kwam kopen, zou zij op de zak én ter controle op een kartonnetje naast de kassa een streepje trekken. Tot honderd keren toe. Daarenboven wou ik de inzet van de weddenschap niet onoverkomelijk maken, en vulde daarom de prijzenpot maar zeer bescheiden: een volkorenbrood voor mij als ik de weddenschap zou winnen, een fles rosé voor haar als zij zou winnen. Daarmee kon ze leven, gniffelde ze. Ik denk dat ze mij het einde van de ronde toch niet zag halen. Maar ik was vastberaden de koers uit te rijden.

De eerste keren kostte het me niet zoveel moeite om ten aanschouwe van andere klanten de gebruikte broodzak over de toonbank aan te reiken, ik was het tenslotte al een poosje gewend. Ik gaf geen uitleg meer, overhandigde de zak, en zegde meteen wat voor brood ik wou hebben. Alleen moest ik er haar af en toe met een klein gebaar aan herinneren het streepje op het papier te plaatsen. Voor de rest liep de actie naar wens. Maar toch, alles in de winkel fluisterde dat een zak hergebruiken – zelfs met de beste intenties – not done is voor de goegemeente. Eén keer hoorde ik een vrouwenstem achter mij iets mompelen van hygiëne en verantwoordelijkheid. Ik bleef star voor mij uit kijken, en sloop naderhand met mijn brood wat schichtig naar buiten zonder één van de wachtende klanten aan te kijken.

Om zo lang mogelijk de schijn van fatsoen op te houden, ontwikkelde ik een strategie die me toeliet om ook zo lang mogelijk met een min of meer propere zak in de winkel te verschijnen. Vooreerst bad ik de bakkerin bij de aanvang van het experiment om de zak met het brood erin niet in een snelle reflex toe te wringen vooraleer mij die aan te reiken. Zo moest het papier niet al van bij de eerste beurten verkreukeld raken.   In het begin moest ik dat enkele malen op het nippertje herhalen, maar na een tijdje lukte het haar om ieder automatisme op tijd uit te schakelen en mij, zoals gevraagd, het brood in de open zak te overhandigen. Dat de zak open bleef, stelde voor mij geen probleem, ik woonde schuin tegenover de winkel en moest dus maar de straat oversteken om de open zak thuis af te leggen. Daar begon ik dan op bijna rituele wijze de conditie van mijn broodzak weer aan te scherpen. Ik zette de zak recht op tafel, hield hem met de linkerhand staande, gleed de rechterhand langs de onderkant van de sneden brood tot ongeveer halverwege in de zak, en schoof dan alles wat ik kon grijpen traag naar boven. Het halve brood stopte ik dan in een klaar gelegde oude broodzak, en stak het in het diepvriesvak. De andere helft kwam voor meer nabije consumptie eveneens op die manier in een oude broodzak terecht. De nieuwe zak was dus hooguit enkele minuten na zijn eerste inzet al beschikbaar voor zijn tweede opdracht. Helemáál klaar daarvoor was hij evenwel nog niet. Van zijn inhoud moeizaam verlost, bleef hij immers grosso modo de vorm van het brood behouden. Als opgeblazen lag hij daar vóór mij op tafel, en met dat éne, wijd opengesperde oog staarde hij mij aan, als wachtte hij op de uiteenzetting van wat ik verder met hem van plan was. Mocht hij dan niet, nu de arbeid vervuld was, van een verdiende rust genieten tussen het oud papier? Helaas, dat kon ik hem bijlange nog niet in het vooruitzicht stellen. Honderd keren, weet je wel...

Mijn broodzak zijn nieuwstaat teruggeven, kon ik natuurlijk niet. Maar ik kwam wel in de buurt daarvan als ik hem vervolgens letterlijk weer in de plooi legde door elk van de vier zijvouwen over en weer te slepen tussen de nagel van mijn duim en het bovenste kootje van mijn wijsvinger. Daarna legde ik de zak op tafel en gleed er langs weerszijden enkele keren hard met de vlakke hand overheen om resterende builtjes glad te strijken.

De eerste weken, ja maanden kon mijn broodzak zich zonder veel moeite kranig houden. De bakkerin speelde het spel op een faire manier mee, en behandelde de zak met de grootste zorg. Ikzelf hield me na ieder gebruik nauwgezet aan het recuperatieschema waarmee ik de kreukjes en deukjes die mijn zak opliep, probeerde uit te vlakken. Maar ik kon natuurlijk niet verhinderen dat de tijd hoe langer hoe meer zijn sporen naliet. Toen de belabberde zak in zijn bovenlip een scheurtje opliep, zag de bakkerin de fles rosé al op haar toekomen. Toch bleef ze de zak loyaal koesteren, als wenste ze stiekem dat hij in haar winkel geschiedenis zou schrijven. Als ik hem eindelijk voor de honderdste keer aan mijn tegenspeelster presenteerde, ongeveer twee jaar na de aanvang van het experiment, was het papier zo verfomfaaid als de schil van een overjaarse aardappel. De bakkerin was er duidelijk op voorbereid, want toen ik die dag mijn broodzak op de toonbank legde, vroeg ze niet zonder een vleugje aimabele spot in haar stem: “En hoeveel bomen denk je daarmee nu gespaard te hebben?” “Dat weet ik niet,” antwoordde ik, “maar leg jij nu eens honderd broodzakken op elkaar, dan zal je zien wat jij daarmee gespaard hebt.” Ze lachte haar tanden bloot, draaide zich om, en nam ongevraagd een volkorenbrood uit het rek. Terwijl ze dat brood door de snijmachine stuurde, keek ze mij stilzwijgend en met een schalkse glimlach aan. Dan stak ze het gesneden brood in een gloednieuwe, vlekkeloos witte cellulose zak, en reikte mij die gewoontegetrouw open over de toonbank aan.

            “Dat is dan nummer één,” lachte ze, en ze knipoogde eens.

           

WAARDERING

HITS:

155

AANGEPAST:

13 februari 2022

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Commentaar en/of waardering voor dit artikel:

Geef s.v.p. alleen 5 sterren als het werk perfect is en jij geen verbeteringsmogelijkheden ziet. Schrijvers stellen jouw tips en opmerkingen vooral op prijs.
Naar boven

Ook meedoen aan een schrijfactiviteit? Meedoen is gratis. We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door eerst in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.