Voor schrijvers, door schrijvers
Cursiefje

Cursiefje

Aantal gepubliceerde inzendingen: 342

Afscheid

Ik daalde de trap af, en hoorde de stilte, die langs de drukke steenweg alleen ´s nachts te genieten valt. Het was tegen half drie. Ik zette me in een zetel, en doorbladerde met weinig interesse enkele advertentiebladen. Tot onverhoeds de telefoon mij opschrikte. Wie waagde het om mij in het midden van de nacht op te bellen? Ik herkende meteen de hese stem van Joyce, de dochter van mijn oude Liberiaanse vriend Ben.


***

Ik had net kennis gemaakt met mijn toekomstige dienstoverste, en was terug op weg naar de bushalte. Ben, secretaris van de dienst, holde mij achterna, en riep vanop enkele meters achter mij een danig verwrongen versie van mijn naam, dat ik een ogenblik twijfelde of hij zich wel tot mij richtte. Mijn naam, die nu eenmaal niet goed bekt voor een Engelstalige, was voor hem een echte tongbreker. Hij vroeg me of hij mij een lift kon aanbieden. Ik dankte, en zei dat ik de stad niet in ging. ´s Anderendaags ontmoette ik hem opnieuw in zijn kantoor om mijn lessenrooster te bespreken. Ik leerde een hoffelijke, timide man kennen, met wie ik vrij snel bevriend werd. De tongbreker week voor mijn voornaam.

We hadden de sprong gewaagd, met vrouw en twee baby’s was ik naar een land in Afrika getrokken, dat voor ons één grote blinde vlek was. Toen we landden, wisten we niet eens dat we op 50 km van de hoofdstad stonden. Maar vanaf het begin konden we voor alles en nog wat bij Ben terecht. Hij heeft ons geholpen the Liberian way stap voor stap te ontdekken. Hij heeft ons geleerd om dumboy en fufu te eten, en craw fish, die hij in het moeras naast zijn woning ging vangen. En als we het Club beer niet nodig hadden om het vuur van de hete pepers te blussen, konden we uren keuvelen met een paar flessen verse palmwijn bij de hand. Zo vertrouwelijk werden we, dat we het hem niet eens kwalijk namen als hij al eens tegen middernacht ons huis verliet, en doodgemoedereerd de aangebroken fles whisky onder de arm mee graaide om er ´s anderendaags thuis op zijn eentje van te genieten – the Liberian way. Nu ja, diep in de beugel sneed dat niet, want dat goedje betrokken we van een landgenoot, die voor een internationale organisatie werkte, en daar bovenop zijn miserabel salaris ook nog eens taksvrij alcoholica kon inslaan zoveel hij maar wilde.

Op de campus zag ik Ben elke dag. Het ging er altijd heel gemoedelijk aan toe. Als er eens iets feestelijks georganiseerd werd, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de diploma-uitreiking, of als de staf al eens op uitstap trok, namen Ben en ik daar steeds samen aan deel. Zo vaak en zo amicaal gingen we met elkaar om, dat we op de campus de ‘BBC’ genoemd werden, de Ben-Barr-Club, die uit niet méér dan twee leden bestond. Twee jaar lang schilderde een warme vriendschap onze relatie met alle kleuren van de regenboog.

Ook nadat we Liberia hadden verlaten, bleef het contact levendig. Ik heb al zijn brieven bewaard, en koester ze als een bijzondere erfenis. Ik lees er zijn lotgevallen in van tijdens de burgeroorlog, die enkele jaren na ons vertrek zijn land in brand stak. We wisten in welke moeilijke omstandigheden hij zich vaak bevond, toen de staatskassa het liet afweten om regelmatig de lonen uit te betalen. Af en toe konden we hem wat zakgeld sturen, in Liberia schertsend ‘salt and pepper’ genoemd, ook al was dat slechts een druppel op een hete plaat.

Eén keer slaagden we erin, hem op die manier wel heel bijzonder uit de troosteloosheid te halen. Weer eens was het maandloon uitgebleven, en zat hij tijdens de kerstdagen thuis met zijn echtgenote, gefrustreerd omdat ze de belangrijkste feestdag van het jaar moesten laten voorbijgaan zonder te kunnen feesten. Want Kerstmis heeft voor de Liberianen - dat hebben ze van ons afgekeken - iets van een Breugheliaanse kermis, een jaarlijkse gelegenheid om eens met spijs en drank flink uit de bocht te gaan. Daarom had ik enkele weken voordien met een kennis wat ‘peper en zout’ meegegeven voor Ben, doch de go-between was er nog niet toe gekomen om mijn vriend op te zoeken. Uitgerekend op kerstavond trof hij Ben in de portiek vóór diens huis, en bezorgde hem vooralsnog een kerstfeest dat naar zijn norm die naam waardig was. Een verrassing van formaat, die de harten aan weerskanten van de globus verwarmde.

Pas zevenentwintig jaar later lukte het mij om eens naar Liberia terug te keren. Enkele dagen vóór mijn vertrek hoorde ik voor de eerste keer weer zijn stem, toen ik voor de praktische regeling van mijn verblijf met hem telefoneerde. Die stem klonk zo vertrouwd, het was alsof de tijd had stilgestaan. Hij ontving me dan als een koning. Hij had zelfs zijn hele huisje gedesinfecteerd, opdat ik het er toch maar zonder kleerscheuren zou vanaf brengen.

Lang is Ben daarna niet meer in zijn land gebleven. Zijn gezondheid wankelde. Toen hij de kaap van de 70 gerond had, installeerde zich de duivel in zijn lichaam en kwelde hem dagelijks met helse pijn. Waar kon hij beter terecht dan bij Joyce, zijn dochter, die voor de ellende in eigen land naar Amerika gevlucht was. Sindsdien konden we elkaar makkelijker eens opbellen. Regelmatig kreeg ik een update van zijn toestand, en telkens vertelde Joyce mij hoe zeer hij opfleurde als we elkaar hoorden.


***

Ik herkende meteen de hese stem van Joyce. Het was midden in de nacht, maar ginder in Amerika viel de avond pas.

'Your brother is about to pass away...'.

Haar stem stokte. Ik hoefde geen uitleg te vragen, ik wist waar ze aan toe waren ginder. Ze zei dat ze naast haar vader zat, en ik misschien nog enkele woorden kon zeggen tot hem. Ik groette Ben, hield mijn adem in, een wedergroet kwam er niet.

“His eyes are closed', fluisterde Joyce.

Ik probeerde met alle macht iets moois te vinden, dat ik hem nog kon toefluisteren. Maar wat voor moois kan men iemand zeggen, die de dood in de ogen kijkt? Ik zei dat ik bij hem was, dicht bij hem.

“He hears you,” zei ze zachtjes, “he´s opened his eyes.”

Het bleef stil aan de andere kant.

“I am close to you, Ben, very close.”

Hij kon niet meer antwoorden, maar Joyce verzekerde mij dat hij zijn ogen strak open hield en signaleerde dat hij me inderdaad hoorde.

“He is crying,” fluisterde ze.

Ik probeerde me voor te stellen hoe hij daar lag, geveld, en wie er bij hem was. Was Joyce daar alléén? Hield ze zijn hand vast? Sprak ze tot hem? Was Aderemi daar, haar echtgenoot? Was er nog iemand? Zeker was er nog iemand. Hein was daar, magere Hein, in stilte de kamer binnengeslopen. Ze zagen hem niet, hij hield zich gedeisd op de achtergrond, maar werkeloos weer weggaan zou hij niet. Hij wachtte geduldig opzij van het bed, in wachten is hij een meester. Maar vóór het morgen werd, zou hij Ben bij de hand nemen, en vredig met hem vertrekken. Voor alles neemt hij zijn tijd, Hein is zelden gehaast. Die nacht had hij eerst zelfs nog een grote omweg gemaakt. Hij was nog snel tot bij mij gekomen. Neen, hij had niets boosaardigs voor met mij, wel integendeel. Ik had hem niet gezien, niet gehoord, niet waargenomen. Hij was gekomen om mij ongemerkt de onrust in te blazen, die mij moest wekken. Want hij wilde dat ik wakker werd, en beneden in de woonkamer ging plaatsnemen. Dan is hij sneller dan de wind teruggevlogen, om nog vóór hij zijn werk zou afmaken Joyce in het oor te blazen dat ik in de woonkamer klaar zat.

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Lieven Vandekerckhove
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 574
Publicatie op .
Tags: Cursiefje

Geef een waardering voor: "Afscheid"

Geschreven door Lieven Vandekerckhove . Geplaatst in Cursiefje.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!