Voor schrijvers, door schrijvers

Coronavirus

Eind 2019 vond in de Chinese miljoenenstad Wuhan een uitbraak plaats van een tot dan toe onbekende variant van het coronavirus. Het kreeg de tijdelijke naam 2019-nCoV.

Ondertussen hebben we er allemaal mee te maken en is het helaas (tijdelijk) een belangrijk thema geworden in ons leven van alle dag.
Aantal gepubliceerde inzendingen: 72
Klik op de profielnaam of -afbeelding van de schrijver voor meer informatie en een overzicht van zijn/haar schrijfactiviteiten.

Ontsnapt

| Fred Tak
De hele week had hij er niet goed van geslapen. Zijn eerste dag, de toespraak die hij zou moeten houden voor het voltallige personeel. Terwijl hij er niemand kende. Niet van naam, niet van gezicht.
    Hij was in zijn vakantiehuisje toen zijn mobiel afging. Hij lag nog in bed. Of hij invaller wilde zijn. Een vacature voor het vak Nederlands, iemand was plotseling ziek geworden. Natuurlijk door dat virus dat al een half jaar lang het land in zijn greep hield. Hij had getwijfeld, maar Ida had hem over de streep getrokken. Een flinke verbetering van positie joh, had ze gezegd. Meer aanzien, een hoger salaris, wie wil dat nou niet. Je bent stom als je niet toehapt.

Kennelijk was hij de eerste, want op de parkeerplaats stonden nog maar twee auto’s. Bij de hoofdingang zag hij wel al enkele mensen staan. Hoewel, om de gestalten die zich daar ophielden mensen te noemen. Hij schrok bij hun aanblik. Hij had erover gehoord op social media, maar dat het zo erg was had hij niet verwacht. Hun gezichten waren bedekt met een vierkant wit masker met enkele gaatjes erin. Twee voor de ogen, een voor de neus, en een half rondje voor de mond. Het deed hem aan de jaren zestig denken, beelden van de Ku Klux Klan uit Amerika. Alleen de punten ontbraken nog.
   Hij wilde de voorste een hand geven, maar deze deinsde achteruit, gebaren makend alsof er gevaar dreigde. Het maakte hem onzeker. Hij riep onhandig hallo naar een groepje mensen verderop. Er klonk slechts wat gebrom terug. De voorste man, waarschijnlijk de rector, zei iets. Maar hij kon hem niet verstaan. De anderen kennelijk wel, want er werd ijverig in de handen geklapt. Zonder dat dit overigens geluid maakte, gezien de handschoenen die een ieder droeg.
   Hij liep verder, op zoek naar zijn klaslokaal op de tweede verdieping zoals hij had opgekregen. Over twintig minuten zou zijn les beginnen, een 2 Havo klas. In de deuropening van wat een bezemkast leek zag hij een meisje staan. Weelderig blond haar, zonder masker of wat dan ook. Pientere ogen. Hij schatte haar op een jaar of twaalf. Ze knikte hem toe.
   “Daar bent u dan eindelijk,” zei ze.
   Hij stond perplex. Moest hij haar kennen? Hoe wist zij wie hij was?
   “En wie bent u?” vroeg hij vormelijk.
   Het meisje moest lachen. “Spreekt u me astublieft met ‘je’ aan. Ik ben Beatrice, ik zal u rondleiden. U bent nieuw hier, toch? Loop maar met mij mee.”
   Gedwee liep hij achter haar aan. Ze legde uit, wees met haar vinger naar de verschillende lokalen en praatte aan één stuk door. Hij kon nauwelijks volgen wat ze allemaal zei en waar ze liepen. Het gebouw was één groot doolhof van gangen, doorkijkjes, trappen omhoog, trappen omlaag, bochten linksaf, bochten rechtsaf, en steeds weer nieuwe gangen. Bij een grote ruimte met wijd opengeslagen deuren hielden ze stil.
   “Kijk,” zei het meisje. “Dit is de personeelskamer. Bedoeld voor de kleerkrachten.”
   “Pardon?”.
   Hij keek haar aan. Had hij het goed verstaan, kleerkrachten? Het meisje zag zijn verbaasde blik en moest lachen.
   “Ik kan merken dat u het nieuws de laatste tijd niet heeft gevolgd. Heeft u onder een steen gelegen of zo? Onze grote leider niet gehoord?”. Ze lag werkelijk dubbel, sloeg met haar handen op haar benen en proestte het uit. Hij moet haar nog verbaasder hebben aangekeken, want ze vervolgde:
   “U zult wel weten, dit zijn rare tijden. De wereld is aan het verschuiven. Er is een tijd voor het virus en een tijd na het virus. Dingen worden nu anders benoemd. U hebt toch gezien hoe het personeel zich kleedt en gedraagt? Iedereen heeft tegenwoordig een klesker op. Dat u dat niet doet moet u zelf weten, maar u krijgt daar wel problemen mee.”
   “Maar jij draagt zelf ook niet zo’n eh… klesker,” bracht hij er tegenin.
   “Nee, maar ik ben ook anders. Eigenlijk hoor ik hier niet. Ik loop hier wel rond, maar ben geen kleerling.”
   “Geen wat?”
   “Geen kleerling, degene aan wie u straks les gaat geven. Zo worden ze tegenwoordig genoemd, kleerlingen. Van hogerhand dienen we ze voortaan zo te noemen.”
   “Oh, zit dat zo,” zei hij, alsof hij het langzaam begon te begrijpen.
   “Zo, dit hier is uw klokaal. De deur staat al open. Ik laat u verder alleen, misschien zien we elkaar straks weer.”
   Ze knipoogde naar hem terwijl ze dit zei. Even later was ze verdwenen. Zomaar opeens weg. Hij had geen tijd zich verder te bedenken, vanuit de gang stroomde er een grote groep eh… kleerlingen op hem af. Hij ging gauw naar binnen. Eerst de ramen open, dacht hij, frisse lucht is wat hij nodig had.
   Hij bekeek hoe ze een voor een binnendruppelden. Het was een belachelijk gezicht, allemaal met zo’n vierkanten masker op. Sommige wit, andere donker, een paar zelfs vrolijk geel met zwarte stippen. Zonder hem te groeten ging iedereen zitten, met een vanzelfsprekendheid alsof men dit al jaren gewoon was. Nergens gekibbel, rumoer of wat dan ook. Een voorbeeldig stel, concludeerde hij. Vroeger had hij wel anders meegemaakt. Al die pubers vol opspelende hormonen, hoe genoeg had hij er toen van gehad.
   Zodra iedereen op zijn plek zat, begon hij zich voor te stellen. Niemand reageerde, hetgeen ook moeilijk te peilen was met zo’n masker op. Hij zag alleen wat ogen heen en weer bewegen. Hij stelde een vraag, weer geen antwoord. Hij besloot zijn les af te draaien. Een verhaal vertellen, dat ging er altijd wel in tijdens zo’n eerste les. Hij pakte zijn boek.
   “Eh, ik wilde vertellen over Karel en de …”.
   Hier stokte hij. Las hij het goed? Er stond toch duidelijk Kelegast en niet Elegast. Waar sloeg dit op? Was dit aangepast materiaal? In de tijd dat hij afwezig was snel veranderd in eigentijdse taal?  Nou oké dan, dacht hij. En hij begon te vertellen over Karel en de Kelegast, over hun spannende belevenissen. Voor hij het door had was er een half uur verstreken. Niemand had op of om gekeken. Luisterden ze wel? Zijn gedachten dwaalden af. Vanmiddag zou hij die toespraak houden. Hij had de tekst thuis geoefend, met Ida als enige toehoorder. Ze had geknikt dat het goed was. Dat was een geruststelling voor hem, hoewel hij er als een berg tegenop bleef zien.
   Hij gaf wat huiswerk op, waarmee datgene dat zijn lokaal bevolkte aan de slag kon. Zonder een woord te zeggen pakte iedereen zijn pen op en begon aantekeningen te maken. Zo’n gehoorzame groep had hij niet eerder meegemaakt. Hij wist niet of hij hier blij mee moest zijn. Ergens miste hij de klierende, met proppen gooiende leerlingen van vroeger. Hoe moeilijk het ook was geweest om orde te houden. Maar daar zat ten minste leven in.

Eerst haperde de microfoon. Ook dat nog, ging er door hem heen. Maar een flinke tik deed wonderen. Hij keek de zaal rond, overal witte vierkante gezichten die gelaten afwachtten wat er ging gebeuren. Hij zocht de ruimte af, geen Beatrice te herkennen. Waar zou ze uithangen?
   “Beste collega’s,” begon hij. Hij twijfelde hoe verder te gaan. Het woord ‘collega’s’ voelde nu al misplaatst. Hij was duidelijk niet één van hen.
   “Allereerst wil ik mijn dank uitspreken dat ik eh…”. Ja, bedacht hij, waarvoor zou hij zijn dank uitspreken? Wat deed hij hier eigenlijk te midden van deze achterlijke figuren in deze al even achterlijke omgeving?
   “Dat ik eh… uitgenodigd ben om als nieuwbakken eh… kleerkracht hier kles te geven.”
   Hij wachtte even hoe zijn toespraak ontvangen werd.  Of hij al de goede taal bezigde, zoals hij dat van Beatrice begrepen had. Maar alle maskers bleven onaangeroerd naar hem staren, alsof hij het was die van een andere planeet kwam.
   “Het is mij een eer, al moet ik natuurlijk nog wel wat wennen, de hartelijke ontvangst…”.
   Oei, hier begon hij te liegen. Bij jezelf blijven, hield hij zichzelf voor. Niet om de hete brij heen draaien, zeggen wat je wilt, zo eerlijk mogelijk.
   “De tijden zijn natuurlijk veranderd, wat dat betreft zijn jullie al een tijdje gewend, terwijl ik… terwijl het voor mij allemaal nog nieuw is. Maar ik heb er vertrouwen in dat ik op deze school…”.
   Ineens begon alles te draaien, hij moest zich vasthouden om niet om te vallen. De zaal keerde zich ondersteboven, de vierkanten maskers bewogen allemaal op en neer, hinnikend en schuddend van het lachen. Er was een kakofonie aan geluiden overal om hem heen. Het suisde in zijn oren, in zijn hoofd. Even meende hij gek te worden, maar hij dacht aan Beatrice, hoe ze hem op dit moment met haar heldere ogen aan zou kunnen kijken. Het maakte hem in één klap rustig. Hij klemde zich vast aan het spreekgestoelte en zei met plotselinge stemverheffing:
   “Zoals ik zei, op deze school...".  Hij voelde het bloed naar zijn wangen stijgen. Het kon hem opeens geen zier meer schelen. Dan maar de knuppel in het hoenderhok. "Op deze klote school dus, vol kleerkrachten en kleerlingen aan wie ik kles zouden moeten geven. Jullie met je klesters, jullie zoeken het maar uit, stelletje klereleiers. Ik wens hier geen deel van uit te maken.”
   Terwijl hij de laatste zinnen uitsprak, smeet hij de microfoon op de grond en stapte zonder verder iemand aan te kijken met grote passen van het podium af. Hij pakte de dichtstbijzijnde deur en sloeg die hard achter zich dicht. Hij stond nu in een lege ruimte vol wachtende hapjes en drankjes. Hij sloeg er geen acht op en beende zich een weg naar de uitgang. Nee, terugkomen zou hij hier nooit meer, ongeacht wat Ida zou zeggen.
   Buiten, vlak bij zijn auto, zag hij Beatrice staan, haar rug naar hem toegekeerd. Hij aarzelde om op haar af te stappen. Maar ze draaide zich al om.
   “Het is u niet gelukt, zie ik. Jammer, maar misschien beter voor u. Het zijn rare tijden, de wereld is anders nu. Maar kennelijk blijft u dezelfde, hoewel u daardoor flink in de problemen kan komen.”
   Jaja, knikte hij alleen maar. Gelukkig begreep ze hem. Was er toch nog iemand die… Nee, er zullen vast meer mensen zijn die deze schertsvertoning onzin vinden. Eerst thuis Ida maar eens overtuigen. Dat zou al een hele klus zijn, besefte hij.
   Toen hij zijn auto startte, was Beatrice al verdwenen. Waarschijnlijk het schoolgebouw weer ingegaan, om nieuwe eh… kleerkrachten te verwelkomen. Toen hij de oprijlaan afreed en een ruime bocht maakte om de grote weg op te gaan, slaakte hij een zucht van verlichting. Ontsnapt, dat was het enige woord dat in hem opkwam.
Dit artikel delen?

Graag je mening (waardering en/of commentaar) over deze inzending.
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Je waardering voor een artikel

Hits: 65

(De gemiddelde waardering is 0 door stem(-men)
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Login of registreer (gratis) om een reactie te plaatsen

Tags: Corona
Misschien wil je de volgende inzending ook wel lezen...

Thor

Geschreven door Eelco Visser. Geplaatst in Cursiefje.
“Opa, kun jij ook 501 kg optillen.” Ik kijk mijn kleinzoon aan: “Hoe bedoel je jongen. Er is toch niemand die dit kan.” Hij komt met zijn IPad aanlopen en toont mij een f...
Meer lezen van Fred Tak ?
Actuele Top 3 van deze rubriek

Steun de schrijfactie 100 woorden

10, apr, 2020 Redactie Schrijverspunt

Lente dag temidden van corona

07, apr, 2020 Brigitte B
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen door bezoekers. Door een waardering (1-5 sterren) te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!