Columns

Huisdier

© Vera Bijma op .

We zitten in de auto op weg naar huis, als onze vijfjarige zoon plots meedeelt dat hij een huisdier wil. Oh jee, daar gaan we weer. We hebben hem in het verleden al meermaals uitgelegd dat mama allergisch is voor katten – ja, ook al zijn ze lief, schattig en zacht – en dat je ook geen hond in huis moet halen als er niet elke dag iemand thuis is. Een hond moet nu eenmaal op tijd en stond worden uitgelaten. Daar had hij trouwens wel een oplossing voor, hoor: gewoon een slimme hond kopen die zelf de deur opendoet en over het hekje springt.

Maar nee, ditmaal is het anders. Geen kat, geen hond, meneer wil … een duif. Ik vermoed dat ze er op school of op tv aandacht aan hebben besteed, want hij kan verbazingwekkend goed nadoen hoe een duif zijn kop beweegt. Zoonlief kijkt me van dichtbij met grote bruine puppyogen aan, al knipperend met zijn lange zwarte wimpers (heeft ie nog van zijn vorige ik-wil-een-huisdierfase), gevolgd door een smekend ‘alsjeblíeeeeft’. Hij laat zijn onderlip er zelfs een beetje bij trillen. Indrukwekkend, hoor.

Papa antwoordt dat híj niet voor een duif kan zorgen. Onze zoon geeft het niet zo snel op en kijkt me samenzweerderig aan: ‘Wij gaan voor de duif zorgen hè, mama. Jij en ik, hè?’ Hij knikt er hevig bij om zijn woorden nog wat meer kracht bij te zetten. Ik zeg hem dat we eerst gaan informeren wat er allemaal bij komt kijken (kwestie van wat tijd te winnen en hopen dat het maar om een tijdelijke bevlieging gaat). Hij denkt hier even over na en vraagt dan wat dat betekent, ‘informeren’. Ik leg het hem uit en hij schijnt het wel een bemoedigend antwoord te vinden want vervolgens begint hij alvast een naam voor de duif te bedenken: Raceauto, Bob, Kilo (geen idee waar dat vandaan komt), Lovy, Pyamaheld, Catboy, Owlette, Gekko, Rik (vriendje uit zijn klas) …
O, nee wacht, Raceauto wordt zijn achternaam. Oké dan.

Hij gaat verder: Ils (daar is hij momenteel verliefd op), Lotte (daar was hij verliefd op), Duifie, Snoeziepoezie (ik betwijfel of de duif dat een leuke naam zal vinden), Poesjemauw (dito), Snoezelwoezel (en dan natuurlijk de hele tijd: ‘Hoe heet mijn duif ook alweer?’). Hé, wacht eens even, zit hij nu stiekem toch naar een poesje toe te werken?

Om de oneindige stroom aan (on)mogelijke namen een halt toe te roepen, stel ik hem een vraag: ‘Waar gaat de duif slapen?’
Zijn antwoord: ‘Op de bank. En als hij dan per ongeluk in het donker een pipi of kaka (Vlaams voor …, enfin, dat raadt u vast al) op de deken doet, moeten wij snel naar beneden om het op te ruimen voordat papa wakker wordt.’ Aha.
Ik vraag hem of de duif weleens naar buiten mag. ‘Ja, voor verluchting’, is het bloedserieuze antwoord. ‘En om loopings te leren.’
Dit belooft nog een interessant project te worden. Ik zie ze nu al vliegen …

Column

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief