columns938x250

KLIK HIER VOOR HET GRATIS TOEVOEGEN VAN EEN COLUMN!

Alleen voor leden! (lid worden is gratis)
Heb je een lezenswaardige column geschreven? We publiceren nieuwe columns periodiek en in volgorde van binnenkomst. Je column is dus niet gelijk te zien!  

Een column toevoegen?

Eerst inloggen!



Toelichting bij het toevoegen van een COLUMN:
  • Vul bij 'Titel' een titel in
  • Voeg je tekst toe in het tekstblok en bewerk de tekst desgewenst.
  • Meer invullen is niet noodzakelijk. Klik alleen nog op--> Opslaan. We plaatsen elke week een of twee columns in volgorde van binnenkomst. Afhankelijk van het aantal inzendingen kan het dus enige tijd duren voor publicatie zal plaatsvinden.

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Op een druilerige ochtend liep ik ietwat beneveld door St. Petersburg en besloot een willekeurig museum binnen te wandelen. Het werd de Hermitage. Het museum dat in iets meer dan twee-en-een-halve eeuw zo een drie miljoen objecten heeft weten te ‘verzamelen’. Het gerucht gaat dat slechts ongeveer vijf procent getoond kan worden aan het publiek. Een ‘hu-tsaren-stukje’ zou ik zo zeggen. Excuses voor de clowneske, ridicule woordspeling maar in deze omgeving past ‘ie wel.

Vol goede moed gooide ik mezelf dit paleis van kunstzinnig protsgeweld binnen. En dat heb ik geweten. Vanaf het eerste moment werd ik gegrepen door de groteske opzet en verblind door het klaterende goud dat van ieder object afspatte. Ik griste mijn zonnebril uit mijn binnenzak. Deze genationaliseerde pracht en praal deed mijn ogen tranen. Terwijl ik ze droog knipperde, gebeurde het. Mijn blik bleef hangen bij een kunstwerk van vlees en bloed; een suppoost. Een bewaker van de door Tsarina’s en Tsaren secuur opgebouwde megalomane collectie kunstobjecten aangevuld door genationaliseerd kunstbezit gehuisvest in het oude paleiscomplex aan de rivier de Neva in St. Petersburg.

Zij zat daar in een hoekje half verscholen achter een grote, met weelderige houtsnijwerken versierde dubbele deur omgeven door een geur van rijkdom. Een geur die tergend langzaam je hersenen infiltreerde en die je deed beseffen dat rijkdom schoner voor het oog is dan voor de longen. Ik draaide mijn hoofd rond in deze bedompte zaal en zag schilderijen, muurschilderingen, zware pluche gordijnen bijeen gehouden door protserige embrasses met grote kwasten, plafondtaferelen van volle koetsen met nog vollere dames en glimmende beelden van de beter bedeelden staande op een vol- en zwaar gelakt parket versierd met mozaïeken en met druiven gevulde vazen.

... En daar zat ze weer. Alsof ze nooit weg is geweest. Ze keek, maar ook eigenlijk weer niet. Het was het soort kunst waar je blik constant naartoe werd geredigeerd. Het fascineerde omdat het surrealistisch was. Ik ging zitten op een soort van pianokrukje dat volgens mij nog voor het afzetlint stond. Ze kuchte bescheiden en ging statisch met haar rechter wijsvinger op en neer. Verschrikt en verbaasd tegelijkertijd stond ik op en ging zitten op een modern houten bankje middenin de zaal. Ik keek haar aan en ze knikte obligaat terug. Een heel bescheiden, halve knik naar beneden waarbij haar kin even bleef rusten op haar borst en haar Maria amulet raakte. Ik merkte dat ik zuchtte en door mijn neus diep inademde. De omgeving was weer in harmonie met de levende elementen daarin, waaronder ikzelf.

Hoe lang ik daar heb gezeten, weet ik niet, maar het moet zeker ongemakkelijk zijn geweest voor de dame. Ik kon er niets aan doen, werd gegrepen en raakte blijkbaar op slag zo gefascineerd door haar dat tijd geen rol meer speelde in mijn leven. Vanachter mijn zonnebril begluurde ik deze suppoost die volledig met haar omgeving was vergroeid. Zij was onderdeel van dit geheel geworden en paste perfect in het vale kleurenpallet van deze zaal. Haar huid had dezelfde dof geworden kleur als het behang, haar opgeknoopte haar dezelfde glans als het vernis op het schilderij dat naast haar hing. Zij hoorde daar zoals alle door Tsarina’s en Tsaren verzamelde objecten daar hoorden. Haar blik, haar mimiek, haar zwijgen, haar kleding, haar sieraden, haar kapsel, haar zithouding, haar benen en ook haar schoenen waren in volledige harmonie met de omgeving waarin zij en ik ons bevonden. Het was van zo een fabuleuze, kunstzinnige schoonheid dat ik pas ontwaakte toen een rochelend bejaard stel ongeïnteresseerd door de ruimte banjerde op weg naar een uitgang. Ik stond op, knikte en liep ietwat opgewonden weg wat meteen omsloeg in een gevoel van zwaar medelijden. Ik kon weglopen, zij niet. Zij zat vast in haar wereld, haar domein waarmee ze was vergroeid. Alles wat daar staat of hangt heeft een verhaal wat nooit duidelijk verteld wordt. Haar omgeving zwijgt en zij is ook gaan zwijgen. Enkel anekdotes die voor haar altijd speculaties zullen blijven omdat haar micro omgeving niets tegen haar zal zeggen.

De rest van die bewuste dag ben ik door heel de Hermitage heen geakkerd op zoek naar de suppoost en haar vergroeiing. Het geluk was met mij want in de Hermitage is niet bezuinigd op de suppoosten. Pas veel later droomde ik eens dat die suppoosten zichzelf vermenigvuldigen en dat een suppoostenplaag de wereld verkleurde. Ik weet dat mijn fascinatie soms oncontroleerbaar ver gaat, maar ik kan me niet beheersen. De eenzaamheid door de vergroeiing met het verleden, maakt de suppoost tot object van kunst. Zij horen erbij. Sterker; zonder de juiste suppoost niet de juiste beleving van een museumbezoek.

Ik besloot daar op dat moment in de Hermitage dat ik iedere suppoost gedag moest zeggen met een knikje en wat stemgeluid. Niet te vol aanzetten, niet te bombastisch, gewoon een bescheiden halve knik naar beneden en iets van hallo mompelen. Een flauwe glimlach moet de goede bedoelingen accentueren. Ik heb zeven-en-tachtig suppoosten gehad die middag en ik werd er steeds beter in. Bij nummer negen-en-twintig voelde ik dat mijn groet volmaakt was. Een vloeiend geheel van binnenkomst – rondkijken – zien – oogcontact maken – halve knik – wachten – halve knik terug – hallo mompelen en doorlopen. Alle zeven-en-tachtig suppoosten voldeden aan dat ene kenmerk; totale versmelting in hun omgeving. En dat is zowel fascinerend als doodeng.

Toen ik weer buitenstond was het donker. De wind gierde guur door mijn hoofd, spoelde de beelden maar half weg en ik moest denken aan die droom. Ik besloot naar mijn hotel te wandelen en eventjes niet meer naar mensen te kijken.

B.B. Springfield
Pin It

Login of registreer om een reactie te plaatsen