column
FTbannerEen column is een artikel waarin de schrijver zijn mening geeft over een onderwerp. Soms is de tekst humoristisch, soms provocerend, maar het is altijd de persoonlijke kijk op de wereld van de columnist. Een columnist geeft een beschrijving van een gebeurtenis en maakt daarbij zijn eigen mening duidelijk. Een column moet een emotie bij de lezer losmaken, de lezer moet erom kunnen lachen, het stemt hem tot nadenken of maakt hem boos.
 
Wil je ook een column publiceren op Schrijverspunt? Dat is mogelijk door eerst een te loggen. We publiceren columns in volgorde van ontvangst en maximaal een per dag. Bij veel inzendingen is het dus mogelijk dat je column pas weken later zichtbaar is. .

Leden van Schrijverspunt kunnen maximaal 4 schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de blauwe button te klikken.
AAN GEEN ENKELE GRAFZERK WIL IK NOG KNIELEN, behalve aan de jouwe, moeder, en dan nog, jouw grafzerk is gewoon een plaatje met je naam en geboorte- en overlijdensdatum op, dus wat stelt het eigenlijk voor?

Als ik naar die muur sta te kijken en al die plaatjes zie hangen dan overvalt me een triest gevoel en ik vraag me op zo'n moment dan ook oprecht af, wat heeft mij in godsnaam bezielt jouw zo te laten heengaan? Geen echt graf, gewoon een plaatje dat daar zo maar hangt, op het eerste zicht, nietsbetekenend eigenlijk.

Langzaam komt het besef dat je overleden bent, met of zonder gedenksteen, met of zonder grafzerk, met of zonder plaatje met je naam op; je bent dood en ik, je zoon, blijf klaarblijkelijk ontroostbaar, terwijl ik geacht word verder te doen met het maaien van het gras, het schrijven van verhalen, gedichten, colums en een roman, het nadenken over het leven, flesjes melk opwarmen, het gebit reinigen en noem zo maar op.

Zwart is altijd mooi, zei ik ook gekscherend, een domme verwijzing naar een bekende roman van een schrijver die bitter weinig mensen kennen, maar dat ligt aan de niet-lezers van zijn oeuvre en niet aan mij. Schrijvers die denken altijd maar dat ze wereldberoemd zijn, maar dan moeten ze eens hun romans voorstellen aan een willekeurig gekozen publiek, niets eens onderontwikkelde analfabeten, en je zal merken dat bijna niemand ze kent. Is dat jammer? Misschien niet, wat betekent het tenslotte een schrijver te zijn? Of een mens?

Ik maak weer een gek sprongetje, eigen aan mijn geschriften. Ik wilde vertellen over de dood.

Een ieder moet het maar in zijn eentje verwerken, die klotedood en niemand komt je hierbij helpen; niemand die uitlegt hoe je eigenlijk moet omgaan met de dood. Niemand die advies geeft en misschien is dat uiteindelijk maar goed ook want ik denk dat er ook geen adviezen zijn om dingen te verwerken die niet te verwerken zijn.

En ik kniel bij de gedenkplaat van mijn moeder en ik hoop, heel even, dat ik hier niet ben. Ik sluit langzaam de ogen en hoor in de verte een ekster een vrolijk lied fluiten en ik denk, hou je kop zwammer. Waarna ik denk, ach ja, wat weet een vogel nou van de dood?

Ik sta recht en neem plaats op een bankje. Dat doe ik telkens weer. Een gewoonte die ik heb aangenomen als ik mijn moeder bezoek. Haast een ritueel, waar ik onmogelijk naast kan en terwijl ik op dat bankje zit, denk ik het volgende; stel je voor dat dit bankje morgen verwijderd wordt omdat het vernield werd of omdat het gewoonweg versleten is, dat de houten balkjes barsten vertonen en dat de persoon die mogelijks op het bankje zou plaatsnemen pardoes met zijn kloten op de grond dondert. Komt er dan een nieuw bankje, alleen omdat de wereldberoemde auteur Mark Doornaert op dat bankje wil plaatsnemen?

Een zinloze gedachte, ik weet het, maar is praten tegen een gedenkplaat dat dan ook niet?

En ik tel de stappen die ik zet van de gedenkplaat tot aan het bankje en ik bedenk plots, als uit het niets, een verhaal over een moeder die terug levend wordt en mij in de oren fluistert dat alles goed komt. En als ik die moeder dan wil omhelsen en mijn handen over haar frêle schouders drapeer, lijk ik in lucht te tasten en is zij alweer verdwenen en ik zie mezelf zittend op dat bankje in een verlaten kerkhof en ik zie duizend vogels die rond mijn hoofd cirkelen alsof ze gieren zijn die mij als hun enige overgebleven prooi willen verdelgen.

Neem mij dan mee, schreeuw ik wanhopig, alsof niets of niemand mij ooit nog kan beschermen. Gewillig laat ik mijn gezicht in mijn handen verdwijnen en smeek ik haast onhoorbaar, dat de tijden van toen moeten terugkeren, maar ik besef dat de tijd nooit terugkeert en dat ik gezeten op dat bankje mijn laatste dagen zal slijten omdat het nooit meer stopt. Telkens weer zal je mij daar terugvinden en mag ik je dan vragen om mij nooit een handtekening te vragen, want hoe graag ik ook handtekeningen uitdeel, ik vrees toch dat ik dan, op dat moment, aan wie dan ook, beleefd zal weigeren er eentje te zetten. Hoewel, beleefd, is waarschijnlijk zacht uitgedrukt. Noem het gerust ziedend.

Waarom zou ik woedend worden? Niemand die mijn reactie zal begrijpen, zoals zo vaak, natuurlijk. Het went wel te leven tussen mensen, hoewel het altijd een zware opdracht blijft omdat je steeds op zoek moet gaan naar degenen die niets te verbergen hebben, het koren van het kaf scheiden, dat zei ik vroeger reeds, of niet? Je kan moeilijk verwachten dat ik alles nog weet wat ik ooit neerschreef, hoewel ik 99,9 % natuurlijk wel weet. Ik heb een sterk brein als het aankomt om dingen die ik zelf schreef te onthouden, vergeet dat niet.

En ik sloot opnieuw de ogen en ik voelde plots hoe er iemand naast me kwam zitten en ik keek de mens die naast me zat zeer argwanend aan en toen zei ik, pa ... hadden we toch niet beter voor een zwarte grafzerk gekozen, want zwart is altijd mooi. En mijn vader antwoordde, laat het nu los.
Dit artikel delen?

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 
Teksten en afbeeldingen van deze website mogen alleen met schriftelijke toestemming gebruikt worden. © Schrijverspunt 2019
https://www.lekkerboek.nl/sitemap