Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Strontvlieg, een Tom van Vleuten Thriller

*
De snelweg was bijna gereed, alleen vangrails en belijning ontbraken nog. Het asfalt glom in het net opgekomen zonnetje. Een venijnig gierend geluid doorbrak de ochtendstilte. De man die gehurkt voor het modelvliegtuig zat, trok de startmotor van de spinner af zodra de motor was aangeslagen. Hij kwam overeind en zette zijn duimen op de knuppels van een radiografische zender. Het onvoorstelbaar hoge toerental klonk als het gezoem van een woedende bij, maar dan honderd keer luider. En dit was nog maar stationair. De frisse ochtendlucht vermengde zich met de scherpe chemische geur van verbrande methanol. Het vliegtuig begon te rollen.
In de schaduw van een bestelbus stonden twee andere mannen gebogen over een laptop. De piloot duwde een knuppel naar voren en het gezoem ging over in een maniakaal gegil. De propeller begon zich gretig door de vochtige ochtendlucht te vreten en sleurde de onrustig stuiterende machine in een paar seconden naar een enorme snelheid. Met de hoogteroeren schuin omhoog maakte het zich los van de grond en schoot het met een noodgang de lucht in. Het landingsgestel klapte ogenblikkelijk in en de ochtendzon weerkaatsend, maakte het toestel snel hoogte.
De piloot duwde het richtingsroer licht naar rechts. Het vliegtuig draaide ogenblikkelijk naar het westen, nog altijd stijgend in een hoek van ruim vijfenveertig graden. Hij trok de neus zover op dat het als een raket bijna loodrecht omhoog klom, zonder ook maar iets aan snelheid te minderen.
Zelfs een leek zou kunnen zien dat dit geen doorsnee modelvliegtuig was maar een extreem krachtig type. In feite was deze Fire Hawk één van de snelste modelvliegtuigen ter wereld. De vijfendertig cc methanolmotor maakte moeiteloos tienduizend toeren per minuut. Het toestel bestond grotendeels uit supersterk maar vederlicht kunststof. Een minuscule boordcomputer zond gegevens over motortemperatuur, toerental, hoogte en snelheid naar de laptop op de grond.
Op ruim tachtig meter hoogte maakte het een abrupte looping om direct zijn steile klim weer te vervolgen. Met een snelheid van ruim tweehonderdvijftig kilometer per uur maakte het zes keer een rol. De piloot had de zogenaamde smoke aangezet waardoor een zwevende kurkentrekker van witte rook in de lucht achterbleef. Daarna bracht hij het vliegtuig weer in een horizontale koers, liet het in korte swiep een draai van 180 graden maken en precies door het hart van de rookcirkels terugvliegen, afstuivend op de plek waar hij en de twee anderen stonden.
Op het moment dat het vliegtuig recht boven hen op vijfentwintig meter hoogte overvloog, spatte het uit elkaar. Splinters kunststof, plastic en aluminiumdeeltjes werden door een krachtige explosie weggeslingerd. De romp tuimelde brandend naar beneden en raakte met een doffe klap het asfalt van de rijbaan. En toen werd het stil.
‘Godverdomme!’ verbrak de man met de zender brullend de ijzige stilte.
‘Godverdómme, hoe kán dat nou?’ Ongeloof en verbijstering stonden op zijn woedende gezicht.
‘Kút! Dit is de derde keer dat dit gebeurt, gódverdomme! Hoe kán dit nou toch weer?’
De man was duidelijk geen Jehova’s Getuige. Maar dat wisten de twee anderen wel. Die stonden nog steeds met open mond naar de plek te staren waar het toestel was geëxplodeerd. De man met de zender zwaaide het apparaat van zijn nek en smeet het woedend op de grond.
‘Fuck! Wéér vijfendertighonderd euro naar de klote!’
‘Ja... eh...’ mompelde de computerman turend op het beeldscherm van de laptop, ‘alles was normaal, ik zweer het je.’ Hij verplaatste de cursor en drukte op wat toetsen. ‘Ja hier ook... alles normaal. Ik begrijp het niet.’
‘Nee ik ook niet,’ siste de piloot. Hij staarde in de verte.
‘Nu kunnen we “Speedmodels” dus echt vergeten.’ Over twee weken vond in Engeland één van de meest prestigieuze wedstrijden voor modelvliegtuigen plaats. Zijn kans om daar hoge ogen te gooien, leek nu definitief verkeken te zijn.
‘Ik snap het niet...’ mompelde hij. De andere twee staarden apathisch in het niets.

*
Zo’n achthonderd meter verderop, tussen een groepje bomen midden in het weiland, borg een man zijn MK2 lange afstand geweer op in een foedraal. Hij was gekleed in camouflagekleding en lag op zijn buik in een greppel. Nadat hij het foedraal had dicht geritst, tuurde hij door een verrekijker naar de drie figuurtjes op de lege snelweg. Ze stonden roerloos naar de overblijfselen van de romp te staren. De piloot had zojuist zijn zender op de grond gesmeten. Hij was benieuwd of ze de wrakstukken zouden verzamelen of zouden laten liggen. Zolang ze nog op de snelweg stonden, kon hij niet ongezien wegkomen. Maar daar had hij op gerekend. Hij schroefde een kleine thermosfles open en schonk wat hete, zwarte koffie in de dop.

*
De sfeer in het busje was nogal gespannen. Als de dieselmotor niet zoveel lawaai had gemaakt, zouden Evert Lacroix en Marco van Hugten het knarsen van Herman Koning’s tanden hebben kunnen horen. Herman was boos. Begrijpelijk, want vandaag was voor de derde keer een speciaal geprepareerde wedstrijdkist recht boven zijn hoofd in duizend stukken uiteengespat. Op onverklaarbare wijze.
En als Herman boos was, had ie altijd de neiging zijn frustraties op anderen af te reageren. Een vervelende eigenschap vond Marco van Hugten dat. Het leek hem daarom een goed idee te proberen de aandacht een beetje verleggen. ‘Ik sterf van de honger jongens, ontbijtje halen bij de Mac?’ zei hij op een net iets te opgewekte toon.
Herman’s reactie was niet helemaal wat Marco had verwacht. Hij draaide zich namelijk met een ruk om en stompte Marco met de rug van zijn hand recht in het gezicht. Marco voelde zijn neusbotje kraken.
‘Mijn Fire Hawk is net geëxplodeerd en jij wil gezellig gaan eten?’ siste hij Marco toe. ‘Ben jij godverdomme wel helemaal wijs? Denk je niet dat we op dit moment wat beters te doen hebben?’
‘Ja inderdaad...’ mompelde Marco terwijl hij verbaasd naar het straaltje bloed keek dat over zijn motorjack naar beneden stroomde. ‘Even naar de poli want volgens mij heb je mijn neus gebroken!’
Marco trok zijn hand van zijn geknakte reukorgaan weg en haalde uit naar Herman die schuin voor hem zat. Die schrok en nam in zijn afwerende beweging de bovenkant van het stuur mee naar rechts. De Transporter uit begin 2011 zwiepte bijna dwars over de weg. Het rechter voorwiel kwam in de zachte berm terecht en zakte voor de helft in de bodem. De auto werd gelanceerd, tolde over de kop en dook ondersteboven het smalle slootje in naast de weg. De snelheid van het ruim vijftienhonderd kilo wegende projectiel was net voldoende om het nog één keer om zijn as te laten draaien. Krakend kwam het op de schuin aflopende slootkant weer op zijn wielen terecht en schudde nog even na.
Voor de tweede keer die ochtend werd het stil. En deze keer bleef het dat ook.

*
Tom van Vleuten was laat. Hij was door het snelle rijden gaan transpireren en rook zijn eigen zweet. Na vier dagen gewerkt en geruft te hebben in de synthetische pantalon van zijn uniform met de trotse V erop, stonk die nogal. Tom nam zich voor om, zodra hij thuis was, een lange douche te nemen. Door wegwerkzaamheden op de A12 had hij een rot eind binnendoor moeten rijden. Op zaterdagnacht moest hij aan het eind van zijn ronde altijd een fruitpakhuis controleren. Het object lag helemaal geïsoleerd in the middle of nowhere. In het weekend werd er niet gewerkt en moest het gecheckt worden. Tom had zich al vaker afgevraagd wat er in godsnaam aan een pakhuis met appels te beveiligen viel. Een goed alarmsysteem en eventueel een hond waren waarschijnlijk meer dan afdoende geweest. Het enige wat hij kon doen, was de deuren en ramen controleren. Maar het was werk en hij werd ervoor betaald.
Hij pakte de half opgerookte joint uit de asbak, stak die aan en inhaleerde de zoete, vettige rook van de Premium wiet tot in de diepste puntjes van zijn longen. Die nacht had hij wat speed gesnoven en was daardoor nogal opgefokt geraakt. Hij voelde zich onaangenaam onrustig. Het enige wat dan hielp, was oxazepam of een joint. Aangezien het laatste beter smaakte en sneller hielp, lag de keuze voor de hand. Premium was de beste wiet ter wereld. Je werd er van alles tegelijk van: high, knetterstoned maar ook lekker relaxed. Als hij over een uurtje thuis zou zijn, zou het effect op een hoogtepunt zijn en zijn hoofd lekker verdoofd en dromerig. Hij draaide het volume van de stereo met subwoofer verder omhoog en tapte met zijn handen aan het stuur mee op de maat van zijn favoriete nummer. Een classic: Lethal Industry van Tiësto.
Hij reed de brug op over het kanaal en sloeg direct linksaf het landweggetje in dat een paar kilometer verder bij de nieuwe snelweg uitkwam. De zon was al behoorlijk geklommen en scheen over het typisch Nederlandse landschap dat zich voor hem ontvouwde.
Ineens klopte er iets niet in zijn blikveld. Zo’n vijfhonderd meter verderop zag hij een wit dak van een bestelbus schuin in de slootkant liggen. Hij voelde zijn hart sneller gaan bonzen en nam snelheid terug. Dichterbij gekomen zag hij een man op zijn buik in de berm liggen en een paar meter verderop lag iemand op het wegdek.
Tom toetste 112 in op zijn mobiel en kreeg direct een telefoniste aan de lijn. Hij meldde het ongeval en de locatie aan haar. Het viel hem zelf op hoe verrassend rustig en professioneel zijn stem klonk.
Bij de auto gekomen zag hij dat er ook nog een man over het stuur heen lag met zijn hoofd door de voorruit. Zijn gezicht was vanaf zijn haarlijn tot zijn bovenkaak opengereten en een grote stroom bloed was over de voorkant van de auto tot over de linker koplamp gedropen. Die brandde nog en scheen door het bloed heen alsof het een flets geworden remlicht was.
Tering, heftig tafereeltje! dacht Tom bij zichzelf. De wiet werkte stemming versterkend en zorgde er nu voor dat de situatie iets onwerkelijks kreeg. Net alsof hij in een film rondliep.
‘Gruwelijk intens en bizar is dit,’ zei hij hardop tegen zichzelf. ‘Even m’n kop erbij houden.’
De bestuurder was er duidelijk het ergst aan toe van de drie.
‘Hallo? Meneer? Kunt u me horen?' riep Tom naar het bebloede hoofd. De man was waarschijnlijk dood. Tom had er geen trek in om zijn pols te voelen. Behalve de horrorachtige aanblik, had de man iets afstotends. Dit was typisch iemand waar hij bang voor zou zijn in de kroeg. Deze vent had iets van een criminele biker of een asociale kamper. Een grote, agressieve kerel die waarschijnlijk compleet schijt aan hem zou hebben in iedere andere situatie. Tom kon een licht gevoel van triomf, dat zowel prettig als misplaatst aanvoelde, niet onderdrukken.
Achter hem hoorde hij een zwak gekreun. De man die op het wegdek lag, leefde nog. Hij probeerde zich op te richten en keek verwilderd en niet begrijpend om zich heen. Tom snelde naar hem toe en ondersteunde hem.
‘Blijft u rustig liggen meneer.’ Hij probeerde geruststellend te klinken. Hier was hij voor opgeleid.
‘U heeft een ongeluk gehad meneer, de ambulance is onderweg. Blijft u even rustig liggen, ze zullen er zo zijn.’ De man zakte weer weg in een diepe bewusteloosheid. Tom ondersteunde hem en legde zijn achterhoofd voorzichtig neer om bij de derde man in de berm te gaan kijken. Deze lag met zijn gezicht naar beneden en met zijn linkerarm in een onmogelijke hoek. Die moest wel gebroken zijn. Tom tikte voorzichtig op zijn rug.
‘Meneer? Hallo?’ Geen reactie. Hij zou natuurlijk kunnen proberen om de man in een stabiele zijligging te leggen zoals hij bij EHBO geleerd had, maar nu het allemaal zo echt was, had hij het idee om maar beter nergens aan te komen. Hij zag dat er ook nog allerlei speelgoedachtige onderdeeltjes uit de auto waren gevallen.

*
De scherpschutter in de greppel zag de mannen de wrakstukken van de Fire Hawk bij elkaar zoeken. Nadat ze alles hadden ingeladen, scheurde de VW Transporter met brullende motor weg.
De schutter besloot nog heel even te wachten voordat hij ze zou volgen. Hij wist precies waar ze naartoe zouden gaan maar wilde niet het risico lopen dat ze toch nog zouden omdraaien. Na een paar minuten trok hij de off-road motor, die verderop in de greppel lag, overeind. Het foedraal met het Vaime geweer erin, bond hij bij het schepnet en de groene vissersparasol. Hij stopte de telescoop en de verrekijker in de visserskist die op het bagagerek boven het achterspatbord was gemonteerd.
Op deze manier kon hij vrijwel overal komen. Het beeld van een fanatieke visser op een motor zou niet echt opvallen zo dicht bij het kanaal met zoveel visstekken. Hij startte de dikke éénpitter en reed met een laag poppend motorgeluid naar het hek in de omheining van het weiland. Eenmaal op het asfalt van de nieuwe snelweg trok hij het gas flink open en reed in de richting van de landweg die naar het kanaal leidde. Na twee kilometer alarmeerde iets hem en stopte hij abrupt.
Vanaf zijn hoge positie op het talud van de nieuwe snelweg, zag hij de witte bestelbus in de verte in een sloot liggen. Er stond een andere witte auto vlakbij en hij zag iemand lopen. De schutter haalde zijn verrekijker uit de viskist en tuurde naar de plek. Hij zag Herman Koning met zijn hoofd door de voorruit liggen. Marco van Hugten lag op zijn buik in de berm en Evert Lacroix op het wegdek. De witte Opel Combo was zo te zien van een beveiligingsbedrijf. Hij las de tekst op de zijkant: “Argus Security Service”. Wat een naam, dacht hij: ‘ASS.’
Dit was niet gepland. De schutter probeerde de situatie zo rationeel mogelijk te benaderen. Er waren niet veel mogelijkheden. Óf het was een eenzijdig ongeval óf de bus van Herman Koning had een aanrijding gehad met de witte Opel Combo. Dat laatste leek onwaarschijnlijk omdat de bestuurder zo te zien niet gewond was en de auto op het eerste gezicht geen schade had. Het was veel waarschijnlijker dat Herman Koning de macht over het stuur had verloren en de sloot ingereden was. De beveiligingsman was waarschijnlijk toevallig in de buurt geweest en had de auto zo aangetroffen. Dat betekende dat de hulpdiensten inmiddels gewaarschuwd zouden zijn en ieder moment konden opdagen. Deze onverwachte wending was enigszins zorgwekkend. De plek van het ongeval en de Transporter zouden onderzocht gaan worden. De politie zou de wrakstukken van de Fire Hawk vinden. Misschien gingen ze daar vragen over stellen en de wrakstukken zelfs onderzoeken. Een vergezocht scenario misschien, maar niet onmogelijk. Als ze erachter zouden komen dat het ding uit de lucht geschoten was, zouden ze op zoek gaan naar een schutter. En als hij ontmaskerd zou worden, was de schutter zijn leven niet meer zeker. Dan zou Herman Koning voor eigen rechter gaan spelen. En Herman Koning was een wrede misdadiger, daar wist de schutter alles van. Zijn leven was verwoest door de mannen die daar nu gewond lagen. En als zij dit zouden overleven en door een politieonderzoek erachter zouden komen wie hun vliegtuigen uit de lucht had geschoten, dan waren de dagen van de schutter geteld. Die gedachte maakte hem woedend én doodsbang tegelijk. Dat mocht niet gebeuren. Hij was een goed mens en het zou onrechtvaardig zijn als hij deze ellende met zijn leven zou moeten bekopen. Nee, niet hij maar Koning moest sterven. Koning en zijn walgelijke vriendjes.
De schutter snoof de frisse, met uitlaatgas vermengde lentelucht diep in en nam een besluit. Het moest vroeg of laat toch eens gebeuren. Dan maar vroeg. The point of no return was bereikt. De klus moest nu maar eens geklaard worden. Wat moet, dat moet. Doen wat je te doen staat.
Toen hij niet nog meer clichés kon bedenken om zijn voornemen te rechtvaardigen, zette hij de motor af en klapte de standaard uit. Met de verrekijker controleerde hij snel maar grondig de mogelijke toegangswegen naar de plek van het ongeluk. Niks.
Hij haalde de Vaime uit het foedraal, klapte de tweepootsteun open en nam positie.

*
Tom van Vleuten zat schuin op zijn autostoel met één been naar buiten op de grond. Het zonnetje scheen. Die ambulance zou nog wel even nodig hebben. Zeker nu met de werkzaamheden op de A12. Hij keek door zijn vuile voorruit naar het morbide stilleven schuin voor hem. Die vent in de auto was dood, geen twijfel mogelijk. Die in de berm leefde nog wel maar was zwaar gewond. Degene op het wegdek had waarschijnlijk nog het meeste kans het ongeluk te overleven.
Tom voelde zich een beetje raar. Hij was zo stoned als een aap, maar dat was niet de oorzaak van zijn onbestemde gevoel. Tom was iemand die heel gauw medelijden met mensen had en zich de ellende van een ander enorm kon aantrekken. Veel te veel zelfs. Maar met deze kerels had hij geen enkele compassie. Integendeel. Hij mocht ze niet. Hoewel hij geen woord met hen had kunnen wisselen, wist hij instinctief dat deze gasten slecht waren. Eigenlijk had hij dat bij de eerste aanblik van hun gezichten en kleding al geweten. Aso’s die schijt aan de wereld hadden en normale mensen angst aanjoegen en koeioneerden. Ruziezoekers waar niet mee te praten viel. En nu lagen ze daar met gebroken botten en gescheurde organen. Net goed eigenlijk.
Tiësto dreunde nog lekker door op de achtergrond. Tom keek naar de joint in zijn asbak en de volumeknop van zijn autoradio. ´Schijt ook!’ zei hij tegen zichzelf, draaide het volume omhoog en stak nog eens op. Het zou nog zeker tien minuten duren voordat die ambulance ter plaatse kon zijn. Zijn stonedheid zouden ze vast wel aanzien voor hevige emoties en shock.
Hij zoog de Premium wiet nog dieper in zijn longen dan hij daarnet al gedaan had en rookte door tot de filter tip. De subwoofer onder de stoel deed de auto meetrillen op Tiësto’s beats. Zware, agressieve energie. Een intense vlaag cannabinoïden suisde tintelend door zijn hoofd.
‘Dit was allemaal al voorbestemd door de grote scenarioschrijver hierboven jongens!’ schreeuwde hij boven het gedreun van de muziek uit. Zijn oogleden begonnen aangenaam zwaar te worden en een gelukzalig gevoel gloeide in zijn hele lichaam. Hij bekeek ze nog maar eens goed, die sukkels. Wie kreeg er nou zo’n dom ongeluk?
Maf eigenlijk, dacht Tom filosofisch. Deze lui hadden natuurlijk ook familie, misschien wel vrouwen en kinderen. En die lagen op dit moment allemaal nog nietsvermoedend te slapen of waren gewoon bezig met hun alledaagse ochtendritueeltjes, niet wetende dat hun dierbaren ergens in een weiland dood lagen te gaan. En hij, Tom van Vleuten, wist dat wel en genóót zelfs een beetje van die aanblik. Wat een gruwelijke, intense gedachte!
Hij moest denken aan een scène uit een oude oorlogsfilm. Helemaal precies kon hij het zich niet meer herinneren, maar het ging over een geallieerde parachutist die bij de invasie in Normandië in een boom of zo was blijven hangen. De soldaat kon niet wegkomen en had twaalf uur lang naar de voeten van een doodgeschoten Duitser moeten kijken die zijn schoenen verkeerd om aan had. Zoiets was het in ieder geval. En nu keek hij, Tom van Vleuten, naar een vent die met een gebroken arm in de berm lag. Het was net een film.
Tom was zich, hoe tegenstrijdig ook, volledig bewust van zijn verminderde bewustzijn maar dat hij zou gaan hallucineren had hij niet verwacht. Want ineens veranderde het met donker haar begroeide achterhoofd van diezelfde gewonde man in een roze wolk. En dat was bizar want voor zover Tom wist, was “De Roze Wolk” ooit een homotent in Utrecht. Maar het hoofd van die man in de berm nu dus ook. Zijn benevelde geest kon de gebeurtenissen die zich toen snel achtereen opvolgden niet meer allemaal tegelijk bevatten.
Tiësto dreunde, het hoofd van de man in de berm was uiteen gespat in een roze wolk en ineens bewoog de man op het wegdek zich ook nog. Als een stuiptrekking kwam hij met wilde ogen omhoog en voelde in paniek aan zijn zij, waar van het ene moment op het andere een massieve straal donkerrood bloed naar buiten gutste. Net zo snel als hij omhoog gekomen was, klapte de man met zijn achterhoofd weer op het wegdek om daar roerloos te blijven liggen.
Instinctief wist Tom dat de man achter het stuur van de Transporter nu aan de beurt zou zijn. Hij wendde zijn blik in diens richting maar zijn brein was als een computer met te weinig werkgeheugen. Tom’s blik was al veel verder dan de beelden die in zijn hersenen verwerkt werden en toen de focus op zijn doelwit eindelijk scherp stelde, had de eerste kogel het achterhoofd van de man al verlaten. Vervolgens zag hij twee schokgolven door de man zijn schedel trekken. Op de beat van Tiësto knetterde gelijktijdig met de inslagen een onmogelijk hoorbaar “plok plok” daarbij in Tom’s hoofd. Visueel geluid noemde hij zoiets. Als zijn collega’s naar hem seinden met groot licht kon hij dat licht niet alleen zien maar ook horen. Heel maf eigenlijk. Hoewel zijn bewustzijn op dit moment in slow motion functioneerde, wist Tom dat dit de meest heftige gebeurtenis was in zijn leven tot nu toe.
Er werd op die gasten geschoten en nog behoorlijk zuiver ook! Automatisch besefte zijn vertraagde brein de consequenties van deze constatering. Degene die aan het schieten was, kon ook hém moeiteloos poppen! Deze conclusie veroorzaakte een adrenalinestoot in zijn lichaam. Die won het ternauwernood van de wiet en als een spastische balletdanser sleurde hij zijn verdoofde lichaam van de bestuurdersstoel en dook naast de Combo ineen.
Ruim vierenhalve minuut later trof de bemanning van de ambulance hem daar aan, onder zijn auto.

*
De schutter had gemengde gevoelens over de vijf schoten die hij nodig had gehad om de drie mannen te doden. Een perfect staaltje scherpschutters vakmanschap was het geweest. Alle drie dood, die zouden geen woord meer loslaten. Jammer van die getuige, maar wat zou die nou kunnen melden waar de politie niet zelf achter kon komen? Hopelijk zou de man er geen al te erg trauma aan overhouden. Hij werkte in de beveiliging en dan kan je wel eens iets meemaken. Gevolg van deze actie was natuurlijk wel dat er nu zeker een diepgaand rechercheonderzoek zou komen. Dat gaf niet. Hij vertrouwde erop dat de politie waarschijnlijk de toedracht in het drugsmilieu zou gaan zoeken. Herman Koning had vijanden genoeg. En de andere slachtoffers waren zijn vertrouwelingen en waakhonden.
De zaak zou nooit opgelost worden en binnen een paar maanden zouden de dode kampers door bijna iedereen vergeten zijn. Hij borg zijn spullen op, startte de XT en ging op weg naar zijn vaste visstek. Een dagje lekker rustig hengelen had ie nu wel verdiend.

*
Rechercheur Ron Leber wilde net aan zijn biologische yoghurt met Goji bessen beginnen toen de telefoon ging. Zondagochtend, half acht. Hij was lekker vroeg opgestaan om een uurtje te gaan joggen en had zich daarna geschoren en gedoucht.
‘Ron, met Jessica,’ klonk het aan de andere kant. ‘We krijgen net een melding van een verdacht ongeval. Midden in de weilanden, met doden. Kun jij er naar toe gaan?’
‘Een ongeval?’ vroeg hij. ‘Waarom bel je mij dan?’
‘Nou, er is iets geks aan de hand. Er is op die lui geschoten.’
‘Hhm...’ bromde Ron terwijl hij aan zijn groene thee nipte. ‘En dat was de oorzaak van dat ongeval?’
‘Nee, dat is nu juist het gekke. Er is op die lui geschoten nádat ze dat ongeluk hadden gehad.’
‘Apart,’ antwoordde Ron.
‘Ja, vond ik ook,’ zei Jessica.
‘Zijn er getuigen?’
‘Één. Een beveiligingsman heeft de schietpartij zien gebeuren. Het ongeluk niet.’
‘Waar?’
Ze gaf hem de locatiegegevens.

*
Vijf jaar geleden reed Herman Koning op een zonnige zaterdag op de A2. In de verte boven het weiland zag hij ineens een modelvliegtuig allerlei capriolen maken. Herman was enorm onder de indruk van de snelheid en wendbaarheid van het ding. Hij nam de volgende afslag en ging op zoek naar de plek waar de modelvlieger zich bevond. Deze stond op een fietspad bij het kanaal. Herman parkeerde de 500 SEL op de ventweg en liep op de man af.
‘Mooi ding,’ zei hij.
‘Ja hè?’ antwoordde de man, zonder het zoemende stipje in de lucht uit het zicht te verliezen. ‘Eigen ontwerp. Het vliegt nog niet helemaal perfect. Ik moet er nog een hoop aan doen.’
Herman Koning toonde zich oprecht geïnteresseerd en ondanks zijn nogal dreigende voorkomen vertelde de fanatieke modelbouwer hem al gauw honderduit over wat er allemaal mogelijk was in de modelbouw. Herman had zich heel even afgevraagd of het mogelijk zou zijn om drugs te vervoeren met een modelvliegtuig maar begreep al snel dat dat een onzinnig idee was. Dat maakte niet uit. Behalve zijn business had Herman geen hobby’s en eigenlijk ook nooit behoefte gehad aan iets wat hij als doelloos tijdverdrijf beschouwde. Hij gebruikte zijn tijd liever voor winstgevende activiteiten. Maar de techniek, de snelheid, het lawaai en de geur van het modelvliegen hadden hem gegrepen die middag. Voor het eerst in zijn leven was Herman Koning enthousiast over iets dat hem geld zou gaan kosten in plaats van opleveren. Hij besloot modelvlieger te worden. Gewoon voor de lol.

*
Frans Terberg had ruim 20 jaar bij de Explosieven Opruiming Dienst gewerkt als technicus en had daarvoor bij de genietroepen gezeten. Zijn specialiteit was robots en andere op afstand bestuurbare apparaten die het leger inzette in gevaarlijke situaties. Toen hij tegen zijn wil met vervroegd pensioen werd gestuurd, miste hij vanaf dag één al het werken met zijn geliefde speelgoedjes.
Zijn schoonzoon had op een blauwe maandag eens een modelvliegtuig aangeschaft dat nu ergens op zolder lag. Uit verveling vroeg Frans zijn dochter het ding voor hem op te zoeken en begon hij het op te knappen. Na een dag knutselen functioneerde het weer volledig maar Frans was nog niet helemaal tevreden. Hij modificeerde de radiografische apparatuur, voerde de motor op en paste de stuurvlakken aan. Dit leverde een dramatische verbetering op in de prestaties, snelheid en vliegeigenschappen. Toen zijn schoonzoon hoorde dat het vliegtuig gerepareerd was, eiste die zijn eigendom direct terug op.
‘Ik vroeg me al af waar dat ding was Frans, maar jíj hebt hem dus!’
Frans liet zich niet kennen en overhandigde het vliegtuig aan zijn schoonzoon. De flapdrol vloog er heel even mee, en het ding was weg. Gewoon weg, buiten bereik van de zender en nooit meer teruggevonden. Maar Frans had de smaak van het modelvliegen inmiddels wel te pakken.
Bij een reünie van zijn eerste legeronderdeel bleek een oude maat van hem voorzitter te zijn van een modelbouwclub. Frans werd lid en was binnen twee jaar in het modelbouwwereldje een gerespecteerd bouwer van snelle modelvliegtuigen. Met zijn kennis én connecties bij het leger wist hij technisch hoogstaande machines te bouwen. Maar ook zijn kwaliteiten als piloot vielen op. Bij snelheids- en behendigheidswedstrijden behoorde hij al gauw tot de top vijf van Nederlands beste modelvliegers. Maar dat was niet genoeg voor Frans.
Op een bepaald moment besloot hij zijn hobby naar een hoger niveau te gaan tillen. Hij was van plan het snelste modelvliegtuig ter wereld te gaan bouwen en daarmee “Speedmodels” te winnen. De winnaar van de meest prestigieuze vliegwedstrijd voor modelvliegtuigen kon in de categorie zuigermotoren rekenen op een prijs van vijfduizend euro. ‘Die vijf mille is voor mij jongens, let op mijn woorden!’ riep Frans steevast tijdens bijeenkomsten en vergaderingen op de club. ‘En met dat geld bouw ik iets nóg mooiers!’
Deze voorspelling kwam bijna uit. Direct bij de eerste krachtmeting met de wereldtop bleek zijn toestel inderdaad het snelste te zijn, maar hijzelf helaas niet de meest behendige piloot. Frans behaalde desondanks de derde plaats en ging toch nog met zevenhonderd euro aan prijzengeld naar huis. Daarna begon hij direct met de bouw van wat hijzelf “De Koningin” noemde: vanuit het niets creëerde hij een snelheidsmonster naar eigen ontwerp. Een 35cc methanolmotor, uiterst geavanceerde telemetrie en spectaculair gepaintbrusht. Collega-enthousiasten vonden het toestel nogal op de “Voodoo Legend” lijken van een op YouTube actieve Amerikaan, maar Frans noemde haar steevast “De Koningin”.
Toen Frans op een middag met “De Koningin” aan het testen was, zag hij vanuit zijn ooghoeken verderop een opzichtige Mercedes stoppen waar een enorme kerel uitstapte die op hem afliep. De man bromde iets van een groet, bleef gebiologeerd kijken naar het zoemende toestelletje en zei: ‘Mooi ding.’ Hij leek geïnteresseerd te zijn in modelvliegen maar wist er duidelijk niks vanaf.
Al turend naar het glanzende vliegtuig dat schuin boven hen heen en weer gierde, stelde hij de ene vraag na de andere over Frans’ liefhebberij. Die reageerde aanvankelijk een beetje gereserveerd. Hoewel hij zich vooral op “De Koningin” concentreerde, had hij in een vluchtige blik direct al gezien wat voor vlees hij in de kuip had. Hij hield niet van dit soort types. Een grote patser met een gemene uitstraling, opzichtige kleding en sieraden, duidelijk asociaal en waarschijnlijk crimineel. Maar zijn interesse leek wel oprecht en dat vleide Frans toch ook wel weer. Al snel leek het alsof Frans de man een spoedcursus modelvliegen gaf. Al pratende bleef hij echter wel naar het stipje in de lucht turen en verloor hij “De Koningin” geen moment uit het oog.
‘Heeft het toestel ook een naam?’ vroeg de man aan Frans.
‘Jazeker, ik noem haar “De Koningin”,’ antwoordde Frans.
‘Da’s toevallig,’ zei de man, ‘ze noemen mij De Koning.’
Voor de eerste keer tijdens het gesprek liet Frans’ blik “De Koningin” los en keek hij de man scherp aan.
‘Da’s zeker toevallig,’ zei hij.

*
De volgende dag was Herman Koning er weer. Dit keer kwam hij aanrijden in een oude BMW 7 serie met belachelijk dikke wielen. Zonder te groeten begon hij Frans direct weer allerlei vragen te stellen. Hij wilde weten of er ook modelbouwcursussen bestonden en of iedereen lid kon worden van een modelbouwvereniging. Had je vergunningen nodig voor de zendapparatuur? Hoeveel tijd nam deze liefhebberij in beslag? Het leek alsof hij een lijstje met vragen afwerkte en net als een rechercheur systematisch tot een conclusie probeerde te komen.
‘U lijkt me echt enthousiast te zijn geworden meneer De Koning,’ zei Frans Terberg.
‘Mijn naam is Koning, “De Koning” is mijn bijnaam,’ zei Herman. ‘Ik ben inderdaad geïnteresseerd maar ik vraag me af of deze hobby voor mij is weggelegd. Ik heb weinig verstand van techniek en ik weet niet of ik zo’n ding wel zou kunnen besturen.’
‘Alles is te leren met een beetje doorzettingsvermogen en geduld,’ zei Frans zonder te weten dat hij later vreselijk veel spijt van deze aanmoediging zou krijgen. Je hebt ongeveer twintig vlieglessen nodig om de basis een beetje onder de knie te krijgen. En als je lid wordt van een vereniging kun je alle technische hulp krijgen die je nodig hebt.’
‘Echt?’ vroeg Herman Koning.
‘Ja hoor, maar het is wel een dure hobby.’
‘Dat is geen probleem,’ bromde Herman Koning.
Frans zei niks. Net toen hij dacht dat de man genoeg had om over na te denken, vroeg Herman Koning: ‘Zijn er ook modelvliegtuigen met straalmotoren?’
‘Jazeker,’ antwoordde Frans. ‘Maar dat is een heel andere categorie in het modelvliegen. En tegenwoordig zijn er ook steeds meer elektrisch aangedreven modellen. Ik moet zeggen dat die dingen bloedsnel zijn. Maar mijn voorkeur gaat toch uit naar zuigermotoren.’
‘Waarom?’
‘Ach, ik ben gewoon ouderwets. Die elektrische dingen hebben ongelooflijk veel power maar missen de charme van zuigermodellen. Het geluid en de geur enzo. En modeljets zijn vele malen duurder dan conventionele machines. Kosten tienduizenden euro’s. Zoveel geld heb ik gewoon niet.’
‘Hm. En verder?’
‘Ze zijn ongelooflijk geavanceerd en gevoelig. Om een modeljetmotor goed te laten draaien is een speciale boordcomputer nodig. Dat haalt wat mij betreft de romantiek er een beetje vanaf. Je bent meer programmeur dan bouwer vind ik. Bovendien zijn modeljets vaak échte schaalmodellen, exacte replica’s van bestaande straaljagers, meestal de F-15. Ik ontwerp veel liever zelf iets dan dat ik een bestaande kist helemaal nabouw in het klein.’
Herman Koning keek nadenkend naar de capriolen die het toestel maakte op zo’n 50 meter hoogte.
‘Maar het allergrootste nadeel vind ik de vliegeigenschappen,’ ging Frans Terberg verder. ‘Net als echte straaljagers zijn modeljets volledig afhankelijk van de enorme power van de motor. Zou die uitvallen dan valt het ding al snel uit de lucht. Ze zweven amper. Bij modeljets is dat door de schaal nog erger dan bij echte jets. Ze vliegen gewoon klote.’
‘Maar ze zullen toch ook wel voordelen hebben?’
‘Jawel, eerlijk is eerlijk, het geluid van een modeljet benadert veel meer de werkelijke sound van zijn grote broers dan dat zuigermodellen dat doen. Het gejank van een miniatuur zuigermotortje zoals deze hier, lijkt in de verste verte niet op een echte vliegtuigmotor,’ zei hij met zijn hoofd wijzend naar “De Koningin” die luid gierend overkwam.
‘Maar dit is dus leuker?’
‘Vind ik wel. Veel leuker zelfs,’ antwoordde Frans. ‘Zeker als je aan wedstrijden meedoet. Er zijn dan ook veel meer deelnemers.’
‘Dan ga ik dit ook doen,’ zei Herman Koning. Frans keek hem een beetje verbaasd aan.
‘U bedoelt met een zuigermodel vliegen?’
‘Ja. Én aan wedstrijden meedoen.’
‘Dat gaat wel even duren dan. U zegt net dat u weinig verstand heeft van techniek. En dat het besturen van zo’n dingetje niet makkelijk is, lijkt me duidelijk.’
‘Maar ú zei dat met geduld en doorzettingsvermogen alles te leren is toch? En ik ga dit niet alleen doen. Ik ken wel een paar technische mensen.’
Frans antwoordde niet.
‘Zijn bepaalde modellen geschikter dan andere om te leren vliegen?’ vroeg Herman Koning.
‘Jazeker, de meeste beginners oefenen met een trainer zoals de Calmato of Piper Cub. De instructeur koppelt dan zijn eigen zender met een kabel of draadloos aan die van de leerling en kan de besturing zo overnemen.’
‘Heeft u er ook zo één?’
‘Ik heb een oude Calmato, maar daarvan is de zender kapot.’
‘Doet het vliegtuig het nog wel?’
‘Zeker.’
‘Kunt u de zender repareren?’
‘Vast wel.’
‘Bent u morgen weer hier?’
‘Dat was ik wel van plan.’
‘Zelfde tijd?’
‘Ja, denk het wel.’
‘Mooi. Neem dat ding dan mee. En repareer die zender voor me. Ik koop ze allebei van u en ik wil er een beginnersles bij,’ zei Herman Koning. Hij wachtte Frans’ antwoord niet af en liep naar de BMW.

*
Die avond verkeerde Frans Terberg in tweestrijd. Als militair was hij gewend bevelen op te volgen maar dan alleen van meerderen en hij beschouwde Herman Koning zeker niet als een meerdere. De manier waarop Herman Koning hem een opdracht had gegeven, beviel Frans helemaal niet.
Aan de andere kant was modelvliegen inmiddels Frans’ religie geworden en iedere keer als hij iemand enthousiast wist te krijgen voor de sport voelde hij zich net als een succesvol missionaris. Bovendien kon hij het geld goed gebruiken dat Herman Koning voor de Calmato ging betalen. De man zou waarschijnlijk iedere willekeurige prijs betalen die Frans zou noemen. Hij besloot om op Herman Koning’s voorstel in te gaan maar hem ook te vertellen niet gediend te zijn van zijn manier van doen.
De volgende dag was Herman Koning er inderdaad, weer met een andere dikke auto en dit keer niet alleen. Uit de auto stapten nog twee andere kerels. Aso koppen met veelkleurige truien aan en dikke gouden kettingen om. Tuig.
Ze liepen op Frans af. Zonder te groeten of de twee nieuwkomers voor te stellen vroeg Herman Koning aan Frans: ‘Heb je hem bij je?’ Geen “u” meer.
‘Ja ik heb hem bij me, hij ligt in de auto. Wie zijn je vrienden?’ Dan zei hijzelf ook maar geen “u” meer.
‘Deze twee klojo’s gaan me helpen met mijn nieuwe hobby.’ Hij knikte naar de jongste van de twee. ‘Marco hier weet alles van computers en elektronica. Doet aan auto’s chiptunen enzo. Hij gaat ervoor zorgen dat de zender en de servo’s en zo goed werken.’
Marco van Hugten knikte nauwelijks zichtbaar naar Frans met een minachtende blik in zijn ogen.
‘En dit is mijn zwager Evert. Hij is lasser, timmerman en plaatwerker geweest en heel handig met hout en metaal. Hij gaat mijn modellen in elkaar zetten.’
Evert Lacroix mompelde iets onverstaanbaars.
Frans Terberg kreeg er direct spijt van dat hij zijn gevoel niet had gevolgd en de boot niet had afgehouden. Nu had hij vrienden gemaakt met een drugsdealer, een hacker en een autokraker. Nou ja vrienden, het was duidelijk dat de heren een band met hem wensten maar niet uit vriendschap.
‘Ik heb besloten ervan af te zien,’ zei Frans terwijl hij naar “De Koningin” liep die klaar stond om gestart te worden.
‘Oh ja?’ vroeg Herman Koning op een sarcastisch toontje. ‘Dat doe je snel dan, zonet zei je nog dat de Calmato in je auto ligt.’
‘Klopt, maar ik heb hier geen goed gevoel bij. Jullie zijn geen modelbouwers in hart en nieren. Bovendien was de zender niet meer te repareren. Die heb je echt nodig om te leren vliegen. Oh, en een instructeur. Dus, sorry...’
Hij zette de startmotor op de spinner van “De Koningin” en bracht de motor tot leven. Hing zijn zender op zijn buik en stuurde het toestel stuiterend over het gras. Daarna duwde hij de gas stick naar voren en gillend schoot het vliegtuig nerveus vooruit om na enkele seconden in een steile hoek snel op te stijgen.
‘Gaaf hè?’ hoorde hij Herman Koning achter hem tegen zijn makkers zeggen. ‘Weet je wat chef?’ zei Herman Koning. ‘We doen het anders. Ik neem eerst mijn vliegles en daarna kijken we wel of je me de Calmato nog steeds niet wilt verkopen.’
Voordat Frans kon antwoorden, werd zijn rechterarm op zijn rug gedraaid en kreeg hij een trap in zijn knieholte waardoor hij knielend voorover viel. Marco van Hugten hield hem in een pijnlijke houdgreep terwijl Herman Koning de draagband van de zender bij het sluitinkje losmaakte en uit Frans’ linkerhand trok.
‘Niet doen, hij slaat te pletter!’ riep Frans Terberg geschrokken.
“De Koningin” begon nu inderdaad scherp te dalen en wild heen en weer te zwenken. Het stipje in de lucht werd snel kleiner maar vooral ook onrustiger.
‘OK, hou die stickies dan gewoon vast samen met mij. Net als bij een duo-sprong bij parachute springen,’ zei Herman Koning lachend.
Marco van Hugten hielp Terberg omhoog en positioneerde hem naast Herman Koning. Het zag er raar uit, Frans Terberg die met één arm op zijn rug gedraaid, met de andere een knuppeltje bediende op de zender die door de enorm grote Koning werd vastgehouden.
‘Zo, nu ga jij me vertellen én laten zien hoe ik dit ding moet vliegen,’zei Herman Koning. ‘Laat hem maar los Marco. Maar meteen ingrijpen als meneer niet meewerkt.’
Frans had in elk geval de hoogte weten te beheersen. Nu pakte hij ook de andere knuppel en begon dan maar met de les. Hij had geen keuze als hij “De Koningin” heel wilde houden. Een speedkist kon in minder dan een seconde te pletter slaan als de besturing wegviel. Hij mocht van geluk spreken dat dat nu nog niet gebeurd was.
‘Trek de rechter knuppel langzaam naar achteren en houd de linker in het midden.’ “De Koningin” reageerde onmiddellijk en maakte een diepe zwaai waarna de neus weer omhoog wees en het toestel hoogte won. Het schudden werd minder. Maar het toestel vloog nog steeds van het groepje mannen in het weiland af en zou snel buiten bereik van de zender komen.
‘Nu de rechter langzaam naar links duwen.’
“De Koningin” begon aan een wijde bocht linksom.
‘Als hij nou zo meteen naar ons toevliegt, moet je er rekening mee houden dat naar links nu naar rechts is op je richting stick. Hoogte blijft wel hetzelfde werken.’ Frans’ stem klonk gespannen en rustig tegelijk.
‘Ik snap het,’ zei Herman Koning. ‘Ik krijg het al door. Even een beetje experimenteren.’
Hij liet het toestelletje allerlei bochten en zwenkingen maken. En hoe benauwd de situatie voor Frans Terberg ook was, hij zag wel dat de man er verrassend veel gevoel voor had.
‘Nu wil ik landen,’ zei Herman Koning.
‘Dat lukt je nooit!’ antwoordde Frans. ‘Als je dat probeert, slaat ie geheid te pletter!’
‘Ten eerste is het een zij en ten tweede lukt dat me wel,’ zei Herman Koning. ‘Maar alle hulp van jou is welkom.’
‘OK. Het belangrijkste is dat de snelheid niet te hoog is, je de neus omhoog houdt en de vleugelwielen de grond het eerst raken en niet het neuswiel. Anders slaat “ze” direct over de kop.’
‘Ja baas,’ zei Herman Koning. ‘Hoe doe ik dat?’
‘Draai het toestel verder door zodat het rechtuit kan landen. Dan rustig gas terugnemen totdat ik zeg dat de snelheid goed is. Bij een te hoge snelheid zal het zeker crashen.’
Herman Koning tuurde uiterst geconcentreerd naar het vliegtuig en deed wat Frans Terberg hem had gezegd. En verdomd, het werkte. Onwennig en enigszins onstabiel, maar het werkte.
‘OK,’ zei Frans, ‘dit is een mooie snelheid. Laat het toestel rustig zakken en houd de vleugels horizontaal. Wanneer ze vlak boven de grond is geef je nog meer up zodat het toestel op zijn vleugelwielen zal landen. Dan op de grond het gas dicht en rustig uit laten rollen.’
“De Koningin” kwam als een dronken zwaan, gracieus maar ook onhandig, aanvliegen. Herman had het gas toch te sterk verminderd. Daardoor verloor het toestel te snel hoogte, raakte bijna in een stall en helde teveel over naar één zijde waardoor de tip van de rechter vleugel licht de grond raakte. Voordat Frans iets kon zeggen gaf Herman wat gas bij en het toestel herstelde zich. Dansend en stuiterend raakten de wielen de grond. Het vliegtuig stabiliseerde zich en onverwacht gecontroleerd wist Herman Koning het neuswiel fluweelzacht aan de grond te krijgen. “De Koningin” stuiterde nog enkele tientallen meters door en kwam uiteindelijk tot stilstand. Herman Koning had in zijn leven redelijk vaak triomfantelijk gekeken, maar waarschijnlijk nog nooit zoals nu.
‘Hoe zet ik de motor uit?’ vroeg hij aan Frans.
Frans griste de zender uit Hermans handen. Marco van Hugten reageerde direct maar Herman gebaarde hem rustig te blijven.
‘Laat hem maar.’
Frans haalde een switch om waarmee de motor werd afgezet. Hij schudde zijn pijnlijke arm heen en weer en keek Herman Koning scherp aan. Geen angst.
‘Je had geen geweld hoeven te gebruiken. De dreiging van drie man was genoeg.’
‘Weet ik,’ zei Herman Koning. ‘Maar ik houd van het effect dat geweld heeft. Het neemt onduidelijkheden weg. Je weet nu precies wat je aan me hebt.’
‘En nu?’
‘Nu,’ zei Herman Koning, ‘ga jij die Calmato uit je auto halen en gaan we onderhandelen over de prijs.’
‘Onderhandelen? Geld was toch geen probleem?’ zei Frans spottend.
‘Zeker niet. Geld zat. Maar dat is nog geen reden om het over de balk te gooien. Ik betaal niet graag teveel.’
‘Ik krijg niet graag te weinig,’ zei Frans terwijl hij naar zijn auto liep en de kofferbak opendeed. ‘Kom hier maar kijken, ik ga niet slepen met al die zooi.’
De drie mannen keken elkaar even aan en besloten geluidloos. Ze kwamen naar de auto en keken in de kofferbak. Frans rolde een deken open. Daarin lag een volledig gedemonteerde Calmato in rood en wit met een zwarte zender ernaast.
‘Dit is hem. Aangezien je modelbouwer wilt worden, heb ik hem helemaal uit elkaar gehaald voor je. Kan je technische man meteen lekker gaan oefenen. Het kan zijn dat de zender het toch weer doet trouwens.’
Herman Koning keek hem geamuseerd aan.
‘Dat is heel attent van je. Hoeveel wil je ervoor hebben?’
‘Driehonderdvijftig en daar kan niks vanaf,’ zei Frans.
‘Goed. Dan geef ik je honderd. En dan rammen we je niet in mekaar en laten we je familie met rust. Dat is je toch wel tweehonderdvijftig eurie waard?’
Frans’ brein probeerde de hele situatie te calculeren. Emotioneel lukte dat niet, rationeel gelukkig wel. Het was duidelijk. Hij kon weinig uitrichten en zou zichzelf alleen maar benadelen als hij verzet zou bieden. Deze klootzakken hadden nou eenmaal de touwtjes in handen, hoe oneerlijk dat ook was. De conclusie was simpel: nu meewerken, later terugpakken. En dat allemaal omdat één of andere aso een nieuwe hobby had gevonden.
‘Lijkt me redelijk,’ zei Frans en hield zijn hand op. Herman Koning haalde een dikke rol eurobiljetten uit zijn broekzak en pelde twee briefjes van vijftig uit het pak. Een fractie van wat hij bij zich droeg.
‘Het was een genoegen om zaken met je te doen. We zullen elkaar vast wel vaker gaan tegenkomen nu ik ook modelbouwer ga worden,’ zei Herman Koning.
‘Ongetwijfeld,’ zei Frans.
Marco van Hugten en Evert Lacroix laadden hun armen vol met de onderdelen. De drie mannen liepen met hun buit naar de bestelbus waar ze mee gekomen waren.
‘Ongetwijfeld,’ zei Frans nogmaals terwijl hij ze nakeek.

*
Ron Leber kwam tegelijkertijd met de lijkwagen aan op de plaats van het ongeluk en de schietpartij.
Er waren al twee ambulances en twee politiewagens ter plaatse. Een witte bestelbus lag half in de sloot schuin tegen de slootkant aan. Over de voorkant van de auto was een grijs zeil gespannen om nieuwsgierige blikken te weren. Er lag een met een wit laken afgedekt lichaam in de berm en één op het wegdek. Gek genoeg had deze afgelegen plek des onheils op dit vroege tijdstip al een vrij grote groep ramptoeristen aangetrokken.
Ron Leber stapte uit zijn Mégane en liep naar de agenten die bij een andere witte auto stonden. Ze spraken door de openstaande voordeur met een beveiligingsbeambte die op de passagiersstoel zat. Hij liet zijn legitimatie aan één van de twee dienders zien.
‘Goedemorgen, Leber, recherche. Wat is er gebeurd?’
‘Het is een nogal raar verhaal,’ antwoordde de agent. ‘Deze meneer hier heeft alles zien gebeuren, althans de moordaanslag, het ongeluk niet.’
Ron Leber legde zijn arm op het dak van de auto en leunde naar binnen.
‘Kunt u mij zo precies mogelijk vertellen wat u gezien heeft meneer?’ vroeg hij aan Tom van Vleuten. Het viel Leber op dat de man lijkbleek was en roodomrande ogen had. Waarschijnlijk een combinatie van shock en slaapgebrek. Maar Tom van Vleuten’s stem klonk ontspannen en duidelijk. Hij vertelde Ron Leber wat hij gezien had.
‘Mijn dienst zat er bijna op. Ik moest alleen nog even een gebouw controleren waar ze fruit opslaan of zo. Dat is hier zo’n drie kilometer vandaan schat ik. Er waren wegwerkzaamheden op de A12. Er was een heel stuk maar één baan open deze kant op. Dan sta je zelfs ’s nachts nog in de file. Daardoor was ik aan de late kant. Op een gegeven moment ben ik eraf gegaan en heb ik een route binnendoor genomen. Het werd al licht toen ik hier aan kwam. Ik zag die Transporter in de sloot liggen en ernaast lag een man in de berm en één op de weg. Het eerste wat ik heb gedaan, is 112 bellen. Daarna ben ik gaan kijken of ze bij kennis waren. Dat was niet zo. Tenminste, die vent op het wegdek kreunde even maar raakte direct weer bewusteloos. Dat de man in de Transporter dood was, zag ik direct. Ik heb wel een EHBO cursus gedaan, maar dit zag er allemaal zo ernstig uit dat ik besloot om nergens aan te komen. Terwijl ik op de ambulance wachtte, ben ik maar weer in mijn auto gaan zitten. Ineens... ik kan het eigenlijk niet goed beschrijven, maar het leek alsof het hoofd van die vent in de berm explodeerde. Ik keek naar hem en báts! Er stoof een hele wolk van bloed uit zijn achterhoofd op. Ik begreep even niet wat er gebeurde maar toen bewoog het lichaam van die man hier op de weg ook. Hij richtte zich even op en zakte weer in mekaar. Ik realiseerde me toen dat er op ze geschóten werd. Ik... het klinkt misschien vreemd, maar ik wíst dat die kerel in de Transporter de volgende zou zijn. En dat was ook zo. Volgens mij werd ie twee keer geraakt in zijn hoofd. Ik ben toen zelf onder de auto gekropen omdat ik bang was... eh... dat ik de volgende zou zijn. Maar daarna is er volgens mij niet meer geschoten.’
Ron Leber had al heel wat getuigenverklaringen gehoord, maar één zo bizar als deze nog nooit.
‘Weet u zeker dat er nog niet op de heren geschoten was toen u ze hier aantrof?’ vroeg hij aan de beveiligingsman. Die moest even nadenken.
‘Ik had nog nooit een kogelwond in het echt gezien totdat er op deze gasten geschoten werd. Met zekerheid kan ik het niet zeggen maarruh... nee, ik denk niet dat er al op ze geschoten was toen ik ze aantrof.’
‘Dus ze hebben waarschijnlijk voorafgaand aan de schietpartij een ongeluk gehad,’ zei Leber. ‘Heeft u enig idee wat dat ongeluk veroorzaakt kan hebben?’
‘Nee, dat maakte de hele aanblik juist zo maf. Midden in het veld op één van de rustigste wegen die ik ken, ligt er een auto half in de sloot. Misschien is er een tegenligger op hun weghelft gekomen? Of was de bestuurder gewoon lam? Ik weet het niet.’
‘Heeft u de schoten gehoord?’
‘Nee.’
‘Geen enkel geluid, ook niet in de verte?’
‘Eh... nee.’
Ron Leber keek de kant op waar de schoten ongeveer vandaan hadden moeten komen. Zo’n drie á vierhonderd meter verderop was de verhoging waarop de nieuwe snelweg lag goed te zien. Hoogstwaarschijnlijk had de schutter daarvandaan geschoten. Het was nagenoeg windstil. Scherpschutters die op slachtoffers van verkeersongelukken schoten in een weids landelijk gebied gebruikten naar alle waarschijnlijkheid geen geluidsdemper.’
‘U bent toch niet slechthorend?’ vroeg Ron Leber aan Tom van Vleuten.
‘Nee hoor.’
‘Gebruikt u drugs?’
Tom bleef relaxed. Die smeris had door dat hij stoned was. So what?
‘Ik mag graag een joint roken. Dat is toch niet illegaal?’
‘In strikt juridische zin is het dat wel, zeker als u ook nog eens achter het stuur zit én aan het werk bent, maar daar gaat het nu niet om. Kan het zijn dat u de schoten niet gehoord heeft omdat u onder invloed van drugs was?’
‘Nee. Ik heb de schoten niet gehoord omdat ik dít aan had staan toen er geschoten werd.’ Tom draaide de volumeknop van de Pioneer omhoog en Tiësto knalde weer uit de speakers en de subwoofer.
Ron Leber keek hem even onbewogen aan en beval hem met een handgebaar het lawaai te stoppen.
‘U zet dus keihard muziek op terwijl u net een ongeval heeft aangetroffen met zwaargewonden en zelfs doden?’
‘Het leek me een goede manier om niet helemaal door te draaien tijdens het wachten op jullie,’ zei Tom.
Ron Leber bleef hem strak aankijken.
‘Dat zou kunnen, maar waarom met zulke afschuwelijke muziek?’
‘Smaken verschillen,’ antwoordde Tom.
‘Zijn u verder nog zaken opgevallen die ik zou moeten weten? Hoe onbenullig ook?’ vroeg Ron Leber.
‘Nou...’ zei Tom nadenkend, ‘wat ik een beetje raar vond, was dat er allemaal kapot speelgoed of zo uit het busje was gevallen. Kijk daar ligt het.’ Hij wees naar de brokstukken en scherven van de Firehawk.
Ron Leber volgde zijn blik en zei niks. Kapot speelgoed. Dode kampers, geliquideerd na een eenzijdig en onverklaarbaar auto-ongeluk. Een getuige van de schietpartij die stoned was en Tiësto draaide. Dit was een zaak als geen andere.
‘Ik laat u naar huis brengen. Uw auto kunt u morgen of overmorgen komen halen op het bureau. Nadat wij uw officiële verklaring hebben opgenomen.’
Ron Leber gaf Tom zijn kaartje.
‘Belt u ons even voor een afspraak.’

*
Binnen een paar maanden tijd was de sfeer in de modelbouwvereniging compleet verpest.
Herman Koning en zijn twee maten verstoorden vergaderingen, meetings en wedstrijddagen met hun asociale gedrag. Hun aanwezigheid alleen al, intimideerde de weerloze hobbyisten die tijdens het uitoefenen van hun liefhebberij nog nooit eerder met agressie waren geconfronteerd. Zij lieten zich gemakkelijk door Herman Koning en zijn aanhang bang maken en bedreigen. De wereld van de modelbouw bestond nu eenmaal niet uit macho’s en stoere kerels, een uitzondering daargelaten. Gemiddelde modelbouw enthousiastelingen waren meestal huisvaders, techniekfreaks, nerds, scholieren, gepensioneerde monteurs of ingenieurs. Geen ruziezoekers, kroegtijgers, gokkers of vechtersbazen.
De komst van Herman Koning veroorzaakte een cultuurshock in het altijd zo stabiele wereldje van modelbouwers. De reacties, voor zover waarneembaar, varieerden van verontwaardiging en ingehouden woede tot totale apathie. Maar het resulteerde ook in tientallen opzeggingen van het lidmaatschap van de modelbouwvereniging. En als Herman Koning en zijn vrienden niet in de buurt waren, werd er fluisterend geklaagd en gescholden op de aanstichter van deze vreselijke kentering: Frans Terberg.

*
Tom van Vleuten werd om half drie ‘s middags wakker. De rechercheur had zijn persoonlijke gegevens genoteerd, beloofd om Tom’s baas op de hoogte te stellen en hem naar huis laten brengen. Tom had zijn mobiel op stil gezet en op het display stond dat hij vier oproepen had gemist. Drie keer het nummer van het kantoor van Argus Security Services en eenmaal een onbekend nummer. Hij zette koffie, at een oudbakken krentenbol en belde naar zijn werk. De directeur zelf, Ed Boersma, nam op.
‘Wat is er in godsnaam allemaal gebeurd man?!’ vroeg die nadat Tom er een hees ‘goedemorgen’ had uit gerocheld. ‘Ik werd vanochtend gebeld door een rechercheur. Hij zei dat je getuige van iets was geweest en dat ze je auto hadden meegenomen. Wat is er gebeurd?’
‘Ja weet ik veel,’ zei Tom. Hij vertelde het hele verhaal aan zijn baas. ‘Volgens mij staat m’n dienstauto nu inderdaad op het bureau.’
‘Waarom heb je niet naar kantoor gebeld man? Dan had je direct assistentie gekregen!’
Tom nam een slok koffie.
‘Ik was in shock Ed. Als je zoiets meemaakt, denk je niet meer logisch na. Bovendien hadden de collega’s niks kunnen doen.’
Ed Boersma bromde iets aan de andere kant van de lijn.
‘Daar ben je wel snel van hersteld dan, van die shock. Maar wat wil je dat ik doe? Moet ik je ziek melden of ga je morgen weer aan het werk?’
Tom dacht na. Hij deed zich altijd dommer voor dan hij in werkelijkheid was. Hoewel de bizarre gebeurtenis grote indruk op hem had gemaakt, was hij er niet door aangeslagen of emotioneel geraakt. Eerder geïntrigeerd. Een mooi woord dat hij graag gebruikte. Hoe zat dat hele verhaal nu eigenlijk in elkaar? Wie waren die lui en waarom waren ze van de weg geraakt? Wie had er op ze geschoten? Tom realiseerde zich ineens dat hij verschrikkelijk graag wilde weten wat het bizarre ongeluk en de schietpartij precies te betekenen hadden. Met zijn mobiel aan zijn oor nam hij zich voor de ware toedracht van dit mysterie te achterhalen. Als hij nu zou zeggen dat ie even rust nodig had, zou zijn baas daar waarschijnlijk alle begrip voor hebben. En dan zou hij zelf op onderzoek uit kunnen gaan.
‘Tom, ben je er nog?’
‘Eh, ja ja... natuurlijk. Eh, nou.. ik moet zeggen dat ik toch wel een beetje van streek ben na het meemaken van zo’n schietpartij en de aanblik van die dode kerels. Ik heb geen oog dichtgedaan, ondanks de slaappillen die ik heb genomen. Ik zou eigenlijk wel even rustig willen bijkomen. Waarschijnlijk ben ik als gevolg van de shock op dit moment ook veel te opgefokt om mijn werk naar behoren te kunnen doen.’
‘Hm. Goed, dan meld ik je ziek. Als wij iets voor je kunnen doen dan hoor ik het wel.’
‘Ja, natuurlijk, bedankt,’ zei Tom en wilde ophangen.
‘Oh en Tom, wat was de naam van die rechercheur ook alweer? We hebben de auto natuurlijk nodig en ik heb zijn nummer niet gevraagd toen hij belde vanochtend.’
‘Wacht, ik heb zijn kaartje hier ergens.’ Tom las de naam en het nummer op.
‘OK. Wij halen de auto op. Ik hoor wel wanneer je weer kunt beginnen. Sterkte.’
‘Bedankt,’ zei Tom, hing op, zette de tv aan en ging achter zijn computer zitten.
Op tv waren beelden te zien van de plek van de misdaad. Volgens het commentaar ging het om een bizarre afrekening in het criminele milieu. In de studio was Peter R. de Vries om zijn deskundige commentaar te geven. Op zijn bekende zeurderige en belerende toontje vertelde hij dat Herman K. de grootste en bekendste wietbaron van Nederland was. Natuurlijk kende Peter R. Herman K. persoonlijk en verbaasde het hem helemaal niks dat hij geliquideerd was. Sterker nog, hij had altijd al met de mogelijkheid rekening gehouden. Wat Peter R. wel opvallend vond, was het feit dat Herman K. en zijn maten pas waren doodgeschoten nadat hun auto op onverklaarbare wijze in de sloot was geraakt. Kennelijk had Peter R. bronnen bij de politie want hij beschikte nu al over een aantal feiten die verder niemand zou kunnen weten. Afgezien van Tom zelf natuurlijk maar Peter R. de Vries had hem niet gesproken.
Toen Peter R. uitgepraat was, kwamen er weer beelden van de bus in de sloot. Het camerateam moest vrij snel aanwezig zijn geweest want Tom’s dienstwagen was nog op sommige beelden te zien. Ook waren de schaduwen op de beelden lang dus had de zon ten tijde van de opnamen nog laag gestaan. Tom vond het heel slim van zichzelf dat hij een dergelijke conclusie kon trekken. Toen hij zojuist met zijn baas sprak, was er een gevoel bij Tom opgekomen dat ie al een tijdje niet had gehad: speurhonger. Altijd al was hij geïntrigeerd geweest door mysteries en raadsels, vooral wanneer die met misdaad te maken hadden. Wanneer hem als kind gevraagd werd wat hij later wilde worden was zijn antwoord steevast “deetektif”.
Op de lagere school had hij een buurjongetje met dezelfde toekomstdroom. Samen gingen ze dan “observeren”. Met een oude verrekijker van zijn vader hielden ze vanuit verdekt opgestelde posities “verdachten” in de gaten. In de praktijk kwam het erop neer dat nietsvermoedende overburen vanuit het zolderraam van Tom’s ouderlijk huis door twee jochies van tien begluurd werden. De verdenkingen kregen vanzelf vorm. Zo waren ze er vrij zeker van dat die dikke van nummer 74, oftewel Doelwit 1, zijn vrouw wilde vergiftigen. De man wachtte altijd totdat zijn vrouw de keuken uit was en gooide dan wit poeder in haar koffie of thee. Toen zijn vriendje opperde dat de man door zijn echtgenote op dieet was gezet en stiekem suiker in zijn eigen koffie deed wanneer zijn vrouw niet keek, stortte Tom’s wereld in. Dat was helemaal niet spannend. Tom bracht er daarom tegenin dat die vrouw wel heel erg lelijk was en dat die dikke echt niet naar zo’n stom wijf zou luisteren. Nee, het ging hier wel degelijk om moordplannen.
Tom’s moeder lag in het ziekenhuis. Zijn vader nam hem elke avond mee naar het bezoekuur. Zijn moeder was er slecht aan toe. Ze had een ziekte waar je haar van ging uitvallen en oma had Tom verteld dat mama binnenkort naar Jezus toe zou gaan. Op een avond waren ze net terug van het ziekenhuis toen Tom’s vader zei dat hij even weg moest en dat Tom nog maar even tv moest kijken. Tom liep de achtertuin in en gooide een paar steentjes tegen het slaapkamerraam van zijn buurjongetje. Die stak direct zijn kop naar buiten.
‘Wat is er?’
‘Mijn vader is weg. Kom je observeren?’
‘OK.’
Het buurjongetje kwam een paar seconden later door een gat in de tuinheg Tom’s tuin inlopen en samen gingen ze naar hun observatiepost. Bij de overburen was alles rustig. Die dikke was er niet en de buurvrouw keek tv. Na een paar minuten zag Tom zijn vaders auto de straat inrijden.
‘Kut, mijn vader is alweer thuis,’ zei hij. ‘Ging zeker alleen maar sigaretten halen.’
Tot zijn verbazing liep zijn vader niet hun eigen tuinpad op maar klopte hij bij nummer 74 op het raam. De lelijke buurvrouw stond op uit haar stoel, deed de tv en het licht in de huiskamer uit en opende snel de voordeur voor zijn vader die naar binnenglipte. Beneden in het huis bleef het donker maar hij zag het licht in de slaapkamer aangaan. De gordijnen waren niet helemaal gesloten en door de kier zag hij dat de lelijke buurvrouw zich uitkleedde. Even was ze uit beeld maar ineens zag hij zijn vaders behaarde kont door de kier. De lelijke buurvrouw zat op haar knieën tegenover hem want Tom zag dat ze zich met haar handen aan zijn vader’s heupen vasthield. Het leek wel alsof ze zijn vaders piemel aan het bekijken was!
Tom begreep niet helemaal wat hij zag. Zijn vriendje was op het gebied van seks duidelijk iets verder. Met een zwaar Twents accent gaf hij commentaar op wat hij zag gebeuren.
‘Ik weet wat dat is! Dat is peeepen! ’ Dan stopt de jongen zijn piemel in de mond van het meisje! En soms stopt de jongen zijn piemel in haar poepgaatje! En op een gegeven moment komt er guil uit! Mijn broer heeft dat op een video gezien!’
Hoewel Tom niet helemaal wist wat er aan de hand was, begreep hij wel dat hier iets niet klopte. Natuurlijk had hij wel eens van seks gehoord op school en hij wist ook dat je zoiets niet stiekem met een lelijke buurvrouw deed. Tom had al geen goede band met zijn vader maar op dit moment haatte hij hem zelfs. Zijn eigen vader bedroog zijn zieke, lieve moeder. Tom was woedend. Hij stuurde het buurjongetje weg en ging beneden op zijn vader zitten wachten. Die kwam bijna een uur later thuis. Tom gaf hem niet eens de kans iets te zeggen.
‘Wat heb jij bij de buurvrouw gedaan?’
Zijn vader stond als versteend.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik heb je wel gezien hoor. Ze ging je peepen.’
‘Wat? Waar heb je het over? ’
‘Je was aan het seksen met de lelijke buurvrouw van nummer 74. Ik ga het tegen mama zeggen!’
Zijn vader sloeg op tilt.
‘Jij lelijk rotjong! Ben je mij aan het begluren? Ik zal je!’
Zijn vader pakte Tom hardhandig bij zijn oor en sleurde hem vloekend en tierend mee de trap op naar boven. Tom begon te huilen en te gillen. Op zolder smeet zijn vader hem op de slaapbank en keek wild ademend om zich heen. Hij zag de verrekijker bij het zolderraam staan.
‘Dus dat ben je hier ’s avonds stiekem aan het doen, mensen begluren!’
Hij stapte met geheven hand op Tom af en gaf hem een klap in zijn gezicht. Tom rolde weg en kroop vliegensvlug over de grond voor zijn vaders voeten langs. Zijn hoofd suisde van de harde klap. Hij probeerde naar de deur te komen, kwam omhoog en hield zich even staande tegen de strijkplank die langs de muur stond. Zijn vader kwam achter hem aan en greep hem vast bij zijn linker bovenarm. In een reflex pakte Tom met zijn rechterhand de strijkbout die op de strijkplank stond en zwiepte daarmee om zich heen. De punt van de strijkbout raakte in volle vaart zijn vader op zijn slaap. Diens greep verslapte. Tom zag zijn vader ontzet en verbaasd naar zijn eigen handen kijken. Die zaten onder het bloed. De linkerkant van zijn vaders hoofd was volledig rood en een enorme bloedvlek verspreidde zich naar beneden over zijn witte overhemd.
‘Net goed rotzak!’ krijste Tom en sloeg de strijkbout nog een keer met alle kracht die hij had tegen de zijkant van zijn vaders hoofd. Tom zou de aanblik die hij toen kreeg zijn hele leven niet meer vergeten. Zijn vaders ogen werden van het ene op het andere moment dof en uitdrukkingsloos. Zijn mond viel open en langzaam zakte zijn lichaam naar beneden en viel vervolgens languit achterover.
Tom had zijn vader recht in de ogen gekeken terwijl hij stierf.

*
Het had niet lang geduurd voordat Herman Koning zo’n beetje alles bereikt had wat er op het gebied van modelvliegtuigen met zuigermotoren te bereiken was.
Zijn spullen waren veruit superieur. Koning vloog alleen met het meest geavanceerde spul dat ook nog eens perfect getuned was. En dat was niet alleen een kwestie van geld, nee, hier moest wel een geniale technicus achter zitten. Allemaal geen persoonlijke verdienste want voor Koning was iedereen bang of te koop, maar niemand kon om het feit heen dat Herman Koning een zeer behendige piloot was. Onervaren misschien, maar wel een onmiskenbaar talent. Nadat Herman Koning zijn entree in het modelbouwwereldje had gemaakt, was het andere grote talent Frans Terberg al vrij vlot van het toneel verdwenen. Niemand had ooit meer iets van hem gezien of gehoord. Het gerucht dat hij achter de schermen voor grof geld Herman Koning zijn spullen prepareerde en hem trainde en coachte, deed hardnekkig de ronde. Hoewel er ook modelbouwers waren die vermoedden dat Herman Koning hem had laten verdwijnen. Anderen deden dit weer af als sensatiepraatjes en dachten dat Terberg zodanig geïntimideerd was door Herman Koning dat hij ergens anders een nieuw leven begonnen was. Maar niemand wist dit met zekerheid te zeggen.

*
Rechercheur Ron Leber zette zijn auto stil op de binnenplaats van het kamp.
‘Wacht hier,’ zei hij tegen zijn collega Kevin Braam en stapte uit. Zijn Surinaamse collega keek hem vragend aan.
‘Het zou kunnen dat ze hier niet zo gek zijn op zwarten. Ik ga eerst even een beetje verkennen, dan roep ik je,’ zei Ron Leber bij wijze van verklaring en duwde het portier dicht. Kevin keek hem geamuseerd na maar zei niks.
De woonwagens stonden zodanig geplaatst dat bijna alle voorramen op de binnenplaats uitkeken. Het enige verschil met gewone rijtjeswoningen was dat tuinen en deuren zich hier aan de zijkanten van de woningen bevonden. Sommige wagens hadden zelfs verdiepingen. Hij vroeg zich af of zo’n gevaarte nog wel het predicaat woonwagen mocht hebben. Het viel hem op hoe strak en verzorgd alles eruit zag. En dat er alleen maar grote Duitse auto’s geparkeerd stonden.
Er was niemand te zien, geen beweging te ontdekken achter de vitrages maar Ron Leber voelde dat zijn aanwezigheid al was opgemerkt. Hij had op zijn minst een paar spreekwoordelijke blaffende honden verwacht maar het bleef spookachtig stil. Het was kwart voor negen zondagochtend. De woonwagens hadden geen huisnummers maar hij kon wel raden welke van Herman Koning was. Het allergrootste exemplaar bestond uit een soort t-vorm. Erachter was een groot veld met daarop twee loodsen. Zou Herman Koning zo brutaal zijn geweest om hier gewoon twee wietplantages pal achter zijn woning te hebben? Maar Ron Leber was hier niet om illegale kwekerijen te ontmantelen, hij kwam drie doodsberichten brengen.
Hij liep het trapje op naar de deur. Er was geen deurbel dus klopte hij aan. De deur werd bijna direct geopend door een vrouw van middelbare leeftijd. Ze droeg een soort nachtjapon maar was wel helemaal opgemaakt en had prachtig verzorgd haar. Ze keek Ron zowel vriendelijk als bezorgd aan maar zei niks. ‘Goedemorgen, mijn naam is Leber, recherche. Bent u mevrouw Koning?’
‘Goedemorgen,’ zei ze. ‘Dat klopt.’
Ze had een verrassend mooie stem.
‘Ik ben bang dat ik slecht nieuws voor u heb mevrouw Koning. Zeer slecht nieuws. Uw man is enkele uren geleden om het leven gekomen.’
De vrouw keek hem aan en zweeg. Dit was niet de eerste keer dat Ron Leber iemand kwam vertellen dat een dierbare was overleden. Iedere keer was de reactie anders, maar altijd emotioneel. Deze keer niet. De vrouw in de deuropening zag er intens bedroefd uit maar leek niet te schrikken, huilde niet, zei niks en keek hem alleen maar aan. Met een paar prachtige bruine ogen. Ron Leber rook een subtiel parfum en raakte in de war. Instinctief dacht hij dat zijn verwarring het gevolg was van haar reactie of juist het uitblijven daarvan, maar in werkelijkheid werd hij voor het eerst in zijn eenenveertigjarige leven echt verliefd.
‘Komt u binnen,’ zei de vrouw terwijl ze de deur verder open deed en zich van de deuropening weg draaide. Ron Leber kwam direct in de huiskamer binnen. In zijn vroege jaren als agent had hij wel eens met kampers te maken gehad. De meeste woonwagens waarin hij was geweest om ruzies te sussen of om mensen te arresteren waren protserig ingericht met veel glimmende kitschtroep en roken muf van de duizenden sigaretten die er gerookt waren. Deze niet. De woonkamer van het echtpaar Koning was uiterst stijlvol ingericht. Niet direct Ron’s smaak, maar wel erg mooi. Warme en lichte kleuren wisselden elkaar af, de meubelen vormden een soort mix van Art Deco en modern design. Geen pontificaal geplaatste mega tv maar een strakke flatscreen discreet in een hoek, prachtige aquarellen en kunstfoto’s aan de muur en een aantal schitterende planten in duur ogende vazen. Hij had het gevoel één of ander trendy Grand Café te betreden. Het enige wat miste, was een kabbelend loungemuziekje op de achtergrond. Kennelijk had hij een verbaasde gezichtsuitdrukking want de vrouw leek zijn gedachten te kunnen lezen.
‘U had huilende zigeunerjongetjes aan de muur en een roze bankstel verwacht?’ vroeg ze terwijl ze hem subtiel gebaarde plaats te nemen op de fraaie zandkleurige tweezitsbank.
‘Eh... nou nee hoor, ik ben gewoon onder de indruk van uw inrichting. Erg smaakvol.’
‘Dank u,’ zei ze terwijl ze tegenover hem ging zitten op een ongetwijfeld erg dure stoel. Ze zwegen een tijdje.
‘Ik heb er jarenlang rekening mee gehouden dat dit moment zou komen,’ zei ze terwijl ze afwezig in het niets staarde. ‘En nu het zover is, voelt het heel anders dan ik had verwacht. Ik voel helemaal niks namelijk. Is dat normaal?’
Ron Leber had ook op deze vraag niet gerekend.
‘Eh, iedereen reageert op een andere manier bij het horen van slecht nieuws. Maar het kan zijn dat u uw emoties nu wegdrukt en dat het pas later tot u doordringt wat er gebeurd is.’
‘Wat is er precies gebeurd dan?’
‘De ware toedracht is ons nog niet helemaal duidelijk. Uw man heeft samen met twee andere heren een auto-ongeluk gehad. Voor zover wij weten een eenzijdig ongeluk. De auto van uw man is waarschijnlijk van de weg geraakt en daarna een ondiepe sloot ingereden. Een getuige heeft de auto gevonden met uw man achter het stuur. De twee andere slachtoffers waren uit het voertuig geslingerd. De getuige kan met zekerheid zeggen dat zij toen nog in leven waren. Uw man lag roerloos over het stuur. We weten niet zeker of hij toen buiten bewustzijn was of, nou ja... overleden. Maar daarna gebeurde er iets heel vreemds. Er werd op uw man en de twee andere slachtoffers geschoten. Waarschijnlijk door een scherpschutter vanaf een grote afstand. Alle drie de mannen zijn door een aantal kogels geraakt en gedood. Op dit moment is de technische recherche met een onderzoek bezig.’
Voor het eerst verscheen er iets van emotie op het gezicht van de vrouw. Verbazing.
‘Er is op hen geschoten nádat ze een ongeluk hebben gehad? Niet andersom?’
‘Afgaande op de verklaring van de getuige wijst alles erop dat de schietpartij pas na het ongeluk heeft plaatsgevonden. We hebben we nog geen aanleiding om daaraan te twijfelen,’ zei Ron Leber. Hij had bewust ‘nóg geen aanleiding’ gezegd, omdat de beveiligingsbeambte, behalve het feit dat hij onder invloed van drugs was, een vreemde indruk op hem had gemaakt. Hij zou nog eens met de man gaan praten.
‘Wie gaat er nu schieten op slachtoffers van een verkeersongeluk?’ vroeg mevrouw Koning.
‘Tja, iemand die had gehoopt dat ze het ongeluk niet overleefd zouden hebben misschien en de klus op deze manier afmaakte.’ Hij realiseerde zich dat dit nogal cru klonk maar dat leek de vrouw niet te deren.
‘Dan zou de auto dus gesaboteerd moeten zijn.’
‘Dat is een mogelijkheid maar laten we niet teveel gaan speculeren. Ik kan me voorstellen dat u dit nieuws moet verwerken. Toch moet ik u een paar vragen stellen. Ik hoop dat dat niet te pijnlijk is.’
‘Meneer Leber,’ zei ze terwijl ze hem strak aankeek met haar prachtige ogen, ‘ik hield al jaren niet meer van mijn man en om Evert en Marco zal ik ook niet treuren. Ik neem aan dat zij de twee andere doden zijn?’
‘Dat klopt, ze hadden beiden hun rijbewijs op het lichaam. Marco van Hugten en Evert Lacroix. Wat was hun relatie met uw man?’
‘Marco is gewoon iemand van het kamp en Evert is mijn broer.’
‘Uw broer? En u treurt niet om hem zegt u?’
‘Geen seconde. Het waren alle drie hufters en ik ga ze niet missen.’
‘Ze hadden onderling geen ruzie?’
‘Elke dag. Maar Herman was de baas en Evert en Marco waren zo trouw als honden, ondanks soms hoog oplopende ruzies.’
‘Had uw man verder vijanden?’
Ze keek hem weer aan op een manier waarvan hij bijna verlegen werd.
‘Als u dat echt wilt weten ga ik eerst koffie zetten. Het is een nogal lange lijst namelijk.’
Er werd op de deur geklopt en van buiten klonk een stem.
‘Ron, alles OK?’
Het was Kevin Braam. De vrouw deed open en leek blij verrast te zijn bij het zien van de zeer knappe Surinamer.
‘Goedemorgen, ik ging net koffie zetten voor uw collega. Wilt u ook een kopje?’

*
Toen Tom de naam Herman Koning op Google intoetste, leverde dat een hoop onbruikbare zooi op. Hij probeerde het nog een keer door Google in afbeeldingen te laten zoeken. Op de vierde pagina kwam hij het gezicht tegen van de man die hij kort geleden dood over het stuur van een Transporter had gevonden. Herman Koning keek hem trots lachend aan vanaf de foto, die gek genoeg op een website voor modelvliegers stond. Tom ging naar de site en vond verschillende foto’s van een man die iedere keer apetrots een modelvliegtuig in zijn armen vasthield alsof het een baby was. Met zijn krullende haar en baard deed Herman Koning hem aan een stoere Volendamse visser denken of aan de carnavalszanger Arie Ribbens, maar dan nog groter en met grijzer haar.
Op één foto stond ook de man die Tom in de berm had zien liggen. Een jonge vent met een gemene vuilniskop. Geen twijfel mogelijk. Hij was getuige geweest van de liquidatie van de grootste wiethandelaar van Nederland en zijn adjudanten. Die gedachte deed hem lachen. De wiet die Tom had gerookt terwijl hij op de ambulance wachtte en die van de schietpartij zo’n surrealistische gebeurtenis gemaakt had, was hoogstwaarschijnlijk het product van dezelfde gasten die daar ter plekke afgeschoten werden. ‘Wat een bizar gruwelijk en intens toeval,’ mompelde Tom in zichzelf en staarde nog een tijdje naar de foto van Herman Koning.
Een kwartier later rolde hij zijn scooter uit de schuur. Het was vijf uur in de middag en best lekker weer. Bijna zomer. Hij drukte op de startknop en direct begon het tweetakt motortje onregelmatig te knetteren. Tom zette de dure AVG helm op, die hij een keer in een magazijn dat hij moest beveiligen “gevonden” had, en gaf gas. Het opgefokte motortje deed de scooter gretig weg sprinten. Met een bloedgang scheurde hij door de vol geparkeerde straten van de spuuglelijke betonblokkenbuurt waar hij woonde. Binnen een paar minuten was hij in de stad.
De verscheidenheid van gebouwen, mensen op straat en de levendigheid van het verkeer deden hem goed. Hij stuurde het scootertje behendig tussen de auto’s, fietsen en stadsbussen door en stopte voor de deur van coffeeshop Al Jazeera.
Beau, de eigenaar van het shopje, had een bepaald gevoel voor humor en provoceerde graag, vandaar die naam. Tom kende Beau al jaren. De man was intelligent, geestig en verkocht goede shit. Tom was daarom min of meer een stamgast van Al Jazeera en had al ontelbare, urenlange, onbegrijpelijke “filosofische” gesprekken met Beau gevoerd. Beiden knetterstoned natuurlijk.
Tom klapte het zadel omhoog, pakte de enorme ketting die daaronder lag en zette de scooter op slot. Binnen zat een stel scholieren te schaken onder het genot van koffie, Red Bull en naar de geur te oordelen, Premium wiet. Uit de speakers klonk Franse rapmuziek. Beau zat op een barkruk achter de counter voor zich uit te staren en keurde Tom geen blik waardig. Tom ging zitten, leunde met zijn ellebogen over het barretje en boog zich naar Beau toe.
‘Beau.’
‘Tom.’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Op dit moment haat ik de wereld een beetje.’
‘Waarom dan?’
‘Doe ik altijd ’s ochtends.’
‘Het is half zes ’s middags.’
‘Oh.’
Beau heette eigenlijk Mohammed en werd ten onrechte vaak voor een Marokkaan gehouden. Zijn vader was echter een Algerijn en zijn moeder een Française met Egyptische ouders. Op zijn elfde was Beau met zijn familie in Nederland komen wonen in Kerkrade. Daardoor had hij een vreemd accent dat een mengeling was van zangerig Limburgs, Frans en Arabisch. Tom vond het geen gehoor. Verder was Beau ook nog eens heel erg lelijk met zijn slome ogen, enorme neus en inhammen die bijna tot op zijn achterhoofd liepen. Bovendien was het gedrag van de man grillig en onvoorspelbaar. De ene dag was Beau een innemend gevoelsmens, de dag erop was hij depressief en de dag daarop misschien weer uiterst agressief. Maar Tom mocht hem graag. Waarschijnlijk omdat hij nogal wat van Beau in zichzelf herkende.
‘Jointje voor mij alsjeblieft. Premium.’
Beau zuchtte, boog zich achterover, pakte het glas dat vol met voorgerolde joints zat en reikte het Tom aan.
‘Thanks.’ Tom pikte er een uit, stak het puntje aan, pufte en zoog luidruchtig een paar keer zodat er een mooie gloeiende vuurkegel ontstond en trok de eerste haal diep in zijn longen.
‘Thaaaa!!!! Héél OK! Waar haal je die shit toch vandaan?’
‘Ik vreet ’s avonds een vrouwtjesplant op en die schijt ik de volgende morgen uit. Zo krijg je goeie shit.’
‘En is dat halal?’
‘Tuurlijk. Ik zeg altijd een gebedje op als het mijn reet uitkomt.’
‘Goed om te weten. Maarruh serieus, heb jij wel eens van Herman Koning gehoord?’
Ineens was Beau helemaal wakker en keek hij Tom strak aan.
‘Hoezo, ken jij die dan?’
‘Nee, maar ik weet wie het is.’
‘Oh?’
‘Één van de grootste wiettelers in Nederland. Schijnt alleen topkwaliteit te produceren maar houdt er ook maffiapraktijken op na.’
‘Dat van die topkwaliteit klopt. Je zit het nu zelf te roken.’
‘Aha, toch niet uit jouw reet dus, gelukkig maar. En die maffiapraktijken?’
‘Hij laat je weinig ruimte om eigen fabricaat of spullen van anderen te verkopen, dat klopt wel ja. Maar zoals je al zei, levert ie alleen top spul en nog tegen redelijke prijzen ook dus ik vind het prima. Maar waarom vraag je daarnaar?’
‘Hij is dood.’
‘Wát?! Koning is dood?’
‘Ja, leve de Koning,’ zei Tom grinnikend.
‘Je lult man! Wat lúl je nou? Hoe weet jíj dat dan?’
‘Ik heb hem zelf de pijp uit zien gaan. Of eigenlijk heb ik hem dood aangetroffen maar toen werd er daarna nog eens op hem geschoten.’
‘Wát, wát, wát?! Wat zeg je me allemaal man?!’ Beau sprak nu vrijwel volledig als een Limburgse Naffer. ‘Je neemt me in de zeik hè? Kom op man, wat is dit allemaal?’
‘Ik zzweer het,’ zei Tom in een slechte imitatie van Beau’s accent. ‘Als je me een dubbele espresso inschenkt, vertel ik je het hele verhaal.’
Nadat Tom de gebeurtenissen van die ochtend in een dramatische, bijna poëtische monoloog aan Beau verteld had, waren beide mannen even stil en in hun eigen gedachten verzonken.
‘Hij woont hier vlakbij,’ verbrak Beau de stilte. ‘Of woonde.’
‘Ja, of beter gezegd; kampeerde. Hij was toch een kamper?’
Tom werd een beetje melig nadat hij de joint gulzig opgerookt had. ‘Maarruh serieus, waar woonde hij dan precies?’
‘In het kamp bij de Waterput vlak achter het spoor.’
‘Zit daar een kamp joh? Dat wist ik helemaal niet.’
‘Nee, het zit goed verborgen. Vanaf de snelweg kun je net de daken van een paar wagens zien, maar als je het niet weet, valt het niet op. Vanuit de trein kun je het wel een beetje zien, maar die grote loodsen daar ontnemen het zicht.’
‘Maar er loopt daar toch helemaal geen weg naartoe? Hoe moet je daar nou komen?’
‘Aan de andere kant van het spoor liggen toch volkstuintjes? Het weggetje dat daar naartoe leidt, gaat helemaal verder langs het talud. Als je het uitrijdt, kom je vanzelf bij het kamp.’
‘Klinkt alsof je er wel eens geweest bent.’
‘Één keer. Ik was een keer een beetje laat met een betaling aan Koning. Ik wilde hem zelf liever niet hier over de vloer hebben dus ben ik daarheen gereden om het geld te brengen. Ik ben toen zelfs nog in zijn woonwagen geweest. Nou ja, woonwagen, echt een enorm ding en heel luxe. Was best gezellig. Over zaken hebben we het bijna niet gehad. Hij lulde alleen maar over zijn hobby, modelvliegen.’
‘Ja daar is ie nogal mee bezig heb ik gezien.’
‘Hoezo?’
‘Hij staat op allemaal websites met zijn vliegtuigen.’
‘Weird.’
‘Zeg dat wel. Maarruh... je wilde hem hier niet over de vloer hebben en je kwam verder nooit bij hem. Hoe krijg je zijn handel dan hier?’
Beau glimlachte geheimzinnig.
‘Jij bent veel te nieuwsgierig. Maar ze hebben een héél slim distributiesysteem. Dat was ook een stokpaardje van Herman Koning. Tering man, is ie echt dood?’
‘Morsdood. Hé pik, ik moet ervandoor. Later!’
Beau pakte zijn mobiel.
‘Ja, ik moet ook even een paar telefoontjes plegen.’
‘Hoezo, ga je het nieuws rondbellen?’
‘Nee, ik moet een nieuwe leverancier zoeken.’
‘Wie zegt dat Koning geen opvolger heeft? Misschien heeft ie wel rekening gehouden met het feit dat ie wel eens gemold kon worden.’
‘Jij kende hem niet. Deze man is onvervangbaar. Hij heeft wel een broer maar die is volgens mij niet meer actief in de wiet. En ik heb niet zoveel voorraad meer. Ik moet gauw wat regelen.’
‘OK. Succes!’
‘Oh, en Tom?’
Tom draaide zich om in de deuropening. ‘Ja?’
‘Ik weet niet wat je van plan bent, maar ga nou niet weer de amateur detective uithangen. Blijf bij dat kamp weg en bemoei je niet met die lui want daar krijg je echt spijt van, neem dat maar van mij aan.’
‘Amateur detective? Ik zie mezelf meer als een nieuwsgierig bijtje dat overal een beetje rond dwarrelt, op zoek naar zoetigheid.’
‘Oh ja? Ik zie jou meer als een strontvlieg met een ziekelijke interesse in andermans shit.’
‘Dat is ook vrij poëtisch gezegd ja. Maar nu moet ik gaan. Mazzel!’
Tom haalde zijn scooter van het slot, startte en reed weg. Richting Waterput.

*
Ron Leber zat achter het stuur van zijn Mégane en dacht na.
Hij stond geparkeerd voor het flatgebouw waar Kevin Braam woonde die hij daar net had afgezet. Het begon te schemeren. Na hun bezoek aan het kamp die ochtend waren ze bij de technische recherche geweest. Hoewel nog niet alle resultaten van het onderzoek bekend waren, was wel al duidelijk dat er inderdaad op de slachtoffers geschoten was nadat zij van de weg geraakt waren.
De afdeling die zich met het onderzoek naar de schietpartij bezig hield, kon alleen met zekerheid zeggen met wat voor kogels er geschoten was. Het type wapen dat gebruikt was en de positie van de schutter kon nog niet vastgesteld worden. Hoogstwaarschijnlijk was er gebruik gemaakt van een lange afstand geweer. Niets wees erop dat er een ander voertuig bij het ongeval betrokken was geweest. Ook waren er geen technische mankementen aan de Transporter ontdekt, de remmen en stuurinrichting werkten gewoon en er was niet aan de auto geknoeid. Opvallend waren de overblijfselen van een modelvliegtuig dat in de laadruimte van de bus had gelegen en bij het ongeluk eruit geslingerd waren. De oorzaak van de beschadigingen was volgens de technische recherche echter niet de klap van het ongeluk geweest. Het dingetje was al kapot toen het de auto was ingeladen.
Er hadden zich geen andere getuigen gemeld. Nadat ze bij de technische recherche geweest waren, reden Ron Leber en Kevin Braam nogmaals naar het kamp om daar zoveel mogelijk informatie te vergaren. De families van Marco van Hugten en Evert Lacroix waren direct na het gesprek met mevrouw Koning al door hen op de hoogte gebracht. Dit keer waren de reacties wel emotioneel maar er was, net als in het geval van mevrouw Koning, geen vijandigheid naar de twee rechercheurs geweest. Daarom had Ron Leber gehoopt door ondervragingen de achtergronden van de slachtoffers in kaart te kunnen brengen, om zo vast te stellen wie er baat bij de dood van de heren zou hebben gehad.
Helaas bleken de kampbewoners niet al te scheutig met informatie over de zaken van Herman Koning en zijn maten. Over hun activiteiten als wietkwekers en drugshandelaars zeiden de familieleden helemaal niets af te weten. Het feit dat Herman Koning en zijn maten zich sinds kort fanatiek met modelvliegen bezighielden, werd wel door een aantal van hen bevestigd. Op de één of andere manier kwam dat modelvliegen steeds terug. Ron Leber besloot dat hij zich daar wat meer in zou gaan verdiepen en hield zich voor dat hij dan het beste bij mevrouw Koning kon beginnen.
In werkelijkheid wilde hij haar graag weer zien, haar stem horen en haar parfum ruiken. Hij startte de Mégane, maakte een U-bocht en reed richting Ring West de ondergaande zon tegemoet.

*
De schutter had de oude XT 500 in de garagebox gestald, zijn viskoffer en foedraal afgeladen en in een hoek neergezet. Het MK2 geweer liet hij gewoon tussen de hengels zitten. Niemand zou daarin kijken. Maar hij zou de motor en het wapen binnenkort wel moeten lozen. Hij sloot de box af met het gewone deurslot en een extra hangslot en liep vervolgens door de kelder naar de hal van het portiek. Hij leegde zijn postbus, stapte de lift in en drukte op het knopje van de zesde verdieping. Boven stond de voordeur al op een kier en de geur van stoofvlees en gebakken aardappelen kwam hem tegemoet.
‘Modderpoten uit!’ schreeuwde ze vanuit de keuken nog voordat hij zelfs was binnengestapt. Ze had de liftdeur gehoord.
‘Dag mevrouw, ik kom het woord van God brengen!’ zei hij met een verdraaide stem. Ze trapte er niet in.
‘Gooi maar in de stortkoker en doe die modderpoten uit!’
Hij deed wat hem opgedragen was, hing zijn jas op in de gang en ging aan de keukentafel zitten. Zijn vrouw pakte een flesje Heineken uit de koelkast en zette die samen met een nat glas voor hem neer. Allebei op een apart viltje. Precies zoals hij het wilde.
‘Nog wat gevangen?’ vroeg ze op ongeïnteresseerde toon.
‘Drie dikke kanjers,’ zei hij terwijl hij zijn bier inschonk.
‘Dierenbeul. Je hebt ze toch wel teruggegooid?’ Ze zette een pan met vlees op tafel.
‘Nee, ze waren beschadigd. Ik heb ze moeten doden.’
Hij zette het glas aan zijn mond en dronk het in een paar teugen leeg.
‘Gatver. Ik wou dat je weer gewoon je oude hobby oppikte.’
‘Nou, dat ga ik dus ook weer doen.’
‘Écht? Hoezo dat ineens?’ vroeg de vrouw verbaasd.
‘Ze stoppen ermee. Voorgoed,’ antwoordde de schutter. ‘Mag ik nog een biertje?’
‘Wat een goed nieuws zeg!’ zei de vrouw terwijl ze een nieuwe Heineken ging pakken. ‘Maar waarom dan? Zo vlak voor die wedstrijd?’
‘Tja, ze hadden andere problemen geloof ik. Maar wat dondert het, ze stoppen ermee en daar gaat het om.’
Hij nam nog een flinke slok bier en begon aan zijn maaltijd.

*
Tom van Vleuten wist het weggetje bij de volkstuintjes naar het kamp gemakkelijk te vinden. Toch reed hij er niet in. Met zijn luidruchtige scooter zou hij direct door de kampbewoners opgemerkt worden. Hij wist niet eens wat hij nou precies wilde gaan doen op het kamp en had geen idee wat hem te wachten stond als hij daar zou gaan rondstruinen. Hij had een beter idee. Tom draaide zijn scooter om en reed naar Station West. Beau had gezegd dat het kamp vanuit de trein gedeeltelijk te zien was. Tom zou het eerst op deze manier gaan verkennen. De Sprinter reed vier keer per uur en al na een paar minuten kwam er een trein aan. De rit was nauwelijks begonnen of Tom zag het kamp al. Beau had gelijk. Het kamp lag grotendeels verscholen achter een paar loodsen en hoge bomen. Ook omdat het begon te schemeren kreeg Tom niet echt een goed zicht op het kamp. Hij zag witte chalets en een paar auto’s. Als hij niet beter had geweten, zou hij gedacht hebben dat het een bungalowpark was. De weg naar het kamp was vanuit de trein wel goed te zien en zag er verlaten uit. Net toen de trein begon te remmen zag hij een lichtgroene Mégane in de richting van het kamp rijden. Er kwam geen controleur langs. Op Enkweide moest hij weer een paar minuten wachten op een trein terug. Hoewel de trein nu op het spoor reed dat aan de kant van het kamp lag, was het zicht door de invallende duisternis nog slechter geworden. Ook vanaf deze kant zag hij weer dezelfde witte chalets en de auto’s. De lichtgroene Mégane was nergens meer te bekennen. Tom realiseerde zich dat hij het kamp nooit ongezien zou kunnen benaderen. En als dat wel al zou kunnen, zouden er vast honden en misschien wel een camerasysteem zijn. Nu was het niet zijn bedoeling om er verstoppertje te gaan spelen maar het was prettig geweest om daar onopvallend en nonchalant een hond te kunnen uitlaten of langs te joggen. En dan misschien toevallig een praatje aan te knopen met een kamper. Maar dat ging niet lukken. Mensen die er niks te zoeken hadden, gingen echt niet hun hond uitlaten of joggen bij een kamp. Bovendien zou hij met zijn conditie na tien stappen hardlopen waarschijnlijk al rochelend in elkaar storten. Hij zou een hele goede dekmantel voor zijn aanwezigheid moeten bedenken. Misschien zou hij zich moeten voordoen als een postbode of zo, in elk geval iemand die geen weerstand zou opwekken. Tom besloot om nog maar een joint bij Beau te gaan roken en dan maar eens heel hard na te gaan denken over een plan.

*
Ron Leber parkeerde de Mégane bewust niet pal voor de deur bij mevrouw Koning maar zette hem midden op de binnenplaats neer. Hij zou eerst toch nog even bij de andere families langs gaan. Zo zou hij niet teveel de indruk wekken vooral in mevrouw Koning geïnteresseerd te zijn. De woonwagen van Marco van Hugten was niet zo groot als die van Herman Koning maar nog steeds een enorm gevaarte. Hij klopte aan en vrijwel direct werd de deur geopend door een veel te dikke blonde vrouw met roodomrande ogen. Claudia van Hugten had duidelijk verdriet van het verlies van haar man.
‘Ja?’
‘Goedenavond mevrouw Van Hugten. Ik heb helaas nog niet veel nieuws, maar ik wilde graag even kijken hoe het met u en de kinderen gaat.’
‘Het gaat wel. Ze begrijpen niet echt wat er aan de hand is. De jongste heeft al een paar keer gevraagd wanneer papa thuiskomt. Ik weet niet hoe ik haar moet uitleggen dat ie nooit meer komt.’
Ze begon weer te huilen. Hij wachtte even totdat ze weer een beetje bedaard was.
‘Zou ik misschien even binnen mogen komen? Ik wil toch nog graag heel even met u praten. Misschien bent u in staat om toch nog een paar vragen te beantwoorden. We willen graag zo snel mogelijk helderheid over deze zaak.’
‘Is goed.’
Het interieur van deze woonwagen beantwoordde wel grotendeels aan de clichés die daarover bestaan. Een glazen tafel met vergulde Egyptische honden als poten, een schreeuwerig bankstel met een verschrikkelijk motief van paarse, lila en zwarte strepen en overal glimmende beeldjes van allerlei dieren. In een hoek stond een bureau met daarop twee computerschermen, een paar pc’s, een laptop en nog wat apparaten die Ron Leber niet direct kon thuisbrengen.
Marco van Hugten was hacker geweest. Kevin Braam had Ron die middag weten te vertellen dat Marco met een laptop en speciale programmatuur in ongeveer 5 minuten een BMW X5 van het alarm af kon krijgen en starten. Zonder de wagen ook maar aan te raken. Er waren videobeelden van een BMW dealer waarop te zien was hoe een vermomde Marco van Hugten dit deed. De beelden waren om technische redenen niet toegelaten als bewijsmateriaal.
Twee kleine kinderen, allebei meisjes, lagen op hun buik op een vloerkleed naar de tv te kijken. Een clip van een boyband. Met hun donkere haar en bruine ogen leken ze duidelijk meer op hun vader dan op hun moeder. Ze hadden beiden reikhalzend en vol verwachting omgekeken toen Ron Leber binnenstapte, maar verloren direct hun interesse toen ze zagen dat het hun papa niet was. De moeder was voor haar doen toepasselijk gekleed in een zwarte rok en een zwart glimmend topje zonder mouwen dat veel te strak zat. Ze was al geen florissante vrouw, maar zag er nu helemaal afgepeigerd uit. Haar blonde haar was enkele centimeters uitgegroeid en vertoonde een abrupte overgang van waterstofperoxide helblond naar een onbestemde tint donkerblond. Ze had de huid van een zware roker. De wallen onder haar bloeddoorlopen ogen waren enorm en veel donkerder dan haar bleke en diep gerimpelde gezicht. Ze droeg een enorme hoeveelheid antiek ogende gouden sieraden. Haar grote zachte bovenarmen zaten vol met allerlei tatoeages. Ron Leber schatte haar, gebaseerd op haar voorkomen, ongeveer achtendertig jaar oud maar hij vermoedde dat ze in werkelijkheid zeker tien jaar jonger was.
‘Hé kids,’ zei hij tegen de meisjes in een poging het ijs een beetje te breken. De oudste was ongeveer zes en de jongste drie of vier. Ze reageerden niet en bleven gebiologeerd naar de dansende en zingende jongens op het enorme tv-scherm kijken.
‘Leuk hè, One Direction?’
De oudste keek om met een blik die tussen verontwaardiging en spot in zat. ‘Dit is One Direction niet stommerd. Dit is B-Brave!’ en draaide zich weer eigenwijs om richting tv.
‘Nou Samantha, doe normaal!’ riep de moeder en maakte een gebaar alsof ze het kind een klap gaf.
‘Nee het geeft niet,’ zei Ron Leber. ‘Ik moet me ook niet bemoeien met dingen waar ik geen verstand van heb.’
‘Ach ja, het zijn kinderen hè, die zeggen alles.’
Ron Leber had eigenlijk een huis vol bezoek verwacht en wist niet precies hoe hij moest vragen waarom dat niet het geval was. Was deze vrouw een verschoppeling in de kampgemeenschap? Had ze geen familie of vrienden?
‘Heeft u nog bezoek gehad vandaag?’
‘Ja, de hele dag door. Op dit moment zit iedereen bij Greet Lacroix. Ze willen de begrafenissen regelen enzo. Ik ga er zo ook heen als de kinderen slapen.’
Nogal efficiënt om dezelfde avond al praktische dingen te willen regelen. Waren kampbewoners altijd zo georganiseerd of wilden ze alles maar zo snel mogelijk achter de rug hebben? dacht Ron Leber.
‘Vindt u het goed als ik dan even met u meega? Ik was toch al van plan om ook nog bij mevrouw Lacroix langs te gaan.’
‘Ja hoor.’
‘Heeft u enig idee wie dit gedaan zou kunnen hebben? De schietpartij?’
Ze staarde voor zich uit.
‘Ach, Marco had ruzie met de halve wereld. En Herman en Evert met de andere helft. Maar ik zou niet weten wie hun zo had willen vermoorden. Op deze manier.’
‘Was er iets gaande in de hennepteelt? Weet u daar iets van?’
‘Dat was Herman’s pakkie an. Marco en Evert waren zijn eh, assistenten zeg maar. Herman vertelde hun lang niet alles. Maar ik heb niks gehoord over ruzie met andere handelaren of zo. Sommige coffeeshophouders konden hun bloed wel drinken, maar scheten ook in hun broek voor ze.’
‘Zijn u de laatste tijd andere dingen opgevallen? Voorvallen, ruzies?’
Ze dacht na.
‘Nou, het zal er wel niets mee te maken hebben, maar Herman was de laatste tijd nogal bezig met modelbouw. Marco moest van hem dan die radiografische troep in elkaar zetten en een soort boordcomputer bedienen. Als er iets misging, kreeg Marco iedere keer de schuld. Ik geloof dat er een paar van die vliegtuigen zijn neergestort. Daar hadden ze een paar keer vet ruzie over. Volgens mij had Marco het helemaal gehad met die onzin en stond hij op het punt om er mee te stoppen. Maar dat weet ik niet zeker. Hij vertelde me haast nooit iets.’
Het jongste meisje was opgestaan en hing tegen haar moeders knie aan.
‘Hoe heet jij?’ vroeg Ron Leber.
‘Tessa.’
‘En hoe oud ben jij?’
‘Ik ben al vier.’
‘Zo! Dan weet jij zeker ook wel wat de hemel is?’
‘Ja daar woont Jezus!’ riep het andere meisje dat nog steeds voor de televisie lag. Ze zat kennelijk op een Christelijke school.
‘Klopt!’ zei Ron Leber. ‘En alle lieve mensen gaan daar uiteindelijk naartoe, naar de hemel.’ Hij nam zijn tijd en liet het kind even nadenken over wat hij net gezegd had. ‘Maar soms gebeurt dat niet helemaal op tijd. Jullie papa is vandaag naar de hemel gegaan. Dat was veel te vroeg. Hij was veel liever hier nog even op de aarde gebleven. En hij had niet eens meer tijd om iets tegen jullie te zeggen. Dat had hij wel heel graag gewild. Maar nu is ie in de hemel en hij vindt jullie heel lief. Hij zou echt heel graag terug willen komen maar als je in de hemel bent, dan kun je niet meer terug.’
Door zijn streng gereformeerde opvoeding had Ron Leber een sterke afkeer van religie, maar hij had gemerkt dat met behulp van het geloof de dood van geliefden soms wat makkelijker verklaard kon worden, vooral aan kinderen.
‘Ik wil ook naar de hemel,’ zei de jongste. ‘Naar papa toe.’
‘Jij gaat ook naar de hemel lieffie. Maar dat duurt nog héél lang. Tot die tijd wacht papa daar op je.’
Het leek alsof het meisje genoegen nam met deze verklaring voor de plotselinge, definitieve afwezigheid van haar vader. Ron Leber werd bijna misselijk van de onzin die hij het kind vertelde. Er is geen hemel en zelfs als dat wel zo was, zou het de laatste plek zijn geweest waar iemand als Marco van Hugten naartoe zou gaan na zijn dood. Bovendien was hij geen pedagoog en vroeg hij zich af of het vertellen van leugens aan kinderen geen nadelige gevolgen zou hebben op de lange termijn. Maar voor nu werkte het. Hij legde zijn hand op de schouder van het kind.
‘Maar weet je wat je wel kunt doen? Je kunt in je dromen met papa praten. Het lukt niet altijd maar je kunt het wel proberen natuurlijk.’
Het meisje dacht diep na en keek haar moeder aan.
‘Ik wil naar bed mama.’
‘Da’s goed meisje.’ De moeder stond op en tilde het kind op.
‘Bedankt,’ zei ze tegen Ron Leber.
‘Graag gedaan.’
‘Jij ook naar bed Samantha!’
Terwijl de moeder de kinderen naar bed bracht, nam Tom de gelegenheid waar om de computerapparatuur van Marco van Hugten eens beter te bekijken. Hij drukte op de spatiebalk om te kijken of het ding in de slaapstand stond, zoveel wist ie nog wel. Dit bleek inderdaad het geval te zijn. De monitor lichtte op en toonde Internet Explorer met als startpagina www.modelbouwverenigingkmf.nl.
KMF, waar zou dat voor staan? Koninklijke Modelbouw Federatie? Het was een rommelige site waar Ron Leber niet zo snel wijs uit kon worden. Hij zou zijn collega Jessica Mulder eens vragen of zij de site kon uitpluizen. Misschien zou het bruikbare informatie over Herman Koning opleveren. Ron Leber begon steeds sterker het vermoeden te krijgen dat het motief voor de moorden voortkwam uit het modelbouwgebeuren en niks met de criminele activiteiten van Herman Koning te maken had. Hij worstelde een tijdje met de muis en kreeg hetzelfde gefrustreerde gevoel dat hij altijd kreeg als hij iets met een computer probeerde te doen.
‘Wat bent u aan het doen?’ klonk het achter hem.
Geschrokken draaide hij zich om. Claudia van Hugten stond in de kamer.
‘Oh, eh sorry. Vergeeft u mij m’n nieuwsgierigheid. Hoort bij het beroep. Ik wist niet eens dat ie aan stond.’
‘Stand by heet dat. Marco was voortdurend aan het up- en downloaden. Voornamelijk films en software. Over wiethandel zult u niks vinden op zijn computer.’
Ron Leber voelde zich betrapt. Fatsoen was een lastige eigenschap voor een rechercheur. Als speurder moest je nieuwsgierig zijn en veel sociale regels vertraagden de voortgang van een onderzoek alleen maar. Helaas was Ron Leber van nature nogal keurig. Hij moest het vooral hebben van zijn scherpe opmerkingsvermogen en analytische capaciteiten. Zijn collega Kevin Braam daarentegen had overal schijt aan en kreeg informatie los door compleet over mensen heen te walsen. Aan de andere kant was Kevin weer niet heel erg intelligent. Maar door hun tegengestelde eigenschappen te bundelen, waren Ron en Kevin een heel goed team.
Ron Leber voelde zich daarom ook een beetje schuldig naar hem toe omdat hij zonder overleg, en een beetje stiekem, terug was gegaan naar het kamp. Ron Leber had heel goed gezien hoe mevrouw Koning op de verschijning van Kevin Braam had gereageerd. Zijn beslissing om haar nog eens te bezoeken, zonder Kevin erbij, was dan ook meer op testosteron dan op iets anders gebaseerd. Hij was blij dat hij toch eerst naar Claudia van Hugten gegaan was.
‘Mevrouw Van Hugten, ik onderzoek de moord op uw man en zijn vrienden. Ik heb het idee dat we de motieven en achtergronden in het modelbouwgebeuren moeten zoeken en niet in de wiethandel. Wat kunt u mij daar over vertellen?’
Ze ging op de spuuglelijke bank zitten en rolde een sjekkie. Ron Leber nam plaats tegenover haar.
‘Tja, ik weet niet. Ik geloof dat ze zich niet echt populair hadden gemaakt bij ´Klein Maar Fijn´, maar dat deden ze nergens. Ik geloof dat ze de laatste jaren vier of vijf kroegen naar de klote hebben geholpen. Gewoon door er te gaan lopen zieken. Klanten wegjagen enzo. Voor de lol. Dat zou bij zo’n modelbouwvereniging wel eens net zo gegaan kunnen zijn.’
Daar stond KMF dus voor: Klein Maar Fijn.
‘Weet u of ze mensen van KMF bedreigd hebben of bang gemaakt? Gechanteerd misschien? Denkt u goed na, dit kan belangrijk zijn.’
‘Ik weet het niet zeker maar het zou heel goed kunnen. Ik weet wel dat ze een beter en sneller vliegtuig wilden bouwen dan die van één of andere militair. Van de Berg of zo heette die. Misschien hebben ze die vent wel bang gemaakt of dwarsgezeten. Maar hoe het precies zit, weet ik niet. Zoals ik al zei, Marco vertelde me nooit wat.’
Een militair. Lange afstand geweer. Rivaliteit. Zou het zo simpel zijn?
‘Goed. Ik zal het uitzoeken. Hoe laat wordt u bij mevrouw Lacroix verwacht?’
‘Laten we nu maar gaan,’ zei ze.

*
Tom van Vleuten parkeerde zijn scooter weer voor Al Jazeera. Beau was er niet meer. Achter de counter stond een meisje van een jaar of twintig. Half Marokkaans of zoiets, schatte Tom in. Ze was mollig, had grote tieten, was niet echt knap maar wel lekker. Tom had haar nog nooit eerder gezien.
‘Hoi, ben jij nieuw hier?’
Ze glimlachte.
‘Ja, deze zaak is van mijn oom. Hij moest dringend weg en er was niemand om voor hem in te vallen. Dus sta ik hier even voor nood.’
‘Aha!’ zei Tom. ‘Beau is een vriend van mij en ik kom hier heel vaak. Ik ben voorlopig nog wel even hier dus als je iets niet weet, kun je het mij vragen.’
‘Oh, te gek! Ik heb inderdaad de ballen verstand van al die soorten hasj en wiet. En ik weet ook niet hoe dat pin apparaat werkt.’
‘Dat weet ik wel. Ik heet Tom trouwens,’ zei hij en gaf haar een hand.
‘Oh eh, ik heet Abida.’
‘OK Abida, aangenaam. Doe mij maar alvast een jointje en een dubbele espresso. Ik zal even een muziekje opzetten.’
‘Oh top. Dan maak ik espresso.’
Een paar minuten later zat Tom tevreden aan zijn joint te lurken en nipte hij aan een hete espresso. Uit de speakers klonk Jack Parrow, Zuid-Afrikaanse rap. Net toen hij een goed gesprek met Abida wilde beginnen, ging zijn telefoon.
‘Hallo, met Tom.’
‘Nou, jij klinkt ook niet echt arbeidsongeschikt op dit moment geloof ik hè?’ Het was zijn baas, Ed Boersma.
‘Nee eh, ik zit in een snackbar. Had geen zin om te koken.’ Tom kon altijd goed liegen.
‘Ja ja. Zeg luister eens. We hebben vanmiddag je dienstauto opgepikt bij de politie. Dennis is er direct mee op pad gegaan want zijn auto had een storing.’
Dennis Klomp was een ontzettende eikel. Met zijn gemillimeterde coupe en anabolenlichaam dacht hij een soort militair te zijn. Een fanatieke regelneuker én matennaaier. In spreekwoordelijke zin kwam de man dus geen seks tekort.
‘Ja?’ antwoordde Tom.
‘Hij heeft een paar opgerookte joints in de asbak gevonden. Ik vind het niet fijn als mijn mensen drugs gebruiken en al helemaal niet als ze onder invloed van drugs werken,’ zei Ed Boersma.
Tom leegde altijd zijn asbak na een dienst maar dat was er deze keer door alle toestanden bij ingeschoten. Dat uitgerekend Dennis Klomp nu weer met zijn auto moest gaan rijden! Het konden nooit meer dan twee peuken geweest zijn want zijn eerste blowtje stak hij altijd pas aan het eind van zijn dienst op. Maar Tom wist wel hoe hij Ed Boersma moest bewerken.
‘Luister Ed, ik rook in mijn vrije tijd wel eens een jointje, maar tijdens het werk nooit.’ Abida hing over de counter naar Tom toe en luisterde ongegeneerd mee. ‘Maar ik had eergisteren na mijn dienst een meisje een lift gegeven. Zij wilde met alle geweld blowen, maar ze woont nog bij haar ouders en ik wilde haar niet mee naar mijn huis nemen, beetje te jong nog vond ik.’
‘Waarom had je haar dan een lift gegeven? Waar pik je om die tijd nog een jong meisje op?’
‘Nichtje van een vriend van mij. Ze werkt in de horeca. Als je haar zou zien, zou je me wel begrijpen.’
‘Ja, een lekker ding?’
Ed Boersma was een ontzettende geilaard. Tom liet zijn blik rusten op de spleet tussen Abida’s borsten.
‘Superlekker. Enorme tieten, lekker kontje. Het is dat ze het nichtje van mijn maatje is, anders had ik het wel geweten.’
Abida volgde het gesprek een beetje verbaasd maar ook geamuseerd.
‘Nou... eh ok dan. Maar laat ik het niet merken dat er weer in die auto geblowd wordt.’
‘Maak je geen zorgen. Dat zal niet meer gebeuren.’ Hij verbrak de verbinding.
‘Over wie had je het nou?’ vroeg Abida.
‘Over jou. Dat was mijn baas. Ik moest even een smoesje verzinnen. Ze hadden joints in mijn dienstauto gevonden. Heb ik jou de schuld maar gegeven. Je was mijn inspiratie.’
‘Pff, zo enorm zijn mijn tieten nou ook weer niet hoor.’ Ze deed alsof ze een beetje verontwaardigd was.
‘Nee schat, ik had het niet écht over jou. Dat zei ik maar om mijn baas een beetje gunstig te stemmen. Hij is nogal een liefhebber.’
‘Ja ja.’ Ze glimlachte.
‘Ik moest even gauw wat bedenken. Wat weet ik nou van jouw borsten? Ik ken je net een kwartier.’
Het was echt jammer dat Abida het nichtje van Beau was. Tom vond haar leuk. En er was duidelijk sprake van erotische spanning tussen hen twee.
Er kwamen klanten binnen. Abida redde zich al prima. En Tom moest nadenken over hoe hij op het kamp kon infiltreren. Als hij weer zou gaan werken, zou hij de auto weer tot zijn beschikking hebben. Hij zou de reclame erop kunnen afplakken en zich als verwarmingsmonteur of iemand van Ziggo of zo voordoen. Hij liet het plan gauw weer varen. Veel te link. Het zou sowieso nogal verdacht zijn wanneer hij als getuige van de schietpartij later bij de huizen van de slachtoffers zou gaan rondneuzen. Hoe kwam hij zonder al te veel risico te lopen in contact met die kampers? Hoe kwam hij aan informatie over Herman Koning en de twee anderen? Hij zou zich als lid bij de modelbouwvereniging kunnen aanmelden maar dan zou hij waarschijnlijk zo door de mand vallen. Er moest een betere dekmantel zijn.
Een uur later kwam Beau binnen. Hij zag er verhit uit.
‘Het is nog waar ook wat je zei!’ Beau ging naast Tom zitten en vroeg een cappuccino aan Abida. ‘De hele branche is over de zeik. Niemand weet of de productie doorgaat. Niemand weet waar de plantages zijn. Het gerucht gaat dat één of andere tuinder uit het Westland dat allemaal regelde. Is van paprika’s overgestapt naar wiet. Zonder die vent kan er niet verbouwd worden.’
‘Nou die dooie gasten zagen er niet uit als paprika telers hoor. En zo’n vacuüm wordt meestal direct weer opgevuld,’ zei Tom. ‘Nu is er weer plek voor kwekers die door die Koning de markt uitgedrukt waren.’
‘Zou kunnen. Maar ik zou wel eens willen weten wie die tuinder is.’
‘Ah, je wilt zelf een soort Godfather worden!’
‘Voor mijn part. Ik wil eerst gewoon mijn handeltje aan de gang houden.’ Beau nipte van zijn cappuccino en keek Tom peinzend aan. ‘Godfather zeg jij. Echt rijk zijn, niet meer werken.’
‘Ja dream on,’ zei Tom. ‘Ben jij niet voor in de wieg gelegd. Trouwens, wou je dat wat jij hier doet wérk noemen? Vertel me liever nog eens wat je allemaal van die Koning weet.’
‘Hoezo man? Je bent echt de amateur speurder aan het uithangen hè? Ga jij die moorden oplossen?’
‘Nou, wie weet,’ zei Tom. ‘Als ik iets ontdek zou jij daar misschien ook wel mee geholpen zijn. Doe niet zo moeilijk en vertel me eens wat.’
Beau liet zijn nadenkende blik nog een keer op Tom rusten.
‘Alleen als je ophoudt met naar mijn nichtje d’r tieten te kijken. Strontvlieg.’

*
Ron Leber en Claudia van Hugten verlieten de woonwagen. Ze droeg geen jas en deed de deur niet op slot. Niemand zou het in zijn hoofd halen om in het kamp uit stelen te gaan. De wagen van wijlen Evert Lacroix en zijn vrouw Greet was duidelijk één van de oudsten van het kamp. Dit ding was nog echt bedoeld om mee te reizen. De aangebouwde schuurtjes en muurtjes maakten dat echter onmogelijk. Het gedempte geluid van pratende mensen en muziek drong zich in de frisse lenteavondlucht. Claudia van Hugten klopte niet aan maar opende de deur en stapte binnen met Ron Leber vlak achter zich. Binnen was het vol en rokerig. Overal zaten of stonden mensen. Het gepraat verstomde toen ze Ron Leber zagen. Zeker twintig paar ogen waren op hem gericht. Het viel Ron op dat de gemiddelde leeftijd vrij hoog was. Hij voelde zich verplicht een verklaring voor zijn aanwezigheid te geven maar wist niet precies hoe hij dat moest aanpakken. Ron Leber vermande zich, schraapte zijn keel en begon te praten.
‘Goedenavond allemaal, mijn naam is Leber, recherche. Ik ben belast met het onderzoek naar de vreselijke moordaanslag die gepleegd is op Herman Koning, Marco van Hugten en Evert Lacroix.’
Het was muisstil in de caravan. Ze wachtten op wat hij te melden had.
‘Ik wil net zoals u allemaal deze zaak zo snel mogelijk oplossen en de dader of daders achterhalen. Dat is de enige reden waarom ik hier ben. Ik ben absoluut niet geïnteresseerd in andere zaken dan dit moordonderzoek. Wij willen de dader zo snel mogelijk achter slot en grendel hebben. Daarvoor heb ik uw hulp nodig. Als u ook maar iets weet dat van belang zou kunnen zijn dan zou ik dat heel graag willen weten.’
Het leek alsof de aanwezigen genoegen namen met deze verklaring. Ron Leber voelde in elk geval geen vijandigheid naar hem toe. Afgezien van wat gebrom en gemompel zei niemand iets. Totdat deze stilte verbroken werd door een heldere vrouwenstem.
‘Wat gebeurt er met de dader zodra die gevonden is?’ vroeg mevrouw Koning.
Ron werd meteen weer geraakt door haar prachtige stem. Hij keek haar aan en voelde zich direct ongemakkelijk, maar tegelijkertijd ook weer zo vreemd gefascineerd. Geen enkele vrouw had ooit eerder deze uitwerking op hem gehad.
‘Dan wordt hij of zij voorgeleid en zal de rechter uiteindelijk een straf opleggen.’
Het gezelschap barstte nog net niet uit in hoongelach maar het scheelde niet veel. Spottende blikken en gelach vulden de caravan.
‘Een táákstraf zeker!’ riep Greet Lacroix. ‘Omdat hij als kind eens een lekke band had met zijn driewielertje en daar nooit overheen gekomen is! Hou toch op man!’
Ron Leber had uiteraard vaker met dit soort reacties te maken gehad.
‘Mevrouw Lacroix, mijn taak is om de ware toedracht van deze zaak te achterhalen. De strafmaat wordt door Justitie bepaald, niet door ons. Maar gelooft u mij, levenslang is tegenwoordig echt levenslang.’
‘Ja, levenslang films kijken in een luxe cel met magnetron!’ riep iemand. ‘Rot toch op man!’
Ron bepaalde zijn tactiek.
‘Mensen, gelooft u mij als ik zeg dat niemand méér problemen heeft met de straffen van tegenwoordig dan de politie zelf. Wij doen er alles aan om iemand veroordeeld te krijgen en als puntje bij paaltje komt, is al ons werk vaak bijna voor niets geweest. Maar echt, er ís de laatste jaren geluisterd naar de roep om strengere straffen en de dader van deze misdaad komt echt nooit meer vrij, als hij eenmaal gepakt is. Maar daar gaat het nu niet om. We moeten eerst weten wie het is. Dat is mijn baan, daders opsporen. Ik hoop echt dat u mij daarbij wilt helpen. En zodra de identiteit van de dader bekend is, kan ik er natuurlijk niks aan doen als een nabestaande hem wat aandoet. Maar dat is van latere zorg mensen! We weten niet eens wie het is! Laten we daar eerst achter komen en dan zien we wel wat er gebeurt.’
Instemmend gemompel. Ron Leber realiseerde zich dat hij een speech afstak over zware straffen aan een gezelschap dat waarschijnlijk goed was voor enkele eeuwen gevangenisstraf. Het was alsof iemand zijn gedachten las.
‘Als er al echte straffen worden uitgedeeld, is dat aan mensen zoals wij,’ zei een oudere man. ‘De meesten hier weten heus wel hoe het is om te moeten brommen. Gevangenisstraf zal voor de dader van deze moorden niet voldoen.’
De man wees met zijn vinger naar Ron Leber en keek hem dreigend aan.
‘Als jij de dader eerder vindt dan wij, dan mag hij van geluk spreken. Levenslang de bak in is een veel beter vooruitzicht dan de behandeling die hij van óns gaat krijgen. Dus rot nu maar gewoon op en laat ons met rust.’
De stemming sloeg direct om. De plotselinge vlaag van vijandigheid voelde als een stomp in zijn maag. Ron Leber werd bang. Het was stom van hem geweest om hier alleen naartoe te komen.
Mevrouw Koning stond op en pakte zijn hand.
‘Kom,’ zei ze. ‘Hier zult u niks opschieten. Deze mensen moeten niks van de politie hebben.’
Ze trok hem mee naar buiten. Ron Leber voelde zich een lulletje en een stomkop.
‘Wilt u koffie?’ vroeg mevrouw Koning.
‘Nou liever thee,’ zei Ron Leber.

*
Tom van Vleuten reed op zijn scooter door de stad. De informatie die Beau over Koning had gegeven, viel een beetje tegen maar hij was wel iets wijzer geworden. Nu was hij knetterstoned en stelde zich voor dat hij de held uit een computerspelletje was die zwaarbewapend op zijn motor dwars door een decor van vuur, vijandige monsters en draken heen scheurde.
‘Ratatata!! Pioew!!’ schreeuwde hij, al schietbewegingen makend, naar een woeste nucleaire spacedinosaurus die in werkelijkheid een Volvo V40 was. Voetgangers en andere weggebruikers zagen een lijkbleke dertiger op een scooter als een gek tussen het verkeer door sjezen, ondertussen schietgeluiden en –bewegingen makend. Meer dan wat gelaten hoofdschudden leverde het tafereeltje aan reacties niet op. Eenmaal bij zijn ruimteburcht aangekomen opende Tom, die zichzelf nu Major Tom noemde, de vijfdimensionale poort naar een ander universum en rolde zijn scooter de smerige gang van de kelderboxen in.
‘Ground Control, we have a problem,’ zei Tom terwijl hij onhandig de scooter met zijn knie tegenhield, ondertussen proberend de deur van zijn box te openen met de verkeerde sleutel. Na veel gehannes rolde hij de scooter naar binnen, sloot de deur en liep naar de lift. Bovenaan de trap naar de lift lagen een paar pakken folders. Het bijbaantje van een Turks jochie dat op de derde verdieping woonde. Tom zag reclames van een tuincentrum en een supermarkt. Begonia’s en kilovoordeel.
‘Dát is het!’ riep hij ineens. ‘Ik ga folders lopen!’
Hij nam twee van de stapels onder zijn armen mee de lift in, op weg naar zijn deprimerende flat. Er zouden morgen mooie foldertjes in het kamp bezorgd gaan worden.

*
Mevrouw Koning stond bij het aanrecht thee en koffie te zetten. Er klonk zachte muziek uit het onbetaalbare high end speakersysteem: George Michael. Ron Leber zat weggezakt in het comfortabele leren bankstel, maar voelde zich allesbehalve op zijn gemak in de woonwagen van de vermoorde wietbaron. Eigenlijk had hij hier op dit moment professioneel gezien niks te zoeken. Maar Ron Leber was behalve rechercheur ook vrijgezel. Hij keek naar de weduwe. Ze had een lichtbruine jurk aan waarin haar figuur goed uitkwam. Heel goed. Hij kon haar behabandjes zien zitten onder de zachte stof. Kennelijk droeg ze een string want bij haar billen kon hij geen sporen van ondergoed ontdekken. Misschien had ze wel helemaal geen slipje aan. Een tintelende erectie kwam op in zijn boxer. Alsof ze voelde dat hij haar bekeek, draaide ze zich plots om en keek hem recht in de ogen.
‘Suiker?’
Ze had echt een prachtige stem.
‘Eh, heeft u ook honing toevallig?’
‘Heb ik. En zeg toch gewoon jij. Ik heet Heidi. En jij?’
‘Nou eh, ik heet Ron. Maar ik houd het toch liever formeel omdat het hier om een moordonderzoek gaat,’ zei hij stijfjes. Dit was zo’n moment waarop hij zichzelf niet kon uitstaan, haatte bijna.
In vrijwel elke situatie kon hij zich voordoen als de sluwe speurder die alles onder controle had, maar in het bijzijn van mooie vrouwen werd hij altijd onzeker. Ging ie ineens serieus doen. En meestal werkte dat niet. Maar Heidi was gelukkig nog niet op hem afgeknapt.
‘Is dat werkelijk de reden dat je hier nu bent?’ vroeg ze op toch wel uitdagende toon.
Ze had de koffie en thee op de salontafel gezet en was naast hem komen zitten. Ze had haar bovenlichaam naar hem toegedraaid en haar benen bevallig over elkaar gekruist. Hij zag haar ronde dijen, rook de heerlijke parfum en had een prachtig uitzicht op haar decolleté. Heidi’s roomblanke borsten bolden tegen elkaar aan en de huid van de spleet die erboven uitkwam, was licht gerimpeld en iets donkerder van kleur. Precies zoals hij het perfect vond. Hij realiseerde zich dat hij naast een vrouw zat waarover hij altijd al gefantaseerd had. Mooi, rijp, sereen... opwindend.
‘Eh... lekker geurtje...’ zei Ron onhandig. ‘Hoe heet het?’
‘Allure van Chanel,’ zei ze glimlachend. Haar mond was heel dichtbij. Hij voelde haar lichaamswarmte. Ze had mooie tanden en zelfs de kleur van haar tandvlees deed hem seks met haar willen hebben. Hij zag de poriën op haar jukbeenderen, voelde warme, kleine stroompjes van haar adem in zijn gezicht en moest wel in haar donkerbruine, afwachtende ogen kijken.
‘Ha, nou ze hadden het beter “Horny” kunnen noemen,’ zei hij zomaar. Kennelijk had zijn instinct hem toch in de veroveringsstand gezet, moordonderzoek of niet. Hij hoopte dat ze de trilling in zijn stem niet zou horen.
‘Hoezo Ron, word je er horny van dan?’ Ze ging nog iets dichter tegen hem aanzitten. Hij voelde nu haar warme dij tegen de zijne. Het kon er gewoon niet dikker bovenop liggen. Hij probeerde een rationele beslissing te nemen. Hij kon simpelweg niet met een betrokkene van een moordonderzoek een amoureuze relatie aangaan. Dit was onprofessioneel en dom, dit was waanzin. Maar hij wilde haar nu eenmaal zo graag en zijn gevoel won het van zijn verstand.
‘Nou om eerlijk te zijn... je parfum is heerlijk, maar het gaat me eigenlijk om jou zelf.’
Hij had het gezegd. En nu moest zij iets zeggen.
‘Je wordt geil van mij dus?’
Ze legde beide armen over zijn schouders en hij voelde haar vingers in het korte haar op zijn achterhoofd kriebelen.
‘Ik vind je echt heel erg mooi.’
Ze kusten. Eerst voorzichtig, alleen elkaars lippen aanrakend. Daarna nat en heftig. Haar tong drong zijn mond binnen. Hij reageerde en ze vonden als vanzelf het juiste ritme. Samen leken hun tongen een geile dans op te voeren. Zijn handen bewogen over haar heupen, buik, armen, daarna haar rug en uiteindelijk haar borsten. Die waren stevig en zacht tegelijk en haar tepels waren zo hard dat ze door de stof van de bh en de jurk heen priemden. Ron verloor het besef van tijd. Hun lichamen kronkelden, hij voelde haar overal en zijn pik was zo stijf dat het bijna pijn deed. Zijn hand gleed over haar been naar boven en kneedde haar verrassend gespierde billen. Na een tijdje trok hij haar jurk langzaam omhoog. Ondertussen heftig tongend keek hij door zijn wimpers even naar beneden. Ze droeg een crèmekleurig superklein slipje. Zijn hand gleed over het dunne vetlaagje op haar platte buik. Zijn middelvinger draaide rondjes in haar navel, bij wijze van voorproefje op wat snel komen zou. Als een spin liepen zijn vingers uiteindelijk naar de bovenste rand van het slipje. Hij wreef eerst een tijdje over de gladde stof heen want vrouwen hebben tijd nodig, zoveel wist hij nog wel. Zijn vingers kropen haast stiekem onder het elastiek van het slipje door naar haar venusheuvel.
Ook nu moest hij niet te haastig zijn, hoe opgewonden hij ook was. Het was lang geleden dat hij seks had gehad, maar dat hij de intimiteit moest opbouwen was hij niet vergeten. Met zijn hele hand in het kleine broekje wreef hij over haar vagina. Instinctief wist hij dat zijn middelvinger als vanzelf tussen de schaamlippen zou belanden en de clitoris zou vinden.
Maar dat gebeurde niet. Al tastend kon hij geen opening vinden. Zijn geilheid vermengde zich ineens met verwarring. Het leek wel alsof ze nóg een slipje aanhad! Hij herstelde zich door haar kutje verder te masseren.
‘Je maakt me gek!’ kreunde ze.
Hij kreunde terug.
Ja, jij mij ook! dacht hij. Maar waar is je spleet? En je clitoris? vroeg hij zich koortsachtig af terwijl zijn vingers schokkerig haar mossel beroerden.
Misschien moet ik het vingergedeelte overslaan en meteen gaan beffen, dacht Ron Leber bij zichzelf. Hij gleed langzaam van Heidi af, legde haar achterover op de bank, spreidde haar benen precies ver genoeg en ging op zijn knieën tussen die van haar, voor haar op de grond zitten. Met duim en wijsvinger pakte hij de touwtjes die boven om haar heupen spanden en trok het slipje langzaam naar beneden. Nadat hij het minuscule stukje textiel over haar knieën en enkels naar beneden had gebracht, spreidde hij haar benen. Ze keek hem met halfopen ogen aan en draaide haar tong tussen haar tanden door over haar lippen in het rond. De geur van sekshormonen drong zijn neus binnen.
Toen zag hij het.
Een flubberkut! Gatverdamme! Haar binnenste schaamlippen waren enórm en hingen helemaal naar buiten! Het leken wel glanzende, roze kalfslapjes die door de zwaartekracht naar beneden getrokken werden. Ron kreeg ineens het beeld voor zich van het aanhangsel dat een kalkoen aan zijn keel heeft. Zijn stijve lul verslapte in seconden. Als door een stroomstoot geraakt sprong hij overeind.
‘Eh... eh... het spijt me Heidi, maarruh... dit moeten we echt niet doen,’ stamelde hij. ‘Het is onprofessioneel en onverstandig. Ik weet niet wat me bezielde.’
Heidi zei niks en keek hem aan met een blik die hij niet direct kon plaatsen. Ze was blijkbaar niet boos maar leek even na te denken, zuchtte, pakte haar slipje en trok dat aan.
‘Het spijt me,’ zei hij nog een keer en stond als een klein jochie voor haar.
‘Waarom zeg je niet gewoon dat je afknapt op mijn schaamlippen?’ vroeg ze.
‘Eh... nou eh nee, dat is het niet hoor... Ik realiseerde me gewoon ineens dat het verkeerd was wat we deden.’
‘Oh, dus je hebt geen problemen met mijn kut?’ zei ze spottend.
‘Nou eh, je hebt een paar behoorlijk grote schaamlippen zag ik, maar problemen... nee hoor. Een ex van mij had dat ook en toen vond ik het ook niet erg.’ Dat was niet waar. Zijn ex had heel lange tepels die op dikke wormen leken, of Chipito’s. Ook niet echt lekker maar minder erg dan de flapperlappen van Heidi.
‘Nee, maar echt leuk zal je het ook niet hebben gevonden. Je kunt maar beter gaan denk ik.’
‘Ja, dat denk ik ook. Het spijt me echt. Je bent een prachtige vrouw, maar ook betrokken in een moordonderzoek. Een relatie zou alleen maar tot problemen kunnen leiden.’
‘Een relatie? Hou toch op man. Ik wilde gewoon weer een keertje seks na al die jaren.’
Die opmerking stak hem toch wel een beetje. Ze was dus niet echt in hem geïnteresseerd, terwijl hij toch duidelijk een soort van verliefdheid voor haar gevoeld had.
‘Nou, er zijn vast heel veel mannen die je dat graag willen geven. Zonder dat er problemen van kunnen komen,’ zei hij. Ron Leber draaide zich om en verliet de woonwagen.
Buiten stond Kevin Braam met een brede glimlach op zijn gezicht tegen zijn Fiat Punto aangeleund.
‘Jij geile aap! Ik wíst het! Toch nog even terug gegaan voor een intern onderzoekje?’ Kevin lachte hard. De vette lach van een neger, dacht Ron zonder racistische bijbedoelingen. Hij was op de één of andere manier niet echt verrast.
‘Stil nou! Moet iedereen dat horen? Ik kan hier al genoeg problemen mee krijgen. En wat doe jij hier?’
‘Hetzelfde als jij, ik wilde onze weduwe troosten maar je was me voor.’ Hij lachte weer. ‘Ouwe loverboy!’
‘Kom, we gaan wat drinken bij “Cook & Soapie”,’ zei Ron. ‘Dan hebben we het nog even over de zaak.’
‘Is goed,’ zei Kevin en stapte in zijn wagen. Ze reden achter elkaar het kamp af, nagekeken door tientallen paren ogen achter gordijnen en lamellen.
Dit artikel delen?
Pin It

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief