Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Misschien volgende keer

Misschien volgende keer

Vanochtend om acht uur werd ik uit de gesloten inrichting van het Huis van Bewaring gehaald om naar de rechtszaal te worden gebracht. Het kwam niet als een schok. Deze dag was al enige tijd geleden aangekondigd en daarbij had ik in het verleden al twee keer eerder dezelfde procedure doorlopen.            
De zes bewakers die mij geketend naar de rechtszaal brengen zijn vriendelijk. Een van hen houdt een paraplu boven mijn hoofd om de stevig neerdalende regen tegen te gaan terwijl we van de terreinwagen naar de ingang van het Paleis van Justitie lopen. Triest weer voor een trieste dag. Voor de deur onder een klein afdakje biedt de ogenschijnlijke leider van de bewakers mij een sigaret aan, dat had ik de voorgaande twee keren nog niet meegemaakt. Ik bedank, maar weiger. Drie bewakers gaan naar binnen, dan ik, en na mij de andere drie bewakers. In de hal nemen we plaats op twee stenen banken in een verder troosteloos vertrek dat geen moeite doet om menselijkheid te veinzen.            
Daar zit ik dan. Over precies een half uur zal de officier van justitie mij opnieuw beschuldigen van poging tot zelfdoding. Al twee keer eerder ben ik schuldig bevonden voor het doen van een zelfmoordpoging en veroordeeld tot vele uren vreugdevolle heropvoedingsbehandelingen die van mij een levensgenieter moesten maken. Niet echt gelukt dus. Achter mij hoor ik een deur open en dicht gaan. Het is de aan mij toegewezen advocaat die mij nog voor het proces begint komt opzoeken.
‘Ze hebben een sterke zaak tegen u heer Jim Jozef. U bent al twee keer eerder veroordeeld voor hetzelfde vergrijp en in de wet staat duidelijk omschreven welke straf opgelegd moet worden als de verdachte voor de derde maal schuldig wordt bevonden.’ Ik geef de advocaat een hand en bedank hem voor zijn komst. Je weet dat je kansloos bent als een advocaat het heeft over ‘u’ en niet over ‘wij’. De overwinning deel je met je teamgenoten, maar verliezen is vooral een individuele sport.            
Een gerechtsdienaar opent de deur en verzoekt ons om binnen te treden. Omringd door bewakers en met de gerechtsdienaar voorop loop ik tussen de grote openslaande deuren de imposante, maar verder kille rechtszaal binnen. De twaalf koppige jury die mij straks schuldig zullen bevinden is al aanwezig. Als ik geketend achter het beklaagdenbankje plaatsneem maant de gerechtsdienaar ons allen om te staan. ‘Heren aanwezigen, het Hof.’ Rechts gaat een deur open en verschijnen achter elkaar vijf mannen, de rechter gevolgd door vier officieren van justitie. De rechter staat stil voor de middelste stoel en de officieren van Justitie stellen zich links en rechts van hem op. Er heerst een indrukwekkende stilte in de zaal, iedereen staat en wacht tot het Hof plaatsneemt. Het lijkt een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk knikt de rechter naar links en naar rechts, waarna alle leden van het Hof gelijktijdig gaan zitten.
De rechter probeert neutraal mijn kant uit te kijken, maar ik zie de teleurstelling in zijn ogen. Waarschijnlijk omdat ik mijn belofte, om geen einde meer aan mijn leven probeer te maken, opnieuw niet ben nagekomen. Toch zal hij voor de derde keer volkomen onpartijdig de debatten leiden om ervoor te zorgen dat de aanwezige juryleden zo weloverwogen kunnen beoordelen of ik schuldig of onschuldig ben. Dat hij wel bepaald welke straf ik opgelegd krijg kan ik hem nauwelijks kwalijk nemen, want hij is niet verantwoordelijk voor de strafrechtelijke tik, hij deelt hem alleen uit.            
De openbare aanklager heet Friedrichs, een gevreesde tegenstander bij zowel de advocaten als de beschuldigden in de beklaagdenbank. De man met het ravenzwarte haar en lijkbleke gelaat is de hofleverancier van alle gevangenissen op het Continent. Hij vertegenwoordigt de wet en hij zal er binnen het kader van het recht alles aan doen om de jury te overtuigen van mijn schuld, en hij doet dat met een hele enge grijns op zijn gezicht.
Friedrichs zit op een paar meter afstand van mij met rechts van hem de leden van de jury. Zijn stoel staat net wat meer naar achteren, zodat ik over mijn schouder moet kijken om hem te kunnen zien. Iedere keer neem ik mijzelf voor om stuurs voor mij uit te blijven kijken, maar net als de voorgaande twee keren lukt dit opnieuw niet. Friedrichs is als een haai die steeds dichterbij komt. Je kan niet anders dan kijken om te zien of hij zijn bek al heeft geopend om je te verscheuren.
De klok slaat tien keer, mijn proces begint. De rechter neemt de eed af bij de twaalf juryleden, zodat zij de juridische volmacht krijgen om naar eer en geweten over mijn lot te oordelen. Alle juryleden beloven plechtig dit te zullen doen. Naast mij hoor ik de stoel van Friedrichs als nagels over een schoolbord naar achteren schuiven. ‘Dan nu het woord aan de openbaar aanklager.’ Friedrichs springt handenwrijvend uit zijn stoel en loopt op de leden van de jury af. ´Heren van de jury, mijn naam is Friedrichs en sta mij toe mijzelf aan u voor te stellen. Ik ben de openbare aanklager en mijn taak is jullie te voorzien van alle informatie betreffende de poging tot zelfdoding van de beklaagde, de heer Jim Jozef.´ Hij wijst met een priemende vinger mijn kant uit en lacht minzaam. Vervolgens draait hij zich weer om naar de jury en verandert hij zijn houding naar die van ideale schoonzoon. ´Heren van de jury, wij zijn allemaal harde werkers, staan ´s ochtends vroeg op en werken meer dan veertien uur per dag om ons gezin te onderhouden. Klagen wij hierover?’ Friedrichs kijkt de jury aan. ‘Misschien af en toe,’ zegt hij glimlachend.
Ik zie hier en daar wat juryleden glimlachen, terwijl bij mij de haren steeds meer als een punkrocker met een jaar lang gratis haarlak overeind gaan staan. ‘Wat we voor werk ook moeten doen, leuk of minder leuk, het neemt niet weg dat we moeten werken om te overleven,’ gaat Friedrichs verder. ‘Iedereen maakt in zijn leven wel eens een periode mee dat hij nog maar net het hoofd boven water kan houden en misschien zelfs wel een paar keer kopje onder is geweest. Waar ik naar toe wil beste heren van de jury. Hebben jullie toen opgegeven?’            
Friedrichs is nog maar net begonnen aan zijn betoog, maar hij heeft de jury al voor zich gewonnen. Dat is precies de reden waarom hij gevreesd wordt door zijn tegenstanders, want hij geeft zijn prooi nooit de kans om te ontsnappen of deze nou schuldig of onschuldig is. ‘De verdachte, de heer Jim Jozef,’ gaat Friedrichs verder. ‘Heeft het wel opgegeven. Al drie keer heeft hij geprobeerd zichzelf van het leven te beroven, maar dankzij de hardwerkende medische staf van het Centraal Academica is de heer Jim Jozef keer op keer hersteld naar de blakende gezondheid die voor u zit. Kijk nou eens goed naar hem, die prachtige blonde haren, die blauwe ogen die iedereen voor zich kunnen winnen en dan dat sportieve lichaam keurig in pak gestoken.’ Alle leden van de jury kijken mijn kant uit. Stuk voor stuk zien zij er uit als respectabele mannen met hun speciaal voor deze dag geknipte haren en gladgeschoren gezichten, maar de kleren die zij dragen verraden dat zij afkomstig zijn uit de lagere regionen van de samenleving. In de hoek zit een man die neerbuigend mijn kant uit kijkt. Hij moet continu zijn adem inhouden anders scheurt hij uit zijn te kleine jasje dat waarschijnlijk op zijn bruiloft nog als gegoten zat, maar nu, zo’n 20 kilo verder niet meer. Zijn buurman kijkt echter alsof hij enorme medelijden met mij heeft. Hij houdt zijn hoofd schuin en af en toe veegt hij met een zakdoek met het logo van een datingsite erop een traan uit zijn ooghoek. Ik weet niet wat ik erger vind. Ik wil mijn hoofd wegdraaien van de jury, maar tijdens het draaien valt mijn oog op een jurylid met enorme schoenen aan. Het is best een klein mannetje, maar die schoenen, die kun je gebruiken als kano. Dat mannetje moet drie stappen zetten voor een schoen in beweging komt, maar misschien doet hij wel de clownsopleiding, dat kan ook. Het jurylid ziet dat ik naar zijn gigantische schoenen aan het staren ben en lacht als hij speels met zijn hak op de grond tikt. Het is duidelijk, de mannen die over mijn lot zullen oordelen zijn doodnormale, hardwerkende mensen die niets zullen begrijpen van het leven waar ik aan lijd. Het is als een koe die moet oordelen of de slager lijdt als deze de broer van de koe in stukken snijdt.            
Friedrichs gaat verder. Stap één, het achter zich krijgen van de jury, is volbracht. Nu gaat hij over op stap twee, het creëren van een gemeenschappelijke vijand waar met de beste wil van de wereld geen van de juryleden zich mee zou kunnen vereenzelvigen. ‘Heren van de jury, ik kan mij voorstellen dat u medeleven kunt opbrengen voor iemand wiens leven zo ondraaglijk is geworden dat de dood als enige oplossing gezien wordt. Zo wil ik u het verhaal vertellen van de heer Hendriks en zijn gezin. De heer Hendriks besloot op een warme zondagmiddag samen met zijn vrouw Agnes en zijn drie kinderen Kay, Kevin en Kara naar het publiekszwembad te gaan. Het noodlot sloeg toe en Agnes, Kay, Kevin en Kara overleden voor zij het zwembad bereikten. De arme heer Hendriks overleefde het ongeluk, maar zou voor altijd afhankelijk zijn van zorg. Hij heeft het maanden geprobeerd, maar zijn geest was gebroken. Een leven zonder zijn gezin was voor hem ondenkbaar en hij wilde niets liever dan met hen herenigd worden. Wie zijn wij dan om de heer Hendriks zijn enige doel in het leven te ontzeggen en hem bewust zijn hele leven lang te laten lijden?’            
De rechter slaat met zijn hamer en de hele zaal kijkt verschrikt om en houdt zijn adem in. ‘Beste heer Friedrichs,’ zegt de rechter. ‘Ik stop u hier, want we hebben niet de hele dag de tijd. Dus, kom tot de kern van de aanklacht, want er staan vandaag nog meer zaken op de rollen. ‘Mijn excuses excellentie,’ zegt Friedrichs ogenschijnlijk oprecht. ‘Ook mijn excuses aan de heren van de jury. Zoals jullie gemerkt zullen hebben gaat deze zaak mij ernstig aan het hart, want kijk hem daar zitten. Een prachtige jonge kerel in de bloei van zijn leven. Dus, heren van de jury, vinden jullie dat de heer Jim Jozef lijdt? Dat het gerechtvaardigd is dat hij voor de derde keer geprobeerd heeft om een einde aan zijn leven te maken?’             De jury heeft niet veel tijd nodig om over mijn lot te beslissen. Nog binnen het kwartier nadat Friedrichs zijn betoog heeft beëindigt komen zij unaniem tot de beslissing dat ik voor de derde keer geprobeerd heb om een einde aan mijn leven te maken.
            ´Beklaagde sta op.´ De rechter staat op het punt het vonnis uit te spreken. Ik kom overeind. Er heerst een totale stilte in de zaal. Iedereen weet wat er te gebeuren staat, maar toch houden alle aanwezigen de adem in. ‘Beklaagde, de jury heeft u unaniem schuldig bevonden aan poging tot zelfdoding. Daar dit de derde keer is rest mij niets anders dan u te veroordelen tot een minimale levensduur van 85 jaar met een actieve deelname aan het collectieve heropvoedingsprogramma op het eiland Infinus III. Daar zullen de medische staf en de bewakers er voor zorgen dat u in goede gezondheid blijft om uw straf uit te zitten.’ Ik vertrek geen spier bij het uitspreken van mijn vonnis, waarom zou ik, ik wist van te voren al wat er stond te gebeuren. Toch voel ik wel de behoefte om alle aanwezigen in de rechtszaal wat te vertellen. Mijn eigen slotakkoord, zo u wilt, dat jammer genoeg geen slot voor mij betekend. ‘Mijn heer de rechter en alle aanwezigen, inderdaad heb ik nog iets te zeggen en wel dat ik het niet eens ben met uw vonnis. Iemand te dwingen om te blijven leven is werkelijk waar een zwaardere straf dan iemand ter dood veroordelen, want de uitkomst blijft hetzelfde, maar in mijn geval word ik eerst vijftig jaar lang gemarteld om in leven te blijven tot de dood komt. Als jullie mij gewoon hadden laten sterven op de momenten dat ik daar voor gekozen had dan was ik, in tegenstelling tot de komende vijftig jaar, niemand tot last geweest.’
De leden van de jury zwijgen en bewegen ongemakkelijk in hun stoel. Ze willen naar huis, dat zie ik aan ze. Friedrichs zit op zijn stoel en glimlacht. Hij heeft gewonnen en dat is het enige dat telt voor zo iemand.            
‘Bewaker,’ zegt de rechter, ‘neem de veroordeelde mee.’ De bewaker legt zijn hand op mijn rug en begeleid mij de rechtszaal uit. De ketenen voelen nog zwaarder dan eerst en ze snijden in mijn huid als duizenden messen. We lopen terug door de troosteloze hal waar een doodse stilte hangt. Geen van de zes bewakers zegt wat. Via dezelfde weg als we gekomen zijn lopen we naar de gevangeniswagen die mij terug naar het Huis van Bewaring zal brengen. Voor ik naar binnenstap vraag ik aan de bewaker die mij eerder een sigaret aanbood of ik deze nu wel mag hebben, maar hij schudt zijn hoofd. God verhoedde dat ik door die ene sigaret longkanker zal krijgen.



Misschien volgende keer, nu overal verkrijgbaar.

(Excuus voor de alineaindeling, in het boek is deze wel goed.
Dit artikel delen?
Pin It

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief