Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.
Bij de laatste poll kwam duidelijk naar voren dat er minder behoefte is aan de rubriek 'Boekfragment'. Gezien dat resultaat hebben we besloten die rubriek over enige tijd te beëindigen. Het is nu niet meer mogelijk om een boekfragment toe te voegen. Bestaande boekfragmenten blijven nog een beperkte periode online.

Koninkrijk van water (eerste deel)

Hieronder staat de concepttekst van mijn historische roman 'koninkrijk van water' (verwachte verschijningsdatum: 2018). Het verhaal gaat over de Romeinse tijd in Nederland.

Mogelijk wijzigen namen, personages of passages nog in de definitieve versie van het verhaal.

Proloog

17 voor christus

Harald

Harald was veertien jaar toen hij voor de eerste keer de Rijn over zou steken. Hij had de grote rivier al vaak gezien en had er zelfs een aantal keer in gezwommen, maar hij was nog nooit op de andere oever geweest. Sinds hij die ochtend was opgestaan, voelde Harald al de hele dag een bepaalde spanning die steeds verder toenam terwijl de kleine groep richting de rivier liep. Harald had het idee dat de andere oever meteen een heel andere wereld was. Een wildere wereld met andere volken en vreemde dieren. In de belevingswereld van Harald vormde het water een duidelijke scheidslijn tussen het vertrouwde land waarin hij was opgegroeid en de meer exotische wereld aan de overkant. Zijn vader Beren had de vorige avond nog tegen Harald gezegd dat hij zich niet druk hoefde te maken. Beren was de rivier al vaak overgestoken en de laatste paar zomers had hij ook steeds Bren, de oudere broer van Harald, meegenomen.
“De andere oever is precies hetzelfde als onze oever,” had zijn vader aan Harald verteld bij het haardvuur. “De mensen die daar wonen spreken dezelfde taal en ze hebben dezelfde goden. Het eten smaakt er niet anders en het regent daar even vaak als hier. De goden hebben de grote rivier niet als een scheiding tussen onze volken gelegd, maar juist als een verbindingsader.”
De moeder van Harald was niet blij dat Harald en zijn jongere broer Timmen mee gingen op jacht. Ze vond dat zij nog te jong waren, iets wat Timmen natuurlijk luidkeels had tegengesproken. Timmen zou aan het eind van de zomer dertien worden, maar hij vond dat hij net zoveel recht had om mee te gaan als Harald. Timmen had een onstuimig karakter en moest als jongste man van het gezin vaak voor zijn positie vechten door zich brutaler te gedragen dan zijn twee oudere broers of zich af te zetten tegen zijn jongere zus Banna. Harald had het idee dat zijn vader vaak wel geamuseerd was door de branie van Timmen, ook al had hij Timmen ook regelmatig geslagen als hij iets te ver was gegaan. Op de een of andere manier lukte het Timmen altijd om in de problemen te komen met de andere kinderen van de boerderijen bij hen in de buurt.
Zelf was Harald wat rustiger dan zijn broers en zijn zus. Hij dacht vaak lang na voor hij iets zei en regelmatig kon hij dromerig voor zich uit kijken zonder echt op te letten op wat er om hem heen gebeurde. Dan staarden zijn lichte grijze ogen in de verte en dwaalden zijn gedachten naar zijn dromen of naar de verhalen die ’s avonds rond het vuur werden verteld. Harald vond het altijd leuk om met zijn broers of met zijn vrienden te spelen, maar hij hield er ook van om in zijn eentje door het bos te zwerven of in het gras te liggen, terwijl de maan en de sterren boven hem door de hemel zweefden. Harald had het gevoel dat hij dichter bij de goden kon zijn als hij alleen was. Dat hij dan meer open kon staan voor hun bedoelingen, dat hij hun gedachten kon horen in de wind die door de bossen waaide. Stiekem hoopte Harald dat hij ooit een god tegen zou komen tijdens een van zijn lange wandelingen in het bos.
Zijn vader hield er niet zo van dat Harald zo’n dromerige jongen was. Beren deed zijn best om het niet te laten merken, maar Harald voelde dat hij meer had met Bren en Timmen.

De vier waren al vroeg in de ochtend op pad gegaan. De zon kwam in deze tijd van het jaar al vroeg aan de hemel, ook al hadden ze een maan geleden al weer het feest van de zonnewende gevierd. Na een eenvoudig ontbijt hadden ze afscheid genomen van Banna en Reine en hadden ze de boerderij verlaten. Beren had een van de twee paarden van de boerderij meegenomen als lastdier voor de proviand en de wapens van Bren en Beren. Het andere paard hadden ze achtergelaten bij de boerderij, net zoals de twee slaven Trig en Malo. Zij zouden op de boerderij letten terwijl de mannen weg waren. Normaal gesproken zouden de slaven mee gaan tijdens een jachtpartij, maar dit was iets wat Beren altijd alleen wilde doen met zijn zoons als ze oud genoeg waren om mee te gaan. Het was een speciaal ritueel dat Beren ieder jaar in de zomer wilde uitvoeren voordat hij aan de oogst zou beginnen. Het was zijn eigen persoonlijke traditie om stil te staan bij de tocht die zijn volk jaren geleden had gemaakt vanuit het land van de Chatten naar hun nieuwe woongebied langs de Rijn. Harald wist niet precies wanneer of waarom de stam van zijn vader uit hun gebied was vertrokken, maar Beren moet zelf nog een jonge man zijn geweest. Zijn vader praatte niet graag over die tijd.
Minstens een keer per jaar wilde Beren terug gaan naar de andere oever om die tocht te herdenken, ook al kwam hij oorspronkelijk niet uit het gebied waar ze nu heen gingen. Het ging er om dat ze naar de andere kant van de rivier gingen. Beren vond dat zijn familie een keer per jaar voedsel moest eten dat hij op de andere oever had gevangen, zodat ze de band met hun voorouders niet zouden verliezen. En dit jaar mochten Harald en Timmen voor de eerste keer mee. In de middag zouden ze de Rijn bereiken en die oversteken per kano. Daarna zouden ze overnachten op de andere oever, waarbij Beren de goden van zijn familie aan zou roepen en hen zou vragen om hem niet te vergeten in zijn nieuwe land. De volgende dag zouden ze er samen op uit trekken om te jagen en als het een goede jacht was, zou Beren weten dat zijn goeden hem en zijn familie weer een jaar zouden beschermen.

“Is dit de Rijn?” vroeg Timmen, toen ze kort na hun middagmaal bij een rivier kwamen. Bren keek zijn jongere broer met een grijns aan.
“De Rijn is nog breder dan deze rivier,” zei hij. “Dit is maar een zijrivier van de Rijn. Als ik wil, zou ik een speer naar de overkant kunnen gooien.”
“Je hebt de grote rivier toch wel eerder gezien, Timmen?” vroeg Harald. “We vieren het feest van de zonnewende elk jaar bij de Hunerberg, vlak bij de plek waar de Rijn zich afsplitst en naar het noorden afbuigt. Dat is dezelfde rivier waar we nu naar op weg zijn. Hij loopt helemaal langs de noordgrens van ons land en wordt steeds breder, tot hij uiteindelijk in de zee uitkomt.”
“Ik dacht dat de Rijn juist steeds kleiner werd naarmate hij verder stroomt,” zei Timmen.
“Het water staat deze zomer niet hoog,” zei Beren, terwijl hij de rivier in stapte en het paard achter zich aan leidde. “Kom, ik wil wel eens zien wie van jullie als eerste aan de overkant is.”
De drie jongens renden snel achter hun vader aan het water in. Ze wilden geen van allen als laatste aan de overkant komen. Ze wilden alle drie laten zien hoe sterk ze waren en hoe goed ze konden zwemmen.
De kinderen van hun volk leerden allemaal al op jonge leeftijd zwemmen. Dat moest ook wel als ze wilden overleven in het waterrijke gebied waarin ze opgroeiden. Hun vader had hen verteld dat ze tot het volk van de Bataven behoorden en dat iedereen al vroeg moest leren hoe ze moesten zwemmen en varen. Het gebied van de Bataven werd aan alle kanten omgeven door rivieren, waarvan de Rijn in het Noorden en Oosten de grootste was. Alle leden van hun stam konden zwemmen. De krijgers van de stam stonden er zelfs om bekend dat ze met hun paarden en hun volledige wapenuitrusting rivieren over konden steken, zonder gebruik te maken van bruggen of boten. Voor Harald was het logisch dat ze dat konden, want hij had het al vaak gezien bij de mannen van hun stam. Het kwam nauwelijks bij Harald op dat er ook volwassen mannen waren die niet eens konden zwemmen.
Het water was niet koud toen Harald er als eerste in sprong. Het voelde verfrissend om het zweet van de lange tocht van die ochtend van zich af te wassen. Hij zwom voorbij zijn vader, die naast het paard met de bepakking zwom. Beren hield zijn wapens in een hand boven zijn hoofd en bewoog zich met zijn andere hand langzaam vooruit. Niet lang daarna werd Harald al ingehaald door Bren, zoals hij al verwacht had. Bren was twee jaar ouder dan Harald en veel sterker. Harald wist dat de wedstrijd vooral tussen hem en zijn jongere broer Timmen ging. Harald wilde niet van hem verliezen. Als Harald langzamer was dan zijn broertje zou Timmen hem daar de rest van de tocht aan blijven herinneren. Harald stampte zo hard als hij kon met zijn voeten, maar hij voelde dat Timmen vlak achter hem zat. Voor hem zag hij Bren al weer uit het water klimmen op de andere oever. Vanuit zijn ooghoeken zag Harald dat Timmen naast hem kwam zwemmen, maar hij voelde ook weer vaste grond onder zijn voeten. Harald sprong overeind en rende door de koele modder naar de overkant. Timmen zat vlak achter hem, maar Harald tikte als eerste zijn broer Bren aan. Hij keek hijgend achter zich, waar Beren ook uit de rivier kwam lopen. Beren keek tevreden naar Harald, terwijl hij zijn hemd en zijn broek uittrok en droog wrong. De jongens volgden zijn voorbeeld en daarna trokken ze in hun klamme kleren weer verder.

Tegen het eind van de middag kwam de groep bij de boerderij van Wardolf, die met zijn zoon Wilfrid en dochter Hilde vlak bij de Rijn woonde. De vrouw van Wardolf was enkele jaren geleden overleden en nu woonde hij alleen met zijn kinderen in de boerderij, die er nogal rommelig uitzag. Het model van de boerderij was hetzelfde als de boerderij van Beren, maar hij was minder goed onderhouden. Het gedeelte van de boerderij waar Beren zijn koeien had staan, stond leeg bij Wardolf en zelfs vanaf de buitenkant kon je zien dat het dak lek was.
Wardolf en zijn kinderen leefden vooral van de visvangst en de jacht op de grote rivier. Af en toe handelden ze voedsel met andere boerderijen en nederzettingen langs de Rijn, maar het meeste van hun levensonderhoud haalden ze rechtstreeks uit de rivier zelf. De vader van Harald was een belangrijke man binnen de stam en Wardolf deed zijn best om hem zo gastvrij mogelijk te ontvangen. Wardolf bood hem brood en bier aan en verontschuldigde zich dat hij geen vlees had om aan te bieden. Hij stelde voor om een van zijn kippen te slachten, maar dat was voor Beren niet nodig.
“We blijven niet lang,” zei hij tegen Wardolf toen ze in zijn boerderij aan tafel zaten. “Ik wil vandaag nog de Rijn oversteken en aan de overkant de nacht doorbrengen. Als het kan, zou ik graag jouw kano willen gebruiken. We gaan morgen jagen en dan zullen we hem daarna terugbrengen als de jacht succesvol is geweest.”
“Natuurlijk,” zei Wardolf. “Mijn kano ligt klaar bij de rivier. En hoe gaat het met uw vrouw en uw familie? Ik zie dat uw zonen al sterke mannen worden.”
Harald gloeide van trots bij die woorden, maar dat kon ook door zijn beker met bier komen. Het bier van Wardolf was sterker dan de mede die hij gewend was om thuis te drinken. Beren en Wardolf waren goede vrienden van elkaar en Harald had Wardolf al vaker gezien als hij bij hen langs kwam om Beren te bezoeken. Dit was de eerste keer dat Harald bij zijn hoeve was en hij vond het hier erg stil vergeleken met hun eigen boerderij. Er waren minder dieren en afgezien van de kinderen en Wardolf zelf waren er geen andere mensen die hier woonden. Op de boerderij van Beren werkten in de oogstperiode soms wel vijftien mensen, die allemaal hun eigen slaapplek nodig hadden. Beren en zijn familie woonden in het grote woonhuis, waarvan ze de helft deelden met hun vijf koeien en twee paarden. De slaven en de knechten die in de zomer mee kwamen helpen met de oogst hadden hun eigen onderkomens op het erf van Beren. Wardolf had alleen de grote boerderij op zijn erf staan, die maar voor de helft werd gebruikt. Harald vroeg zich af hoe het was om de winter door te moeten brengen in dit troosteloze huis. Tijdens het eten wisselden Beren en Wardolf nieuws uit over de ontwikkelingen in hun omgeving. Timmen, Wilfrid en Bren mengden zich ook in het gesprek, maar Harald luisterde vooral. Hij begreep niet veel van waar de twee mannen het over hadden. Hilde zei ook niet veel en keek vooral aandachtig naar Bren. Wardolf vroeg of Beren de nieuwe Romeinse gouverneur al had ontmoet.
“Hoe heet hij ook alweer?” vroeg hij zich hardop af. “Ene Lollius was het, of zoiets.”
Beren knikte.
“Marcus Lollius,” zei hij. “Nee, ik heb hem nog niet ontmoet, maar Tarik is wel bij hem geweest na zijn installatie. Volgens hem was er weinig bijzonders aan deze gouverneur. De Romeinen besteden weinig aandacht aan ons zolang we ons aan onze afspraken houden.”
Harald staarde naar de kleine zilveren munt die Beren aan een leren koord om zijn nek droeg. De munt was, na zijn wapens, een van de waardevolste bezittingen van Beren en hij droeg hem altijd met trots om zijn nek. Niemand anders dan hijzelf mocht er aankomen. Tarik, de leider van hun volk, had die munt een paar jaar geleden aan de vader van Harald geschonken voor zijn hulp bij een bepaalde strijd. Op de zilveren munt was het gezicht van een man zichtbaar met daarboven vreemde tekens die Harald niet kon lezen.
“Is dat de leider van de Romeinen?” vroeg Harald, terwijl hij naar de munt van Beren wees.
“Nee,” zei Beren, die de munt in zijn hand nam en hem omhoog hield. “Tarik vertelde mij dat hier M. V. AGRIPPA staat. Dat is de naam van de vorige Romeinse gouverneur. De leider van de Romeinen staat wel op de achterkant.”
Beren draaide de munt om en daar was heel vaag een figuur van een man op een troon te zien. Een andere man boog voor de man op de troon en bood hem iets aan, maar door slijtage van de munt was het niet meer te zien wat hij in zijn handen had.
“Dit is Agrippa weer,” zei Beren, terwijl hij op de kleine figuur voor de troon wees. “Of dat vertelde Tarik in ieder geval. Ik weet niet of dat echt zo is of dat hij het maar heeft verzonnen. En deze voorstelling moet uitbeelden dat Agrippa Gallia als nieuwe provincie heeft ingericht voor Caesar, die de Romeinen nu Augustus noemen. Agrippa heeft wegen aangelegd en steden gesticht in Gallia, zodat het niet meer zo barbaars is als het tijdens de verovering en de onderlinge oorlogen tussen de Romeinen was. Augustus is de man die op de troon zit.”
“Is deze Caesar echt de zoon van Julius Caesar?” vroeg Wilfrid. Harald zag dat het gezicht van zijn vader vertrok toen hij die vraag hoorde. Zijn hoofd werd rood, terwijl hij strak voor zich uit staarde. Wardolf gaf zijn zoon een harde klap tegen zijn achterhoofd.
“Over die Caesar wordt hier niet gesproken,” zei hij bits en nam een hap van zijn brood.
Even voelde Harald een duidelijke spanning in de kamer hangen, terwijl Beren en Wardolf allebei zwegen. Harald kende al die namen niet. Augustus, Agrippa, Lollius, het zei hem allemaal niks. Maar de naam Caesar kende hij wel. Hij wist dat Julius Caesar vele jaren geleden Gallia had veroverd voor de Romeinen. Dat was nog ver voor de geboorte van Harald geweest. Caesar was de eerste Romein geweest die op een stuk papier een lijn had getrokken langs de Rijn en had verklaard dat het hele gebied tot aan de Rijn nu bij Rome hoorde. Bren had ooit aan Harald verteld dat deze Caesar zelfs een brug over de grote rivier had laten bouwen, maar daar geloofde Harald niks van. De Rijn was te breed en de stroming was te sterk om daar een brug over te bouwen.
“Kom je de Romeinen vaak tegen op de rivier, Wardolf?” vroeg Bren uiteindelijk om de spanning te breken.
“Niet zo vaak,” zei Wardolf. “Af en toe komt er een patrouilleschip voorbij of ik kom een aantal bevoorradingsschepen tegen die op weg zijn naar de Hunerberg, maar verder blijven ze vaak in hun kamp zitten, vooral in de winter. En soms trekken ze er met een groep van duizenden mannen tegelijk op uit. Dan voeren ze waarschijnlijk verkenningen uit, of ze bouwen ergens in het binnenland aan de wegen die de Romeinen overal aanleggen.”
“Laat je dolk zien, pap,” zei de zoon van Wardolf, terwijl hij aan zijn ellenboog trok.
“Oh ja, dat is waar ook,” zei Wardolf, die opstond en een bundel uit een kist haalde. Hij sloeg de doeken van de bundel opzij en liet een kleine dolk in een leren schede zien.
“Afgelopen winter kwam ik een groepje tegen, midden in de moerassen in het Westen. Het waren allemaal nog echte broekies die hopeloos verdwaald waren tussen de verschillende kreken. Volgens mij had hun commandant ook nog nooit eerder gevaren, want hun boot was veel te groot voor het ondiepe water waarin ze terecht waren gekomen.”
“Domme Romeinen,” zei Timmen. “Ze kunnen alleen op het land goed vechten. Maar zodra ze op het water komen, gedragen ze zich als een stel kinderen.”
“Jij bent ook nog een kind, Timmen,” zei Beren. “En zolang jij nog geen boot hebt bestuurd of hebt gevochten, kun je ook niks zeggen over de Romeinen. Het is makkelijker dan je denkt om verdwaald te raken op het water. Zelfs voor mensen die de rivier goed kennen.”
“Dat klopt,” zei Wardolf. “Je moet nooit vergeten dat de rivier een eigen wil heeft en altijd in beweging is. Zelfs ik kom soms nog onbekende stukken tegen en ik vaar al jaren op de kronkelende stroom. Maar goed, die soldaten waren zo blij dat ik hen weer op weg kon helpen dat hun commandant zijn dolk wel wilde ruilen voor een paar ganzen die ik die ochtend had gevangen.”
Beren haalde de dolk uit de schede en bekeek hem aandachtig.
“Dit is een mooi wapen,” zei hij, terwijl hij de dolk omdraaide in zijn hand. Hij gaf het wapen door aan Bren. “Die soldaten moeten wel erg wanhopig zijn geweest.”
“Of ze hadden gewoon heel veel zin in die ganzen,” zei Wardolf. Bren wilde de dolk teruggeven aan Wardolf, maar Timmen stak zijn hand uit om aan te geven dat hij het ook vast wilde houden. Beren nam een laatste slok uit zijn beker en zette hem met een harde klap op tafel.
“We moeten weer verder gaan,” zei hij tegen zijn zonen. “Ik wil voor het avondeten aan de overkant zijn.”
Harald dronk snel zijn eigen beker leeg, terwijl Timmen de dolk terug gaf aan Wardolf. Wardolf pakte het wapen zorgvuldig in en borg het weer op in de kist.
Wardolf vertelde waar ze zijn kano konden vinden, waarna ze afscheid namen van hem en zijn kinderen. Beren beloofde dat hij op de terugweg weer langs zou komen. De twee mannen omhelsden elkaar en Beren leidde zijn zonen weer verder.

Niet veel later kwamen ze aan bij de rivier. De Rijn was inderdaad veel breder dan de rivier die ze die middag hadden overgestoken, maar ook hier stond het water lager dan gebruikelijk in deze tijd van het jaar. De goden hadden voor een droge zomer gezorgd. Beren vond de kano op de plek die Wardolf aan hem had omschreven. Hij bestond uit een uitgeholde boomstam die ongeveer twee keer zo lang was als Harald zelf. De kano kon zowel door een als twee personen worden gebruikt. Samen met Timmen controleerde Beren de kleine boot, terwijl Harald en Bren de bepakking van het paard los knoopten. Harald merkte dat het paard onrustig stond te trappelen.
‘Zou hij voelen dat hij zo meteen de Rijn over moet zwemmen?’ vroeg Harald zich af. Hij klopte het dier zachtjes op zijn hals. Het oversteken van de rivier was een zware inspanning, maar Harald wist dat het dier goed kon zwemmen. Hij was al vaker met Bren en Beren re Rijn overgestoken. Het paard begon nog onrustiger te worden en snoof ongeduldig, terwijl hij met zijn hoofd heen en weer bewoog.
“Wat is er?” vroeg Harald, terwijl hij het paard in de ogen keek. Het leek alsof hij ergens van geschrokken was.
En net op dat moment hoorde Harald een ander paard hinniken. Het kwam van ver, vanaf de overkant van de rivier. Harald draaide zich snel om en hoorde meer paarden hinniken, gevolgd door woeste kreten van mannen. Een groep eenden stoof snel weg vanuit het riet aan de andere oever en vloog snaterend over hen heen. Beren en Timmen staarden ook gespannen naar de overkant van het water. Het klonk alsof het een grote groep was, die door de bossen aan de overkant trok.
“Kijk daar,” zei Timmen, terwijl hij naar rechts wees. Hij wees naar een andere plek dan waar het geluid vandaan kwam. Aan de rechterkant ging de brede rivier een bocht om en daar zag Harald een groot aantal boten en vlotten tevoorschijn komen. Het waren tientallen kleine boten die volgepakt zaten met bewapende mannen. Tussen de boten door zag Harald nog meer mannen en paarden zwemmen.
Instinctief doken Beren en zijn zonen ineen bij het zien van zo’n grote groep die de rivier overstak. Harald leidde het paard snel richting de struiken voordat de mannen in de boten hen op zouden merken.
Het paard was net op tijd uit zicht. Recht tegenover hen verscheen nu een andere groep mannen aan de oever van het water. Het was een grote groep ruiters die allemaal bewapend waren met speren en schilden. Aan het hoofd van de groep reed een grote man die duidelijk de aanvoerder was. Hij had een versierde ijzeren helm op zijn hoofd en zwaaide met een groot zwaard door de lucht. De aanvoerder spoorde zijn mannen aan om het water in te gaan en meteen stormde de hele troep de rivier in. Harald zag een eindeloze rij mannen het bos uit komen en het water in rijden. Op de plaatsen waar het water te diep werd om nog te kunnen rijden sprongen de ruiters van hun paard af, waarna mens en dier samen naar de overkant zwommen.
“Wie zijn dat?” fluisterde Timmen tegen Beren, terwijl er steeds meer mannen uit het bos tevoorschijn kwamen.
“Dit is meer dan een stam,” zei Bren.
Harald had nog nooit zoveel krijgers bij elkaar gezien, zelfs niet als de verschillende families in de zomer bij elkaar kwamen voor een feest. De groep tegenover hen bestond al uit meer dan honderd ruiters en de groep die verderop de rivier overstak leek nog groter te zijn.
“Kijk daar, nog meer,” zei Timmen, die naar links wees. Ook aan de linkerkant van hen zag Harald een groot aantal boten de rivier oversteken. Over het water hoorden ze de ritmische kreten van de roeiers komen die allemaal hun best deden om als eerste de overkant te bereiken.
“Die ruiters dragen de kleuren en de uitrusting van de Sueben,” gromde Beren, terwijl hij naar de groep voor hen wees. De voorste zwemmers waren al bijna halverwege de rivier. “Die andere groepen ken ik niet, maar dit is een zeer grote groep.”
“Wat moeten we doen?” vroeg Harald. “Straks zien ze ons.”
Harald wilde weg van deze plek, maar hij wilde niet aan zijn vader of zijn broers laten merken dat hij bang was.
“Oh nee,” fluisterde Beren geschrokken, toen hij een nieuwe ruiter uit het bos tevoorschijn zag komen. Harald zag meteen waar zijn vader van was geschrokken. Deze ruiter zag er uit als de aanvoerder van een andere groep ruiters, die weer andere kleuren droegen dan de groep die als eerste de rivier overstak. In zijn rechterhand hield de man een lange speer en daar had hij een afgehakt hoofd op gespiesd. De ruiter zwaaide er triomfantelijk mee rond voor zijn mannen als een trofee. Aan de Romeinse helm die nog steeds om het hoofd van de man zat gebonden was duidelijk te zien dat dit hoofd van een centurion was geweest. De rode pluim op de helm wapperde heen en weer, terwijl de hoofdman de trofee aan de andere groepen ruiters toonde.
“Dit is niet goed,” fluisterde Beren. “Kom mee.”
Hij kroop achteruit en leidde het paard met zich mee. De vier liepen zo stil mogelijk weg van het water, waar ze nog steeds de woeste kreten en het spattende water van de grote groepen ruiters hoorden. Toen ze een eindje van de rivier af waren gerend en ze minder lawaai hoorden, haalde Beren snel zijn bepakking van het paard. De proviand verstopte hij onder een struik, maar hij slingerde zijn schild om zijn rug en nam zijn speer in de hand.
“Bren, jij moet vooruit gaan,” zei hij tegen zijn oudste zoon. Hij gaf hem de teugels van het paard. “Als we geluk hebben, trekt deze groep recht naar het zuiden en komen ze niet langs onze boerderij. Maar het is hier sowieso niet veilig. Rij eerst naar Wardolf en waarschuw hem. Zijn hoeve ligt recht in het pad van deze troep.”
Bren klom snel op het paard, dat nu nog onrustiger was dan net.
‘Hij voelt onze angst,’ dacht Harald en hij probeerde om wat minder angst uit te stralen.
“Wacht niet op Wardolf, maar rij meteen door naar huis,” zei Beren. “Als de goden het willen, ben je daar nog voor het donker. Laat Reine en Banna het vee meenemen naar het Westen en stuur Trig en Malo mee om ze te beschermen. Rij dan rechtstreeks door naar Tarik om hem te waarschuwen.”
“Ik zal ze waarschuwen,” zei Bren. “En wat doet u dan?”
Beren keek in de richting van de rivier, die nu verscholen lag achter een paar struiken.
“Ik kom zo snel mogelijk achter je aan,” zei hij. “Met een beetje geluk hebben ze teveel haast om ons op te merken. Als zo’n grote groep krijgers de Rijn oversteekt, willen ze waarschijnlijk doortrekken richting het binnenland. Dit is niet zomaar een kleine overval. Ga nu. En geef het bericht door als je onderweg Romeinen tegenkomt.”
Daarop sloeg Beren tegen het achterwerk van het paard. Bren spoorde het dier aan en even later was hij al verdwenen tussen de bomen.
“Kom mee,” zei Beren tegen Harald en Timmen, waarna hij begon te rennen. Harald en Timmen renden zo snel als ze konden achter hem aan. Harald was erg geschrokken van het plotselinge verschijnen van de grote groep krijgers die de Rijn overstak naar hun land. Hij vroeg zich af wat de ruiters zouden doen als ze hen zouden vinden. Zou hun hoofdman zijn hoofd ook op een speer plaatsen en daarmee rond gaan rijden? Of zou hij het hoofd van Beren afhakken?
Harald voelde tranen opkomen in zijn ogen bij die gedachte, maar hij slikte het snel weg. Hij was al bijna een man. Hij zou niet huilen. In ieder geval niet waar Timmen en zijn vader bij waren.
“Dit is een fout,” mompelde Beren tegen zichzelf, terwijl ze zo snel mogelijk verder liepen. “Een vreselijke fout. Die dwazen weten niet waar ze aan beginnen.”
“Denk je dat Tarik ze gaat straffen?” vroeg Timmen. “Is het daarom een fout om de Rijn over te steken? Ik kan ook vechten als ze ons huis bedreigen.”
Beren snoof.
“Het is niet Tarik waar ik me zorgen over zou maken als ik hen was,” zei hij. “Je zag wat die ruiter op zijn speer had. Met deze inval zullen ze de woede van de Romeinen op hun hals halen en dat is ongelofelijk dom. Misschien winnen ze vandaag even van de Romeinen, omdat die de aanval niet verwachten. Het zag er uit als een grote verzameling krijgers en er zijn op dit moment weinig soldaten in ons gebied.”
Beren bleef even stil staan om te luisteren en rende weer verder.
“Ze winnen misschien vandaag van de Romeinen of voor een paar weken, maar de Romeinen zullen terugkomen. Ver weg, op zijn troon in Rome, zal Augustus van deze inval horen en hij zal zijn blik naar het Noorden richten; naar het land aan de overkant van de Rijn. En hij zal deze aanval niet vergeten en niet vergeven.”
Beren bleef weer even staan. Ze hoorden op deze plek geen geluid meer vanaf de rivier komen. Daarvoor waren ze al te ver weg.
“De reactie zal misschien op zich laten wachten, maar ik weet zeker dat hij zal komen. Misschien over een jaar; of over vijf jaar. Maar hij zal komen. Deze mannen ontketenen vandaag zonder dat ze het door hebben een storm die zal beginnen in Rome en langzaam aan zal zwellen als hij naar het Noorden trekt.”
“Hoe weet je dat de Romeinen hen zullen straffen?” vroeg Timmen. “Misschien verslaan ze de Romeinen wel.”
“Of misschien hoeven de Romeinen geen wraak te nemen,” zei Harald. “Misschien worden ze niet gestraft als ze zich terugtrekken naar de overkant van de Rijn.”
“De Romeinen nemen altijd wraak,” zei Beren, terwijl hij verbeten doorstapte met zijn speer in zijn hand. “En die wraak zal verschrikkelijk zijn. Dat heeft Julius Caesar ons geleerd.”

Hoofdstuk 1

16 voor christus

Marcus

“Rekruut, ik zei toch dat je in de rij moest gaan staan.”
De centurion gaf Marcus een felle klap op zijn rug met de vitis, de korte staf waarmee hij zijn mannen kon straffen als hij vond dat ze dat nodig hadden.
Marcus ging snel in de rij staan, terwijl hij de plotseling opkomende pijn probeerde te negeren. Hij keek de brede centurion die vlak naast hem stond niet aan.
‘Dit begint al goed,’ dacht Marcus. ‘Ik heb me nog niet eens aangemeld of ik word al geslagen.’
Marcus stond al meer dan een uur te wachten op het veld en hij wilde dat het allemaal wat meer opschoot. Hij begon ongeduldig te worden. Hij was niet speciaal naar Rome gekomen om hier de hele dag in de rij te staan. Marcus was vooral ongeduldig omdat hij zich afvroeg of ze hem wel toe zouden laten. Hij wilde weten waar hij aan toe was. Hij wist dat hij eigenlijk te jong was om in de legioenen te dienen. Marcus was pas zestien jaar en je moest minstens zeventien zijn. Maar Marcus kon niet meer wachten. Het leger was de enige kans die hij zag om te ontsnappen aan zijn huidige leven. De enige manier om zijn schande achter zich te laten. In het leger kon hij opnieuw beginnen.
De rij met potentiële rekruten bewoog zich maar langzaam naar voren. De officieren namen de tijd om iedereen goed te inspecteren voordat ze werden toegelaten. De inspectie was niet alleen fysiek, maar van alle rekruten werd ook gecontroleerd of hun naam voorkwam op de lijsten met Romeinse staatsburgers, die vanuit verschillende steden in Italië werden bijgehouden door de censors. Alleen mannen met burgerrecht mochten dienen in de legioenen. Vrijgelatenen en mannen uit de provincies konden hooguit dienen in de hulptroepen, maar die kregen minder betaald dan de legioensoldaten en stonden ook minder hoog in aanzien. Er waren vandaag veel jonge mannen op deze rekrutering afgekomen. Marcus hoorde dialecten uit heel Italië om zich heen, maar de meesten leken uit Rome zelf te komen. Gisteren had Marcus de enorme stad pas voor de eerste keer in heel zijn leven gezien en hij was er nog steeds door overdonderd. Hij had veel verhalen gehoord over de grootte en de pracht van de stad op de zeven heuvels, maar niks had hem op deze indruk voor kunnen bereiden. De hele middag en avond had Marcus met een open mond door de enorme stad gedwaald. Hij had op straat ernstige senatoren zien lopen, gehaaste slaven en luidruchtige handelaren. Het leek wel alsof alle talen van de wereld in Rome werden gesproken. De stank die als een smerige deken over de hele stad lag, was haast ondraaglijk, maar Marcus merkte het nauwelijks op. Hij was te zeer onder de indruk van de enorme bouwwerken in de stad. Het ene gebouw was nog groter en schitterender dan het andere. Vooral de tempels waren prachtig. Marcus kon zich haast niet voorstellen dat al deze gebouwen door mensen waren gemaakt. Als de Romeinen in staat waren om dit soort bouwwerken neer te zetten, dan was het terecht dat Rome de heerser over de wereld was. Geen enkel volk, zelfs de Grieken niet, kon deze bouwwerken overtreffen.
Bij het vallen van de avond had Marcus zijn laatste bezittingen geofferd bij de tempel van Castor en Pollux. Hij had niet veel, een paar munten en een versierd mes, maar wat hij had, had hij daar afgestaan. Hij wilde niks meer overhouden wat hem aan zijn vorige leven herinnerde. In het leger wilde hij opnieuw beginnen. Bij het offeren aan de twee goden van de oorlog had Marcus ook de belofte gedaan dat hij een deel van zijn eerste buit zou offeren als ze hem lang genoeg in leven konden houden.
Na het offer had Marcus de nacht op straat doorgebracht, aangezien hij zich geen kamer meer kon veroorloven. Hij had waarschijnlijk toch niet kunnen slapen vanwege alle indrukken van die dag. Hij wilde zoveel mogelijk ervaren van deze betoverende stad. Na een korte slaap in een steeg was hij de volgende ochtend uiteindelijk maar de poort uitgelopen en naar het Marsveld gegaan. Hij had geen idee hoeveel jaar het zou duren voordat hij weer terug zou komen. Bij het Marsveld zag Marcus dat er zich al een grote menigte verzameld had die zich aan wilde melden voor de legioenen.
Iedereen in de stad wist dat er iets groots stond te gebeuren. Er werd een belangrijke campagne voorbereid. De legioenen zouden er binnenkort op uittrekken om nieuwe gebieden te veroveren. En nieuwe veroveringen betekenden oorlogsbuit en de kans op roem. Alle jonge mannen, zowel van hoge als lage komaf, werden door dat vooruitzicht aangetrokken. Dit werd een campagne waar je bij moest zijn. De stad gonsde al lang van de geruchten over het doel van de campagne. En die geruchten waren alleen maar wilder geworden nu zelfs de Princeps was vertrokken uit Rome en naar Gallia was gegaan. Het was al weer meer dan een jaar geleden dat het nieuws uit Gallia was doorgedrongen tot de inwoners van Rome. Er was een schok door de stad gegaan toen bekend werd dat Marcus Lollius in Gallia Belgica was verslagen door een verbond van verschillende Germaanse stammen die de Rijn over waren gestoken. Wat nog het ergste was aan de nederlaag van Lollius was dat het Vijfde legioen zijn adelaar had verloren. De standaard met het beeld van de adelaar er op was het belangrijkste ereteken van een legioen. Het was een bijna heilig symbool voor de legionairs en het werd beschouwd als een grote schande als de vijand er in slaagde om de adelaar te stelen.
Iedereen had verwacht dat Agrippa, de meest bekwame generaal en de rechterhand van Augustus, naar Gallia Belgica zou worden gestuurd om Lollius te vervangen, maar Agrippa was net op een missie naar het verre oosten gestuurd. En dus ging Augustus zelf naar Gallia om orde op zaken te stellen. Hij vertrok na de winter naar Lugdunum en nam zijn familie en zijn twee stiefzonen, Tiberius en Drusus, met zich mee. Toen de Germanen hoorden dat Augustus plannen maakte om hoogstpersoonlijk naar Gallia te komen, hadden ze zich snel teruggetrokken achter de Rijn en om vrede gevraagd. Maar Marcus wist dat Augustus het hier niet bij zou laten zitten. Niet nu de eer van het vijfde legioen en van Rome zelf waren geschonden. Augustus mocht niet zwak lijken. Rome moest laten zien dat het in staat was om heel Gallia te beschermen tegen dit soort rovende barbaren.
Voor zich zag Marcus dat een van de rekruten werd afgewezen door de officieren die iedereen inspecteerden. De man was te klein om in de legioenen te dienen en hij werd ondanks zijn hevige protesten de rij uit gestuurd. Dat was in ieder geval iets waar Marcus zich geen zorgen om hoefde te maken. Hij was een stuk langer dan de meeste andere mannen in de rij. Marcus schatte in dat hij minstens een kop groter was dan de man die net was weg gestuurd. Hij had wel een wat tengere bouw vond Marcus zelf. Zijn armen en schouders waren een stuk slapper dan die van de man die voor hem stond te wachten. Gelukkig had de lange voettocht van de afgelopen dagen naar Rome er voor gezorgd dat hij in ieder geval op zijn kuiten wat meer spieren had gekregen. Het enige waar Marcus zich zorgen over maakte bij de inspectie was zijn leeftijd. Hij vroeg zich af hoe streng de officieren zouden zijn. Hij was vast niet de eerste jongen die loog over zijn leeftijd bij zijn aanmelding. Om toch wat ouder te lijken had Marcus de afgelopen dagen zijn baard laten staan, maar dat had nog niet veel opgeleverd. Hij zag er nog steeds erg jeugdig uit met zijn zwarte haar en zijn donkerblauwe ogen.
“Je naam?” vroeg de officier achter de tafel, toen Marcus eindelijk aan de beurt was.
“Marcus, meneer,” zei hij.
Een slaaf was ondertussen bezig met een touw om de maten van Marcus op te meten. Hij maakte aantekeningen op een klein schrijfplankje van was. De slaafde mompelde goedkeurend bij het opmeten van zijn lengte, maar keek misprijzend naar de dunne armen van Marcus. Hij hield een van zijn armen in de lucht en keek met een spottende blik naar de officier. De officier gaf een teken dat hij het gezien had.
“Dat komt vanzelf wel goed,” zei hij en hij richtte zich weer tot Marcus. “Van welke familie?”
“Vilenus”, zei Marcus. “Hij liet het document zien dat hij een paar dagen daarvoor midden in de nacht had gestolen. Vanaf nu was dat zijn nieuwe naam.
“Hoe oud ben je, Marcus?”
“Ik ben zeventien meneer,” zei Marcus met een strak gezicht.
De slaaf naast hem maakte een proestend geluid. Marcus voelde dat hij rood werd, maar hij durfde de slaaf niet aan te kijken. Hij voelde hoe zijn grote droom van dit ene moment afhing. Al van jongs af aan wilde Marcus als legionair dienen. Dan zou iedereen hem eindelijk respecteren en niet als uitschot behandelen. Marcus had geen idee wat hij moest doen als de officier hem nu zou weigeren. De officier keek hem streng aan en Marcus voelde dat de slaaf ook naar hem keek, alsof ze konden zien dat hij de waarheid niet sprak.
“Je hoorde de knaap, Pisto,” zei de man achter de tafel ten slotte. “Schrijf zeventien op.”
De man stelde nog een aantal vragen over zijn verleden, waar Marcus al wat antwoorden voor had verzonnen op zijn reis naar Rome. Daarna controleerde de slaaf Pisto nog zijn gebit, maar Marcus had het gevoel dat hij al bijna was toegelaten. Uiteindelijk keurde Pisto hem goed en drukte de keuringsofficier zijn stempel op het schrijfplankje.
“Marcus Vilenus, welkom bij het eenentwintigste legioen,” zei hij, terwijl hij de arm van Marcus vastpakte. “Meldt je bij centurion Publius Barrus van het zevende cohort, derde centurie. Barrus weet wel raad met die iele armpjes van je.”
De officier gaf Marcus het schrijfplankje.
“Nadat je je bij de centurion hebt gemeld, geef je dit aan de signifier, de drager van de standaard van de centurie. Zorg dat je dat deel niet vergeet, want hij houdt de administratie bij voor de centurie en hij regelt de soldij. En schiet een beetje op, we willen dat alle nieuwe rekruten vandaag nog hun eed afleggen.”

Marcus moest verschillende keren vragen waar hij het zevende cohort kon vinden, maar er waren maar weinig soldaten die hem konden helpen. Het leek wel of iedereen die Marcus aansprak een nieuwe rekruut was. Niemand leek te begrijpen hoe het legioen georganiseerd was of waar het zevende cohort zijn tenten had opgezet in het tijdelijke kamp op het campus Martius. En de centurions en overige officieren die al wel jaren in de legioenen hadden gediend, hadden er helemaal niet bij stil gestaan dat niemand van de rekruten wist waar hij heen moest. Overal waar het legioen zijn kamp opsloeg werd het volgens hetzelfde strakke patroon opgezet. Het kwam niet meer bij de officieren op dat iemand dat patroon niet in zijn hoofd had zitten en het gevolg was dat honderden nieuwe soldaten die middag over het veld liepen te dwalen op zoek naar hun juiste plek. Het maakte het humeur van de centurions er niet beter op.
De basiseenheid van de legioenen waren de centuries, die uit tachtig soldaten bestonden en werden geleid door de centurion. Alle centurions waren ervaren soldaten die al jaren in de legioenen hadden gediend. Ze waren op het slagveld duidelijk te onderscheiden van de reguliere soldaten door hun versierde helmen met een rode kam er op. Iedere centurion koos zelf als rechterhand een optio uit, die hem ondersteunde in het commando en zijn taken over kon nemen als de centurion sneuvelde in de strijd. Naast de centurion en de optio vormden nog de wachtcommandant, de drager van de standaard en de hoornblazer samen het officierenkorps van een centurie. Ieder cohort bestond uit zes centuries, wat neerkwam op vierhonderdtachtig man. En het hele legioen bestond op zijn beurt weer uit tien cohorten, waarvan het meest prestigieuze eerste cohort twee keer zo groot was als de andere cohorten. Alles bij elkaar telde het legioen op volle sterkte zo’n viereneenhalfduizend soldaten en officieren en daar kwamen dan nog de artsen, ingenieurs, slaven, smeden, de families van de hogere officieren en het personeel van de enorme bagagekaravaan bij.
Marcus was ingedeeld in het zevende cohort en toen hij zijn cohort eindelijk gevonden had, zag hij dat een groot deel van de centurie al compleet was. De mannen stonden gespannen te wachten in rijen van acht tot alle rekruten waren ingedeeld. Iedere rij had zijn eigen tent, waarbij de nieuwe rekruten zo werden verdeeld dat er in iedere tent wel een of twee ervaren soldaten waren.

De centurion die voor de groep stond keek Marcus afkeurend aan, terwijl hij de schrijfplank in ontvangst nam. Het was een brede, gespierde man van ongeveer veertig jaar oud schatte Marcus. Op de een of andere manier deed hij Marcus een denken aan een stier, die met zijn gespierde nek en kleine donkere ogen klaar leek te staan om op ieder moment iemand aan te vallen. Waarschijnlijk had hij zijn twintig dienstjaren er al op zitten, maar toch was hij nu weer hier aanwezig om een stel nieuwe rekruten om te vormen tot legionairs van Rome. Deze man was oud genoeg om zich met de andere veteranen te vestigen in een van de koloniën, maar hij bleef in dienst en was met zijn veertig jaar een van de oudere mannen van het legioen. Dit was een professionele vechtersbaas die zijn hele leven had gewijd aan oorlog voeren en moorden en dat straalde hij ook uit. Schuin over de bovenkant van zijn neus en wang, net naast zijn oog, liep prominent een litteken en zijn rechterarm, zijn zwaardarm, zat vol krassen en schrammen die hij over de jaren in verschillende gevechten had opgelopen. Zijn ogen straalden een doffe hardheid uit met weinig ruimte voor vrolijkheid.
“Moet je kijken wat ze ons nu weer gestuurd hebben, Quintus,” zei Publius Barrus tegen zijn optio, terwijl hij misprijzend naar het slungelige lichaam van Marcus keek. “Zelfs Marius ging niet zo ver dat hij meisjes wilde toelaten in de legioenen.”
Marcus voelde dat hij rood werd, terwijl de mannen in de centurie lachten. Hij deed alsof hij de opmerking niet had gehoord. De optio lachte mee, maar iets minder hard dan de anderen.
“Hoe heet je, rekruut?” vroeg de optio, terwijl de centurion de schrijfplank doorgaf aan de signifier.
“Marcus Vilenus, meneer,” zei Marcus, die het saluut nadeed dat hij al verschillende rekruten in het kamp had zien doen. De mannen begonnen opnieuw te lachen, maar een blik van Barrus zorgde er voor dat ze stil werden.
“Tiende tent, Vilenus,” zei de centurion. “Ga in de tiende rij staan. Ik wil niet dat zo’n lange slungel als jij in mijn voorste linie staat, waardoor je een speer van de mannen achter je in je nek krijgt.”
Marcus sloeg zijn vuist tegen zijn borst, maar de centurion onderbrak hem.
“Ja, laat die saluut maar zitten, rekruut. We leren morgen wel hoe dat moet.”
Marcus draaide zich om en liep naar de achterste rij van de centurie. Hij nam zijn plaats in tussen de mannen met wie hij de komende jaren zijn tent zou delen. De anderen groetten hem niet toen Marcus tussen hen in kwam staan. Alle mannen keken strak voor zich uit en zeiden niks, terwijl de overige rekruten van de centurie zich een voor een kwamen melden tot bijna alle rijen gevuld waren. Publius Barrus leek op bijna iedere rekruut wel iets aan te merken hebben. De ene was te klein, de andere te oud of juist te jong; er was een enorme rekruut, Aulus Cottus, waarvan Barrus zich serieus afvroeg of hij niet te dik was voor de wapenuitrusting.
“Is dit een grap van die slaaf Pisto?” vroeg Barrus, terwijl hij naar het schrijfplankje van Aulus Cottus staarde. “Ik zou zweren dat ze jou zouden indelen bij de andere ossen van de wagens.”
Cottus werd bij Marcus in de tent ingedeeld en terwijl hij met een beschaamd gezicht naar zijn plek liep, smeekte de centurion met zijn handen naar de hemel gericht Mars luid om vergiffenis dat hij met deze troosteloze groep ten strijde moest trekken. Marcus dacht dat Barrus het als grap bedoelde en begon te lachen, maar dat werd snel door de centurion afgestraft met enkele klappen met zijn staf.
“Niemand spot in deze centurie met de goden, Vilenus,” schreeuwde Barrus naast zijn gezicht. Marcus voelde druppels spuug in zijn oor. “En al helemaal niet met Mars, die al talloze keren mijn leven heeft gered op het slagveld.”
Met afgemeten stappen liep Barrus terug naar voren, terwijl hij tegen alle rekruten sprak.
“Als jullie Mars waardig zijn, zal hij jullie door middel van mijn opleiding in leven houden. Maar als ik er achter kom dat jullie zwak zijn of laf, dan kan zelfs Mars jullie niet beschermen. Dan wurg ik jullie eigenhandig in jullie slaap.”
Verschillende jonge rekruten vroegen zich af of hij dit meende en keken ongemakkelijk naar Barrus, alsof ze verwachtten dat hij ze hier ter plekke aan zou vliegen. De optio deed ondertussen zijn best om zijn glimlach te onderdrukken en net zo streng te kijken als de centurion.
De optio was een paar jaar jonger de Barrus, maar Marcus had het idee dat hij toch ook al tegen het einde van zijn dienstperiode moest zitten. Hij heette Quintus Caelius en net zoals de andere officieren van de centurie had hij al jaren gediend onder het commando van Barrus. De twee waren echte wapenbroeders die samen talloze veldslagen hadden overleefd. De helm van de optio was iets minder opzichtig dan de helm van de centurion. Hij had een enkele pluim in de vorm van een witte paardenstaart op zijn helm in plaats van de brede rode kam die Barrus op zijn helm had. En zijn kleding was iets minder rijk versierd met de ronde onderscheidingstekens die Barrus deze dag op zijn borst droeg. Quintus was een wat rustiger persoon dan Barrus. Waar de centurion impulsief kon zijn en zich snel kon opwinden als iets niet ging zoals hij van tevoren had verwacht, was Quintus juist op geen enkele manier van zijn stuk te brengen. Quintus had na al die jaren in het leger nog steeds een redelijk ongeschonden gezicht, wat waarschijnlijk kwam doordat de optio altijd aan de achterkant van de slagorde van een centurie vocht. Quintus had alleen op zijn schildarm een litteken zitten dat er uit zag alsof hij daar jaren geleden een grote brandwond had opgelopen. De huid op die arm zag er nog steeds rood en verwrongen uit.

Quintus en Publius leerden de rekruten die middag nog maar weinig. Ze waren vooral bezig om alle namen te leren en uit te vinden van welke rekruten ze problemen konden verwachten tijdens de opleiding. Marcus vroeg zich af hoe de volgende dagen zouden verlopen. Hij wist dat de legioenen een loodzware proeftijd hadden. En ook als hij die proeftijd zou doorstaan, zou het leven in het legioen zwaar zijn. Dat was ook de kracht van het Romeinse leger, wist Marcus. Een zwaard werd gesmeed door er met een hamer op te slaan tot het hard was; en hetzelfde gold voor de soldaten die deze zwaarden zouden gebruiken. Barrus was de hamer die deze groep rekruten om zou vormen tot een geharde groep soldaten. Marcus twijfelde er niet aan of hij de proeftijd door zou komen. De indrukken van deze dag voelden aan de ene kant bedreigend, maar aan de andere kant voelde het ook vertrouwd. Dit was de wereld waarin hij thuis hoorde. Wat er de komende weken ook zou gebeuren; en wat Barrus hen ook zou laten doen, Marcus wist dat hij niet meer weg wilde uit het eenentwintigste legioen. Het eenentwintigste legioen was zijn huis en zijn nieuwe familie. Het eenentwintigste legioen was zijn legioen.
Hoofdstuk 2

Banna

Op de ochtend van de bruiloft was Banna enorm zenuwachtig. Vanaf het moment dat ze wakker werd in de nog donkere ruimte, voelde ze een spanning waardoor ze niet meer in slaap kon komen. Ze moest wel uit bed gaan. Ze kon niet meer wachten tot de zon op zou komen en de dag waar ze zo lang naar had uitgekeken zou beginnen. Het voelde bijna alsof niet haar broer Bren, maar zijzelf vandaag zou gaan trouwen, zo spannend vond ze het. Banna kroop zacht uit bed en probeerde zo stil mogelijk via de houten trap naar beneden te klimmen vanaf het slaapgedeelte van de boerderij. Haar moeder Reine was al bijna net zo zenuwachtig als Banna en ze zag dat Reine al op was om samen met de slaven het ontbijt voor de gasten voor te bereiden.
Banna vroeg of ze haar jurk al aan mocht, maar haar moeder gaf aan dat ze nog tot de middag moest wachten.
“Anders is hij straks al weer smerig, terwijl het feest nog moet beginnen,” zei ze, terwijl ze een kom met warme pap voor Banna op tafel zette.
“Wanneer komt Hilde?” vroeg Banna. Ze was benieuwd of Hilde, die vandaag met haar broer zou gaan trouwen, net zo’n mooie jurk zou hebben als zijzelf.
Beren had de datum uitgekozen voor deze bruiloft toen hij een half jaar geleden akkoord was gegaan met deze verbintenis met de dochter van Wardolf. Bren en Hilde mochten trouwen bij de eerste volle maan na de oogst; een week na het feest van de doden en nog net voor het begin van de winter. Eigenlijk had Beren liever een andere bruid voor zijn oudste zoon uitgekozen. Iemand van een familie die in hoger aanzien stond dan Wardolf, maar Bren en Hilde waren echt verliefd op elkaar geworden en dat zorgde er uiteindelijk voor dat Beren overstag ging. De vonk tussen Hilde en Bren was een jaar geleden overgeslagen tijdens de inval van de Sueben, de Cherusken en de Sugambren en dat kon Banna wel begrijpen. Ze zag nog voor zich hoe Bren en Hilde samen op het paard bij hun boerderij aan kwamen rijden om hen te waarschuwen. In tegenstelling tot wat Beren hem had opgedragen, had Bren de dochter van Wardolf meegenomen om haar te beschermen. Wie kon zo’n koene redder in nood nou weerstaan?
Banna hoopte stiekem dat er op een dag ook een knappe ruiter voor haar op de boerderij zou verschijnen om haar te beschermen voor gevaar. Misschien zelfs wel een Romeinse officier met een schitterende wapenuitrusting en een rode mantel die haar mee zou nemen naar zijn stenen villa.
Na haar eenvoudige ontbijt merkte Banna al snel dat ze haar moeder voor de voeten liep, dus ging ze maar naar buiten. De ochtenden begonnen al frisser te worden in deze tijd van het jaar en Banna zag mist over de velden hangen. De lucht was echter blauw en dat was een goed voorteken. De goden keurden het huwelijk blijkbaar ook goed.
Banna wandelde rustig langs de tenten die de gasten de vorige dag rond hun boerderij hadden opgeslagen. Gisteren waren er al tien mannen met hun gevolg naar de boerderij van Beren gekomen en vandaag zouden er nog meer gasten komen voor de bruiloft zelf. Beren stond in hoog aanzien en hij had zelfs Tarik, de leider van hun stam, uitgenodigd voor de bruiloft. Misschien hoopte Beren wel dat hij Banna of Harald tijdens deze bruiloft kon koppelen aan een van de kinderen van Tarik, dacht Banna.
Er was zo vroeg in de ochtend nog maar weinig activiteit rond de tenten. De gasten hadden gisteravond bijna allemaal iets teveel gedronken en waarschijnlijk zouden ze vanavond nog meer drinken. Banna vroeg zich af hoe haar broer Timmen zich nu zou voelen. Het laatste wat ze gisteren van haar veertienjarige broer had gezien was dat hij door Harald en Malo werd weggedragen nadat hij de hele tafel had onder gespuugd. Beren had nog het hardst gelachen van allemaal toen dat gebeurde. Zijn lach klonk overal bovenuit, terwijl hij hard met zijn drinkbeker op de tafel sloeg.
Banna had zich gisteren niet erg prettig gevoeld tussen al die gasten die zoveel bier dronken. Zelf mocht ze van Reine een paar slokken uit haar beker proeven, maar ze vond de smaak niet lekker. Ze vond het veel te bitter en nadat ze Timmen had zien spugen, had Banna zich voorgenomen om voortaan geen bier meer te drinken. Ze begreep niet dat alle andere gasten het wel zo lekker vonden.
Banna liep verder langs het veld waar ze een paar weken geleden het graan vanaf hadden gehaald. Een aantal kraaien was die ochtend neergestreken op het kale veld en zocht naar graankorrels die ze bij de oogst hadden laten liggen. Banna stak via platte stenen de stroom over die achter het veld langs liep en ze ging het kleine bos in aan de overkant. Terwijl de zon aan de hemel verscheen en de mist langzaam verdreef, plukte Banna bessen en bruine bladeren van de grote kastanjebomen, waarmee ze een krans voor in haar haar wilde vlechten. Ze kon haast niet wachten tot het feest die avond zou beginnen.

Na het middagmaal kwam Wardolf met zijn kinderen naar de boerderij van Beren. Wardolf glom van trots toen hij bij de boerderij aankwam. Zijn zoon Wilfrid leidde een grote zwarte koe mee die Wardolf aan Beren schonk als bruidsschat. Banna wist dat Wardolf zich dat geschenk eigenlijk niet kon veroorloven, maar het zou een belediging voor Beren zijn als hij een minder waardevol geschenk mee zou brengen. Banna had aan het eind van de ochtend haar jurk van fijn linnen aangetrokken en ze zag dat Hilde ook een prachtige jurk aan had. De familie van Wardolf at een lichte maaltijd samen met de familie van Beren, terwijl buiten nieuwe gasten aankwamen bij de boerderij. Na de maaltijd trokken alle gasten in een lange processie richting een nabijgelegen bos waar Mani, de priester van hun stam, op hen wachtte. Wardolf liep voorop met Hilde. Daarachter kwamen Reine en Bren en vervolgens de rest van de familie van Beren. Daarna volgden de andere gasten in volgorde van hun aanzien, wat vooral achteraan in de rij voor de nodige discussie over de volgorde zorgde. Zeker omdat de meeste gasten in de middag al weer waren begonnen met drinken. Uiteindelijk schikten de gasten toch voor elkaar in, want niemand wilde deze heilige ceremonie verstoren met boze woorden of vechtpartijen.
Tarik liep samen met zijn vrouw direct achter de kinderen van Beren als de voornaamste man van de stam. Banna vond het altijd leuk als Tarik op bezoek kwam bij Beren. Het was een luidruchtige, grote man met felle donkere ogen en een woeste zwarte baard. Hij was altijd opgewekt en zodra hij ergens binnen kwam leek hij alle aandacht van de aanwezigen naar zich toe te trekken met zijn luide stem en zijn joviale houding. Beren was wat rustiger dan Tarik, maar Banna kon merken dat ze erg op elkaar gesteld waren en zodra Tarik er was, werd Beren zelf ook wat drukker en vrolijker, alsof ze elkaar versterkten. Ook nu hij achter haar liep kon Banna horen dat Tarik continu grappige opmerkingen maakte tegen zijn vrouw en daar moest ze altijd erg om lachen.

Bij een open plek in het bos verzamelden alle gasten zich in een grote kring. Een huwelijk was een heilige gebeurtenis en hun volk hield alle belangrijke bijeenkomsten in de buitenlucht, zodat ze dichter bij de goden waren die hun goedkeuring moesten geven aan de ceremonie. Het was laat in het jaar en de zon begon al te zakken toen de priester iedereen welkom heette en de goden verzocht om aanwezig te zijn bij de ceremonie. Banna had de priester al een aantal keer gezien bij andere feesten, maar ze was altijd een beetje bang van hem. De oude man had een lange grijze baard en slordige grijze haren, met daaronder harde blauwe ogen die altijd boos leken te kijken. Hij had nog maar een paar tanden in zijn mond en er hing altijd een beetje een muffe lucht om hem heen. Volgens Timmen kwam die geur doordat hij samen met een roedel wolven in een hol onder de grond leefde, maar dat geloofde Banna niet. Nadat de priester een teken had gegeven, kwam Bren naar voren met een stier die mee was gevoerd in de processie.
Banna zag haar oudere broer, die zich normaal gesproken altijd vrolijk en uitbundig gedroeg, zeer ernstig kijken. Bren vroeg Donar, de god van de donder, om bescherming voor zijn vrouw, zijn huis en voor eventuele kinderen die uit hun huwelijk zouden volgen.
“Moge uw hamer mijn familie beschermen tegen onheil en boze geesten,” zei Bren luid, terwijl hij me een mes de keel van de stier door sneed. Het dier, dat die ochtend door de priester verdoofd was met een speciale drank, schreeuwde even geschrokken, maar zakte meteen daarna door zijn hoeven. Het bloed stroomde uit zijn keel en de priester knikte goedkeurend. Het was een goede dood geweest. Nadat de stier niet meer bewoog, haalde de priester een lang mes tevoorschijn. Hij sneed de buik van het beest open en inspecteerde de ingewanden.
Banna vroeg zich af wat de goden hem konden vertellen uit deze stinkende ingewanden, maar na een tijdje hief de priester zijn bebloede handen naar de lucht en verkondigde dat Donar achter het huwelijk stond. De groep haalde opgelucht adem, ook al had iedereen dit eigenlijk wel verwacht. Volgens Beren kwam het bijna nooit voor dat de voorspellingen niet gunstig waren. Hierna was het de beurt aan Wardolf, die een witte koe offerde en aan Freya vroeg om het huwelijk te zegenen met een groot aantal kinderen. Ook de voortekenen van de koe bleken gunstig te zijn en terwijl enkele slaven zich over de dieren ontfermden om hen klaar te maken voor het avondmaal, liep de groep met gasten richting een grote eik voor het laatste deel van de ceremonie. Bren en Hilde keken elkaar verliefd aan, terwijl ze voor alle aanwezigen beloofden om elkaar altijd trouw te blijven en voor elkaar te zorgen. Voor Banna voelde deze hele gebeurtenis aan als een van de verhalen die ’s avonds bij het haardvuur werden verteld. Ze keek de verzamelde groep met gasten rond en vroeg zich af of een van de jongens in deze groep op een dag misschien net zo verliefd naar haar zou kijken als haar broer nu naar Hilde keek. Bren deed Hilde een ijzeren armband om, waarvan de uiteinden gevormd werden door twee paardenhoofden. Die armband had Bren speciaal voor het huwelijksfeest laten maken en hij symboliseerde dat Hilde nu onder zijn bescherming stond. Daarna mochten de bruid en de bruidegom elkaar eindelijk zoenen. Er barstte een luid gejoel los onder de aanwezige gasten toen Bren in de laatste zonnestralen van die dag zijn lippen op de mond van Hilde drukte. Bren en Hilde waren met elkaar getrouwd. Banna had er eindelijke een zus bij.

Na de ceremonie zochten de gasten hun tafels op op de open plek in het bos en kon het feestmaal beginnen. Het feest begon met soep en zoete koeken en terwijl het langzaam donker werd en er grote vuren werden ontstoken, verspreidde de geur van gebraden vlees zich door het heilige bos.
Tarik mocht met zijn vrouw aan de hoofdtafel zitten bij Bren en Hilde en hun familie. Speciaal voor deze gelegenheid had de hoofdman van hun stam tien kruiken met wijn meegenomen die hij met de Romeinen had geruild. Normaal gesproken dronken ze alleen bier, melk of water, maar de laatste jaren kwam er ook steeds vaker wijn op tafel. Vooral bij de belangrijkste mannen van de stam was dit een populaire drank aan het worden, waarmee ze de Romeinen wilden imiteren. Tijdens het eten kwamen alle andere families een voor een langs de tafel van het bruidspaar om hen te feliciteren en geschenken aan te bieden. Banna mocht van Reine een paar slokken van haar beker met wijn proberen, maar ze kwam al snel tot de conclusie dat ze dit ook geen lekkere drank vond.
‘Dit is juist weer te zuur,’ dacht Banna, terwijl ze de beker snel terug gaf aan haar moeder. ‘Wat hebben al die volwassenen toch met bier en wijn? Ik vind melk veel lekkerder.’
Na de maaltijd stonden verschillende gasten op van hun tafels om te gaan dansen. Er werden trommels en fluiten tevoorschijn gehaald en de vuren werden nog wat hoger opgestookt.
Banna zag dat Tarik haar vader aan zijn arm trok.
“Kom mee,” hoorde Banna hun hoofdman, die tijdens de maaltijd al stevig had gedronken, tegen Beren zeggen. “We hebben belangrijke zaken te bespreken.”
De twee mannen stonden op en liepen ongemerkt weg van het feest, het bos in. Beren nam een brandende fakkel mee die aan de rand van de open plek in de grond stond.
‘Dit is het,’ dacht Banna opgewonden, terwijl ze zag hoe Beren en Tarik in de duisternis verdwenen. ‘Ze hebben belangrijke zaken te bespreken die niemand mag horen en dat kan maar een ding betekenen. Tarik gaat aan vader vragen of iemand uit zijn familie met mij mag trouwen. Of misschien heeft hij wel een bruid voor Harald in gedachten.’
Banna wilde zelf horen wat Tarik en Beren met elkaar bespraken, dus ze zei tegen Reine dat ze moest plassen en liep achter haar vader aan het bos in.
In het bos was het koel en donker en na de felle vuren op de open plek moesten haar ogen wennen aan de duisternis. Banna bewoog zich zo stil mogelijk tussen de bomen door in de richting waarin haar vader was verdwenen. Het geluid van de muziek en de bulderende lachen van de gasten achter haar werd zachter. Even wist Banna niet waar ze heen moest, maar toen zag ze iets verder het licht van de fakkel door de bomen schijnen. Ze sloop zacht verder, tot ze de gezichten van Tarik en Beren kon zien en kon horen wat ze zeiden.
Banna begreep er weinig van. Dit ging helemaal niet over een verbintenis tussen hun families. Tarik had het over ene Augustus, die samen met een Tiberius naar hun land was gekomen. Tiberius had de rol van gouverneur overgenomen van de vorige gouverneur, die vorig jaar was verslagen door de stammen die de Rijn over waren getrokken.
“Weet je zeker dat er oorlog komt?” vroeg Beren.
Banna schrok toen ze het woord oorlog hoorde.
Tarik knikte.
“Eigenlijk had ik het dit jaar al verwacht,” zei hij. “Maar Augustus is verstandiger dan de meeste andere Romeinen. Hij weet dat hij eerst zijn positie in Gallia moet versterken voordat hij de Rijn over kan steken. Onze provincie is nog te jong. Hij moet eerst zorgen dat de stammen in Gallia aan zijn kant staan, voordat hij samen met die stammen ten strijde kan trekken tegen de Germaanse stammen.”
Banna merkte dat ze ongerust werd van de woorden van Tarik. Ze wilde niet dat haar vader oorlog zou gaan voeren. Ze herinnerde zich nog hoe bang ze was geweest toen ze vorig jaar moest vluchten van hun boerderij. Al haar spullen had ze achter moeten laten toen ze van het ene op het andere moment met Bren, Hilde, haar moeder en de twee slaven moest vertrekken. Zelfs haar poppen en haar kleren kon ze niet meenemen, alleen de kleren die ze op dat moment aan had. Ze had dagen rondgelopen met de vrees dat haar vader en haar broers al dood waren, totdat ze hen eindelijk terug vond bij de boerderij van Tarik. De overvallers zelf had ze gelukkig nooit gezien, maar de andere families die naar Tarik waren gevlucht vertelden verschrikkelijke verhalen. Banna wilde dat gevoel van angst en ongerustheid niet nog een keer meemaken. Ze wilde niet dat haar vader weg zou gaan.
“Een oorlog biedt ook kansen,” zei Tarik. “De Romeinen weten dat ze ons nodig hebben als ze de Rijn over willen steken. Wij controleren de grote rivieren. Als we het slim spelen, kunnen we de positie van ons volk versterken.”
Beren schudde zijn hoofd.
“Een oorlog levert nooit wat op,” zei hij, terwijl hij ergens in de verte staarde, in de richting van het feestgedruis. “Oorlog brengt alleen verdriet, pijn en dood. Aan beide zijden van het slagveld. Bij de winnaars en de verliezers.”
De blik in de ogen van Tarik veranderde. Er kwam een hardheid in zijn ogen, terwijl hij naar Beren keek.
“Dus jij zegt nee?”
Beren keek Tarik aan.
“Ik zeg dat het een vergissing is om met de Romeinen ten strijde te trekken,” zei hij. “We zijn hier juist komen wonen om de oorlogen te ontvluchten. Ik ben het beu om te moeten vechten. Ik heb tegenwoordig een familie waar ik aan moet denken.”
Plotseling pakte Tarik Beren vast bij zijn hemd en trok hem naar zich toe. Banna schrok hier zo van dat ze bijna had gegild. Ze kon nog net haar hand voor haar mond houden.
“Is dit de Beren die altijd aan mijn zijde heeft gestaan?” siste Tarik fel in het oor van haar vader. “Of heeft die vrouw van je je ballen er af gehakt? Wat voor voorbeeld ben je nou voor je zoons? Wat voor man is een man die niet wil vechten?”
Banna had Tarik nog nooit op deze manier gezien. Opeens was hij niet meer de gezellige, hartelijke man die de sfeer had bepaald tijdens de bruiloft. Hij keek dronken en gevaarlijk uit zijn ogen, alsof hij haar vader wilde slaan.
“Blijf van me af,” zei Beren, terwijl hij de hand van Tarik los trok. “Jij vraagt je af of ik wel een man ben, alleen maar omdat ik niet wil dat mijn kinderen zonder hun vader opgroeien. Of omdat ik niet wil dat mijn zoons zelf worden meegesleept in deze oorlog. Wat voor man ben jij dat je je gastheer lastig valt op de bruiloft van zijn zoon? Ik herinner me een Tarik die ik vertrouwde en die ik altijd de waarheid kon vertellen. Ook als je die niet wilde horen. Ik heb je de waarheid verteld over deze oorlog en ik zal hetzelfde zeggen als ons volk komende zomer over deze vraag zal vergaderen.”
“Maar denk dan eens aan alle roem die je met deze oorlog kunt vergaren,” ging Tarik verder. Hij had een vreemde, haast bezeten blik in zijn ogen. “Denk aan alle slaven en het vee dat we met de hulp van de Romeinen kunnen roven. Je kunt terugkeren als een rijk man.”
Beren draaide zich om en begon weg te lopen van Tarik.
“Ik ben een rijk man,” zei hij over zijn rug, terwijl hij terug liep richting het feest. “Ik heb ieder jaar voldoende te eten; ik heb een prachtige vrouw die van mij houdt; en ik heb een geschikte bruid gevonden voor mijn oudste zoon. Ik heb je mijn antwoord gegeven, oude vriend.”
“Waag het niet om zomaar van mij weg te lopen, Beren,” schreeuwde Tarik tegen zijn rug. Tarik schreeuwde zo hard dat Banna bang was dat de mensen op het feest hem zouden horen. Ze durfde zich niet te veroeren.
“Die oorlog komt er toch wel. En er is niets dat jij kunt doen om deze oorlog tegen te houden. Let maar op.”
Tarik viel stil toen hij merkte dat Beren door liep naar de open plek waar het feest werd gehouden. Banna hoorde nog hoe Tarik iets in zichzelf mompelde als “Dat zullen we nog wel eens zien,” voordat ze hem dronken op de grond hoorde vallen. Tarik bleef roerloos op de grond liggen en even later hoorde Banna hoe hij luidruchtig begon te snurken.
Banna begon over haar hele lichaam te trillen, terwijl ze zacht weg sloop van de slapende Tarik. Ze was enorm geschrokken van wat ze net had gezien. Ze had Tarik nog nooit in deze bui gezien en ze kon zich ook niet voorstellen dat hij zo boos kon zijn op haar vader. Waarom wilde Tarik zo graag oorlog voeren? Banna voelde dat ze tranen in haar ogen kreeg, terwijl ze terug liep naar de plek waar iedereen nog gewoon feest vierde. Niemand had in de gaten wat er zojuist was gebeurd. Banna bleef aan de rand van de open plek staan en keek naar het feest. Ze keek naar Bren en Hilde, die elkaar onbezorgd stukjes fruit voerden. En ze keek naar de andere gasten, die dronken en dansten. Iedereen leek vrolijk te zijn. Er werd veel gelachen. Niemand in het bos leek zich zorgen te maken over de toekomst, behalve dan zijzelf en haar vader, die stil aan tafel was gaan zitten en naar zijn drinkbeker staarde.
Terwijl ze om zich heen keek, vroeg Banna zich af of er misschien aan de andere kant van de Rijn ook families waren die deze avond hun huwelijksfeest vierden. Zouden die mensen weten dat er een oorlog aan kwam? Zouden die families misschien de volgende zomer tegen haar vader moeten vechten? Of zouden ze voor haar vader moeten vluchten zoals zij zelf ook had moeten vluchten?
Banna werd droevig bij die gedachte, maar er was niets wat ze er tegen kon doen. Ze was maar een meisje van twaalf jaar. Niemand luisterde naar haar. En zelfs als haar vader wel naar haar zou luisteren, zou het niks uitmaken. Andere mannen namen de beslissingen over hun leven. Mannen die ver weg woonden in Rome of Lugdunum en die vreemde namen hadden zoals Augustus of Tiberius. Mannen zoals Tarik, die al deze mannen en jongens die Banna nu voor zich zag een oorlog in zou slepen. Alleen maar omdat hij er zelf rijk van wilde worden.

Hoofdstuk 3

Marcus

“Hinderlaag! Maak je klaar voor de aanval,” brulde de centurion Publius Barrus. De hoornblazer en de drager van de standaard gaven het signaal door aan de legionairs, die vermoeid over de weg sjokten en nu opeens in actie moesten komen. Instinctief keken ze om zich heen waar de aanval vandaan zou komen. Marcus kreunde in gedachten. Hij had ondertussen al wel geleerd om dat niet meer hardop te doen. Hij liet de stok waaraan hij zijn bepakking had gebonden van zijn pijnlijke schouder op de grond zakken. Hij was opgelucht dat hij in ieder geval voor even van de pijn aan zijn schouder was verlost. Zo snel als hij kon maakte Marcus zijn schild en zijn speer los uit de bepakking, terwijl zijn helm ondertussen onhandig over zijn ogen schoof. Zijn kuiten deden pijn toen hij zich knielde om zijn wapens op te pakken. Zijn rug deed pijn toen hij weer overeind kwam. Werkelijk alles aan zijn lichaam deed pijn na de eerste dagen in het legioen.
“Schiet op, stelletje varkens,” schreeuwde Barrus, terwijl hij op zijn gemak tussen de soldaten van zijn centurie liep. “De vijand wacht niet op jullie.”
Marcus schopte zijn bepakking aan de kant en rende met zijn speer en schild naar zijn eigen plek in de linie. In slechts een paar ogenblikken veranderde de hele rij marcherende soldaten in een aaneengesloten front van schilden en werpsperen aan beide zijden van de weg. De soldaten vormden met hun centurie een rechthoekig blok met een dubbele rij mannen rondom de kern van de optio, de hoornblazer en de standaard. De centurion zelf bleef buiten het blok staan en keek naar de formatie. Gespannen wachtten de mannen de aanval af.
Terwijl ze wachtten, reed een groep van vijf ruiters langs de weg. Het waren verkenners die aan het legioen waren verbonden en die op weg waren naar de voorkant van de enorme kolonne van mannen en dieren die zich uitstrekte over de kaarsrechte Via Flaminia richting het Noorden. De ruiters keken verbaasd op toen ze de centurie van Barrus met opgetrokken schilden langs de weg zagen staan. Ze keken om zich heen of er in de omgeving iets te zien was, maar ze zagen niks en reden door zonder vaart te minderen.
“Ik wil dat het de volgende keer twee keer zo snel gaat,” riep Barrus nadat alle soldaten op hun plek stonden met hun speer in de aanslag. “Als dit een echte aanval was geweest, had minstens de helft van jullie nu al een zwaard of een pijl in zijn kloten gehad.”
De centurion liep langs de rij en duwde op verschillende plekken de soldaten dichter tegen elkaar aan.
“Hier zit een gat in de linie dat nog groter is dan mijn reet,” brulde hij tegen een jonge rekruut, die geschrokken naar de soldaat naast hem keek. “Hier zou nog een olifant doorheen kunnen banjeren, zo groot is de opening.”
De soldaten sloten snel tegen elkaar aan, zodat hun schilden elkaar raakten.
Marcus keek vanuit zijn ooghoeken opzij en zag dat hij al bijna tegen zijn tentmaat Gaius Ignatus aan stond.
“Hou je schild iets hoger, Gaius,” fluisterde hij. “Hij moet tot je neus komen.”
Gaius was net iets ouder dan Marcus en de afgelopen dagen waren ze al snel met elkaar bevriend geraakt. Hij was een vrolijke jongen die Marcus op kon vrolijken met zijn subtiele grappen tijdens de ontberingen van de afgelopen dagen. Gaius had zijn hele leven in Rome gewoond en hij scheen er zelfs trots op te zijn dat hij nog nooit in een andere stad was geweest. Na een dag marcheren dacht Gaius dat ze Gallia of Hispania al hadden bereikt, want hij had geen enkel gevoel voor de afstanden in Italia of in de overige provincies van het rijk. Hij had bijna zijn hele leven in het stenen labyrinth van de grootste stad in de wereld doorgebracht en keek zijn ogen uit nu hij voor het eerst op het platteland kwam. Marcus wees hem tijdens de lange marsen op verschillende soorten vogels en planten die Gaius nog nooit had gezien in de stad. En Gaius had aan Marcus geleerd hoe hij moest dobbelen, maar Marcus was steeds in slaap gevallen tijdens zijn uitleg. Aan het einde van de dag was Marcus gewoon te moe om nog op te letten. Hij wilde dan alleen maar slapen en even een paar uur vergeten voor welke nachtmerrie hij zich nog geen week geleden vrijwillig had aangemeld. Barrus keek streng langs de linie en besloot dat hij voor dit moment even niks meer op de formatie had aan te merken.
“Marsformatie,” brulde hij langs de rij mannen, die onmiddellijk weer in beweging kwamen. Marcus zocht snel zijn pak op en borg zijn speer en schild weer op bij zijn andere uitrusting. Daarna hing hij de stok waar hij al zijn spullen aan had hangen weer over zijn schouder. Hij voelde meteen weer de pijn op de plek waar de stok op zijn schouder rustte. Marcus keek omhoog naar de zon om in te schatten hoe laat het was. Dit was al de derde keer vandaag dat de centurion de hele groep in slagorde liet opstellen om even later weer verder te marcheren. De afgelopen dagen had hij het gemiddeld ongeveer tien keer per dag gedaan, maar hij was nog steeds niet tevreden over het resultaat. De mannen moesten het sneller kunnen doen. Het moest vanzelf gaan, zonder er nog over na te denken. Iedereen moest weten waar zijn plek in de linie was en wat hij moest doen. Op een dag zouden de levens van de hele centurie daar misschien van afhangen. Terwijl de groep zich weer in beweging zette en Barrus meteen een hoog tempo aangaf om weer aan te sluiten bij de tweede centurie, vroeg Marcus zich voor de zoveelste keer af hoe lang hij het nog vol zou houden.
De eerste dagen van zijn proeftijd waren als een lange pijnlijke waas voorbij gegaan. Nadat ze de eerste dag vooral bezig waren geweest met het leren marcheren als groep, hadden ze de dagen daarna steeds grotere afstanden afgelegd. Aan het einde van de tweede dagmars waren de voeten van Marcus al veranderd in een bloederige verzameling blaren in zijn nieuwe leren soldatensandalen. Sindsdien waren die blaren niet meer verdwenen en ging iedere stap gepaard met pijn, vooral als ze een tijdje stil hadden gestaan zoals net. Soms gaf Barrus midden in hun mars opeens het bevel om te gaan rennen of zich op te stellen in slagorde. Het leek wel alsof hij er genoegen in schepte om dit op de meest ongunstige momenten te doen, bijvoorbeeld als ze net een heuvel over moesten. Verschillende jonge legionairs waren in die eerste dagen al van hun stokje gegaan tijdens het marcheren, waarna hun tentmaten er maar voor moesten zorgen dat ze weer opstonden en aansloten bij de rest. Marcus was ergens wel opgelucht dat hij tot nu toe nog niet was flauwgevallen, ook al vroeg hij zich af hoe lang dat nog zou duren.
Het ergste van de hele dag vond Marcus nog wel het einde van iedere mars, als het legioen aankwam op de kampplaats die de ingenieurs en verkenners voor die dag hadden uitgezet. Marcus wilde na de uitputtende mars alleen maar eten en slapen, maar voordat dat kon gebeuren moest hij eerst meehelpen om de versterkingen van het legerkamp op te bouwen. Hoewel het legioen nog gewoon door Italia trok, gaf de legaat iedere dag de opdracht om een versterkt marskamp in te richten, alsof ze door vijandelijk gebied trokken. En dus moest Marcus aan het eind van iedere dag meehelpen met het graven van een greppel en het opbouwen van een aarden wal met een houten palissade rond het hele kamp. Op de eerste dag waren de soldaten hier tot ver in de avond mee bezig geweest, maar iedere dag ging het iets sneller dan de dag daarvoor. Als de omheining gereed was, waren ondertussen ook de karren met bagage aangekomen in het kamp, zodat alle centuries hun tenten op konden zetten op de plaatsen die de ingenieurs daarvoor hadden uitgezet met vlaggen. Ieder cohort en iedere centurie had zijn vaste plek in het kamp. Waar Marcus aan het eind van de dag ook aankwam, zijn tent stond voor zijn gevoel altijd op dezelfde plek.
Marcus sliep met zeven anderen in een tent en met hen deelde hij ook al zijn maaltijden. Gaius en Marcus waren de twee jongsten van hun tent, maar de anderen waren niet veel ouder dan zij. Alleen Sextus Quirinus was als enige soldaat in hun tent ouder dan twintig. Hij was vijfentwintig en had al vijf jaar in een ander legioen gediend, maar nog niet eerder onder Barrus en Caelius. Sextus had als decanus de leiding over zijn tentmaten en leek zich als een van de weinige decani in de centurie echt te bekommeren om de jongere mannen in zijn tent. Hij liet hen zien hoe ze hun bepakking handig vast konden maken en controleerde aan het einde van iedere dag de verwondingen aan hun voeten. Volgens Sextus zouden de blaren na de eerste dagen verdwijnen en hij liet het eelt op zijn eigen voeten zien als voorbeeld.
“Hoort allemaal bij de proeftijd,” zei hij steeds als iemand uit zijn tent klaagde over vermoeidheid, het slechte eten of een kleine verwonding. “Niemand wordt als soldaat geboren; soldaten worden gesmeed door pijn en ontbering. Als je van zachte kussens houdt, moet je maar prostituee worden.”
Marcus was blij dat hij bij Sextus in de tent was ingedeeld. Ze konden goed met elkaar opschieten en Marcus merkte dat hij veel van Sextus kon leren. Hij zat vol met sterke verhalen over de verschillende campagnes waarin hij al had gevochten of over de bordelen die hij al in diverse provincies had bezocht. Alleen Egypte, Syria, Africa, Gallia en Ylliricum miste hij nog op zijn lijst met bordelen. Maar ondanks zijn seksuele uitspattingen als hij verlof had, was Sextus ook een gelovig man die zeer toegewijd was aan zijn twee kleine beeldjes van de godinnen Roma en Minerva. Hij had een aparte plek in de tent ingericht als klein altaartje, waar hij iedere avond en iedere ochtend bad tot de twee kleine bronzen beeldjes. Soms bad Marcus met hem mee en hij was van plan om na zijn proeftijd zelf ook een beeldje te kopen voor zichzelf.
De eerste week van de proeftijd van Marcus leek op sommige momenten eindeloos lang te duren, maar op andere momenten ook weer voorbij te vliegen. Iedere dag marcheerde het legioen langer, tot ze op de zevende dag wel achttien mijlpalen passeerden. En Sextus Quirinus kreeg gelijk. Na een paar dagen voelde Marcus de pijn in zijn voeten bijna niet meer en ontstonden er geen nieuwe blaren meer. En Marcus merkte dat hij zelf ook sterker werd. Zijn kuiten raakten meer gespierd, zijn conditie verbeterde en zijn armen begonnen al snel breder te worden van het vele graafwerk aan het eind van iedere dag. Het enige waar Marcus ook na een week nog niet aan kon wennen was het slaapgebrek, vooral niet als hij ’s nachts ook nog wacht moest lopen. Regelmatig stond hij tijdens het ochtendappel nog te knikkebollen en als Gaius hem niet af en toe aan zou stoten, zou hij vaak een klap met de staf van Barrus hebben gekregen.
Marcus voelde zich nog lang geen echte legionair aan het einde van die eerste week. Hij had pas een keer met een speer gegooid en die was niet ver gekomen. En hij had nog niet eens een zwaard in zijn handen gehad, zelfs geen houten oefenzwaard. Volgens Sextus deden ze dat nog niet, omdat ze niet meteen al hun rekruten kwijt wilden raken aan domme verwondingen. Toch wist Marcus een ding zeker na de eerste week in het leger. Dit was de juiste plek voor hem. Hier werd iedereen als een gelijke behandeld en was er niemand die vanwege zijn afkomst op hem neerkeek. Het was loodzwaar, maar Marcus had zijn eerste week overleefd en hij was vastbesloten om niet op te geven. Hij was op weg om een soldaat van Rome te worden.
Of zoals Sextus iedere ochtend tegen de mannen in zijn tent zei: “Nog maar twintig jaar te gaan, jongens. Dan zijn jullie weer vrij.”

Hoofdstuk 4

Harald

“Kom op, Harald,” zei Bren tegen zijn jongere broer. “We willen dit jaar nog naar huis als het kan.”
Harald sloeg nog een paar keer met zijn bijl op de boom, maar er zat geen enkele beweging in. Hijgend liet hij zijn armen zakken en gaf de bijl maar door aan Timmen.
“Ik kan niet meer,” zei Harald. “Sorry, mijn armen zijn gewoon niet sterk genoeg.”
Het zweet was hem uitgebroken door het hakken tegen de boomstam. Hij had het warm gekregen, ook al lag er overal om hen heen een dunne laag sneeuw op de grond.
Timmen mikte met de bijl en begon daarna wild tegen de boom aan te slaan. Hij zwaaide de bijl alle kanten op en de houtsplinters vlogen door het stille bos.
“Anders doen we deze na het feest wel,” zei Bren, terwijl hij naar de lucht keek. “Deze boom krijgen we vandaag niet meer omver. Het is wel mooi geweest.”
“Nog even,” zei Timmen hijgend, terwijl hij nog sneller begon te slaan. Hij sloeg mis en viel bijna voorover in de sneeuw en de herfstbladeren die onder de boom lagen.
De jongens en Malo lachten om Timmen, die zijn bijl snel weer oppakte en verder begon te hakken alsof er niks was gebeurd.
Harald was opgelucht dat ze voor vandaag bijna klaar waren met werken. De zon zakte al achter de bomen in de verte en hij verheugde zich op het joelfeest dat ze die avond zouden vieren. Banna, Hilde en Reine waren op de boerderij bezig om de woonkamer te versieren. En aangezien de jongens anders toch alleen maar in de weg zouden lopen, waren ze er op uitgestuurd om hout te hakken, terwijl Beren er in zijn eentje op uit was getrokken om in het bos te gaan jagen. Reine had de vorige avond nog tegen Beren gezegd dat hij dan in ieder geval Malo mee moest nemen om hem bij de jacht te helpen, maar Beren vond dat hij die jacht in zijn eentje moest doen. Het was een soort traditie voor hem geworden om op de laatste dag van het jaar in zijn eentje op eenden en ganzen te jagen, zodat zijn familie voldoende vlees had tijdens het joelfeest. En als Beren vond dat hij iets alleen moest doen, dan was er niemand die hem op andere gedachten kon brengen, zelfs Reine niet.
Uiteindelijk gaf Timmen het ook op en gaf hij de bijl door aan Malo, de lange blonde man die al jaren bij Beren in huis woonde als slaaf. Malo zei nooit zo veel en eigenlijk merkte Harald zijn aanwezigheid nauwelijks op als hij er bij was, maar Malo was zo sterk als een os en zelfs nog een kop groter dan Beren.
‘Als Malo deze boom niet om krijgt, dan moet het wel een magische boom zijn,’ dacht Harald. De slaaf begon beheerst te slaan met de bijl, waarbij er bij iedere slag een groot stuk uit de stam werd geslagen.
“Sorry dat ik niet zo sterk ben,” zei Harald tegen zijn broer. Hij wreef over zijn armen om te voelen of die al wat gespierder werden. “Misschien kan ik na de winter al beter meehelpen. Mam zegt dat ik nog steeds groei.”
“Het geeft niet hoor,” zei Bren met een vertederde blik tegen Harald. “Het wordt toch al laat. Laten we naar huis gaan.”
Alsof de boom op die uitspraak had gewacht, ging hij plotseling scheef staan na een slag met de bijl. Malo sloeg nog twee keer, waarna de hele boom met een krakend geluid neerviel op de grond. Sneeuw en bladeren stoven op en ergens in de verte hoorde Harald vogels verschrikt wegvliegen.
“Ik ga dat ding niet helemaal naar huis slepen,” zei Timmen. “Laten we hem morgen ophalen. We hebben nu toch genoeg hout.”
“Ok, pak de spullen maar in,” zei Bren, terwijl hij in zijn handen blies tegen de kou. “Tijd om Hilde op te zoeken.”
Na de bruiloft was Hilde bij de familie van Beren komen wonen en hadden Bren en Hilde hun eigen slaapkamer gekregen op de vliering van de boerderij. De kamers waren van elkaar gescheiden met wanden van gevlochten wilgentakken en klei, maar toch kon Harald precies horen wanneer Bren en Hilde bezig waren om kinderen te maken. Harald was benieuwd hoe dat voelde, maar hij durfde er niet naar te vragen bij Bren. Volgens Beks, die een paar boerderijen verderop woonde en veel optrok met Timmen, was het maken van kinderen het fijnste gevoel wat er bestond. Harald vroeg zich af hoe Beks dat kon weten, want hij was nog veel te jong om te trouwen.
De mannen bonden de houten stammen die ze die middag hadden gehakt vast aan hun paard en tilden zelf ieder ook nog een aantal losse stammen. Malo nam de grote en de twee kleine bijlen mee die ze voor dat werk hadden gebruikt.
Het begon al te schemeren toen ze vertrokken en even later voelde Harald lichte sneeuwvlokken op zijn voorhoofd vallen. Hij trok de kap van zijn mantel over zijn zwarte haren en stapte zwijgend achter zijn broer aan door de sneeuw.
Harald verheugde zich al de hele dag op het joelfeest. Hij had van zijn moeder geleerd dat het feest de kortste dag van het jaar markeerde. Vanaf morgen zou het licht weer langzaam terugkeren. Het zou steeds iets langer licht blijven en met de langere dagen zouden ook de warmte en het leven in de natuur weer terugkeren. Tenminste, als de zonnegodin tevreden was met het offer dat Beren haar vanavond zou brengen. Als het geen goed offer was, zou de zon niet meer terugkeren en zou het voor altijd winter blijven. Maar Harald kon zich niet herinneren dat dat ooit was gebeurd.
Het joelfeest was voor hem de leukste dag van het jaar. Niet alleen vanwege de geschenken en het lekkere eten, maar vooral vanwege de gezelligheid. De meeste families vierden het joelfeest altijd in kleine kring, in tegenstelling tot het feest van de zonnewende of het oogstfeest, die altijd met de hele gemeenschap werden gevierd. De kou en de duisternis van de winter zorgden er voor dat het moeilijker was om ver te reizen en Harald vond die huiselijkheid ook wel bij de wintermaanden passen. Hij hield meer van de feesten met de kleine groep van zijn familie dan van de feesten met grote groepen mensen bij elkaar. Hij vond het vooral leuk om naar de verhalen te luisteren die Beren ieder jaar vertelde, ook al wist Harald van ieder verhaal al hoe het afliep. En hij verheugde zich op de joelkoeken die Reine deze middag zou bakken.

Het was al bijna helemaal donker toen ze bij het pad naar de boerderij kwamen. Er was deze avond geen licht te zien van de maan of sterren. De hemel was egaal grijs met wolken waar nu steeds meer en grotere sneeuwvlokken uit kwamen vallen.
Plotseling bleef Malo staan met het paard aan zijn hand. Het dier begon onrustig te snuiven.
Malo draaide zich om naar Bren en wees op de grond.
“Bloed,” zei hij. “Hier is een gewond dier langs gekomen.”
De jongens liepen naar Malo toe en keken naar de grond.
Harald schrok.
“Dit is niet van een dier,” zei Bren. “Dit zijn voetstappen van een mens.”
Er lag veel bloed op de grond. De donkerrode kleur stak zelfs in het verdwijnende licht scherp af tegen de witte sneeuw. Vanuit de richting van de stroom die langs de boerderij liep kwam een spoor van rode druppels over het pad. Het spoor verdween ergens in de donkerte waar de boerderij moest liggen.
Snel renden ze verder langs het spoor, tot Harald midden op het pad een lichaam zag liggen. Het was het lichaam van een grote man die met zijn gezicht in de sneeuw lag. Achter het lichaam was de sneeuw platgedrukt en besmeurd met rode vlekken, alsof de man was gevallen en met zijn laatste krachten had geprobeerd om richting de boerderij te kruipen.
Malo draaide het lichaam om en tot zijn schrik zag Harald dat het zijn vader was.
Zijn gezicht was bijna net zo bleek als de sneeuw en er zat opgedroogd bloed in zijn lange haren. Harald zag dat hij nog wel in leven was, ook al zag hij er erg zwak uit.
“Vader,” riep Bren, die naast Beren knielde en zijn hoofd omhoog hield. “Wat is er gebeurd?”
“Ik ga hulp halen,” riep Timmen en hij rende snel naar de boerderij toe.
Harald stond verstijfd naar zijn vader te kijken. Hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen en ademde snel in en uit. Harald wist niet wat hij moest doen.
Aan de zijkant van zijn buik had Beren een wond zitten waaruit hij al veel bloed had verloren. Beren had blijkbaar al enige tijd geleden zijn hemd stuk getrokken en om zijn buik gebonden, maar dat hemd was nu helemaal doorweekt van het bloed. Naast de wond in zijn buik had Beren ook een kleinere snee in zijn linkerhand, alsof hij daarmee had geprobeerd om een scherp wapen af te weren.
“Ik ben aangevallen,” fluisterde Beren, nauwelijks hoorbaar. “Twee mannen...”
“Waar ben je aangevallen?” vroeg Bren. “Kon je zien wie het was?”
Ondertussen probeerde hij het bloeden van de buik tegen te houden door zijn eigen mantel tegen de wond te drukken. Beren kermde van de pijn.
In de verte hoorde Harald de deur van de boerderij dicht slaan. Iemand met een brandende fakkel in de hand kwam snel hun kant op lopen.
“We moeten hem naar de boerderij dragen,” zei Bren tegen de anderen. “Help me.”
Maar Malo schudde zijn hoofd.
“Bren,” zei hij zacht, terwijl hij naar de wond van Beren keek. “Je vader zal het niet overleven.”
Harald voelde tranen in zijn ogen opkomen. Hij raakte in paniek.
‘Iemand moet iets doen,’ dacht hij. Zijn vader kon niet sterven.
“Bren,” mompelde Beren, die met zijn ogen het gezicht van zijn zoon zocht.
“Ik ben hier,” zei Bren. Hij pakte zijn hand vast.
“Bren, zorg dat je mij wreekt. Laffe aanval. We hadden tegen ze moeten vechten.”
“Tegen wie had je moeten vechten?” vroeg Bren met wanhoop in zijn stem. “Wie heeft dit gedaan? Vertel het mij en ik zal u wreken. Dat zweer ik bij de goden en bij uw voorvaderen.”
Harald kwam eindelijk in beweging. Hij liet zich op zijn knieën vallen naast het lichaam van zijn vader en legde zijn hand over de hand van zijn broer.
“Ik zweer het ook,” zei Harald met schorre stem. “Zolang ik leef, zal ik niet rusten voor ik uw dood heb gewroken.”
“Ik ook,” zei Timmen, die met de fakkel in zijn hand naast het lichaam van Beren stond. “We zullen uw moordenaar vinden. In dit leven of als dat niet lukt zullen we de zoektocht doorgeven aan onze kinderen. Dat beloof ik u.”
Bren vroeg nog een keer of Beren had gezien wie hem had aangevallen, maar Beren gaf geen antwoord meer. Harald keek naar zijn vader en zag dat zijn zilveren munt verdwenen was. De munt die Beren van Tarik had gekregen en die hij altijd om zijn nek droeg was weg. Reine, Hilde en Banna kwamen aanrennen door de sneeuw, maar toen ze bij Beren aankwamen was zijn geest al uit zijn lichaam vertrokken. De grote, sterke man waar Harald al zijn hele leven naar had opgekeken was overleden. Reine schreeuwde het uit en sloeg haar armen om zijn nek heen.
Door een waas van tranen keek Harald om zich heen. Banna stond op een afstand naar het lichaam van haar vader te kijken. Ze huilde zacht, terwijl Hilde een arm om haar schokkende schouders sloeg. Timmen keek vooral boos, woedend dat iemand zijn vader had aangevallen. En Harald keek naar Bren, met wie hij nog steeds de hand van Beren vast hield. Zijn broer keek ernstig naar Harald en Timmen. Hij slikte even, maar liet zijn verdriet verder niet merken. Bren huilde niet. Bren wist dat hij sterk moest zijn voor de anderen. Vanaf nu was hij het hoofd van de familie.
Hoofdstuk 5
Marcus

Het regende al vier dagen achter elkaar. Soms was het een lichte motregen, maar op andere momenten, zoals nu, kwam de regen met bakken tegelijk uit de hemel. Het hele legerkamp was veranderd in een grote modderpoel en iedereen leek er de pest in te hebben. Zelfs Publius Barrus, die tijdens de eerste twee dagen nog had volgehouden dat het ‘schitterend’ weer was om te oefenen, leek er neerslachtig van te worden.
Tien procent van zijn centurie lag ondertussen al met koorts of een longontsteking in hun tent en bijna iedereen die in de stromende regen op de oefenplaats stond, was onophoudelijk aan het hoesten.
‘Als dit zo doorgaat, hebben we na de winter geen legioen meer over,’ dacht Marcus, die tegenover een rillende Sextus Quirinus stond. Ze hadden allebei een houten oefenzwaard in hun handen. Sextus had tegen Marcus gezegd dat hun echte zwaarden straks minder zwaar zouden zijn dan deze zwaarden. De oefenzwaarden waren vooral bedoeld om hun grip te verbeteren en hun armen sterker te maken. Marcus hoopte maar dat Sextus gelijk had, want hij vond zijn eigen houten zwaard na verloop van tijd al behoorlijk zwaar worden. Na twee volle dagen oefenen met dit zwaard deed zijn arm al pijn als hij zijn zwaard alleen maar omhoog hoefde te houden.
Hun optio Quintus Caelius leidde de opleiding vandaag, terwijl Barrus een bespreking had met de legaat en de andere centurions van het legioen. Marcus had gehoord dat ze vandaag een nieuwe legaat zouden krijgen en de huidige legaat wilde precies weten wat de status was van de nieuwe rekruten.
Ze begonnen vandaag door een op een met elkaar te oefenen, waarbij Marcus meteen merkte dat Sextus veel meer ervaring had dan hijzelf. Sextus bewoog zich snel en zelfverzekerd met zijn zwaard in zijn handen, terwijl Marcus zich maar onbeholpen voelde. Sextus kon de wilde zwaaien van Marcus eenvoudig afweren met zijn zwaard of blokkeren met zijn rechthoekige houten schild. Toch was Sextus wel bereid om Marcus te helpen.
“Let op mijn gezicht, Marcus,” zei hij. “Niet op mijn zwaard. Mijn ogen verraden waar de volgende slag vandaan komt.”
Sextus vuurde een eindeloze stroom aanwijzingen op Marcus af, terwijl hij hem eenvoudig overal aantikte met zijn zwaard.
“Zet je benen iets meer uit elkaar. Je schildbeen naar voren, daar heb je de meeste kracht voor nodig. Blijf op je plek staan, Marcus. Niet terugdeinzen. Je bent een legioensoldaat. Je blijft op je plek tot iemand zegt dat je je mag verplaatsen. Goed zo, nog een keer. Gebruik je zwaard als een steekwapen, Marcus, minder slaan.”
Bij iedere tik sloeg Sextus iets harder door, wat vooral pijn deed op de plaatsen waar Marcus nog blauwe plekken had van de vorige dag. Overal om hen heen waren de mannen van de centurie met elkaar in gevecht, terwijl Quintus tussen de rijen door liep. Het geluid van de doffe klappen op helm of schild werd afgewisseld met een enkele kreet of een lach. En op de achtergrond bleef het geluid aanwezig van de regendruppels die al de hele dag op tientallen metalen helmen tikten.

Na de oefeningen een op een liet Quintus hen voor de eerste keer in een linie vechten.
“Je schild beschermt je hele lichaam,” schreeuwde Quintus over het oefenterrein, terwijl hij met zijn eigen schild voor deed hoe de mannen moesten gaan staan. “Van je enkels tot aan je gezicht. En vervolgens ga je tegen elkaar aan staan. Jullie schilden moeten elkaar raken en je steekt je zwaard er overheen. Zorg er voor dat je elkaars zwaardarm niet hindert. Je beschermt de man die naast je staat, maar hij moet ook kunnen blijven aanvallen.”
Quintus duwde de rij met mannen steeds dichter tegen elkaar aan, tot hij tevreden was. Daarna liet hij de hele centurie in twee lange rijen tegen elkaar vechten. Marcus vond het lastig om in formatie te blijven en tegelijkertijd te vechten in het gedrang van de mannen om hem heen. Hij werd regelmatig opzij gestoten door Aulus Cottus, de grootste man van de centurie die links naast Marcus stond. Cottus was fanatiek op zijn tegenstander in aan het rammen en had niet eens in de gaten dat hij Marcus bij iedere klap bijna omver stootte. Marcus probeerde ondertussen zelf met zijn zwaard over zijn schild heen te steken, maar in plaats van zijn tegenstander raakte hij Gaius, die rechts van hem stond, een paar keer tegen zijn schouder.
“Ik hoor bij jou, Marcus,” siste Gaius in zijn rechteroor, terwijl Sextus ondertussen hard met zijn schild tegen het schild van Marcus sloeg. Als Marcus nu een echt zwaard in zijn handen had gehad, dan had hij waarschijnlijk meer schade aangericht bij zijn eigen maten dan bij de tegenstander.

Het was al weer tijd voor het middagmaal tegen de tijd dat Publius Barrus terug kwam van zijn bespreking. Marcus bestudeerde zijn pijnlijke, verkleumde handen terwijl hij een stuk brood at. De binnenkant van zijn hand was rood en voelde ruw aan. Marcus was al blij dat hij nog geen blaren had na een hele ochtend slaan met zijn zwaard. Aan de buitenkant van zijn rechterhand zat een schaafwond waar Sextus die ochtend over zijn hand had geschaafd met zijn zwaard. De centurion was in een slecht humeur toen hij aankwam bij de groep doorweekte mannen die op de modderige oefenplaats stonden. De nieuwe legaat was nog niet gearriveerd, terwijl hij wel op deze dag werd verwacht. Publius verwachtte dat hij werd opgehouden door het slechte weer. De huidige legaat was ondertussen erg zenuwachtig over de komst van zijn opvolger en waarschijnlijk had hij dat tijdens de bespreking afgereageerd op zijn lagere officieren. Barrus gaf aan dat ieder onderdeel van hun uitrusting die dag in orde moest zijn en aangezien ze net de hele ochtend in de regen en de modder hadden geoefend, had hij op iedereen wel wat aan te merken. Marcus keek om zich heen naar de staat van het legerkamp en de soldaten die overal om hen heen rond liepen. Als hij zelf de legaat zou zijn geweest over deze bende, zou hij waarschijnlijk meteen rechtsomkeert maken zodra hij door de poort kwam. Met een schok besefte Marcus zich opeens dat hij niet meer op de naam van de huidige legaat kon komen. Het was iemand uit een voorname familie, dat wist Marcus wel. En hij was nu al een jaar of twee de legaat voor het eenentwintigste legioen, een belangrijke post die je alleen kon bereiken als je de juiste connecties had en jarenlang goed had gepresteerd in het leger of in andere hoge functies. Marcus ging er van uit dat deze legaat heel goede connecties moest hebben, want hij vond zelf in ieder geval dat hij niet goed presteerde. Hij had de man pas twee keer gezien nadat hij op de eerste dag samen met de andere nieuwe rekruten zijn eed had afgelegd voor de legaat. De man maakte op Marcus een uitgebluste en ongeïnteresseerde indruk, alsof hij langzaam tot het besef was gekomen dat zijn politieke carrière hier was gestrand en zich er maar bij neer had gelegd. Hij zou nooit meer worden dan een legaat van een legioen in een vreedzame provincie en hoewel dat voor anderen misschien een eervolle functie zou zijn, was het duidelijk dat deze legaat gefrustreerd was dat hij niet meer kon bereiken. Of misschien zag de legaat al aankomen dat Augustus iemand anders zou aanstellen op zijn positie nu zijn legioen eindelijk aan een grote campagne zou beginnen. De man bleef het grootste deel van de dag in zijn tent en lag tot ver na zonsopkomst nog op bed. Onder de soldaten ging de grap rond dat hij de volledige wijnvoorraad weg wilde werken voordat zijn opvolger aan zou treden en Marcus vroeg zich af in hoeverre dat een grap was. Hij had hem de vorige dag bij een inspectie voorbij zien rijden en terwijl Marcus naar hem keek, vroeg hij zich af hoe deze man ooit op deze positie terecht was gekomen. Hij had een doffe blik in zijn ogen. Geen vurigheid, geen enthousiasme. Hij maakte geen oogcontact met de soldaten die voor hem zouden moeten vechten, alsof hij al die mannen waar hij leiding aan moest geven maar lastig vond. Dit was niet iemand waar Marcus voor zou willen vechten. Hij was vooral afwezig en liet de dagelijkse aansturing van het legioen over aan zijn tribuun en de kampprefect.
“Vilenus, waar is je andere speer?” schreeuwde Publius Barrus plotseling. Marcus schrok wakker uit zijn gedachten, die weer af waren gedwaald terwijl de centurie een uitbrander van Barrus kreeg om de belabberde staat van hun uitrusting. Hij pakte snel zijn lichte werpspeer op, die hij op de grond achter de centurie had laten liggen, en ging weer op zijn plek staan. Iedere legionair had twee speren tot zijn beschikking, die bij het begin van een aanval naar de tegenstander werden geworpen en die een vernietigend effect konden hebben als ze op het juiste moment werden gegooid. De langste van de twee speren was langer dan Marcus zelf en had een dunne ijzeren punt die bijna even lang was als zijn zwaard. Bij een aanval zou de punt blijven steken in schilden, harnassen of in lichamen en meteen krom buigen, zodat de vijand de speer niet kon gebruiken om terug te gooien naar de legionairs. Barrus inspecteerde iedere speer in zijn centurie afzonderlijk en liet de mannen daarna de hele middag achter elkaar oefenen met het gooien van de speren. Uur na uur oefenden de mannen door, terwijl de regen langzaam overging in een lichte motregen. De hele middag deden ze dezelfde oefening achter elkaar; marcheren, hun speren werpen, vervolgens met hun zwaarden in de aanslag naar voren stormen, hun speren uit de grond trekken, omdraaien en weer opnieuw beginnen.
‘Weer een prachtige dag in het legioen,’ dacht Marcus, toen hij zijn speer voor de zoveelste keer uit de modder trok.

Die avond had Marcus de eerste wacht bij de poort aan de westzijde van het legerkamp, waar ze nu al een paar dagen verbleven. Het kamp lag in het Noorden van Italia, in de buurt van de plek waar Augustus zelf nog zijn kamp had opgeslagen tijdens de oorlog om Mutina, ver voordat Marcus en de meeste andere legionairs waren geboren. Het legioen zou voor een langere tijd op deze plek blijven en rond de poort was in de afgelopen weken een indrukwekkende houten constructie gebouwd om de poort te beschermen, ook al was dat in deze provincie niet noodzakelijk. De poort bestond uit een grote poort met zware eikenhouten deuren in het midden en twee kleinere deuren aan de zijkanten. Daarboven was een houten platform met een beschermende wand gebouwd waarvandaan soldaten projectielen konden gooien en aan de linkerkant was er boven dat platform nog een wachttoren geplaatst. Marcus stond zelf samen met Aulus Cottus voor de poort en boven hen stond Sextus Quirinus, die vannacht de leiding had over de tien mannen die bij deze poort op wacht stonden. De motregen was aan het begin van de avond ook opgehouden en het koelde snel af nu de lucht opklaarde. Alles wees er op dat het een koude winternacht zou worden, misschien zelfs met vorst. De mannen hadden hun mantels om hun klamme kleding geslagen en een vuur aangestoken waar Marcus en Aulus naast bleven staan. Het enige waar Marcus aan kon denken was aan zijn warme bed in de tent. Hij vroeg zich af waarom ze vanavond met zoveel man op wacht moesten staan.
‘Er is niemand zo gek om midden in Italia een volledig legioen aan te vallen,’ dacht hij, maar hij wist ook dat het geen zin had om daar bij Sextus over te klagen. De voorschriften waren in het leger vaak belangrijker dan gezond verstand, vooral als dat verstand van onderop moest komen. De nieuwe legaat van het legioen was nog steeds niet aangekomen. Niemand wist waar hij bleef.
“Als ik hem was, zou ik nog een avond bij een mooie vrouw in een herberg doorbrengen,” had Sextus aan het begin van de wacht gezegd. “Als hij er nu nog niet is, zal hij waarschijnlijk pas morgen aankomen.”
Zijn wacht liep al bijna op het einde toen Marcus in de verte twee ruiters aan hoorde komen over de stenen weg. Het klonk alsof ze veel haast hadden. Marcus waarschuwden Sextus, die boven de poort stond, terwijl hij zelf midden op de weg ging staan met zijn speer in de aanslag. Het geluid kwam dichterbij en Marcus vroeg zich af wie er zo laat nog op pad was.
“Halt,” riep Marcus op het moment dat hij de eerste ruiter zag verschijnen. “Wie gaat daar?”
De ruiter hield zijn paard in en draaide zich om om terug te kijken naar de weg, zonder ook maar enige aandacht te schenken aan de twee soldaten die voor de poort stonden. Even later dook een tweede ruiter op vanuit de duisternis. Het was een oudere man met kort grijs haar die er uit zag als een hoge officier. Hij hijgde van de inspanning en ook zijn paard stond te hijgen en te zweten toen hij voor de andere ruiter inhield. Marcus vroeg zich af of deze officier misschien de nieuwe legaat was. De andere ruiter had zijn mantel over zijn gezicht getrokken, maar Marcus hoorde een jonge stem toen de ruiter zei: “Je wordt oud, Titus. Het was bijna te makkelijk om van je te winnen.”
De oudere officier veegde het zweet van zijn voorhoofd en klopte zijn paard bemoedigend op de hals. Hij keek ongemakkelijk om zich heen.
“We hebben onze escorte te ver achter ons gelaten,” zei hij.
Marcus stoorde zich aan het feit dat de twee ruiters hem totaal negeerden. De jongere man, die waarschijnlijk een assistent of een protegé van de oudere man was, kon toch op zijn minst zijn mantel omlaag doen om zijn gezicht te laten zien.
“Wie zijn jullie?” vroeg Marcus bars. “Wat komen jullie midden in de nacht doen aan de poort van het eenentwintigste legioen?”
De eerste ruiter draaide zich om naar Marcus. In het licht van de vuurkorf zag Marcus een ironische glimlach onder de mantel vandaan komen, ook al kon hij de ogen van de ruiter niet zien. Hij had een jong gezicht, waarschijnlijk iets ouder dan Marcus zelf, maar jonger dan Sextus.
“Hoor je dat, Titus?” vroeg de jonge ruiter. “Ze willen weten wat ik hier kom doen.”
“Misschien moet u het dan maar vertellen, heer,” merkte de oudere man op. “Voordat die soldaat zijn speer naar u gooit. Hij ziet er behoorlijk fel uit. En ik heb geen zin om aan uw vader te melden dat u op de eerste dag al bent omgekomen.”
Marcus schrok. De oude officier had de jongere ruiter aangesproken als heer.
De ruiter reed met zijn paard op zijn gemak naar Marcus toe, alsof hij hem wilde intimideren. Marcus bleef op zijn plek staan. Hij klemde zijn speer iets steviger vast.
Op het laatste moment deed de ruiter zijn kap naar beneden. Pas nu zag Marcus dat hij onder zijn mantel een duur borstkuras droeg dat versierd was met zilveren afbeeldingen die schitterden in het flikkerende licht van het vuur. De ruiter gaf Marcus een kort knikje en richtte zich vervolgens tot Sextus die boven de poort stond.
“Mijn naam is Nero Claudius Drusus,” riep hij met luide stem tegen de aanwezige soldaten. “Stiefzoon van Imperator Caesar Augustus, die de zoon is van de vergoddelijkte Julius Caesar.”
De jonge man had een zelfverzekerde en licht arrogante houding toen hij de soldaten toesprak. Alsof hij er al jaren aan gewend was dat iedereen ontzag voor hem had. Marcus ging er van uit dat dat er nu eenmaal bij hoorde als je was opgegroeid als de kleinzoon van een god, ook al was hij dan alleen een kleinzoon van Julius Caesar door adoptie.
“De Princeps heeft mij opgedragen om het imperium van het eenentwintigste legioen op mij te nemen,” zei de jonge ruiter. “Waar is jullie bevelhebber?”
“Open de poort,” riep Sextus naar beneden, terwijl hij zich haastte om van de wal naar beneden te komen. In de verte hoorde Marcus een grote groep ruiters dichterbij komen.
“Daar zul je ons escorte hebben,” zei de oudere officier tegen Drusus, die zijn paard aanspoorde om door de poort te lopen.
“Wees zo vriendelijk om jullie legaat wakker te maken,” zei Drusus tegen Sextus. “Ik wil graag van hem horen hoe het kan dat we niet zijn opgemerkt door zijn verkenners. Waarom was deze soldaat de eerste die ons staande hield toen we jullie kamp naderden? Wordt deze weg niet gecontroleerd?”
In het licht van de fakkels zag Marcus dat Sextus schrok van deze vraag.
“Ik zal de legaat waarschuwen, heer,” zei Sextus, waarna hij salueerde en snel over de modderige weg richting de barakken rond het hoofdkwartier rende.
Terwijl de ruiters van het escorte vanuit de duisternis aan kwamen rijden, keek de jonge ruiter op zijn gemak om zich heen. Hij keek hoe het kamp er bij lag en hij keek indringend naar het groepje soldaten dat deze avond de wacht hield bij de poort. Marcus kon in het donker niet aan zijn gezicht zien wat hij dacht. De oudere ruiter reed een stukje terug richting de ruiters van het escorte. Marcus telde ongeveer tien ruiters, die allemaal lang haar hadden dat onder hun ijzeren helmen vandaan kwam. Ze waren ook groter gebouwd dan de gemiddelde Romein en sommigen van hen hadden blond of zelfs rood haar.
‘Galliërs,’ dacht Marcus, terwijl hij gefascineerd naar de groep ruiters keek. Hij had nog nooit iemand met rood haar gezien.
“Decurio,” zei de oude officier streng tegen de leider van het escorte. “Waarom moesten we zo lang op jullie wachten?”
“Laat ze, Titus,” zei Drusus. “Jij kon me ook niet bijhouden. En als we overvallen worden, kan ik altijd nog zelf vechten. Decurio, is de rest van het escorte bij de wagen van mijn vrouw en zoon gebleven?”
“Ja heer,” zei de leider van het escorte.
“Goed,” zei Drusus. “De veiligheid van Antonia en Nero is belangrijker dan mijn eigen veiligheid. Vergeet dat nooit.”
Titus reed terug naar Drusus zonder iets te zeggen. Marcus keek nieuwsgierig naar de bedrijvigheid die opeens midden in de nacht bij de poort was ontstaan. De tien ruiters stelden zich op achter hun decurio en wachtten zwijgend af. Hun paarden dampten in de koude winterlucht. Verderop in het kamp hoorde Marcus hoe officieren wakker werden gemaakt en hij zag verschillende mannen met olielampen rondlopen rond het praetorium.
Gaius Tullius Mercius, de tribuun van het legioen, kwam haastig aanrijden op zijn paard en kondigde aan dat de legaat lag te slapen en niet in staat was om bij de poort te verschijnen.
“Je bedoelt dat hij dronken is,” zei Drusus tegen Mercius, die zich zichtbaar niet op zijn gemak voelde.
“Laat hem maar slapen. Is jullie kampprefect ook dronken of kan hij wel naar de poort komen?”
Drusus wachtte niet op een antwoord van de tribuun en praatte verder, terwijl hij ondertussen om zich heen keek of de wagen met zijn gezin er al aankwam.
“De wal van de greppel is hier half weggespoeld door de regen,” zei Drusus tegen Mercius. “Zorg er voor dat dat gerepareerd wordt.”
“Uiteraard heer,” zei de tribuun. “Ik zal zorgen dat er een centurie aan het werk wordt gezet zodra het licht is.”
Drusus draaide zich abrupt om met zijn paard en reed naar Mercius.
“Doe het nu,” zei hij kortaf. “En laat trouwens de hele omwalling maar inspecteren en repareren voordat de zon op komt. Ik verwacht dat het overal hetzelfde is.”
Vervolgens reed Drusus een stukje het kamp in. Hij keek om zich heen en draaide zich weer om naar Mercius.
“De afwatering van het kamp moet verbeterd worden,” zei hij. “Er staan plassen op de wegen en op het oefenterrein. En dat deel van de palissade aan de rechterkant van de poort staat scheef. Breek het af en leg het opnieuw aan.”
Hoewel Drusus nauwelijks ouder was dan de jonge rekruten die bij de poort stonden, gaf hij op een vanzelfsprekende manier bevelen over allerlei onderwerpen die in zijn ogen verbeterd moesten worden. Hij was nog maar net aangekomen in het kamp en hij wilde er nu al zijn stempel op drukken. De oude officier die met Drusus mee was gekomen keek tevreden naar de jonge man die zijn bevelen aan de tribuun gaf. De tribuun reed weer weg om de bevelen van Drusus snel door te geven aan de kampprefect, die verantwoordelijk was voor de staat van het legerkamp.
Marcus ging er van uit dat er deze nacht veel soldaten uit hun slaap gewekt zouden worden om alle bevelen van hun nieuwe commandant uit te voeren. Hij was blij dat zijn eigen wacht er in ieder geval bijna op zat. Hij zou zelf over niet al te lange tijd zijn tent weer op mogen zoeken.
Toen de wagen van Antonia na een kwart uur nog steeds niet in zicht was, werd Drusus ongeduldig. Hij spoorde zijn paard aan en reed zonder iets te zeggen weer weg in de duisternis, terug in de richting waar hij vandaan was gekomen.
Titus zuchtte.
“Daar gaan we weer,” mompelde hij zachtjes in zichzelf. “Kan die jongen nou nooit eens ergens stil zitten?”
Vervolgens riep hij “Volg ons,” naar de andere ruiters en reed samen met hen weer weg van het kamp. De soldaten bij de poort bleven naar de weg kijken tot de geluiden van de troep ruiters waren weggestorven.
Marcus vroeg zich verbaasd af hoe lang ze weg zouden blijven. In het kamp hoorde hij hoornsignalen klinken en begonnen de eerste centurions hun mannen al wakker te schreeuwen. Het hele kamp leek wel wakker gemaakt te worden om aan het werk te gaan voor hun nieuwe legaat, die ook meteen weer was vertrokken om zijn gezin op te halen.
“Nou,” fluisterde Gaius na een tijdje tegen Marcus. “Deze Drusus heeft in ieder geval meer energie dan onze huidige legaat.”
Marcus knikte.
Hij kon nog steeds niet op de naam van hun oude legaat komen.

Hoofdstuk 6

15 voor christus

Bren

Bren stond roerloos naar het lichaam van zijn vader te kijken. Beren zag er vredig uit. Ze hadden hem zijn mooiste kleren aangetrokken, zijn lange haren gekamd en zijn wapens bij hem op de brandstapel gelegd. Allemaal geschenken die Beren mee zou nemen naar zijn volgende leven bij zijn voorouders. Alleen de zilveren munt die Tarik hem ooit had geschonken ontbrak.
In zijn rechterhand hield Bren de fakkel vast waarmee hij straks het uur aan zou steken. Terwijl de priester bij de brandstapel bescherming vroeg van de goden voor de geest van Beren, hoorde Bren zijn zus Banna naast hem zacht huilen. Banna had het de afgelopen dagen erg moeilijk gehad met de plotselinge dood van hun vader. Net zoals Harald, Timmen en Bren zelf trouwens, maar zij probeerden zich nu alle drie groot te houden voor de crematie.
Bren voelde niet alleen verdriet, maar ook woede en wanhoop. Beren was vermoord. Iemand had hem op een laffe manier overvallen toen Beren aan het jagen was voor het joelfeest. Bren vroeg zich af wie het geweest kon zijn. Was het een bekende van Beren? Iemand van de stam? Of was het een rondtrekkende zwerver geweest die toevallig op Beren was gestuit? Waarom had Beren met zijn laatste woorden gezegd dat ze hadden moeten vechten? Tegen wie dan?
Bren begreep het niet. Voor zover hij wist, had iedereen in de stam altijd respect gehad voor Beren. Zijn vader was een dappere man die altijd goed was geweest voor de families die zich aan hem hadden verbonden.
Bren keek naar de mensen die bij deze crematie in een halve kring om de brandstapel van Beren stonden. Er waren minder mensen aanwezig dan bij zijn eigen bruiloft, nu alweer twee maanden geleden. Het was winter, waardoor het moeilijker was om te reizen. En daarnaast had het nieuws van de dood van Beren waarschijnlijk nog niet eens iedereen bereikt. Het was pas drie dagen geleden dat Beren was overleden.

De priester vroeg of iemand nog iets wilde zeggen. Tarik stapte naar voren. Zijn ogen stonden dof en zijn gezicht zag er vermoeid uit, als een schaduw van de man die Bren twee maanden daarvoor op zijn bruiloft had gezien. Met tranen in zijn ogen vertelde Tarik dat Beren altijd een goede vriend en een vermaarde krijger was geweest. Al vanaf hun jeugd, toen ze uit hun land hadden moeten vertrekken, had Beren hem gesteund. Tarik sloot af met de opmerking dat hij hoopte dat Bren net zo’n goede vriend zou zijn voor zijn familie als Beren was geweest. Bren knikte naar Tarik bij die woorden. Hij was er trots op dat zijn vader zo goed bevriend was geweest met Tarik, de meest invloedrijke man van hun stam. Bren vroeg zich af of het hem zou lukken om in de voetsporen van zijn vader te treden. Daar zou hij het komende jaar achter moeten zien te komen.
‘Eerst zijn moordenaar maar eens opsporen,’ dacht Bren en hij werd weer boos bij die gedachte. Hij dacht weer aan de vreemde droom die hij die nacht had gehad en wilde de priester vragen wat de droom kon betekenen, maar eerst moest hij de geest van zijn vader naar zijn voorouders begeleiden.
Na Tarik sprak Wardolf bij het lichaam van Beren. Hij bedankte de goden dat ze Beren bij hem langs hadden laten komen die dag in de zomer van vorig jaar. Als Beren en Bren er niet waren geweest, had Wardolf nooit op tijd een waarschuwing gekregen voor de stammen die de rivier over waren gestoken.
“Zonder Beren had ik die dag waarschijnlijk niet eens overleefd, maar dankzij kan ik nu hier staan om het na te vertellen en heb ik er bovendien een goede man voor mijn dochter bij gekregen.”
Ook Wardolf keek naar Bren bij die laatste woorden en Bren knikte naar hem.
Bren merkte al meteen dat iedereen hem vandaag anders behandelde. Hij was niet langer alleen maar de oudste zoon; hij stond nu aan het hoofd van de familie. Bren bepaalde wat er met de leden van zijn familie gebeurde. Hij nam de beslissingen over alle belangrijke zaken, zelfs voor zijn moeder Reine. En Bren wist dat hij binnenkort ook zijn eigen gezin zou hebben om voor te zorgen, want Hilde was zwanger van hun eerste kind. Bren had dat nieuws samen met Hilde aan iedereen willen vertellen tijdens het joelfeest, maar daar waren ze niet meer aan toegekomen sinds ze Beren op het pad naar de boerderij hadden gevonden. Naast zijn woede en verdriet voelde Bren ook nog vreugde en hoop voor de toekomst vanwege het kind dat ze het komende jaar zouden verwelkomen in de wereld. Als de goden het kind zouden laten leven in ieder geval. Bren kneep zacht in de hand van Hilde, die naast hem stond.

Na Tarik en Wardolf nodigde de priester Bren uit om naar voren te komen. Bren sprak plechtig de woorden uit die hij de vorige avond voor deze ceremonie had bedacht. Hij eerde zijn vader en de belangrijke daden die hij in zijn leven had gedaan, voordat Bren of Harald waren geboren. En Bren verklaarde dat zijn familie niet zou rusten voordat ze de laffe moordenaar van hun vader hadden gevonden en gestraft. Daarna stak Bren de fakkel in de brandstapel en stapte achteruit. Het vuur verspreidde zich snel over de takken en even later sloeg het over naar de kleding van Beren. Sommige vrouwen van de stam begonnen luid te huilen toen het lichaam van Beren in brand vloog. De mannen staarden grimmig zwijgend naar de vlammen.
Terwijl Bren naar de brandstapel keek, vroeg hij zich af of de geest van Beren hem nu kon zien.
Er werd nauwelijks gesproken door de aanwezigen, terwijl het lichaam van Beren langzaam werd verteerd door het vuur. Alleen het ijzer van zijn wapens en de versieringen van zijn kleding bleven over. De rest verdween langzaam in de brandstapel, die na een tijdje instortte en een grote stroom vonken de hemel in stuurde.

Nadat de ceremonie voorbij was en alle gasten met Reine en Hilde naar de boerderij gingen voor een eenvoudige maaltijd, liepen Bren, Harald, Banna en Timmen met de priester mee. Ze liepen een stuk van de boerderij vandaan naar een grote beuk die aan de rand van de stroom stond. Bren had aan Mani, de priester, gevraagd of ze hem na de crematie nog konden spreken en het leek hem beter als niemand anders dit zou horen.
“Bren vertelde mij dat jullie vannacht alle vier een droom hebben gehad,” zei Mani. Hij was moeilijk te verstaan door de vele tanden die hij miste in zijn mond. Op de een of andere manier klonk hij hierdoor altijd alsof hij niet helemaal goed bij zijn hoofd was, terwijl Bren wist dat de priester een van de scherpste geesten van de stam had. Dat moest ook wel als hij de wil van de goden wilde doorgronden. Bren wist dat Tarik en Beren altijd luisterden naar wat Mani te zeggen had. Hij vroeg zich af hoe oud de priester eigenlijk was.
De priester nodigde hen uit om alle vier op de grond te gaan zitten in de vochtige bladeren onder de boom. Mani zelf ging ook op de grond zitten met opgetrokken knieën en speelde met zijn blote voeten in de bladeren en de aarde.
De vier kinderen van Beren keken elkaar even aan voordat ze begonnen aan hun verhaal. Ze wisten dat het verhaal vreemd klonk, maar ze moesten van de priester horen wat het kon betekenen. Die ochtend bij het ontbijt had Harald verteld dat hij een ongewoon heldere droom had gehad. Hij had er niet veel van begrepen, maar Harald had wel het gevoel dat er een belangrijke boodschap in de droom zat verborgen. En terwijl Harald over zijn droom vertelde, had Timmen aangegeven dat hij die nacht hetzelfde had meegemaakt. Zijn droom was anders geweest dan die van Harald, maar ook Timmen had het gevoel gehad dat het belangrijk was wat hij had gezien. Vervolgens had Banna aangegeven dat zij die nacht ook had gedroomd en Bren herinnerde zich plotseling dat hij midden in de nacht wakker was geschrokken uit een vreemde droom waarin hij zijn vader had gezien.
Volgens Harald kon het geen toeval zijn dat ze alle vier zo’n belangrijke droom hadden gehad in de nacht voor de crematie van Beren. Hij had er bij de anderen op aangedrongen om aan de priester te vragen wat het allemaal betekende.
Bren vertelde als eerste over zijn droom.
“Ik droomde dat ik mijn vader zag staan,” zei hij. “Ik zag zijn gezicht niet. Hij stond met zijn rug naar me toe aan de rand van een brede rivier. En toch wist ik dat het Beren was.”
Bren vertelde zoveel mogelijk details die hij zich kon herinneren.
“Plotseling zag ik dat er een enorme wolf naar mijn vader toe liep en naast hem aan de oever van de rivier ging staan. Het was een statige oude wolf met een glanzende vacht en op zijn hoofd had hij een ijzeren kroon die versierd was met twaalf kleine bijlen. De oude wolf werd gevolgd door een heel roedel van wel zeven jongere wolven. En te midden van die roedel liep een jonge vos mee die zich net zoals de wolven gedroeg. Hij speelde en stoeide met de anderen wolven en streed net zoals de anderen om de aandacht van de grote wolf.”
Bren slikte even voor hij verder ging.
“Het was deze vos die mijn vader vermoordde in mijn droom. De oude wolf wilde de rivier oversteken, maar mijn vader hield hem tegen met zijn hand. Daarop sprong de vos naar voren en beet Beren in zijn nek. Beren zakte in elkaar en bloedde dood op de grond, waarna de vos zijn bloed oplikte en groter werd. De grote wolf keek goedkeurend naar het hele tafereel.”
Timmen schoof onrustig heen en weer, maar de priester verroerde zich niet. Hij had zijn ogen gesloten en luisterde aandachtig naar Bren.
“Toen Beren niet meer bewoog, stuurde de oude wolf drie adelaars naar de overkant van de rivier. Maar zodra ze de andere oever bereikten, werden de adelaars met honderden pijlen uit de lucht geschoten. De grote wolf jankte luid bij het verlies van de drie adelaars en leek zwakker en ouder te worden. En ondertussen gingen de andere wolven in zijn roedel een voor een dood, tot er uiteindelijk maar twee wolven overbleven: een grote valse wolf met een zwarte vacht en zwarte ogen en een jonge wolf met een lichtgrijze vacht en heldere blauwe ogen.”
Bren vertelde de droom precies zoals hij zich hem kon herinneren. Hij had geen idee wat het allemaal betekende met de wolven en de adelaars, maar hij begreep wel dat alles op de een of andere manier in verband stond met de door van Beren.
“Mijn droom eindigde met die twee wolven. Vlak voor de dood van de oude wolf droeg hij zijn ijzeren kroon over aan de zwarte wolf, die vrijwel direct ruzie kreeg met de jonge wolf. De jonge wolf haalde de adelaars terug die aan de overkant van de rivier uit de lucht waren geschoten, maar de zwarte wolf doodde hem zodra hij terug was. Daarna werd die wolf steeds valser naarmate hij ouder werd. Hij trok zich terug in een grot en liet zich niet meer in de buitenlucht zien, tot hij uiteindelijk op hoge leeftijd stierf en de kroon doorgaf aan een jongere wolf; een welp van de wolf die de adelaars had teruggehaald.”
“Mijn droom ging juist over die jonge wolf,” zei Banna. “Hij kwam uit de grot tevoorschijn met de ijzeren kroon op zijn hoofd en al snel zette hij een gouden masker op. Met het masker voor zijn gezicht leek het alsof hij meer wilde zijn dan alleen maar een wolf, maar het was maar een masker. Het was niet echt. De wolf met het masker werd beschermd door een lijfwacht van andere wolven, die een buiging voor hem maakten en hem volgden waar hij ook heen ging.”
Bren had geen idee waarom Banna hierover had gedroomd, maar er was duidelijk een verband met zijn eigen droom. De priester knikte kort met zijn hoofd en Banna ging verder.
“Deze wolf kwam aan bij de over van de oceaan, waar een andere vos op hem stond te wachten. Misschien was die vos wel een kind van de vos uit de droom van Bren.”
“Ga door,” zei de priester zacht. “Je hoeft er nog niet over na te denken. Vertel alleen precies wat je hebt gezien.”
“De wolf gaf een schouderklop aan de vos, waarna die vos groter werd. En meteen daarna werd de wolf wild. Hij rende de zee in en begon tegen de golven te blaffen. En hij probeerde zelfs in de golven te bijten. Daarna liep hij naar een andere oceaan waar hij op zijn gemak een rondje over het water liep. Het was heel vreemd allemaal.”
“De goden spreken in vreemde beelden,” zei Mani. “Soms herkennen we hun boodschap pas achteraf. Of de betekenis wordt nooit duidelijk. Het is moeilijk om nu al te raden wat de droom betekent, maar je moet het vooral symbolisch zien. Ik kan me niet voorstellen dat er een mens komt die letterlijk over water zal lopen.”
“Nadat die wolf terug kwam op het vaste land viel zijn masker van zijn gezicht,” zei Banna. “Nu pas was te zien dat zijn ogen helemaal verwilderd waren en dat er schuim op zijn bek stond. Zonder zijn masker was voor iedereen duidelijk te zien dat deze wolf dol was. De wolven die meeliepen in zijn lijfwacht zagen het ook en zodra ze dat doorhadden, scheurden ze de wolf helemaal aan stukken, tot er niks meer van hem over was. Daar eindigde mijn droom mee.”
Na Banna ging Harald verder en vertelde over zijn droom.
“Ik droomde hetzelfde. Die wolf werd gedood door de wolven van zijn lijfwacht,” zei Harald. “En nadat ze hem hadden gedood, pakten de wachters zijn ijzeren kroon met de twaalf bijlen op en gaven hem aan een andere wolf. Die wolf weigerde de kroon eerst, maar uiteindelijk liet hij hem toch maar op zijn hoofd zetten. Dit was een heel vreemde wolf. Hij maakte een zwakke en ongezonde indruk. De wolf liep mank en hij maakte de hele tijd ongecontroleerde bewegingen met zijn hoofd.”
Bren vroeg zich af waarom hun dromen steeds over die wolven gingen. Wat had dit allemaal met de moord op Beren te maken?
“In mijn droom zag ik dat die wolf ook bij de oceaan kwam en de vos uit de vorige dromen liep met hem mee. Ze namen samen een lange aanloop en sprongen in een keer over de oceaan, naar een eiland aan de andere kant van het water. Daar vocht de vos in opdracht van de kreupele wolf en hij werd nog groter naarmate hij meer vijanden versloeg. Maar bij die gevechten raakte de vos ook een van zijn ogen kwijt.”
‘De vos komt steeds terug in onze dromen,’ dacht Bren. ‘De vos die Beren heeft vermoord.’
“Dat is het enige wat ik heb gedroomd,” zei Harald enigszins teleurgesteld.
“In mijn droom lag die wolf met de tik aan zijn hoofd juist in een bed,” zei Timmen. “En ik zag hoe hij werd doodgebeten door een jongere wolf die zijn kroon afpakte. Deze jonge wolf leek willekeurig om zich heen te bijten en doodde verschillende andere wolven. Zelfs zijn eigen moeder en zijn vrouw werden door hem doodgebeten. En uiteindelijk wilde hij ook de vos met zijn ene oog laten ombrengen. Hij liet de vos vastgebonden voor hem verschijnen, maar voordat hij hem kon doden verschenen er vier andere wolven die de jonge wolf in het nauw dreven. De jonge wolf vluchtte voor de vier andere wolven. Hij probeerde hen van zich af te schudden, maar uiteindelijk zag hij geen andere uitweg meer dan zichzelf maar in een groot vuur te storten.”
Bren keek naar de priester die zijn ogen open had gedaan. De oude man staarde naar de kale takken van de boom boven hen, die zacht heen en weer gingen door de wind.
Timmen vertelde over het laatste deel van zijn droom.
“Na de dood van de jonge wolf begonnen de vier andere wolven met elkaar te vechten,” zei hij. “Alle vier waren ze voor even de sterkste, maar twee van hen werden al snel uitgeschakeld, waarna de twee overgebleven wolven een verschrikkelijk gevecht met elkaar uitvochten. De vos stond ondertussen op een afstand naar het gevecht te kijken en hij zag dat dit zijn kans was. Toen de twee overgebleven wolven elkaar uitgeput in een houdgreep hielden, sloeg hij plotseling toe. Hij viel beide wolven tegelijk aan en pakte snel de ijzeren kroon toen hij ze had weggejaagd. En daar eindigde mijn droom mee. De vos zette de kroon op zijn hoofd en keek mij in de ogen en op dat moment herkende ik hem opeens. Ik weet niet meer hoe de vos er uit zag of wie het was, maar ik herinner me nog wel dat ik het op dat moment, toen hij de kroon op zijn hoofd zette, wel wist.”

Het duurde lang voordat de priester reageerde. De vier kinderen van Beren keken gespannen naar elkaar. Na een lange stilte gaf de oude priester zijn interpretatie van de dromen.
“Hmmm, vier kinderen, vier dromen over vijf wolven,” zei Mani. “De wolven staan voor de Romeinen, dat is duidelijk. Er wordt gezegd dat de stichters van de stad Rome zouden zijn opgevoed door wolven. En de leiders van de Romeinen worden beschermd door een lijfwacht van twaalf lictoren die een fasces in hun hand houden, een bundel takken rond een bijl. De vijf wolven uit jullie dromen moeten voor vijf leiders van de Romeinen staan.”
Bren dacht aan de kroon met de twaalf bijlen waar hij over had gedroomd. Hij had nog nooit van de lictoren of hun fasces gehoord en toch was dat symbool in alle vier de dromen opgedoken.
“Ik vermoed dat de vos iemand van onze stam is,” zei de priester. “Hij hoort niet bij de Romeinen, maar hij wil er wel op lijken en hij staat bij hen in de gunst. De wolven maken de vos steeds iets groter; hij wordt steeds belangrijker gemaakt door de Romeinen. En uiteindelijk zal hij, of een van zijn kinderen of kleinkinderen de Romeinen uit ons land verjagen.”
Bren keek de anderen geschrokken aan. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand de Romeinen ooit zou kunnen verdrijven. Hun legioenen waren te machtig. De Romeinen hadden meer soldaten in hun uitgestrekte rijk dan de sterren aan de hemel.
“Die vos is degene die Beren heeft vermoord. En de goden hebben jullie alle vier iets laten zien dat nog moet gebeuren. Iets dat vele jaren in de toekomst kan liggen.”
“Gaan onze dromen zo ver door?” vroeg Harald.
“Er komen vijf leiders van de Romeinen voor in jullie dromen,” zei de priester. “En daarna in de laatste droom nog eens vier die onderling om de macht vechten. Het is onbekend hoe lang de Romeinse leiders aan de macht zullen blijven, maar het zou zomaar kunnen dat jullie dromen een periode laten zien van wel honderd jaar. Alleen de goden weten dat. En pas in de laatste droom, als de Romeinen verdreven zijn, zal bekend worden wie de moordenaar van Beren was.”
Bren voelde zich leeg worden bij die woorden. Het zou jaren duren voordat hij zijn vader zou kunnen wreken. Hij zou het zelf misschien niet eens meer mee maken.
“Ik zweer dat ik mijn vete door zal geven aan mijn kinderen,” zei Bren met een verbeten blik in zijn ogen. Hij dacht aan het kind dat Hilde nu verwachtte. “En zij zullen het doorgeven aan hun kinderen, tot de dader is gestraft.”
“Ik zweer het ook,” zeiden Harald, Timmen en Banna op hetzelfde moment.
De priester keek ze alle vier een voor een in de ogen, alsof hij wilde controleren of ze het wel echt meenden.
“Zo zal het zijn,” zei hij. “Maar denk er aan dat jullie vanaf nu voor altijd verbonden zullen zijn aan het lot dat jullie in jullie dromen hebben gezien. Praat hier met niemand buiten jullie familie over. Wat de goden jullie hebben laten zien, was alleen voor jullie bestemd.”
“Hoe weten we zeker of het allemaal echt waar is?” vroeg Timmen. “Hoe weten we dat het geen list was van de goden die een grap wilden uithalen met ons verdriet?”
“Denk aan de aanwijzingen die jullie in de dromen hebben gezien,” zei de priester. “Denk aan de drie adelaars die aan de overkant van de rivier werden neergehaald. Het is nu nog onbekend wat het betekent, maar op een dag zullen jullie het begrijpen en op die dag weten jullie dat de rest ook echt is. Op die dag weten jullie dat de moordenaar bekend zal worden als de vos de kroon van de Romeinen op zijn hoofd zet. Pas als dat gebeurt, en niet daarvoor, zal jullie familie de moordenaar van Beren vinden.”

Hoofdstuk 7

Marcus

Aan het einde van de winter waren er twee andere legioenen naar het winterkwartier van het eenentwintigste legioen gekomen, zodat Drusus nu het commando voerde over een leger van drie legioenen. Drusus had Titus Laberus in zijn plaats aangesteld als legaat van het eenentwintigste legioen, zodat hij zich zelf kon richten op de totale legermacht. Marcus had nog nooit zoveel militaire activiteit bij elkaar gezien nu de drie legioenen naast elkaar hun kampen hadden opgeslagen. Duizenden mannen, paarden, ossen, muilezels en runderen leefden bij elkaar op de enorme vlakte in de buurt van Mutina. De vicus, de kleine nederzetting met handelaren die in de winter naast hun kamp was ontstaan, trok nu vrijwel iedere dag nieuwe handelaren en werklieden aan. En volgens Sextus zouden er zich in de komende weken nog meer hulptroepen aansluiten bij het leger van Drusus. Iedereen in het kamp voelde de opwinding toenemen nu het weer langzaam weer beter werd. De winter was voorbij en weldra zouden ze met hun jonge bevelhebber ten strijde trekken bij de start van het nieuwe campagneseizoen.
Marcus voelde de lente al in de lucht hangen, toen hij aan het einde van de middag samen met Sextus, Gaius en Aulus richting de vicus wandelde. Ze hadden de afgelopen nacht de langste nachtelijke mars uit hun proeftijd gemaakt, maar Marcus had geen last van de vermoeidheid. Hij voelde zich sterker en gelukkiger dan hij zich ooit had gevoeld. Die mars was namelijk de laatste test geweest en hij had zijn opleiding en de lange winter overleefd. Sinds die dag mocht Marcus zich eindelijk een echte soldaat van het legioen noemen. Zijn proeftijd was voorbij.
“Weet je zeker dat je niet mee gaat?” vroeg Gaius, die zijn geldbuidel met daarin zijn eerste soldij liet rinkelen. “Ik betaal een pijpbeurt voor je.”
Marcus schudde zijn hoofd.
“Ga je echt niet mee?” vroeg Sextus, die de afgelopen winter al vrij regelmatig op bezoek was gegaan bij bepaalde ondernemers in de vicus. “Je hebt maanden achter elkaar met alleen maar mannen in een barak geslapen. En Gaius is misschien best knap hoor, maar heb je geen zin om lekker met een vrouw in bed te kruipen?”
Gaius moest lachen.
“Je bent geen eunuch, toch?” vroeg hij. “Dit is de eerste keer dat iemand een pijpbeurt van mij afslaat.”
De drie mannen lachten hard en Marcus lachte mee, ook al voelde hij dat hij rood werd. Hij had eigenlijk helemaal geen zin om hierover te praten.
“Ik wil eerst nog even wat anders doen,” zei hij, wat ook waar was. “Ik zie jullie straks wel bij de Drie Rammen.”
De Drie Rammen was de naam van de kroeg die de afgelopen winter de stamkroeg was geworden voor de mannen van het zevende cohort. Hij heette zo, omdat er twee schedels van een ram boven de deur hingen. De derde schedel was tijdens het festival van de Saturnalia verdwenen, maar de eigenaar ging er van uit dat die schedel op wonderbaarlijke wijze in het kamp van het eenentwintigste legioen terecht was gekomen.
“Ok, meer vrouwen voor ons,” zei Gaius en hij haalde zijn schouders op.
Marcus voelde op deze dag niet eens een behoefte om met de anderen mee te gaan, ook niet als de vrouwen geen prostituees zouden zijn. Hij was vooral dankbaar dat hij de proeftijd had gehaald en hij wilde van zijn eerste soldij meteen een offer brengen aan de goden om hen te bedanken voor hun bescherming.
Bij de poort van het legioenskamp nam Marcus afscheid van de anderen, die weinig aandacht meer voor Marcus hadden nu hun bestemming zo dichtbij was. Ze liepen zo snel mogelijk richting het lage gebouw aan de rand van de kleine nederzetting waar Sextus al zo vaak was geweest.
Zelf had Marcus alle tijd. Hij liep op zijn gemak door de drukke modderige paden van de tijdelijke handelspost. Hij miste de rechte wegen en de orde van het legioenskamp. Er waren hier geen ingenieurs die het overzicht hielden en aan iedereen vertelden waar ze moesten bouwen. Iedereen zette zijn hut of verkoopkraam gewoon neer waar nog plek was en zo groeide de nederzetting langzaam in kronkelende linten naar buiten toe. Nog niet eens de helft van alle bouwsels in de vicus waren van steen. Het had ook helemaal geen zin om stenen bouwwerken neer te zetten. Zodra het leger in de lente zou vertrekken, zouden de handelaren ook weer verdwijnen. Een deel van de handelaren zou achter het leger aan reizen, want waar het legioen ook heen ging, er bleef altijd behoefte aan wijn en hoeren. En een ander deel van de handelaren zou op zoek gaan naar andere legerkampen.
In de nederzetting zag Marcus vooral veel mannen lopen die er bijna allemaal als militairen uit zagen, ook al hadden de meesten hun uitrusting in het legioenskamp achtergelaten. Marcus liep langs verschillende koopmannen die wapens, keukengerei of kleine beeldjes van de goden hadden uitgestald. Aan de prachtige details van hun attributen kon Marcus meteen zien welke goden het waren. Hij zag dat Mars en Minerva natuurlijk populair waren bij de soldaten die de nederzetting bezochten, maar er waren ook kleine bronzen beeldjes van Romulus en Remus en de wolf die hen zoogde. En Marcus zag dat de koopman ook een houten beeld had van Isis, de moedergodin uit Egypte.
‘Smerige barbaren met hun buitenlandse religies,’ dacht Marcus, terwijl hij snel doorliep naar een andere handelaar. ‘Voor je het weet verdringen die achterlijke honden- en vogelaanbidders uit Egypte de echte Romeinse goden.’
Terwijl Marcus bij een andere handelaar aan zakjes met zout en kruiden rook, voelde hij plotseling een hand op zijn schouder.
“Zo jongen, ben je ondertussen al zeventien geworden?” vroeg iemand achter hem.
Marcus draaide zich om. Eerst wist hij niet wie de oude man was die hem had aangesproken, maar toen de man begon te lachen herkende hij hem. Het was Pisto, de slaaf die Marcus had gekeurd op de dag dat hij zich had aangemeld bij het legioen. De slaaf lachte uitbundig en Marcus vroeg zich even af of hij nou werd uitgelachen. De slaaf scheen het bijzonder grappig te vinden dat Marcus een soldatentuniek en de sandalen van een militair aan had. Alsof die kleren eigenlijk niet bij hem hoorden. Marcus staarde Pisto nors aan. Hij hield niet van slaven en had eigenlijk helemaal geen zin om met hem te praten. Marcus herinnerde zich nog goed hoe brutaal de slaaf was geweest bij zijn keuring.
“Ik zie dat je Barrus hebt overleefd,” zei Pisto. “Dat had ik niet verwacht toen je je hier als jonge pup kwam melden bij het legioen. Blijkbaar begin ik al seniel te worden als ik me zo kan vergissen.”
“Je herkent me nog?” vroeg Marcus verbaasd. “Je weet nog bij welke centurie ik op die dag ben ingedeeld?”
Die slaaf moet tijdens de registratie honderden rekruten voorbij hebben zien komen. Hoe kon hij die na de maanden van hun proeftijd nog uit elkaar houden?
“Natuurlijk herken ik je nog, Marcus Vilenus van het zevende cohort. Ik onthoud altijd alles. Ik weet precies hoeveel mannen er op dit moment in staat zijn om te vechten in het legioen. Ik weet hoeveel dagen we vooruit kunnen met ons graan en ik weet uit hoeveel wagens onze bagagekaravaan bestaat. Hoe zou ik anders de kampprefect en de legaat kunnen dienen als ik die informatie niet paraat heb in mijn hoofd?”
“Niemand kan zoveel informatie onthouden,” zei Marcus.
“Een simpele voetsoldaat zoals jij misschien niet,” zei de slaaf minzaam glimlachend. “En daarom heb ik ook een hogere positie in het leger dan jij.”
“Je bent een slaaf,” zei Marcus bot. Hij merkte dat hij geïrriteerd raakte door de oude man die zoveel minder waard was dan hij en toch hondsbrutaal was. Als de slaven in zijn huis zich zo zouden gedragen, hadden ze meteen een afranseling hebben gekregen.
“En ik ben een vrije man. Ik ben een Romeins staatsburger en een soldaat van het eenentwintigste legioen. Dus hoe durf je te beweren dat jij een hogere positie hebt dan ik?”
Marcus sprak de woorden uit met een felheid die hij niet van zichzelf had verwacht. Alle emotie van de zware proeftijd die op die middag was beëindigd kwam er nu uit. Marcus had zich ontzettend trots gevoeld toen hij zichzelf eindelijk een echte soldaat mocht noemen en het voelde als een grove belediging dat deze slaaf de spot met hem dreef. En Marcus reageerde ook zo fel omdat hij wist dat hij eigenlijk niet de waarheid sprak. Hij had zijn burgerschap gestolen van de familie waar hij was opgegroeid.
De slaaf begon te lachen. Hij leek het alleen maar grappig te vinden dat Marcus zo boos keek.
“Natuurlijk ben je een vrije man,” zei Pisto. “Vrij om te gaan en staan waar je wil, zolang je maar precies doet wat Barrus je opdraagt.”
Marcus voelde een behoefte opkomen om deze slaaf eens op zijn plaats te wijzen, maar hij durfde hem niet te slaan, omdat Pisto het persoonlijke eigendom was van hun kampprefect.
“Laat me je een tip meegeven als je het wilt redden in het leger, knul,” zei de slaaf, nu op een serieuze toon. “Vergeet nooit dat je in het legioen een heel klein onderdeel bent van een veel groter geheel. Zie het legioen als een groot en hongerig beest, waarbij iedereen een specifieke taak heeft om dat beest in leven te houden. Van de legioensoldaat die aan het eind van een dagmars een latrine staat te scheppen tot de drijvers die de wagens met de artillerie achter ons aanslepen, iedereen levert een bijdrage aan het geheel. Jij waagt je leven voor mij als ons kamp wordt aangevallen en ik zorg er voor dat iedereen genoeg te eten heeft. En als het even kan, probeer ik er ook voor te zorgen dat onze legaat geen stommiteiten uithaalt die mij mijn leven kunnen kosten. En dat laatste maakt mijn bijdrage net iets belangrijker dan die van jou.”
“Nog even en je beweert dat zelfs dat jij belangrijker bent dan onze legaat, slaaf,” zei Marcus, met de nadruk op het laatste woord.
‘Waarom ga ik eigenlijk met hem in discussie?,’ vroeg hij zich af.
“Oh, bij onze vorige legaat was dat zeker het geval,” zei Pisto laconiek. “Ik was in ieder geval een stuk slimmer dan hem, maar dat was op zich nog geen bijzondere prestatie.”
Marcus’ mond viel open van verbazing bij die opmerking. Als hij zoiets zelf hardop zou zeggen over hun legaat, zou Barrus hem een maand lang latrinedienst geven.
“Maar deze nieuwe bevelhebber, die Nero Claudius Drusus, lijkt me een stuk scherper dan de vorige. De Princeps zal hem vast niet alleen maar hebben aangesteld als bevelhebber omdat hij toevallig zijn stiefzoon is. Misschien overleef ik het zelfs wel als we straks de Alpen in trekken.”
“De Alpen?” fluisterde Marcus, terwijl hij om zich heen keek of iemand hen hoorde. “Gaan we oorlog voeren in de Alpen?”
Marcus en de andere soldaten in zijn centurie vroegen zich al weken af wat het doel was van de komende campagne. Iedere avond speculeerden ze erover in hun barak en de wildste geruchten gingen rond in het legioen, van Germania tot Parthia of zelfs het verre eiland Britannia. Gaius was er ondertussen stellig van overtuigd dat ze Macedonia zouden binnenvallen, maar Sextus had hem proestend van het lachen verteld dat dat land al meer dan honderd jaar tot het rijk behoorde.
“Zie je wel dat ik slimmer ben dan jij,” zei Pisto. “Heb je er eigenlijk wel over nagedacht waarom Augustus hier drie legioenen bij elkaar brengt?”
“De soldaten zeggen dat we Germania gaan veroveren,” zei Marcus. “Er wordt gezegd dat ons legioen op de been is gebracht vanwege de inval in Gallia van twee jaar geleden.”
Marcus had juist wel veel nagedacht over het doel van hun campagne. Hij had zelfs aan hun optio, Quintus Caelius, gevraagd of hij op een kaart aan kon wijzen waar hun kamp lag. Het legioen was nu al de hele winter ingekwartierd in een kamp in het Noorden van Italia, in de buurt van Mutina. Nog geen week geleden had het hele legioen de oude slagvelden van Forum Gallorum en Mutina bezocht, waar Augustus zijn eerste veldslag tegen Marcus Antonius had gewonnen. Drusus eerde de overwinning van zijn stiefvader door op die locatie een grootschalige oefening te houden, waarbij Marcus voor het eerst alle manoeuvres uit zijn opleiding uitvoerde als onderdeel van het hele legioen. Het was een overdonderende ervaring geweest. Duizenden mannen en paarden die zich bijna sierlijk over de vlakte bewogen, strak in het gelid en onstuitbaar voor alles wat voor hen lag. Als een groot en hongerig beest, zoals Pisto het had omschreven. En met een enkel bevel of hoornsignaal veranderde hele cohorten in een ogenblik van richting. De zon schitterde die dag op de duizenden helmen en de standaarden die iedere centurie bij zich droeg. En de hele vlakte leek te dreunen onder het gestamp van ontelbare met ijzer beslagen sandalen en paardenhoeven. Ondertussen reed Drusus zelf met zijn rode wapperende mantel kriskras door de marcherende legioenen om te controleren of zijn bevelen goed werden uitgevoerd. Marcus zag hem wel vier keer voorbij komen, terwijl Drusus dwars door de formaties reed. Hij durfde de generaal niet aan te kijken, omdat hij zich moest concentreren op zijn eigen plek in de formatie. Maar toch voelde het voor Marcus alsof zijn generaal hem persoonlijk in de gaten hield, iedere keer als Drusus in de buurt was.
Dat Drusus met deze grootschalige oefening ook meteen de nederlaag van zijn schoonvader aan het vieren was, werd door niemand uitgesproken. Iedereen wist dat het beter was om niet teveel aandacht te besteden aan het feit dat Antonia, de vrouw van Drusus, de dochter van Marcus Antonius was. Marcus Antonius was een gevoelig onderwerp waar met weinig sympathie over werd gesproken in het bijzijn van de familie van de Princeps.
“Het zou best kunnen dat Germania het uiteindelijke doel is,” zei Pisto. “Maar waarom zouden de legioenen dan aan deze kant van de Alpen bij elkaar komen? Zou het niet beter zijn om de legioenen in Gallia Comata te stationeren?”
“Misschien trekken we daar na de winter heen,” zei Marcus. Hij wilde aan de slaaf laten merken dat hij wel inzicht had in de strategische positie van het leger, ook al vertelde hij alleen maar wat hij Quintus of Sextus had horen zeggen.”
Pisto schudde zijn hoofd.
“Om Germania binnen te vallen, is eerst een stabiele grens aan de Donau noodzakelijk. En er moeten veilige verbindingen mogelijk zijn tussen Lugdunum en Rome. Augustus zal geen legioenen weg willen halen uit het Noorden van Italia als de stammen uit de bergen zoals de Raeti nog niet zijn overwonnen. Daarna kan Augustus pas aan de veel riskantere oorlog in Germania beginnen. Daarom heeft hij ook Drusus naar ons gestuurd. Als we vanuit Lugdunum ten strijde zouden trekken, zou Drusus daar op ons wachten.”
Marcus dacht na over wat de slaaf allemaal vertelde. Het klonk vrij logisch dat de legioenen zich hier verzamelden en met hun nieuwe bevelhebber oefenden om ook vanuit deze positie de campagne te beginnen. Marcus vroeg zich af hoe het was om in de Alpen te moeten vechten. Hij had de Alpen nog nooit gezien, maar hij had gehoord dat ze veel hoger waren dan de Apennijnen, die ze op weg naar het Noorden waren gepasseerd. En tot nu toe hadden ze alleen nog maar op het vlakke land of in lage heuvels geoefend.
“Maar goed,” zei Pisto. “Ik ben maar een eenvoudige slaaf, dus wat weet ik er nou van?”
Pisto lachte weer bij die laatste opmerking. Marcus had het gevoel dat de slaaf het leven als een grote grap beschouwde waarvan alleen hij de humor in zag. Marcus vond dat hij wel weer genoeg tijd aan deze brutale slaaf had besteed.
“Ik moet gaan, slaaf,” zei Marcus, ook al wilde hij eigenlijk nog wat zout kopen. “Ik ben op weg om een offer te brengen aan Mars.”
“Heel verstandig,” zei Pisto, die ook aanstalten maakte om verder te lopen. “Als we deze zomer de bergen intrekken zullen velen van jullie jonge knapen al snel sterven. Je zult de hulp van de goden nodig hebben als je het wilt overleven.”
Met die onheilspellende woorden draaide de oude slaaf zich om en liep vrolijk fluitend verder. Na een paar stappen draaide hij zich weer om naar Marcus.
“Oh, en zorg dat je naar de hoeren gaat,” riep hij door de drukke straat naar Marcus. “Je wilt niet als maagd sterven, toch?”

Hoofdstuk 8

Marcus

Uiteindelijk kreeg Pisto gelijk. Het legioen van Marcus zou oorlog voeren in de Alpen ten Noorden van Italia. Twee weken na het einde van zijn proeftijd had het hele leger zich rond Mutina verzameld.
De kern van het leger bestond uit de drie legioenen en dat werd in de laatste weken van maart aangevuld met twaalf cohorten infanterie van de hulptroepen en vier alae cavalerie. Marcus rekende uit hoeveel soldaten dat waren en hij kwam uit op vijftienduizend legioensoldaten en ongeveer zevenduizend hulptroepen. En dat waren alleen nog de soldaten. Dat was zonder de slaven, de families van de hogere officieren en het personeel dat voor de honderden wagens en de dieren van de bagagekaravaan zorgde. Het duizelde Marcus bijna als hij er aan dacht hoeveel mensen er met elkaar ten strijde trokken. Hoe hield Drusus daar het overzicht over? Hoe zorgde hij er voor dat er steeds genoeg te eten was voor die massa en dat iedereen op tijd werd betaald? Het was precies zoals Pisto het had omschreven. Iedereen in het leger had een specifieke taak en moest die perfect uitvoeren. Dat was de enige manier om zo’n groot leger onder controle te houden. En Marcus was juist de hele winter gedrild door Publius Barrus om zijn eigen specifieke taak uit te voeren in de komende gevechten. Hij was er klaar voor, ook al voelde hij ook een bepaalde angst voor wat er ging komen. Die angst nam iedere dag iets toe naarmate het weer beter werd.
Eind maart vertrok Drusus naar Rome, terwijl zijn vrouw en hun eenjarige zoon Nero terug werden gebracht naar Augustus in Lugdunum. In Rome was Drusus aanwezig bij de rerum repititio, de ceremonie waarmee de oorlog tegen de Raeti officieel zou beginnen. In de vroegste dagen van de republiek werd een oorlog altijd voorafgegaan door een ceremoniële oorlogsverklaring en Augustus had deze traditie in ere hersteld. Oorspronkelijk werd het ritueel uitgevoerd door een priester die naar de grens van een vijandelijk grondgebied trok en daar een schadevergoeding eiste, die zo hoog was dat de vijand er nooit mee akkoord zou gaan. Als er aan de grens geen antwoord kwam, trok de priester het gebied in en herhaalde hij zijn eis bij de eerste persoon die hij tegen kwam. Als dat ook geen resultaat had, ging de priester verder tot hij zijn eis kon overbrengen aan de leiders van de vijand. Als zij niet binnen drieëndertig dagen ingingen op de eisen van Rome, verklaarde de priester de oorlog door een speer naar het vijandelijke grondgebied te gooien. Naarmate de grenzen van Rome door de eeuwen heen steeds verder van de stad af kwamen te liggen, kon deze ceremonie niet meer praktisch worden uitgevoerd. De Romeinen hadden dit logistieke probleem vervolgens met kenmerkend pragmatisme opgelost door gewoon een stuk grond in Rome tot tijdelijk vijandelijk grondgebied uit te roepen en daar de speer in te gooien. Uiteraard kwam er nooit een antwoord op de uitdaging van de priester die de speer gooide.
Met deze oorlogsverklaring en de goedkeuring van de senaat trok Drusus weer naar zijn leger in het Noorden.

Op de dag voordat de campagne zou beginnen, verzamelde het hele leger zich voor de officiële zegening. Drusus hield een toespraak op het podium voor het leger, waar Marcus uiteindelijk maar weinig van kan verstaan, omdat hij zo ver weg stond. Hij zag alleen dat Drusus op zijn gemak over het podium liep in zijn schitterende wapenuitrusting, terwijl de legaten van de legioenen en de prefecten van de hulptroepen achter hem zaten. Marcus hoorde hoe de soldaten die vooraan stonden meerdere keren moesten lachen of begonnen te juichen bij de toespraak van Drusus. Na zijn toespraak werden de standaarden van iedere centurie en de adelaars van de legioenen voor het podium verzameld. Er verscheen een priester op het podium die uit respect voor de goden zijn toga over zijn hoofd had getrokken. Voor het podium werden een stier en een ram geofferd, waarna de priester de veldtekens wijdde en zijn hand op het voorhoofd van Drusus legde om voor hem en zijn leger bescherming te vragen.
Hierna stond Drusus op. Hij trok zijn zwaard en riep met luide stem: “Rome zal overwinnen,” waarna de legioenen als een man hun speren de lucht in staken en hun antwoord brulden. Marcus voelde kippenvel op zijn armen. Hij kon zich niet voorstellen dat er een vijand was die dit leger zou kunnen weerstaan. Iedereen die op deze vlakte voor het podium stond, popelde om losgelaten te worden. En hun jonge generaal was nog het meest ongedurig van allemaal. Hij had hier al jaren naartoe gewerkt, met de steun van zijn broer en zijn stiefvader. Morgen zou zijn eerste oorlog beginnen. Zijn eerste stap op weg naar roem.

De volgende ochtend vertrok het leger uit het winterkwartier en marcheerde in een lange uitgestrekte kolonne naar het Noorden. De oorlog was officieel begonnen, maar niemand verwachtte nu al een contact met vijandelijke stammen. Het leger marcheerde nog over Romeins grondgebied. En als er vijanden in de buurt waren, dan zouden de verkenners van de hulptroepen hen opmerken voordat de legioenen ze zelfs zouden zien. De ruiters van de verkenningstroepen zwermden in kleine groepen overal rond de enorme rij mannen die naar het Noorden trok. Marcus zag tijdens de mars een aantal keer een turmae met verkenners langskomen op weg naar een nieuwe positie of op weg naar de officieren om verslag uit te brengen. Waarschijnlijk hadden de eerste verkenners samen met de ingenieurs al een locatie uitgekozen voor hun marskamp op het moment dat de laatste soldaten uit hun vorige kamp vertrokken.
Op de tweede dag stak het leger de rivier de Padus over en trok verder naar het Noordoosten. Drusus liet zijn leger een paar dagen naar het Noordoosten marcheren en trok vanaf de plaats Altinum naar het Noorwesten, richting de bergen. Iedere dag trok het leger verder en iedere dag werden de bergen hoger en het land wilder. Gaius had nog nooit in zijn leven echte bergen gezien en hij geloofde nauwelijks wat hij zag. Ook voor Marcus zagen de bergen er dreigend uit. Hij had het gevoel dat hun leger van alle kanten in de gaten werd gehouden, terwijl ze verder de Alpen in marcheerden.
Na een week kwamen de legioenen aan bij de kleine stad Tridentum, die in een brede vallei lag aan de rand van het Romeinse gebied. Het legioen van Marcus marcheerde vooraan en begon in de vroege avond meteen met de aanleg van een kamp dat groot genoeg was voor de drie legioenen en de hulptroepen. Iedereen werkte haastig om de verdedigingswerken voor het donker in orde te brengen, want ze wisten dat ze zich vlakbij vijandelijk gebied bevonden.
Terwijl Marcus in de ondergaande zon aan het graven was voor de greppel aan de Westzijde van het kamp, keek hij even naar het stadje Tridentum in de verte. Het was eigenlijk nauwelijks een stad te noemen, ook al was de nederzetting omgeven door een stenen muur. De vicus naast hun vorige kamp was op het drukste moment groter geweest dan deze nederzetting.
Marcus veegde met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd en nam een slok water. De binnenkant van zijn helm was vochtig van het zweet, maar hij mocht tijdens het graven zijn helm niet af doen van de centurion en de optio. Het graven was vermoeiend werk, ook al was Marcus er na een week al weer gewend aan geraakt om dit iedere dag te moeten doen.
Net op het moment dat Marcus weer aan het werk wilde gaan, zag hij in de verte iets dat zijn aandacht trok. Aan de rand van Tridentum zag Marcus een klein groepje ruiters wegrijden van de stad. Ze reden op hoge snelheid richting het Noorden.
“Sextus,” riep Marcus naar zijn decanus en hij wees naar de ruiters in de verte. “Zijn die van ons?”
Sextus kwam naast Marcus staan en hield zijn hand boven zijn ogen. De zon was bijna onder gegaan achter de hoge bergruggen in het Westen en de groep was moeilijk te onderscheiden in de schemering. Sextus schudde zijn hoofd.
“Ik denk het niet,” zei hij. “Waarschijnlijk mannen uit Tridentum die hun buren gaan waarschuwen.”
Sextus besteedde er verder niet al teveel aandacht aan. Hij draaide zich om en ging weer aan het werk.
“Moeten we dit niet melden bij Barrus?” vroeg Marcus. “Of bij onze bevelhebber?”
Marcus zag al helemaal voor zich hoe hij het nieuws over de ruiters aan Drusus zou overbrengen en daarmee het hele leger zou redden van de ondergang.
“Laat ze maar gaan,” zei Sextus. “Drusus zal er rekening mee houden dat we vroeg of laat ontdekt worden. Zo’n groot leger wordt vanzelf een keer opgemerkt. En het is beter als de vijand naar ons komt dan dat wij al die bergen op moeten klauteren om achter ze aan te jagen. Drink vanavond niet teveel wijn, jongens. Want het zou best wel eens kunnen dat we morgen een groepje wilden op ons pad vinden.”

De volgende dag trok het leger verder naar het Noorden, maar er was nergens een groepje wilden te vinden om ze tegen te houden. De soldaten marcheerden de hele dag door de brede vallei, terwijl de bergruggen aan de beide zijden steeds steiler en hoger werden. De kolonne marcheerde nu dichter op elkaar dan de vorige dag en Marcus merkte dat de verkenners meer gespannen waren. Ze bleven in grotere groepen bij elkaar en er werd minder gesproken en gelachen als er een groep ruiters voorbij kwam rijden. Aan het eind van de dag hoorde Marcus in het kamp dat de verkenners al op twee plaatsen met de vijand in contact waren gekomen. Het waren kleine schermutselingen geweest, waarvan de hoofdkolonne van het leger niet eens in de gaten had gehad dat ze hadden plaatsgevonden. Toch wist iedereen dat hiermee de oorlog echt was begonnen. Er had bloed gevloeid en aan beide zijden waren er al enkele doden gevallen.
’s Avonds in hun tent luisterde Marcus een lange tijd gespannen of hij ergens een alarm of het geluid van wapengekletter hoorde. Hij verwachtte half dat de vijand ’s nachts hun kamp zou bestormen. Zouden de wachters hen op tijd opmerken voordat een of andere barbaar met een woeste baard in de tent van Marcus zou opduiken?
Het gerucht dat Gaius tijdens het avondmaal had verteld zorgde er ook niet echt voor dat Marcus met een gerust hart in slaap kon vallen. Gaius had via via gehoord dat twee lichamen van de verkenners zonder hun hoofd terug waren gebracht na een van de schermutselingen. Blijkbaar hadden de barbaren hun hoofden meegenomen als oorlogstrofeeën. Marcus gruwde bij die gedachte. Hij zag al helemaal voor zich hoe de barbaren trots met hun afgehakte hoofd door hun kamp liepen en er grappen over maakten. Kon dat ook het hoofd van Gaius of Marcus zijn als ze werden gedood? Kon de ziel van Marcus wel naar het hiernamaals als zijn hoofd was verdwenen?
Marcus kon zich haast niet voorstellen dat deze stammen zo dicht bij Rome woonden en toch zo barbaars waren. Hoe konden ze zich zo beestachtig gedragen?
Uiteindelijk viel Marcus toch in slaap, maar hij had een vreemde, angstaanjagende droom. Marcus droomde dat Barrus bij wijze van oefening het hoofd van Marcus van zijn lichaam had getrokken en het aan zijn haren door het kamp had geslingerd. De soldaten van zijn cohort trapten het hoofd lachend door het kamp, terwijl het hoofdloze lichaam van Marcus er wanhopig achteraan rende. Toen Marcus zijn hoofd uiteindelijk weer te pakken had en het op zijn nek probeerde te zetten, zag hij met een schok dat het niet zijn eigen hoofd was, maar het hoofd van Gaius. En net op dat moment schrok Marcus wakker en opende zijn ogen. Hij zag nog steeds het gezicht van Gaius voor zich. Gaius schudde Marcus door elkaar en sloeg hem een paar keer op zijn wang, terwijl Marcus langzaam besefte waar hij ook alweer was.
“Kom op, slaapkop,” fluisterde Gaius. Buiten de tent hoorde Marcus trompetsignalen en mannen die naar zijn idee veel te hard schreeuwden voor dit vroege tijdstip. “We moeten verzamelen. Pak je spullen.”

Marcus at snel een waterige pap als ontbijt en keek op zijn gemak naar de bedrijvigheid in het kamp. Het begon net iets lichter te worden aan de horizon, maar de eerste boodschappers reden al weer af en aan door het kamp om berichten door te geven aan de verschillende eenheden. Na zijn ontbijt hielp Marcus de anderen om hun tent af te breken en dit hadden ze net gedaan toen Publius Barrus terug kwam van het ochtendoverleg met de andere officieren.
“Derde centurie, verzamelen,” riep Barrus, waarna de soldaten alles wat ze deden uit hun handen lieten vallen. Ze liepen snel naar hun vaste plek in de centurie, terwijl ook de optio, de hoornblazer en de drager van de standaard hun plek innamen naast de centurion.
“We breken vandaag het kamp niet op,” riep Barrus. Marcus zag om zich heen dat de andere centurions ondertussen ook hun mannen bij zich riepen. “Laat de tenten staan en laat jullie bepakking vandaag achter als we op mars gaan. Alleen jullie standaard uitrusting gaat mee en neem voldoende proviand en water mee voor twee dagen.”
Met een schok besefte Marcus wat dit betekende. Ze zouden vandaag niet verder marcheren en daarna een nieuw kamp opbouwen. Ze zouden hier vanavond weer terugkomen. En dat kon maar een ding betekenen: Drusus verwachtte dat ze vandaag een veldslag zouden leveren. De vijand was in de buurt.
Terwijl alle soldaten die ochtend hun uitrusting in orde maakten, hing er een vreemde sfeer in het kamp. De jonge rekruten gedroegen zich schichtig, zag Marcus. En zo voelde hij zichzelf ook. De meeste liepen rond met een bleek gezicht en ze controleerden keer op keer hun de riemen van hun uitrusting of de scherpte van hun zwaard. Sommigen waren stil en anderen, zoals Gaius, praatten juist opvallend veel. De oudere soldaten waren minder gespannen. Ze hadden dit al vaker meegemaakt en een paar ervaren rotten leken zelfs al uit te kijken naar een stevige veldslag. Sextus Quirinus liep rond tussen de mannen van zijn tent, bijna allemaal jonge rekruten. Hij hielp zijn soldaten waar hij kon en stelde hen gerust.
“Meestal komt het niet eens tot een gevecht,” zei hij tegen Marcus, terwijl hij zijn maliënhemd iets losser trok rond zijn middel. “Dan staan wij allemaal netjes opgesteld op een veld met de vijand tegenover ons. En als we elkaar dan heel lang in de ogen hebben gekeken, besluit een van de twee bevelhebbers dat hij toch niet helemaal tevreden is over zijn positie. En dan vertrekt het ene leger gewoon, om het een dag later op een andere plek nog een keer te proberen.”
Marcus bad samen met Sextus en Gaius een laatste keer tot de kleine beeldjes van Roma en Minerva, waarna Sextus de beeldjes kuste en voorzichtig opborg in een leren buidel die hij om zijn schouder hing. Duizenden mannen in het kamp deden op dat moment hetzelfde. Even verderop zag Marcus hoe Publius Barrus en Quintus Caelius geknield in het gras zaten voor een beeldje van de Griekse god Himeros.
Marcus deed zijn helm op, pakte zijn twee werpsperen en zijn schild en liep naar zijn plek. De rest van de centuries verzamelden zich ook tot het hele cohort compleet was. Marcus keek naar de mannen om hem heen die hij in de afgelopen maanden zo goed had leren kennen. Hij vroeg zich af hoeveel van die mannen vanavond niet meer terug zouden keren naar het kamp.
Nadat alle cohorten stonden opgesteld langs de hoofdweg van het kamp, reed Drusus samen met de hogere officieren langs de rijen verzamelde mannen. Als de jonge generaal gespannen was over zijn eerste veldslag, dan liet hij dat in ieder geval niet merken. Drusus keek de mannen die voor hem juichten in de ogen en knikte naar enkele soldaten die hij herkende. Marcus vroeg zich af of Drusus hem nog zou herkennen van die avond bij de poort dat hij hem voor het eerst had ontmoet. Hij zag hoe Drusus langzaam naar de voorkant van de kolonne reed met zijn schitterende wapenuitrusting en zijn rode mantel. Marcus vroeg zich af of Alexander van Macedonië er ook zo had uitgezien toen hij voor de eerste keer ten strijde trok. Drusus was ongeveer van dezelfde leeftijd als Alexander de Grote meer dan driehonderd jaar geleden was geweest. En Augustus, die tijdens zijn bezoek aan Egypte per ongeluk de neus van het gemummificeerde lichaam van Alexander had afgebroken, was zelfs nog jonger geweest dan Drusus en Alexander toen hij voor het eerst een leger had aangevoerd.
‘Zou Drusus zichzelf ook met Alexander vergelijken?’ dacht Marcus. Hij vroeg zich af hoe het zou voelen om zo’n grote verantwoordelijkheid te dragen.
Even later werd het signaal voor vertrek gegeven en de hele kolonne, tweeëntwintigduizend speren en zwaarden, marcheerde per cohort door de poorten van het kamp.

Hoofdstuk 9

Marcus

Voor de middag kwamen de eerste verkenners terug gereden naar de marcherende kolonne met het nieuws dat ze de vijand hadden gevonden. Een paar mijl verderop, waar de vlakke vallei omhoog ging in heuvelachtig terrein, had een grote groep krijgers zich verzameld. De eerste inschattingen van de verkenners waren dat het er minstens vijfduizend waren; en er waren er ongetwijfeld nog meer die zich verborgen hielden in de bossen aan beide kanten van de vallei. Drusus gaf het bevel om de enorme kolonne, die zich die ochtend nog had verplaatst in een marsformatie, om te vormen tot een veldslagformatie. In een goed geoefende manoeuvre verspreidden de cohorten van de verschillende legioenen zich over de hele breedte van de vallei, met de cavalerie ter ondersteuning op de flanken. Het zevende cohort van Marcus had zijn positie achter het tweede cohort, ongeveer rechts van het midden van de hele linie. Voor de legionairs stonden nog enkele lichtere hulptroepen opgesteld, waardoor Marcus een aantal rijen achter de voorste linie stond. Zodra het hele leger stond opgesteld, werd het bevel gegeven om voorwaarts te marcheren. Marcus voelde de spanning toenemen toen hij zijn eerste stappen zette, op weg naar de vijand die ergens voor hen op hen wachtte.
Marcus concentreerde zich tijdens het marcheren alleen nog op de standaard van zijn centurie en de helmpluim van Publius Barrus, die vier rijen voor hem marcheerde. Naast Marcus liep de optio Quintus Caelius, die goed om zich heen keek of iedereen van zijn centurie in formatie bleef. En aan de linkerkant van Marcus marcheerde Gaius met zijn speer en schild dicht tegen het schild van Marcus aan.
Tijdens het marcheren voelde Marcus koud zweet over zijn rug lopen. Hij had een droge mond, ook al had hij die ochtend voortdurend gedronken. De lange mars richting het slagveld leek een eeuwigheid te duren en het voelde voor Marcus alsof hij door een onzichtbare kracht naar voren werd geduwd. Hij kon er niet aan ontsnappen. Overal om hem heen hoorde Marcus de stampende voeten van de legionairs, de ruwe stemmen van de officieren en het rinkelen van de metalen helmen en wapenuitrustingen. De ijzeren punten van de werpsperen en de standaarden van de verschillende eenheden staken zo ver als hij kon zien in de lucht. Drusus en de andere hogere officieren zag Marcus niet, maar hij ging er van uit zij ergens achter de legioenen reden.
Na een tijd lang marcheren hoorde Marcus een ander geluid boven het lawaai van het marcherende leger uitkomen. Eerst vaag, als een verre echo door het dal, maar langzaam werd het steeds duidelijker. Het geluid leek overal om hem heen vandaan te komen. Het weerkaatste tegen de steile bergwanden aan weerszijden van de brede vallei. Marcus hoorde in dat geluid woeste kreten, talloze hoorns en het geluid van speren die ritmisch tegen houten schilden werden geslagen.
“Zie je al iets?” vroeg Gaius aan Marcus, die een stuk langer was dan hij. Gaius zag er gretiger uit dan Marcus zich op dat moment voelde. Hij had zin in zijn eerste gevecht. Gaius leek zich absoluut geen zorgen te maken over zijn eigen veiligheid.
“Ja, ik zie ze,” zei Marcus en hij merkte dat zijn stem schor was.
In de verte, ver voor de marcherende soldaten, liep het terrein iets omhoog tot een lage heuvel. Op die heuvel zag Marcus een lange rij figuren staan. Hij zag niet hoeveel mannen er achter elkaar stonden, maar de rij die voor hem stond strekte zich over de hele horizon uit. Marcus zag niet waar de rij eindigde.
Het leger marcheerde door.
“Ze zien er boos uit,” merkte Marcus op. “Ik denk niet dat ze ons er door willen laten.”
Ze naderden de krijgers en Marcus kon de vage figuren nu wat beter onderscheiden. Hij zag ze wild heen en weer springen en met hun wapens tegen hun schilden slaan. Er leek maar weinig structuur te zitten in het leger op de heuvel. De krijgers waren niet in duidelijke eenheden ingedeeld zoals de Romeinen. Het was meer een grote meute met een aantal aanvoerders die min of meer losse groepen om zich heen hadden staan. Het geluid van de barbaren werd luider.
Drusus liet het leger verder marcheren zonder in te houden. De cohorten kwamen bij een ondiepe stroom die in een kom dwars over het slagveld liep, maar ze minderden nauwelijks vaart bij het oversteken van de stroom. Het water kwam maar tot hun enkels en de mannen marcheerden aan de andere kant van de stroom weer door in dezelfde aaneengesloten formatie. Ze kwamen steeds dichter bij de vijand.
Marcus zag dat een aantal mannen van het leger van de barbaren zich losmaakte van de hoofdmacht en naar voren rende vanaf de heuvel. Het waren boogschutters en slingeraars. Lichtbewapende troepen die hun projectielen richting de Romeinen begonnen te schieten.
In de voorste linie deden de lichtbewapende troepen van de Romeinen hetzelfde, terwijl de zwaarbewapende legionairs achter hen verder liepen met hun schilden dicht tegen elkaar.
Hoewel de meeste projectielen zonder al te veel schade afketsten op schilden of helmen, zag Marcus ook enkele mannen in de voorste linie die geraakt werden en in elkaar zakten. Hij hoorde plotselinge kreten van pijn boven het geschreeuw van de barbaren uitkomen. De Romeinse soldaten marcheerden door.
Ergens vooraan werd het bevel gegeven om de speren in de aanslag te houden en Marcus zag hoe iedereen in de voorste cohorten zich klaar maakte om zijn speer te gooien. Marcus voelde zijn hart steeds harder tegen zijn maliënhemd kloppen, terwijl hij dichter bij de vijand kwam. De lichte infanterie van beide zijden trok zich terug en werd ingehaald door de zwaardere infanterie.
“Speren klaar,” schreeuwde Barrus vooraan en de optio herhaalde het bevel van achteren. Marcus pakte zijn zware speer bovenhands vast en hield hem in de lucht, terwijl hij zijn schild en zijn lichte speer met zijn linkerhand voor zich hield. Marcus merkte nu waar het eindeloze drillen van zijn proeftijd goed voor was geweest. Hij hoefde niet meer na te denken over zijn handelingen. Alles ging automatisch. Iedereen in de centurie reageerde direct op de commando’s van Barrus. Marcus voelde de spanning nog verder toenemen. Hij merkte tot zijn eigen schaamte dat hij iets inhield toen hij de vijand voor zich zag, terwijl Gaius juist iets sneller ging lopen. Met een korte por van zijn staf spoorde de optio Marcus aan.
“Blijf in formatie,” zei Quintus, terwijl hij zijn ogen strak op de vijand gericht hield. Waarschijnlijk was die opmerking voor zowel Marcus als Gaius bedoeld.
Plotseling stormden de barbaren op de heuvel recht op het Romeinse leger af. Wild schreeuwend renden ze met honderden tegelijk naar voren. Ergens vooraan schreeuwden de centurions iets wat Marcus niet kon verstaan, maar hij zag dat alle soldaten in de voorste cohorten hun speren naar de aanvallende krijgers gooiden. Het resultaat was vernietigend. Voor de eerste keer zag Marcus nu waarom de oudere soldaten de pilum het belangrijkste wapen van het legioen noemden. Het leek bijna alsof Mars zelf een slag uitdeelde tegen het aanstormende leger. De werpsperen van de legionairs daalden neer op de barbaren en doorboorden alles op hun pad. Schilden, pantsers, lichaamsdelen, niets was bestand tegen de zware speren van de Romeinen. Bijna iedereen in de eerste paar rijen werd wel op de een of andere manier geraakt door de massale aanval. De krijgers struikelden en vielen bloedend neer op de grond, of ze probeerden tevergeefs de lange speren los te trekken uit hun schilden of hun ledematen. De woeste aanval werd afgeremd, terwijl de volgende rijen barbaren zich door de eerste rijen naar voren worstelden. Nog voor de aanval weer in gang kon worden gezet, was over de hele linie het bevel gegeven om de tweede speer te gooien. Honderden speren vlogen door de lucht en kwamen neer op de barbaarse krijgers, die weer met tientallen tegelijk werden uitgeschakeld. Marcus zag speren die dwars door schedels gingen of in een borst of arm bleven steken, waarna de barbaren gillend over elkaar heen vielen.
Vooraan trokken de legionairs hun zwaard en marcheerden door richting de vijand. De barbaren organiseerden zich ook weer en renden woedend richting de Romeinen. Marcus hoorde Barrus iets roepen, maar hij was te geschokt door wat hij voor zich zag om nog te kunnen reageren. Pas toen Quintus het bevel in zijn oor herhaalde, gooide Marcus zijn speer over de hoofden van het tweede cohort heen. Marcus kon niet zien of zijn speer iets had geraakt, maar het effect was net zo verwoestend als de eerste twee salvo’s. Weer een hele rij barbaren ging schreeuwend onderuit. Aan zijn linkerkant hoorde Marcus hoe Gaius uitzinning joelde bij de aanblik van zoveel vijanden die in een keer werden weggevaagd. Barrus schreeuwde een bevel en de hele centurie gooide de lichte speer naar voren.
De barbaren waren even in wanorde uit elkaar gevallen door de verwoestende aanvallen met de werpsperen, maar al snel kwamen er van achteren meer versterkingen naar beneden rennen die nu helemaal buiten zinnen waren van woede. Ze wilden wraak nemen op de Romeinen voor de dood van hun stamgenoten. Marcus kon nog net zien hoe de voorste rij legionairs zich schrap zette voordat de twee legers op elkaar botsten. Meteen werd het geluid van het geschreeuw anders. Marcus hoorde langs de hele voorste rij het geluid van metaal op metaal, vermengd met kreten van pijn en woede. De cohorten achter de voorste linie kwamen allemaal tegelijk tot stilstand. Vooraan werd heftig gevochten en Marcus zag op verschillende plekken hoe legionairs neervielen. Ze verdwenen tussen de vechtende mannen. Maar de Romeinen weken niet terug naar achteren. Ze bleven staan op hun plek, terwijl de vijand op de rij mannen inbeukte. Het leger van de Romeinen vocht als een blok; hakkend, stompend en stekend. Een kille en gedisciplineerde rij zwaarden en schilden waar de vijand zich op stuk beet. De lichte infanterie stond tussen de cohorten in en bestookte de barbaren ondertussen voortdurend met pijlen en stenen.
Vanuit verschillende hoeken zag Marcus dat er stenen van de barbaren richting zijn centurie werden geslingerd. Hij voelde met een klap hoe zijn schild werd geraakt door een pijl die ergens van links kwam, maar Marcus keek niet opzij. Hij concentreerde zich alleen op de mannen die voor hem stonden.
De wereld van Marcus leek om hem heen te krimpen. Hij vergat de omgeving; de brede vallei die omringd was door berghellingen, hij vergat de andere legioenen die naast hen in hetzelfde gevecht waren verwikkeld, hij vergat zelfs de barbaren die nog bovenop de heuvel in reserve stonden. Op dit moment was Marcus alleen nog maar gericht op de paar vrienden die om hem heen stonden en de vijanden die hij recht voor zich zag. Quintus schreeuwde het bevel om hun zwaard te trekken en Marcus trok met klamme hand zijn korte zwaard uit de schede. Het was bijna zijn beurt om oog in oog te staan met deze wilde krijgers uit de bergen. In de voorste rijen van de Romeinen werden een aantal soldaten uitgeschakeld, maar zodra er een Romein verdween, werd zijn plek overgenomen door de volgende. De linie bleef intact en werd niet naar achteren gedrongen. Ondertussen vielen er aan de kant van de barbaren veel meer slachtoffers dan bij de Romeinen, die een betere bepantsering hadden en meer gedisciplineerd als een eenheid vochten. Marcus hoorde vanuit het tweede cohort een aantal hoornsignalen en zag aan de standaarden dat de centurions het bevel hadden gegeven om verder te marcheren. De centuries zetten zich weer in beweging, waarbij de voorste legionairs de vijanden voor zich terugdreven met een muur van schilden en zwaarden.
Marcus marcheerde verkrampt naar voren, terwijl hij zich voor probeerde te bereiden op zijn eerste echte gevecht.
“Kom op, stelletje klootzakken,” schreeuwde Gaius enthousiast. “Rome is hier.”
Het duurde niet lang voor Marcus de eerste doden op het slagveld zag liggen. Terwijl het leger gestaag voorwaarts ging, bereikte de centurie van Marcus de plek waar de twee strijdmachten slaags waren geraakt met elkaar. Marcus rook de stank van de aan stukken gehakte lichamen eerder dan dat hij ze zag. Er lag een hele rij lichamen over elkaar heen, precies op de plek waar de Romeinen stand hadden gehouden. Romeinen en barbaren lagen door elkaar heen, hun lichamen vertrapt in de bloederige modder door alle soldaten die hier al langs waren gekomen. Marcus sidderde toen hij zijn eerste stap op de lichamen zette. Hij voelde armen en benen onder zijn sandalen, maar het was onmogelijk om niet op iemand te stappen. De lichamen waren nauwelijks nog herkenbaar als mensen nadat er verschillende rijen met Romeinse legionairs overheen waren getrokken. De voorste rijen hadden de krijgers uitgeschakeld en vervolgens waren ze verder getrokken, ook als hun slachtoffers alleen gewond waren geraakt. Alle rijen die achter de voorste rij aan kwamen hadden die lichamen vervolgens gestoken met hun zwaarden tot er niks meer van over was. Ook Marcus en Gaius staken hun zwaarden in verschillende lichamen die op de grond lagen, hoewel het duidelijk was dat er niemand meer in leven was. Marcus voelde een zure smaak in zijn mond en moest bijna overgeven terwijl hij het dode vlees verder aan stukken sneed, maar hij slikte het snel weer in. Hij schakelde zijn gedachten uit en dacht niet meer na over wat hij deed. Hij bleef zijn zwaard in de lichamen steken en hij stapte op handen, hoofden en ruggen, zonder dat hij het echt zag. De stank van bloed, modder en stront was overweldigend.
Plotseling hoorde Marcus ergens een luid gejuich klinken. Hij keek verbaasd op. Hij merkte nu pas weer dat zijn centurie onderdeel was van een groter geheel. Het gejuich leek van rechts te komen. Marcus keek langs de rij soldaten naar rechts en zag daar een grote groep barbaren zomaar naar achteren rennen.
“Ze slaan op de vlucht,” riep Marcus met overslaande stem. “Ze rennen weg.”
Hij kon nauwelijks geloven wat hij zag. Het gejuich van de Romeinen verspreidde zich langzaam over het hele leger. Steeds meer Romeinen en barbaren hadden door wat er aan de hand was en toen de barbaren hun stamgenoten weg zagen rennen, sloeg hun stemming snel om in paniek. De aanvoerders probeerden hun mannen nog tegen te houden, maar er was niks meer aan te doen. In slechts een paar ogenblikken rende de hele massa opeens de heuvel weer op en de Romeinen renden achter hen aan. Marcus schreeuwde uitgelaten mee met de anderen, terwijl hij zijn bloederige zwaard de lucht in stak. Zijn angst was verdwenen en hij vergat de dode lichamen die overal aan zijn voeten lagen. Barrus gaf het bevel om met versnelde pas voorwaarts te gaan en de mannen renden opgetogen achter hun standaard aan. Aan de rechterkant van het slagveld zag Marcus opeens Drusus verschijnen voor de Romeinse legionairs. Samen met zijn Gallische escorte en de ruiters van de hulptroepen stormde Drusus op de vluchtende vijanden af. De soldaten schreeuwden enthousiast aanmoedigingen naar hun bevelhebber die voor hen persoonlijk een aantal krijgers neer sloeg met zijn zwaard. Zijn rode generaalsmantel wapperde om zijn schouders, terwijl Drusus over het slagveld stormde. Het was een schitterend gezicht. De mannen waren blij dat ze een echte vechter als bevelhebber hadden en niet een of andere bureaucratische senator die de legers vanaf de achterhoede aanstuurde. Drusus ging zijn leger voor in de strijd en alle soldaten van de drie legioenen renden achter hem aan de heuvel op.

De rest van die dag voelde voor Marcus erg onwerkelijk, bijna als een droom. Aan de Romeinse zijde waren honderden doden en gewonden te betreuren, maar Marcus had zijn eerste veldslag overleefd. De voorste cohorten en de cavalerie achtervolgden het vluchtende leger van de barbaren verder de heuvels in, tot er nog maar een paar kleine groepen over waren, die zich verder terugtrokken in de bossen.
De overige cohorten bleven ondertussen als reserve achter op het slagveld. Ze verzorgden hun gewonden, schakelden achtergebleven vijanden uit en verzamelden zoveel mogelijk wapens en buit van de gevallen strijders. Marcus voelde zich op een vreemde manier leeg, terwijl hij buidels met geld en gouden of zilveren sieraden losrukte van de lichamen. Quintus stond in de buurt en hield streng in de gaten dat alle buit echt werd ingeleverd voor de gemeenschappelijke verdeling na de slag. Marcus was tegelijkertijd opgelucht en teleurgesteld dat hij in deze eerste slag niet had hoeven vechten. Het gevecht was zo plotseling voorbij geweest. Het ene moment hadden beide legers nog heftig met elkaar gevochten en het volgende moment had de vijand zich halsoverkop teruggetrokken. Marcus vroeg zich af hoe hij zelf zou hebben gereageerd als hij vooraan had gestaan. Zou hij zich staande kunnen houden in een gevecht met een of andere wilde hoofdman? En wat zou Marcus doen als hij zijn eigen leger weg zou zien rennen zoals de barbaren hadden gedaan? Marcus wilde graag geloven dat hij in dat geval dapper stand zou houden en zijn maten weer tot de orde zou roepen, maar hij twijfelde of hij dat echt kon als het er op aankwam. De spanning was tijdens het gevecht zo groot geweest. En dan had Marcus nog op een relatief veilige plek gestaan. Marcus wist na dit gevecht nog niet wat voor soldaat hij was. Hij had zich nog niet kunnen bewijzen, ook niet voor zichzelf.
Marcus keek in de richting van de bergen, waar de zon langzaam richting de horizon kroop. Dit was pas de eerste veldslag van de campagne. Hij wist dat er nog veel meer gevechten zouden volgen. Vroeg of laat zou Marcus de kans krijgen om aan zichzelf duidelijk te maken dat hij geen lafaard was.
Hij keek om zich heen naar de grond en zag daar een opvallend wit voorwerp liggen, dat een dode strijder nog in zijn hand had geklemd. Marcus haalde het voorwerp voorzichtig uit de levenloze hand en veegde de modder er van af. Het was een klein ivoren beeldje van een god, waar de strijder waarschijnlijk in zijn laatste momenten toe had gebeden.
‘Het heeft hem niet geholpen,’ dacht Marcus, terwijl hij naar het gezicht van de man keek. Het was een oude man. Zijn kortgeknipte haar was grijs en hij had een lichte grijze baard die hooguit van een paar dagen was. Eigenlijk zag die man er helemaal niet zo anders uit dan de Romeinse bevolking die in de vlakte voor de Alpen woonde. Met een schok besefte Marcus dat hij ook de afgebeelde god herkende. Aan de attributen van het beeldje was duidelijk te zien dat het een beeld van Mercurius was.
‘Blijkbaar verschillen deze volken toch niet zo veel van ons,’ dacht Marcus. ‘Ze hebben dezelfde goden.’
Dat was ook wel te verwachten. De Romeinen dreven al eeuwen handel met de volkeren in de Alpen. Het was logisch dat dat op den duur zou leiden tot een zekere vermenging van hun culturen.
Marcus keek of Quintus oplette en stak vervolgens stiekem het kleine beeldje in zijn buidel. Dit was zijn persoonlijke oorlogsbuit. Mercurius was de god van zijn familie en Marcus wist zeker dat het geen toeval was dat hij dit beeldje hier op dit slagveld had gevonden. Het was een teken. Vanaf nu zou Mercurius over hem waken.
Hoofdstuk 10

Bren

Bren vond dat de discussie al te lang door ging. En het was weer hetzelfde. Ze hadden het hier al zo vaak over gehad.
“De priester zei dat de moordenaar, of een van zijn nakomelingen uiteindelijk de Romeinen uit ons land zou verdrijven,” zei Harald. “En het was iemand van de Bataven. Dat was ook helder.”
“Wat maakt het uit wat de priester er van vond,” zei Timmen. “Het was maar een droom. Een droom is geen bewijs. Misschien hebben die dromen wel helemaal niks te betekenen.”
“Het was een boodschap van de goden,” zei Harald. “Hoe verklaar je anders dat we allemaal op hetzelfde moment zo’n droom hadden?”
Bren zuchtte. Hij stond op van de tafel om een extra blok hout op het vuur te leggen. De winter was weer voorbij, maar de nachten konden nog aardig koud worden. Vanaf de haard keek Bren naar de familie die aan de houten tafel in het midden van de boerderij zat. Harald, Reine, Timmen, Banna en Hilde. Zijn familie. Bren was verantwoordelijk voor deze mensen, maar hij had het gevoel dat hij faalde. Hij had aan zijn vader gezworen dat hij hem zou wreken, maar hij had geen enkele aanwijzing wie de dader kon zijn. De hele winter had dat sombere besef over het leven in de boerderij gehangen. Bren voelde zijn frustratie groter worden met het daglicht dat na de donkere dagen weer terugkeerde. Iedereen werd prikkelbaar door het gevoel van machteloosheid en het verdriet om het verlies van Beren. Bren staarde naar de buik van Hilde, die al begon te groeien. Nog een paar manen en dan zou hun kind worden geboren. Bren vroeg zich af in wat voor familie dat kind dan terecht zou komen.
Hij vond dat ze te veel in zichzelf gekeerd raakten. Ze waren alleen nog maar met de moord bezig. Alleen met hun verlies. Het was na deze winter tijd om weer naar de toekomst te kijken. Naar nieuw leven. En Bren moest zorgen dat de positie van zijn familie niet verzwakte nu Beren er niet meer was. De zorg voor zijn familie en zijn kind had nu prioriteit. Dat was belangrijker dan die moord die ze toch niet op konden lossen.
Zijn vader was een belangrijke man geweest binnen de stam, wist Bren. Veel mannen hadden hun familie aan de familie van Beren verbonden. Beren had voor bescherming voor hun families gezorgd, hij bemiddelde voor hen als ze een conflict met een andere familie hadden en hij behartigde hun belangen bij de volksvergaderingen. In ruil voor die bescherming hadden de vaders en zonen van die familie gezworen dat ze voor Beren zouden vechten als hij hen zou oproepen voor de strijd. En Beren stond op zijn beurt weer onder de bescherming van Tarik, die al sinds hun jeugd elkaars beste vrienden waren.
Al die afspraken uit het verleden waren gebaseerd op het respect dat die mensen hadden voor Beren. Bren vroeg zich af of die afspraken nog steeds golden nu hij aan het hoofd van de familie stond. En zou Tarik nog hetzelfde aanzien hebben bij de volksvergadering als de steun van Beren weg zou vallen? Zou hij deze zomer weer als leider worden gekozen bij de vergadering van alle stammen? Of werd een van zijn rivalen van een andere familie gekozen als de steun van de families van Beren wegviel?
Bren besloot dat hij dat niet mocht laten gebeuren. Hij wilde niet dat zijn familie zo snel na de dood van zijn vader zijn invloed zou verliezen. Hij wist dat Beren en zijn voorouders meekeken. Bren mocht ze niet teleurstellen.
Bren bleef lang op die avond. Hij had teveel zorgen aan zijn hoofd om al te gaan slapen. Nadat alle anderen een voor een naar bed waren gegaan op de vliering boven hen, bleef alleen Reine nog met Bren naast het vuur zitten. De relatie tussen Bren en Reine was na de dood van Beren onbewust anders geworden. Bren zag Reine niet meer alleen als zijn moeder. Bren was het hoofd van de familie geworden en daardoor waren ze op een gelijkwaardiger niveau gekomen. En Reine behandelde Bren op haar beurt opeens als een volwassene en niet meer als haar kind. Ze hadden allebei steun bij elkaar gevonden in de maanden na de crematie.
Een lange tijd zeiden Bren en Reine allebei niets, terwijl ze in de vlammen staarden. Uiteindelijk vroeg Reine: “Waar zat je aan te denken vanavond? Je hebt de hele avond nauwelijks iets gezegd.”
“Ik zat aan ons te denken,” zei Bren, terwijl hij met zijn hand naar de lege woonkamer gebaarde. Hij keek zijn moeder aan en opeens viel het hem op dat ze al een oude vrouw begon te worden. Ze was vijfenveertig jaar oud en haar lange blonde haar had wat van zijn glans verloren. En op haar gezicht werden ook de eerste rimpels zichtbaar. Haar gezicht leek niet meer te stralen zoals hij gewend was. Kwam dat door de ouderdom of door verdriet?
“Ik vraag me af hoe ik voor de familie kan zorgen nu de winter voorbij is. We moeten onze invloed behouden nu vader er niet meer is.”
Reine glimlachte zacht.
“Is dat echt waar je je zorgen om maakt? Over de invloed die je hebt tussen de andere mannen van de stam? Over je aanzien?”
Bren begreep niet waarom ze glimlachte. Natuurlijk maakte hij zich daar zorgen over.
“Ik wil vader niet teleurstellen,” zei hij. “Hoe zal hij later over mij oordelen als ik alles verlies waar hij zo hard voor heeft gewerkt?”
Reine zuchtte.
“Wat is er de laatste jaren toch veel veranderd voor ons volk,” zei ze, terwijl ze naar het vuur staarde. “Ik kan me nog herinneren hoe het was in mijn jeugd, toen ik Beren net ontmoette. Er was in die tijd nog helemaal geen verschil in status tussen de mannen van onze stam. Alle families behandelden elkaar gelijkwaardig en alle mannen hadden evenveel invloed in de volksvergaderingen. Het enige verschil in aanzien tussen de mannen kwam voort uit dapperheid, lichamelijke kracht of de hoeveelheid zonen die ze hadden; niet uit hun bezittingen. Niemand hoefde te pronken met een groot huis of een indrukwekkende wapenuitrusting. Iedereen was gelijk voor de goden.”
“Is dat dan veranderd toen het volk van vader en Tarik in dit gebied kwam wonen?” vroeg Bren.
“Oh, in de eerste jaren dat zij hier woonden was het ook nog zoals het in mijn jeugd altijd was geweest. Het veranderde eigenlijk pas echt in de laatste tien, vijftien jaar. En het gebeurde heel geleidelijk. Het was alsof we na verloop van tijd allemaal op een andere manier gingen denken, zonder dat het ooit werd uitgesproken. Alleen de laatste jaren is het denken in macht en status bij ons volk steeds meer aanwezig in het denken. Opeens moest de boerderij van Tarik groter zijn dan de andere boerderijen en toen hij dat had, wilden de andere mannen ook een grotere boerderij. Volgens mij kwam die verandering gelijktijdig met de toenemende invloed van de Romeinen in ons gebied. Je weet hoezeer de Romeinen geobsedeerd kunnen zijn door status, door hun gevoel van virtus. In mijn jeugd hebben de Romeinen onderling verschrikkelijke oorlogen uitgevochten waarin ze de hele wereld meesleepten, alleen maar om te bepalen wie de meeste macht en het meeste aanzien had. Eerst kwam Julius Caesar en na hem een hele reeks kleinere en grotere generaals; Marcus Antonius, Lepidus, Brutus en Cassius, Cleopatra; tot Augustus uiteindelijk als enige overbleef. De Romeinen streven altijd naar meer aanzien, naar meer macht. Daar hebben ze alles voor over.”
Plotseling hield Reine op met spreken. Ze staarde afwezig naar het vuur alsof ze in gedachten naar een andere plek was gegaan.
“Wat is er?” vroeg Bren.
“Jij weet niet waar de Romeinen toe in staat zijn,” fluisterde Reine.
Bren vroeg zich af waarom zijn moeder zo bang was voor de Romeinen. Beren had ook al zo geschrokken gereageerd toen de stammen twee jaar geleden de Rijn over waren getrokken.
“Bedoel je Julius Caesar?” vroeg Bren. “Wat weet je daar nog van?”
Zijn ouders hadden nooit over die tijd gesproken en bijna niemand van hun stam die ouder was dan veertig jaar wilde er iets over kwijt. Er waren sowieso bijna geen mensen van boven de veertig in hun volk, of ze moesten later met het volk van Beren mee zijn gekomen vanuit het land van de Chatten. Reine was een van de weinige oorspronkelijke bewoners van dit gebied.
“Ik was nog erg jong toen het gebeurde,” zei Reine. “Ik moet toen zeven jaar oud zijn geweest en ik weet er niet veel meer van. Het enige wat ik nog heb zijn een paar flarden van herinneringen. Ik herinner me dat mijn ouders ruzie maakten met elkaar. Mijn vader had zijn wapens bij zich en hij had een bloedende wond boven zijn rechteroog. Ik herinner me vooral die donkerrode kleur van het opgedroogde bloed op zijn gezicht. Mijn moeder wilde dat hij weer ging vechten, maar mijn vader schreeuwde woedend tegen haar dat alles verloren was. Ze moesten meteen vluchten, want ‘ze’ waren onderweg. Ik had mijn vader nog nooit zo boos en tegelijk zo bang gezien.”
Er spatte een vonk van het vuur op de vloer, waar hij langzaam uitdoofde. Bren verroerde zich niet.
“Ik herinner me nog de hand van mijn neef, die mijn hand vastpakte en hem daarna niet meer heeft losgelaten. Mijn neef was net een paar jaar ouder dan ik en samen zijn we gevlucht van de boerderij. Ik raakte mijn ouders kwijt in het gedrang van rennende en schreeuwende mensen om ons heen en ik heb ze na die dag nooit meer gezien. Mijn broer is tijdens die vlucht ook verdwenen. Mijn hele familie eigenlijk. Alleen mijn neef en ik bleven over.”
Bren zag de schittering van het vuur weerkaatsen in het oog van zijn moeder. Even werden haar ogen vochtig, maar ze knipperde haar traan snel weg.
“Het ergste aan die herinnering vind ik dat mijn ouders ruzie maakten toen ik ze voor het laatst zag. Ik zag de verslagenheid en de wanhoop in allebei hun ogen. Dat moment staat me na al die jaren helderder voor de geest dan alle mooie momenten die ik met mijn ouders en mijn broertje heb gehad. En ik herinner me ook nog hoe we uiteindelijk bij de Rijn kwamen, waar mensen klaar stonden om ons met boten naar de overkant te brengen. Ik zie die situatie bij de rivier nog zo voor me. Ik weet nog dat ik vanuit de boot omkeek en dat ik over de hele horizon zwarte rookwolken zag. Het hele land leek in brand te staan. Niet alleen de boerderijen, maar ook al onze gewassen en de bossen.”
Bren wist niet wat hij tegen zijn moeder kon zeggen. Het was de eerste keer dat hij haar hierover had horen spreken. Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn om de boerderij te verliezen. Hoe het zou zijn om met Hilde en hun pasgeboren kind te moeten vluchten voor Romeinse soldaten? Of voor Germaanse krijgers?
“Ons hele land werd verwoest en ons volk werd afgeslacht,” zei Reine. “En alleen maar omdat Caesar de machtigste man van Rome wilde worden.”
Het vuur knetterde zacht op de achtergrond in de stilte die volgde. Bren hoorde een balk boven hen kraken. Waarschijnlijk iemand die in bed bewoog, maar het geluid drong niet tot hem door.
“Ik wil het goed doen,” fluisterde Bren, meer tegen zichzelf dan tegen zijn moeder. “Ik wil dat Hilde en Harald, Timmen en Banna het goed hebben. Ik wil dat mijn kinderen het goed hebben. En ik denk dat ik daar het beste voor kan zorgen als ik een vooraanstaande positie heb binnen ons volk, zoals mijn vader had. Moet ik dat dan maar laten gaan en me afzijdig houden van de machtsspellen binnen onze stam? Is het beter om me terug te trekken op de boerderij en alleen voor ons vee en onze gronden te zorgen?”
Reine legde haar hand op de schouder van Bren.
“Nee, dat is niet de oplossing,” zei ze, terwijl ze met haar mouw haar ogen droog wreef. “De wereld is zoals hij is en daar zullen we in mee moeten gaan. Het zit niet in je om je terug te trekken op onze boerderij en je maar lijdzaam te laten leiden door het lot dat de goden of de Romeinen voor onze familie hebben bepaald. Je hebt het bloed van Beren in je.”
Reine kneep kort in de schouder van Bren. Ze stond op en schonk voor hen allebei nog een beker bier in.
“Dus vertel maar eens wat je plannen zijn,” zei ze plotseling monter, terwijl ze weer bij Bren naast het vuur ging zitten. Haar verdriet over de gebeurtenissen uit haar jeugd waren uit haar stemming verdwenen. “Ik ken dit soort buien van Beren. Als je zo lang stil aan het nadenken bent, heb je eigenlijk al een oplossing in je hoofd zitten.”
Bren nam een slok bier. Hij besefte dat zijn moeder gelijk had en glimlachte tegen haar.
“Zodra het weer beter is, zal ik langsgaan bij de families die aan Beren waren verbonden,” zei hij. “Het heeft geen zin om hier de hele tijd stil te zitten op de boerderij. Ik moet zelf langsgaan en kijken of de families mijn hulp nodig hebben na het einde van de winter. Ze moeten mij zien.”
Reine knikte instemmend. Het was een goed idee.
“En dan laat je Harald zorgen voor het planten van het graan?” vroeg ze. “Of verwacht je dat je weer op tijd terug bent?”
“Ik stuur Harald naar Tarik,” zei Bren. “Ik laat hem daar een tijdje op zijn hoeve leven als Tarik hem accepteert, zodat hij latijn kan leren.”
“Latijn?” Hoorden Bren en Reine plotseling ergens boven hen. Ze keken omhoog en zagen het hoofd van Harald vanaf de vliering naar beneden kijken langs de trap. Waarschijnlijk had hij al een tijdje mee zitten luisteren.
“Kom maar naar beneden, kleine raaf van Odin,” zei Bren. “Het is goed dat je dit hoort. Dit gaat jou ook aan.”
Harald klom behendig de trap af en kwam bij het vuur zitten.
“Mag ik echt latijn leren?” vroeg hij.
“Wat moet zo’n jongen nou met latijn?” vroeg Reine. “Hoe vaak kom je hier nou een Romein tegen? Alleen rond hun legioenskamp of op de Rijn zie je ze af en toe, maar waarom zou je hun taal willen leren?”
“Latijn is de taal van de toekomst, moeder. Ik heb er lang over nagedacht en ik weet zeker dat de Romeinse invloed in onze streek de komende jaren alleen maar gaat toenemen. Banna vertelde mij dat ze Beren en Tarik had horen ruziën tijdens mijn huwelijksfeest. Ze verwachtten allebei dat er een oorlog aan zit te komen tussen de Romeinen en de stammen aan de andere kant van de Rijn. Wij zitten daar precies tussenin en als de oorlog uitbreekt, zullen de Romeinen mensen nodig hebben die het gebied kennen en die als tolk kunnen fungeren tussen hen en de lokale stammen. Als Harald zo’n rol kan vervullen, stijgt onze familie zowel bij de Romeinen als bij onze stamgenoten in aanzien. En het is goed om in de komende tijd iemand van onze familie in de nabijheid van Tarik te hebben, om de vriendschap tussen onze families te versterken.”
“Kan ik dan bij Tarik ook leren lezen?” vroeg Harald. “Heeft hij daar tutors voor in zijn huishouden?”
“Lezen?” vroeg Reine verbaasd. “Waar is dat nou weer goed voor?”
“Ik wil verhalen kunnen lezen. Ik heb gehoord dat de Romeinen hun verhalen op papier opschrijven. Zo kunnen ze jaren later nog teruggelezen worden, precies in dezelfde woorden die de eerste verteller heeft gebruikt."
“En je kunt brieven en berichten lezen,” merkte Bren op. “Misschien kun je wel een koerier of verkenner worden in het leger van de Romeinen.”
“Of Imperator?”
“Nee, ik word al de Imperator,” zei Bren lachend. Hij was blij om de enthousiaste reactie van Harald. En het voelde goed om plannen te maken voor de toekomst en niet meer stil te staan bij het verleden.
“Wanneer kan ik beginnen?” vroeg Harald. “Misschien kan ik met het volgende feest van de zonnewende al een verhaal voor jullie voorlezen van papier.”
“Je kunt toch ook gewoon een verhaal vertellen zonder papier?” vroeg Reine. “Je kent al onze verhalen het beste van iedereen. Ik begrijp echt niet wat er zo speciaal is aan leren lezen. Het is meer iets voor oude mannen en slaven.”
“We moeten eerst nog vragen of Tarik akkoord gaat,” zei Bren. “Maar ik verwacht niet dat hij er bezwaar tegen heeft. Hij en Beren waren goede vrienden van elkaar en waarschijnlijk zal hij je alleen al om die reden wel op willen nemen in zijn huis. En als je daar bent, moet je mij wel beloven dat je ook oefent met vechten en paardrijden. Ik wil niet dat je alleen maar met je hoofd bezig bent. Je zult die andere vaardigheden net zo hard nodig hebben als de oorlog begint.”
Harald leek te schrikken van die opmerking.
“Denk je dat de oorlog snel komt?” vroeg hij zacht.
Bren knikte.
“Misschien zelfs de komende zomer al, of anders een van de zomers daarna. Wardolf vertelde mij dat hij de laatste tijd verschillende geruchten heeft gehoord op de boerderijen langs de rivier. Het schijnt dat Tiberius een aantal legioenen vanuit Hispania over heeft laten komen naar Gallia. Hij en Augustus verzamelen grote voorraden voedsel rond Lugdunum. Dat kan alleen maar betekenen dat ze een campagne voorbereiden.”
“Denk je dat ze hierheen komen? Naar de Rijn?”
“Ik weet het niet,” zei Bren. “Ik heb alleen de geruchten gehoord van Wardolf en als ik heel eerlijk ben, weet ik niet eens waar Lugdunum precies ligt. Het ligt in ieder geval ergens in het Zuiden, niet aan de Rijn. Het kan ook dat Tiberius een campagne in een ander gebied voorbereidt. Ik denk dat Tarik beter kan inschatten wat de plannen van de Romeinen zijn. Hij heeft betere contacten met de Romeinen die bij hem in de buurt in het legioenskamp gelegerd zijn.”
“Misschien mag ik Augustus zelf wel dienen als ik Latijn spreek en kan lezen,” zei Harald enthousiast. “Dan kan ik aan hem vertellen welke stammen allemaal langs de Rijn leven en ik kan hem uitleg geven over onze goden.”
“Zorg eerst maar eens dat je fatsoenlijk latijn leert spreken,” zei Bren lachend. “Dan kan Tarik je daarna altijd nog voorstellen aan Caesar Augustus. En nu naar bed, want we hebben morgen een hoop te bespreken met Banna, Timmen en Hilde.”
Bren voelde zich door het gesprek met zijn broer en moeder een stuk beter dan aan het begin van de avond. Er kwam misschien een moeilijke tijd aan zonder Beren en met de dreiging van een grootschalige oorlog in het vooruitzicht, maar ze hadden in ieder geval elkaar.
‘Misschien ben ik toch in staat om voor mijn familie te zorgen,’ dacht Bren, terwijl hij in het donker naast Hilde in bed kroop. Hij legde zijn hand op haar buik en viel tevreden in slaap.

Hoofdstuk 11

Marcus

“Waar blijft die artillerie, verdomme?”
Publius Barrus stelde de vraag aan niemand in het bijzonder. Zijn gezicht stond dreigend en hij klemde zijn kaken stevig op elkaar.
Marcus herkende deze stemming bij zijn centurion en wist dat het beter was om er niet op te reageren. Barrus was altijd al prikkelbaar voor aanvang van een gevecht en nu hij zo lang moest wachten op het bevel om aan te vallen werd zijn stemming er niet beter op. Iedereen van de centurie wilde aanvallen. Zelfs Marcus wilde dat. Hij voelde op dit moment eerder woede om wat hij zag dan zijn angst om zijn eigen veiligheid. De spanning voor een gevecht was sowieso al steeds minder geworden in deze eerste weken van de campagne. Hij had nog steeds geen direct gevecht van man tot man meegemaakt, maar zijn cohort had aan diverse gevechten deelgenomen en hij was mentaal steeds een stuk sterker uit de strijd gekomen. Ieder gevecht dat de legioenen nu hadden geleverd, hadden ze gewonnen en iedere keer weer had dat een geweldige roes gegeven. Het voelde beter dan de beste wijn die Marcus ooit had geproefd en het maakte dan niet meer uit hoe zwaar de strijd was geweest. Zodra de vijand op de vlucht sloeg, verdween iedere vermoeidheid en pijn. Marcus ging er van uit dat ze dit gevecht uiteindelijk ook wel zouden winnen, ook al vroeg hij zich nu vooral af hoeveel moeite het zou kosten om met de ladders de heuvel op te lopen. Het was de eerste keer dat Marcus een bestorming van een heuvelfort zou meemaken, maar Sextus had hem die ochtend nog verteld dat er geen enkel fort bestond dat de Romeinen niet in konden nemen. En dit fort wilde Marcus helemaal innemen nu hij zag wat er op de muren gebeurde. Hij popelde net als de rest van zijn centurie en stond klaar om deze barbaren wat beschaving bij te brengen. Ver voor de Romeinen stond bovenaan een heuvel te midden van steile bergkammen een versterkte nederzetting. De nederzetting bestond uit ongeveer tweehonderd houten huizen die werden omringd door een greppel en een aarden wal met daarbovenop een ruwe stenen muur. Bovenop de muur stonden de barbaarse krijgers. Ze riepen uitdagingen naar de wachtende Romeinen en stonden ondertussen met afgehakte hoofden te zwaaien die ze eerder die week bij een hinderlaag op een graantransport buit hadden gemaakt. De afgehakte hoofden moesten al aan het rotten zijn, maar dat weerhield de barbaren er niet van om in het volle zicht van de legionairs de meest onzedelijke handelingen mee te verrichten. Barrus greep zijn zwaard zo stevig vast dat zijn knokkels wit werden.
“Bij Janus, waar blijft die klote-artillerie?” mompelde hij weer.
Gaius Tullius Mercius, de tribuun van het eenentwintigste legioen, raakte al even gefrustreerd als zijn manschappen. Hij had het commando over deze belegering en wist dat de zes cohorten die hij voor de aanval had meegenomen op zijn beslissing zaten te wachten. Marcus zag de tribuun ergens links achter hem op zijn paard zitten. Hij was in een discussie verwikkeld met de hogere centurions van de cohorten en met Decimus Protero, de kampprefect van hun legioen. Protero was als kampprefect verantwoordelijk voor de inrichting van het legioenskamp en voor de belegeringswerktuigen van het legioen. Sommige centurions, waaronder de Eerste Speer van het vijfde cohort, leken aan te dringen op een snelle bestorming van de nederzetting, maar Mercius durfde het nog niet aan. Hij wilde wachten op de komst van de ballista’s en de katapulten om eerst de muur aan stukken te schieten voordat hij de heuvel wilde bestormen. Dat was doorgaans ook de methode die in alle handboeken werden aangeraden, maar nu stond het leger al twee uur te wachten en niemand leek te weten waar de wagens met de artillerie waren gebleven. De kampprefect stuurde nog maar eens tien ruiters op pad om uit te zoeken waar zijn wagens bleven.
Marcus vroeg toestemming aan de optio om nog even snel te plassen voor de aanval zou beginnen. Quintus keurde het goed, waarna Marcus op een drafje naar de achterkant van het cohort rende en snel een deel van zijn uitrusting losknoopte. Hij schoof de leren, met ijzer beslagen stroken voor zijn kruis opzij en leegde zijn blaas. Terwijl Marcus stond te plassen keek hij om zich heen.
‘Best een mooie plek,’ dacht Marcus. ‘Als mijn diensttijd erop zit, zou het mooi zijn als ik op een plek als deze een stuk grond krijg.’
Voor zich had hij een machtig uitzicht over de vallei die ze een paar dagen geleden achter zich hadden gelaten. Hoge bergen met besneeuwde toppen resen om hem heen omhoog, maar de nederzetting zelf was gebouwd op een groene heuvel. In het gras van de glooiende hellingen voor de nederzetting lagen grote rotsblokken die ooit vanaf de rotswanden naar beneden waren gevallen.
‘Bijna jammer dat er straks niks meer van die nederzetting overeind staat,’ dacht Marcus en hij knoopte zijn kleding weer dicht. Hij draaide zich om en keek naar de mannen die hij de afgelopen weken door en door had leren kennen en op wie hij kon vertrouwen. Van de tachtig mannen die in de centurie van Barrus aan deze campagne waren begonnen, waren er nu nog maar zeventig over. Ze waren een achtste deel van hun mankracht kwijtgeraakt, maar slechts twee van die tien waren omgekomen tijdens gevechten. Die ochtend nog waren er drie mannen achtergebleven in het kamp, omdat ze niet in staat waren om te vechten. Twee van hen hadden hevige koortsen en de andere had zijn ribben gebroken toen een van de ossen van de bagagewagens wild was geworden en was losgebroken. Waarschijnlijk zouden die drie later wel weer genezen, zodat ze zich weer bij de centurie aan konden sluiten, maar voor dit gevecht waren ze niet inzetbaar.
Een paar nachten geleden waren twee mannen uit de tent naast de tent van Marcus gedeserteerd en dat was voor de hele centurie als een schok gekomen. Marcus kon zich niet voorstellen dat soldaten al zo snel na de start van een campagne zouden vluchten. Helemaal niet nu ze aan het winnen waren. Maar volgens hun optio kwam dit in het hele leger voor en gebeurde het in alle campagnes, hoe zwaar ze de straffen op desertie ook maakten. Toen Barrus er de volgende ochtend achter kwam dat twee van zijn mannen zomaar waren verdwenen, werd hij woedend. Hij verzamelde de hele centurie voor hun tenten en liet de vijf overgebleven soldaten die niks van het vertrek hadden gemerkt geselen door hun eigen decanus. De decanus werd daarmee vermoedelijk net zo zwaar gestraft als de anderen. Iedere tent vormde een kleine familie binnen het grotere geheel van de centurie en de decanus had zichtbaar moeite om zijn vrienden te slaan met de zweep. Hij bood uiteindelijk met tranen in zijn ogen zelfs aan om hun plek in te nemen, maar dat stond Barrus niet toe. Terwijl de vijf mannen met een bloedende rug werden weggebracht, had Barrus de overgebleven mannen van zijn centurie toegesproken. Zijn boodschap was door de zweepslagen glashelder overgekomen. Vanaf nu was iedereen in de centurie verantwoordelijk voor de mannen bij wie hij in de tent lag. Als iemand iets overkwam of zomaar vertrok, dan werd de hele tent daarvoor gestraft. Er waren sindsdien geen deserteurs meer geweest in de centurie van Barrus. Naast deze mannen waren er nog twee soldaten uit hun centurie simpelweg overleden door een val tijdens de beklimming van een van de steile paden door de bergen en een andere had een losgeschoten rotsblok op zijn hoofd gekregen.
Met deze tien mannen die de centurie van Barrus verloren had, viel het in hun centurie nog mee. Sextus had de vorige avond verteld dat het tweede en derde cohort al bijna een derde van hun gevechtskracht hadden verloren door de vijand, door ziekte of gewoon door domme pech. Die cohorten hadden in de eerste grote veldslag vooraan gestaan en hadden daardoor ook de grootste verliezen geleden.
Marcus ging naast Gaius weer op zijn plek staan en maakte voor de zekerheid de leren riem van zijn helm nog iets strakker vast. Dat was al bijna een vast ritueel geworden van Marcus aan het begin van ieder gevecht. Hoe strak zijn helm ook zat, hij voelde zich altijd pas klaar om te vechten als zijn ijzeren wangkleppen nog iets steviger tegen zijn wangen drukten.
Marcus vroeg zich af hoe lang de Romeinen nog zouden wachten. Ze waren die ochtend bij zonsopkomst aangekomen bij de nederzetting na een lange klim door de donkere nacht. De zes cohorten die voor deze aanval op pad waren gestuurd hadden de nederzetting aan drie kanten ingesloten, zodat er niemand meer in of uit kon. De vierde zijde van de nederzetting werd beschermd door een steile klif. Marcus ging er van uit dat de Tribuun zich vroeg of laat wel gedwongen zou voelen om aan te vallen, met of zonder artillerie. De tribuun, die steeds luider discussieerde met de kampprefect en de eerste centurion van het zesde cohort, wilde niet laf en besluiteloos overkomen. Hij wilde snel deze nederzetting innemen, de roem opstrijken en zich dan weer bij de hoofdmacht van het leger voegen, die ondertussen verder naar het Noorden trok. Verder de bergen in. Deze belegering was slechts een bijzaak in het grotere geheel van de campagne en dat wist de tribuun. De krijgers in het fort waren niet gevaarlijk voor de Romeinen. Het was een lastig groepje dat uitgeschakeld moest worden om de bevoorradingsroutes veilig te stellen. Maar het grootste deel van de strijdmacht van de Raeti verbleef ergens in het Noorden en trok zich verder terug. Ze trokken steeds verder de Alpen in voor het oprukkende leger van Drusus uit zonder al te veel tegenstand te bieden. Na de eerste grote veldslag waren er alleen nog maar kleinere gevechten geweest. Overvallen en hinderlagen. Iedereen vroeg zich ondertussen af waarom de barbaren het gevecht uit de weg gingen en wat ze allemaal nog voor de legioenen in petto hadden. Naarmate ze verder trokken, kreeg Marcus het gevoel dat het leger langzaam werd opgeslokt door de machtige bergen om hen heen. De kou en de gevaarlijke bergpaden maakten al genoeg slachtoffers onder de legioenen en hun hulptroepen. De Raeti hoefden zich alleen maar terug te trekken en af te wachten.
“Heb ik nog iets gemist?” vroeg Marcus aan Gaius, die zoals gebruikelijk aan zijn linkerkant stond opgesteld.
“Ze zijn er nu mee aan het overgooien,” merkte Gaius bitter op. “Achterlijke wilden zijn het.”
Marcus keek tegen de zon in richting de heuveltop en zag inderdaad dat er kleine ronde voorwerpen door de lucht vlogen. Vanuit de verte hoorde hij de barbaren lachen en joelen.
In de eerste dagen van de campagne waren de Romeinen nog geschokt door het afhakken van de hoofden, maar dit bleek onder deze stammen een heel normaal gebruik te zijn. Iedere jonge krijger wilde met een hoofd van een verslagen vijand als trofee thuis komen om aan de stam te laten zien hoe dapper hij was in de strijd. Vooral de hoofden van centurions, die met hun rode kammen op de helm extra opvielen, leken een gewilde prijs te zijn. Marcus had nu al medelijden met de barbaar die zou proberen om het hoofd van Publius Barrus te bemachtigen.
Achter het leger hoorde Marcus een ruiter aankomen die rechtstreeks naar het groepje officieren rond de tribuun reed. Het was een van de verkenners die de kampprefect er op uit had gestuurd om zijn belegeringswapens te zoeken.
“De wagens zijn onderweg, meneer,” zei de ruiter tegen de tribuun, terwijl hij salueerde. “Maar het zal nog uren duren voor ze hier zijn. Ze konden vannacht het pad niet volgen dat wij naar boven hebben genomen. Het pad was te steil voor de zwaardere wagens, dus ze zijn op zoek gegaan naar een andere route. Uiteindelijk zijn ze in die zoektocht naar een alternatief zo ver uitgeweken dat ze in het donker op een andere heuvel zijn uitgekomen. Ze ontdekten hun fout pas toen het licht werd en het heeft de hele ochtend geduurd om alle wagens om te draaien en de ossen opnieuw in te spannen. Ze komen nu pas weer van de andere heuvel naar beneden.”
Mercius keek direct naar Protero.
“Waarom hoor ik dit nu pas?” vroeg de tribuun aan de kampprefect. “Hoe kan het dat jij niet weet dat de wagens hebben moeten uitwijken van onze route?”
De kampprefect werd rood en keek boos, maar hij kon er weinig tegenin brengen. De tribuun was misschien jonger en minder ervaren, maar dit was een enorme blunder van Protero. Hij was met de hoofdmacht mee naar boven gekomen om de nederzetting zelf te inspecteren en plannen te maken voor de belegering. Daarbij had hij zijn artillerie uit het oog verloren en op de een of andere manier had niemand, ook Mercius of de verkenners niet die de hele colonne met legionairs hadden begeleid, opgemerkt dat ze niet konden volgen.
“We gaan aanvallen,” fluisterde Quintus tegen Gaius en Marcus. “Let maar op. Zo gaat het altijd. Als de top van het leger een fout maakt, mag het voetvolk het oplossen.”
“Er is meer, tribuun,” zei de verkenner. “Drusus is onderweg.”
Mercius schrok.
“Komt Drusus hierheen? Ik dacht dat hij met de rest van het leger in het Noorden was.”
“Blijkbaar wil hij controleren hoe het er hier voor staat. Ik zag hem met zijn escorte onderaan de heuvel naar boven rijden toen ik bijna boven was. Ik herkende zijn helm en zijn mantel. Ik verwacht dat hij over een uur hierboven zou kunnen zijn.”
Dit bericht gaf uiteindelijk de doorslag. De tribuun had al helemaal geen zin om straks aan Drusus uit te leggen waarom ze de nederzetting nog niet hadden veroverd, dus hij gaf snel het bevel aan alle cohorten om zich klaar te maken voor de aanval. De discussie over de tactiek werd voortijdig afgekapt. Het maakte niet meer uit of de muren van het dorp nog overeind stonden. Ze zouden de nederzetting van drie kanten tegelijk bestormen en hem met brute kracht veroveren. Barrus gaf het bevel aan zijn mannen om zich klaar te maken voor de strijd. Opeens verdween de apathie van die ochtend uit de centurie en was iedereen weer scherp. De legionairs controleerden voor de laatste keer hun riemen, dolken en zwaarden. Ze strekten hun armen en namen een laatste slok water, waarna de soldaten in het gelid gingen staan en de lange houten ladders oppakten die ze die ochtend in elkaar hadden gezet. Op een handgebaar van Mercius werd aan drie kanten van het slagveld het hoornsignaal voor de aanval gegeven.
Barrus brulde zo hard als hij kon “Testudo” en de soldaten namen direct de schildpadformatie aan. De groep van zeventig man kroop dicht tegen elkaar aan, zodat er een massief blok ontstond van schilden die elkaar overlapten. Het was altijd een van de moeilijkste formaties om in te vechten. Helemaal nu de soldaten in hun rechterhand ook nog ladders met zich mee moesten dragen, terwijl ze met hun linkerhand hun schild boven hun hoofd hielden. Maar tijdens hun proeftijd hadden de soldaten deze formatie regelmatig geoefend, dus iedereen wist wat hij moest doen en vertrouwde op de andere mannen die allemaal verantwoordelijk waren voor de bescherming van de eenheid. De centurie begon als een man naar voren te lopen. Marcus vond het nog steeds een claustrofobische ervaring om in de schildpadformatie op te trekken. Hij zag alleen de rug en de helm van de man voor hem, dus hij had geen idee waar ze heen liepen. Zijn helm stootte de hele tijd tegen het schild dat de optio boven zijn hoofd hield en terwijl ze marcheerden, moest Marcus ook nog proberen om zijn eigen schild tegen dat van Gaius en Quintus aan te houden. Als Marcus een opening liet ontstaan tussen de schilden, kon een van zijn vrienden gewond raken. Het houten dak van de schilden weerkaatste het lawaai van de marcherende groep soldaten en de zware stem van Barrus die het marstempo aangaf. Het was moeilijk om mee te krijgen wat er buiten de formatie gebeurde. Marcus kon links en rechts van hen horen dat er in ieder geval nog twee andere centuries naast hen optrokken en hij hoorde ergens voor hem op de heuvel ruwe stemmen bevelen roepen in een vreemde taal. De grond richting de nederzetting was oneffen en lag bezaaid met grote rotsblokken waar de centuries omheen moesten manoeuvreren. Barrus liet de mannen gestaag voorwaarts gaan en ondertussen keek de optio om zich heen om te zien of de aanval nog steeds volgens plan verliep. Nadat Marcus voor zijn gevoel ongeveer halverwege het slagveld was, begonnen er projectielen neer te dalen op de dichte formatie. De krijgers in de nederzetting slingerden stenen naar beneden, die maar weinig schade aan konden richten. Marcus voelde een paar zware stenen op zijn eigen schild terecht komen, maar het lukte de verdedigers niet om door het dak van schilden heen te breken. Barrus voerde het marstempo op, terwijl de grond onder hun voeten steiler omhoog begon te lopen. De centurion was van plan om eerder dan de andere centuries bij de muur aan te komen, zodat een van zijn mannen als eerste bovenop de muur zou staan. Misschien wilde Barrus die eer zelf wel. Hij was een van de weinige centurions in het legioen die al tweemaal persoonlijk de Corona Muralis had ontvangen, de onderscheiding voor de soldaat die als eerste de muren van een stad verovert. Marcus vroeg zich af of Barrus nu misschien bezig was om zijn derde Corona Muralis binnen te halen. Als dat zou lukken, dan zou die eer op de hele centurie afstralen.
Terwijl de centurie verder marcheerde, werden de projectielen van de verdedigers groter. De barbaren hadden alleen een aantal primitieve werparmen op hun muren en ze waren een stuk minder nauwkeurig dan de Romeinse artillerie, dus de meeste stenen vielen ergens naast de marcherende centuries. Toch raakten ze af en toe hun doel met een grote steen en Marcus hoorde kreten van gewonde legionairs vanuit andere delen van het slagveld komen. Marcus keek door een kleine opening in de mensenmassa om hem heen naar de centurie die naast hen marcheerde. Plotseling werd die centurie vol geraakt door een brandend projectiel. Een stenen pot met een dikke zwarte substantie erin barstte open op het dak van schilden en meteen verspreidden vlammen zich tussen de mannen. Marcus hoorde de ijzingwekkende kreten van de soldaten die weg probeerden te komen van het vuur of zich brandend op de grond wierpen. De hele formatie was in een klap uit elkaar gevallen en de mannen die niet geraakt waren door de vlammen, werden bekogeld met stenen nu de bescherming van de schilden was weggevallen.
“Doorlopen,” brulde de optio Quintus Caelius tegen zijn eigen centurie en hij duwde de man voor hem in de rug. “Kijk voor je. Blijf in formatie.”
Marcus concentreerde zich snel weer op de mannen voor hem en probeerde het geschreeuw van de mannen die nog steeds in brand stonden buiten te sluiten. Hij keek onwillekeurig naar de arm van Quintus, die hij vlak naast het gezicht van Marcus hield met zijn schild boven zijn hoofd. Marcus keek naar het grote litteken van de brandwond dat Quintus op zijn arm had en hij vroeg zich af hoe de optio daar aan was gekomen. Marcus zag dat Quintus kippenvel op zijn arm had en zijn gezicht stond strak bij het horen van de kreten van de mannen die ze nu achter zich hadden gelaten.
Opeens ging de grond onder de formatie iets naar beneden en kwam de hele groep tot stilstand. Marcus keek langs de anderen naar voren en hij zag tot zijn verbazing dat ze de greppel en de muur al hadden bereikt.
“Ladders naar voren,” werd er vooraan de centurie geschreeuwd en de soldaten gaven de ladders snel door naar voren. De centurie had vier ladders meegenomen en terwijl iedereen nog steeds zijn schild boven zijn hoofd hield, klommen de eerste soldaten al naar boven. De centurion ging zijn mannen voor op de eerste ladder met zijn schild boven zijn gezicht. Marcus keek door een spleet in de schilden omhoog en zag dat de verdedigers verbazingwekkend dichtbij waren. Hij kon ze recht in de ogen kijken, terwijl ze druk bezig waren om stenen en speren naar beneden te gooien.
“Denk aan je opleiding,” riep Quintus. “Ga niet als een idioot het dorp in rennen als je boven bent. Blijf bij elkaar en maak eerst de muur vrij van die honden.”
Barrus werd op zijn helm geraakt door een steen, maar hij klom stug door naar boven. Hij had al bijna de top van de muur bereikt. Een andere legionair op een ladder naast hem kreeg een speer in zijn zij. Hij viel naar beneden, waarna zijn plek meteen werd overgenomen door de volgende legionair.
Terwijl Barrus nog een paar treden moest beklimmen, zag Marcus plotseling dat bij een andere centurie aan de linkerkant de eerste man al boven was. Hij zwaaide de standaard van de centurie schreeuwend heen en weer, terwijl de andere soldaten zich om hem heen verzamelden en een verdedigende ring vormden met hun schilden.
Barrus vloekte luid toen hij zag dat hij de muur niet als eerste had bereikt. Uit pure frustratie sloeg hij bij een verdediger alle tanden uit zijn mond met de ijzeren knop van zijn schild. Barrus sprong de muur op en trok zijn zwaard. De verdedigers vochten overal langs de muur stevig en ze verwondden een aantal soldaten op de ladders, maar Marcus zag dat ze ondertussen ook onrustig om zich heen keken naar andere plaatsen langs de muur. Ze voelden zich opeens niet meer zo goed beschermd door hun verdedigingswerken nu ze zagen dat de Romeinen er bijna op hun gemak naar toe waren gewandeld onder dekking van hun schilden. Een voor een klommen de soldaten van de centurie naar boven via de ladders en met iedere legionair die de muur beklom, werd hun positie bovenop de muur sterker. Hoewel er een aantal soldaten werden uitgeschakeld bij de beklimming, stonden er uiteindelijk toch zo’n twintig of dertig man bovenop de muur toen Gaius en Marcus aan de beurt waren om naar boven te klimmen. De optio liet Sextus met tien man beneden achter om de gewonden te beschermen. De rest volgde Barrus de muur op.
Marcus klom naast Gaius de ladder op. Hij had dit regelmatig geoefend tijdens zijn opleiding, alleen nu voelde hij dat zijn hart veel sneller tekeer ging. Marcus klom een paar treden omhoog, waardoor hij meer van het slagveld kon zien. Op een aantal plaatsen langs de muur klommen de Romeinen inmiddels naar boven en achter zich zag Marcus hoe kleine groepen met gewonden terug gingen naar hun eigen linie. Er waren maar een paar plekken waar de Romeinen de muur echt in handen hadden en op andere plaatsen hielden de verdedigers hen nog tegen. Marcus klom snel verder en sprong over de muur heen, waar hij tussen de andere Romeinen terecht kwam. De mannen van Barrus vochten hard om hun kleine positie op de muur te behouden. Marcus trok zijn zwaard en nam samen met Gaius snel een plek in aan de rechterkant. Nog voordat Marcus echt goed doorhad wat er gebeurde, stond hij opeens vooraan en zag hij een woeste krijger met een rond schild en een lange speer voor zijn neus staan. Marcus dook weg achter zijn schild en hield het zo voor zijn lichaam dat de krijger hem niet kon raken met zijn speer. Ze keken elkaar recht in de ogen en blijkbaar zag de man dat Marcus bang was, want hij lachte hem spottend uit. De krijger stootte zijn speer naar voren, maar Marcus sprong opzij, waardoor de man hem miste en half naar voren viel. Gaius, die naast Marcus stond, zwaaide ondertussen wild met zijn schild in zijn richting, waardoor de krijger werd afgeleid. Marcus deed een stap naar voren en stak zijn zwaard zo hard als hij kon vooruit, recht in de buik van zijn tegenstander. Het leren vest dat de man over zijn hemd droeg hield het zwaard niet tegen. Marcus voelde hoe het scherpe staal door de kleding heen brak en warm werd van het bloed dat over zij hand stroomde. De krijger keek Marcus verbaasd aan en dit keer was het Marcus die moest lachen. Hij had zijn eerste tegenstander gedood en het voelde heerlijk. Gaius stak zijn eigen zwaard nog in de hals van de krijger, waarna ze hem op de grond lieten vallen en zich klaarmaakten voor de volgende tegenstander. Iets voor hen zag Marcus dat Aulus in gevecht was met twee barbaarse jongens die nauwelijks ouder waren dan zijzelf. Hij rende snel naar voren en beschermde Aulus met zijn schild. Aulus keek even opzij en zag dat Marcus naast hem was komen staan. Hij knikte kort en richtte zich weer vol woede op zijn tegenstanders. Marcus sneed de jongen die voor hem stond in zijn bovenbeen, maar de snee was niet diep en de jongen bleef gewoon staan. Marcus had hem alleen maar kwaad gemaakt. De jongen wilde Marcus te lijf gaan met een zware knuppel, maar Gaius beukte met zijn volle gewicht tegen de man aan, waardoor hij over de rand van de muur naar beneden viel.
“Vorm een linie,” riep Quintus achter hen, terwijl hij met zijn eigen tegenstander in gevecht was. “Schilden tegen elkaar.”
Marcus probeerde zichzelf te kalmeren en ging tussen Gaius en Aulus in staan. De mannen van de centurie van Barrus organiseerden zichzelf, terwijl er vanuit andere plekken op de muur versterkingen aan kwamen rennen voor de barbaren. Het stuk verhoogde grond dat achter de muur lag, was maar smal, zodat er maar zes man naast elkaar konden staan. De andere legionairs sloten daar vlak achter aan en beschermden de groep vooraan voor aanvallen van de zijkant of achterkant. Marcus zag vanuit zijn ooghoek dat Barrus en de drager van de standaard achter hen stonden.
“Voorwaarts,” brulde Barrus in het oor van Marcus. “Naar de poort.”
De kleine groep zette zich in beweging en trok verbeten vechtend over de muur. Marcus vocht de hele tijd in de voorste linie, waar hij zich steeds beter op zijn plek begon te voelen. De ene na de andere vijand die voor hem verscheen schakelde hij uit. Niet alleen woeste volwassen krijgers, maar ook vrouwen of jongens zag Marcus meevechten om hun dorp te verdedigen. Het maakte Marcus allemaal niet meer uit. Iedereen die in het bereik van zijn zwaard kwam, schakelde hij zonder gevoel uit. Nadat hij vijf tegenstanders had gedood, hield Marcus op met tellen. Hij had geen tijd om om zich heen te kijken, maar Marcus voelde dat de Romeinen aan de winnende hand waren. De verdedigers werden wanhopiger en naarmate de groep van Barrus verder trok over de muur, veroverden ze meer plaatsen waar nieuwe Romeinen ongestoord over de muur konden klimmen. Gaius werd afgelost door Barrus en zo vocht Marcus een tijd lang zij aan zij met zijn centurion. Ze beschermden elkaar met hun schilden en schakelden verschillende tegenstanders uit. Marcus voelde zich trots dat hij aan Barrus kon laten zien hoe goed hij kon vechten en nam wat meer risico. Een krijsende vrouw kwam op hen af rennen en wilde Barrus met haar blote handen te lijf gaan, maar Marcus sprong er snel tussen en stootte zijn zwaard in haar hals. De vrouw werd nog naar achteren getrokken door een oude man met lang grijs haar, maar even verderop zakte ze in elkaar.
De soldaten van Barrus bereikten al vechtend de poort en daar zag Marcus dat die plek al door andere Romeinen was veroverd. Ze trokken de zware poorten open en meteen stroomden de laatste centuries die buiten het dorp klaar stonden schreeuwend naar binnen. De overgebleven verdedigers sprongen ontzet van de muur af en vluchtten het dorp in. De Romeinen hadden weer een slag gewonnen.
Marcus keek hijgend om zich heen nu er opeens geen vijanden meer waren. Hij merkte nu pas dat hij kletsnat was van het zweet en dat zijn zwaardarm trilde van vermoeidheid. Hij had zijn zwaard onafgebroken in het rond gezwaaid en in lichamen gestoken sinds hij op de muur was geklommen.
Marcus keek naar Gaius en Aulus, die allebei tevreden grijnsden met hun bebloede gezichten. Het was een goed gevecht geweest en ze hadden alle drie een groot aantal tegenstanders gedood. In stilte dankte Marcus Mercurius dat hij hem had beschermd, terwijl hij zag hoe Drusus met de tribuun en zijn escorte richting de poort kwam rijden over het slagveld.
“Maak je klaar om het dorp in te trekken,” schreeuwde Barrus, terwijl hij zijn zwaard schoon veegde aan de mantel van een lijk. “Verzamel de mannen en vrouwen voor de slavenhandelaren. Dood de kinderen en de ouderen.”
Marcus wilde net aan Gaius vragen of hij had gezien hoe hij die gestoorde vrouw in haar nek had gestoken, toen er in het dorp onder hen een jongen van ongeveer vijftien jaar naar hen toe kwam rennen. Marcus zag hem op hen af komen, maar hij besefte te laat wat er gebeurde. De jongen zwaaide een slinger rond zijn hoofd en voordat de Romeinen met hun schilden een nieuwe linie konden vormen, slingerde hij een steen hun kant op. De steen raakte Gaius op de zijkant van zijn helm en de klap was zo hard, dat de steen in tweeën brak. Gaius wankelde even en knipperde een paar keer met zijn ogen.
“Ik ben ok,” zei hij nog. “Het gaat wel.”
Maar voordat Marcus iets kon zeggen, draaiden zijn ogen weg en viel hij op de grond. Marcus schreeuwde ontzet en probeerde zijn vriend overeind te helpen, maar het lichaam van Gaius voelde slap aan. De ijzeren helm van Gaius was ingedeukt waar de steen hem had geraakt en er liep bloed langs de binnenkant van de helm over zijn gezicht. Gaius werd bleek, terwijl het bloed langs zijn wang stroomde. Hij reageerde niet meer op de woorden van Marcus.
Voor Marcus leek de tijd stil te staan. Hij merkte niet hoe Aulus met vijf anderen van de muur naar beneden sprong om achter de jongen aan te gaan. Het bevel om weer aan te vallen dat Barrus schreeuwde drong niet meer tot Marcus door. Hij keek alleen naar het bleke gezicht en de starre opengesperde ogen van Gaius, waar geen teken van leven meer in te zien was. Al het andere verdween. Marcus merkte niet meer wat er om hem heen gebeurde en probeerde alleen maar te bevatten hoe het kon dat zijn beste vriend zo plotseling uit zijn leven was verdwenen.

Hoofdstuk 12

Banna

Banna keek naar de zon die boven haar aan de hemel stond. Ze vroeg zich af of de zon al over zijn hoogste punt heen was. Ze begon honger te krijgen en eigenlijk had ze ook geen zin meer om te werken, maar ze wist dat ze nog de hele middag door moest gaan. En dan moest ze vanavond ook de koeien nog melken. Iemand moest het toch doen nu haar broer Timmen niets deed. Banna bukte zich maar weer voorover en liep door het veld, terwijl ze met een ruwe houten schoffel het onkruid weghaalde tussen de opkomende graanplanten. Ze besloot dat ze deze rij nog af zou maken en dan weer terug zou gaan naar de boerderij om met Trig, Hilde en Reine wat te eten.
‘Als Bren hier zou zijn, zou hij Timmen een enorm pak slaag geven en hem dan het land op schoppen,’ dacht Banna, terwijl ze driftig schoffelde. ‘Waarom moeten wij al het werk doen? We zijn met veel te weinig.’
Het was nu twee weken na het feest van de zonnewende en dat was de laatste keer geweest dat ze haar broers Harald en Bren had gezien. Harald was mee gegaan met Tarik om latijn te leren en Bren was er samen met Malo op uit getrokken om de andere boerderijen langs de Rijn en de Waal te bezoeken. Bren had gedacht dat de boerderij bij Timmen in goede handen zou zijn tot hij terug kwam, maar Timmen was totaal anders dan Bren of Harald. Hij was lui en vond het veel leuker om te spelen. En terwijl de vrouwen iedere dag hard werkten om voor het vee en de gewassen te zorgen, verdween hij vaak al vroeg in de ochtend en kwam hij ’s avonds bij het eten pas weer terug. Banna had geen idee waar Timmen de hele dag uithing, maar ze ging er van uit dat hij ergens met zijn vrienden aan het spelen was. Zelfs Reine had geen vat meer op Timmen en uiteindelijk gaf ze het maar op om elke avond ruzie met hem te maken als hij zijn werk weer eens niet had gedaan.
Banna vroeg zich af wanneer Bren terug zou komen.
‘Hij zal in ieder geval terug willen zijn voor het kind komt,’ dacht ze. Volgens Reine zou het nog wel minstens een maan duren voordat Hilde zou bevallen, maar de goden zouden zomaar kunnen beslissen om het kind eerder te laten komen. De buik van Hilde was nu zo groot geworden dat ze niet meer mee kon helpen met het werk en het grootste deel van de dag moest rusten. Banna vond het erg spannend wat er allemaal met Hilde gebeurde en ze kon niet wachten tot haar kleine nichtje of neefje zou komen. Ze had al met Hilde afgesproken dat ze er op mocht passen als het kind oud genoeg was. Soms mocht ze voelen aan de buik van Hilde en dan voelde ze hoe het kind bewoog in haar buik.
Reine had aan Banna uitgelegd wat er zou gebeuren als het kind zou komen en ze had ook verteld dat Banna daarbij kon helpen. Eigenlijk durfde Banna dat niet zo goed, dus ze had gevraagd of Trig of Malo niet mee konden helpen, maar Reine vond dat het een taak voor vrouwen was.
Banna schoffelde verder in de zon en probeerde de pijn in haar vingers te negeren. Haar handen waren de afgelopen maanden steeds ruwer en dikker geworden. Iedere ochtend en avond hielp Banna mee met het melken van de koeien en dan moest ze overdag ook nog meehelpen op hun akker. Na de dood van haar vader was ze er opeens niet meer zo blij mee dat hun familie zoveel land en vee bij hun boerderij had. Ze merkte nu pas hoeveel werk haar vader er eigenlijk aan had gehad om alles bij te houden en te zorgen dat hun familie iedere winter genoeg te eten had.
Banna droomde weg tijdens het werken en dacht terug aan haar vader. De wereld had zo veilig geleken toen hij er nog was. Ze had het gevoel gehad dat haar vader haar altijd zou beschermen. Zelfs toen ze twee jaar geleden moesten vluchten voor de stammen die de Rijn over waren getrokken, wist Banna dat haar vader snel weer terug zou komen en dan zou alles weer goedkomen. Nu voelde hun boerderij op een bepaalde manier onbeschermd. Banna voelde zich niet meer zo veilig als vroeger, vooral ’s nachts niet. Ze lag ’s nachts vaak nog lang wakker en dan luisterde ze of ze vreemde geluiden hoorde rond de boerderij. En ze had vreemde dromen waarin hun huis opeens midden in een donker bos stond en bedreigd werd door een zware storm of een bosbrand.
Banna dacht weer na over haar droom die ze vlak na de dood van Beren had gehad. Ze had gedroomd over een wolf die wild was geworden en de zee had aangevallen. En even daarvoor had die wolf een jonge vos op zijn schouder getikt, die daardoor een stuk groter was geworden. Wat kon het allemaal betekenen? Ze had er in de weken na de crematie van Beren veel over gesproken met haar broers, maar ze waren er niet uit gekomen. De vos had iets te maken met de moord op Beren, dat had de priester hen verteld. En de wolven stonden voor de Romeinen, die uiteindelijk door die vos of een van zijn kinderen uit hun land zouden worden verjaagd. Maar wie was op dit moment dan de vos en wat had hij met Beren te maken?
Banna herinnerde zich het bruiloftsfeest van Bren en Hilde. Toen was haar vader er nog en iedereen was die dag zo gelukkig geweest. Heel even had alles perfect geleken en de herinnering aan die ene mooie dag zou Banna nooit kwijtraken. Banna herinnerde zich ook dat haar vader die avond ruzie had gemaakt met Tarik. Beren wilde geen oorlog voeren en Tarik wilde dat wel heel graag. Hij was zelfs boos geworden op Beren omdat hij hem tegensprak. Zou die ruzie misschien iets met de moord op haar vader te maken hebben? Banna had ondertussen het einde van de rij bereikt, maar ze was nu zo in gedachten verzonken dat ze omdraaide en weer verder ging in de volgende rij.
Kon dat misschien de reden zijn? Had een van de mannen van Tarik Beren vermoord, omdat hij had geweigerd om hem te steunen?
Banna kon het zich haast niet voorstellen, maar ze had de blik in de ogen van Tarik gezien. Tarik wilde de oorlog en hij was bereid om alle obstakels die hem van die oorlog af zouden houden opzij te schuiven. Tarik had er alles voor over om roem, rijkdom en aanzien bij de Romeinen te vergaren.
In de verte riep Reine dat het tijd was om te eten, maar Banna hoorde haar niet. Opeens leek alles op zijn plek te vallen. Tarik was de vos. Hij had ruzie gemaakt met Beren en vlak daarna was Beren vermoord. Daar moest Tarik wel achter zitten. Alleen Banna had geen bewijs. Ze had alleen het gesprek tussen haar vader en Tarik op de bruiloft gehoord en ze had een vage droom gehad. Niemand zou haar geloven als ze zei dat Tarik een moordenaar was. En nu was juist haar broer Harald naar Tarik gegaan om bij hem in huis te wonen. Zou hij daar wel veilig zijn?
Reine riep nog een keer en Banna keek op. Haar moeder stond samen met Trig en Hilde te zwaaien aan het einde van de akker. Opeens merkte Banna weer hoeveel honger ze had en ze liep opgewekt terug naar haar moeder. De ochtend was voorbij. Nu hoefde ze alleen nog ’s middags en ’s avonds te werken en dan was ze weer een dag verder voor Bren weer thuis zou komen. Banna nam zich voor dat ze Harald moest waarschuwen als ze hem weer zou zien. Hij moest weten dat Tarik gevaarlijk was en misschien kon Harald er in zijn huis wel achter komen of het vermoeden van Banna klopte. En terwijl Banna terug liep, bedacht ze dat de zomer al weer over de helft was. En deze zomer was de oorlog in ieder geval nog niet gekomen.

Hoofdstuk 13

Marcus

Marcus voelde hoe een zweetdruppel langzaam langs zijn ijzeren wangklep over zijn gezicht kroop. Hij hield zijn armen strak langs zijn lichaam. Voor zijn gevoel stond hij al meer dan een uur op deze plek, vlak langs het bospad waar ze op de anderen stonden te wachten. Het hele zevende cohort was er vandaag op uitgetrokken als officiële delegatie om de anderen naar het kamp van Drusus te begeleiden.
De sfeer onder de mannen was ontspannen, want iedereen wist dat de campagne richting het einde liep. Hun jonge generaal had zijn legioenen in slechts een paar weken door de Alpen heen gejaagd en alle stammen verslagen die zich tegen de Romeinen hadden verzet. Een groot deel van de Raeti was vervolgens vanuit de Alpen Gallia binnengetrokken, maar daar werden ze juist opgewacht door Tiberius, de oudere broer van Drusus, die met zijn legioenen naar het Oosten trok. Vandaag zouden de twee legers eindelijk contact maken met elkaar om samen de laatste verzetshaarden van de Raeti op te ruimen. De twee jonge broers hadden in een campagneseizoen bereikt wat andere generaals voor hen niet was gelukt: Ze hadden het hele gebied van de Alpen ten Noorden van Italia opengelegd voor de legioenen van Rome. De oorlog was officieel nog niet eens afgelopen, maar toch had Drusus al meteen de opdracht gegeven om een weg aan te leggen van Gallia Cisalpina naar Lugdunum.
Voor Marcus maakte het allemaal niet zoveel meer uit, merkte hij. Hij voelde zich leeg van binnen en had zijn enthousiasme voor de campagne al lang verloren. Het leven in het legioen was gewoon niet meer hetzelfde sinds die zinloze aanval op dat onbeduidende dorp in de bergen. Hij miste zijn vriend Gaius.
Op het bospad voor het cohort dat zich aan twee zijden van de weg had opgesteld stond de tribuun Gaius Tullius Mercius in vol ornaat ongeduldig naast zijn paard te wachten. Hij moest het leger van Tiberius officieel welkom heten namens Drusus, die nog druk bezig was in zijn legerkamp.
Marcus vroeg zich af of Tiberius op zijn broer zou lijken. Het leek wel of Drusus met iedereen in zijn leger, van de meest ervaren kampprefecten tot de jongste legionairs, makkelijk overweg kon. Drusus vond altijd wel een manier om zijn mannen te motiveren om net wat extra inzet te tonen. Zou Tiberius ook zo zijn?
Volgens Barrus had Tiberius al een aantal campagnes op zijn naam staan die hij steeds tot een goed einde had weten te brengen. En Tiberius had al een reputatie opgebouwd dat hij een strenge generaal was die de discipline met een ijzeren hand afdwong, wat hem in de ogen van Barrus al een betere bevelhebber maakte dan de iets te joviale Drusus. De slaaf Pisto was vandaag ook meegekomen met de delegatie die Tiberius op stond te wachten. Waarschijnlijk wilde Drusus zo snel mogelijk een overzicht krijgen van Pisto van de sterkte van het leger van Tiberius. De slaaf stond naast Mercius op de weg en staarde verveeld in de verte. Marcus had Pisto een aantal keren opgezocht in het legerkamp tijdens de afgelopen campagne en van zijn eerdere afkeer van de brutale slaaf was nu weinig meer te merken. De slaaf leek altijd uitstekend op de hoogte te zijn van de strategie van Drusus en daarmee was hij voor Marcus een waardevolle bron van informatie. Het was altijd handig om te weten wanneer de volgende veldslag uitgevochten zou worden of waar de vijand zich bevond. En soms leek Pisto zelfs al te weten wat de volgende zet van het leger zou worden voordat Drusus zelf een besluit had genomen.
Pisto rochelde luidruchtig en spuugde op de grond, vlak voor de voeten van Mercius, om zijn ongenoegen over de verlate aankomst van het andere leger te laten blijken.
“Dat krijg je er van als je je legioenen te lang in Hispania legert,” zei hij. “Dan worden ze net zo lui en traag als de lokale bevolking. Straks staan we hier vanavond nog.”
Mercius deed net of hij de opmerking van de slaaf niet hoorde. Hij veegde het zweet onder zijn helm weg met een doek en klom vervolgens maar weer op zijn paard.
“Daar zijn ze,” fluisterde Sextus bij Marcus in zijn oor en meteen ging Marcus nog iets rechter overeind staan.
Hij keek naar rechts en zag in de verte over het brede pad twee ruiters aankomen, gevolgd door een grote groep marcherende legionairs.
Vanuit de verte klonken hoornsignalen en de hoornblazers van het zevende cohort bliezen enthousiast een signaal terug ter begroeting.
“Nou hèhè, daar zul je meneer hebben hoor,” zei Pisto, maar Mercius siste snel dat hij zijn mond moest houden.
De twee ruiters reden op hun gemak naar de delegatie die hen opwachtte en hielden vlak voor de tribuun halt. Het hele pad achter hen, zo ver als Marcus kon zien, was gevuld met soldaten, die ook halt hielden. Marcus keek naar de twee generaals die voor hem op het pad stonden. De jongste van de twee was duidelijk Tiberius, de broer van Drusus. Hij was een paar jaar ouder dan Drusus, ongeveer even oud als Sextus, die nu zesentwintig was. Tiberius had dezelfde kenmerken in zijn gezicht als Drusus en zelfs met een helm op zag Marcus dat hij net zo’n brede nek had als zijn broer. Alleen Tiberius leek niet de jeugdige vrolijkheid en de energie te hebben die zijn broer wel uitstraalde. Hij was niet in volle vaart aan komen stuiven, voor zijn troepen uit, zoals zijn broer waarschijnlijk wel zou hebben gedaan. Tiberius was stijf en beheerst aan komen rijden en keek nu hooghartig naar het groepje soldaten dat hem op stond te wachten.
Marcus herkende de andere generaal niet en hij had van de anderen in zijn cohort ook niet gehoord wie er nog meer meevocht met Tiberius. De andere generaal was iets ouder dan Tiberius, rond de dertig, maar het was duidelijk dat Tiberius de leiding had.
“Heil Tiberius Claudius Nero,” zei Mercius met een opgeheven hand. “Zoon van de Princeps Imperator...”
“Waar is mijn broer?” onderbrak Tiberius de tribuun. “Waarom is Drusus er niet om mij te ontvangen?”
Tiberius keek nors naar Mercius, die ongemakkelijk op zijn paard heen en weer schoof.
“Onze bevelhebber bevindt zich in het legerkamp hier niet ver vandaan,” zei Mercius. “Uw broer heeft mij vanochtend opgedragen om u welkom te heten en u en uw troepen te begeleiden naar het hoofdkwartier.”
“Hij stuurt een tribuun om mij te begeleiden?” vroeg Tiberius verontwaardigd. Zijn ogen stonden kil, terwijl hij naar het cohort keek dat naast het pad stond opgesteld. Marcus verwachtte bijna dat Tiberius zich zo beledigd zou voelen dat hij ter plekke met zijn hele leger om zou draaien en weer weg zou marcheren. Mercius wist niet hoe hij op deze onverwacht afstandelijke ontmoeting moest reageren, maar hij werd net op tijd gered.
“Tiberius!” riep iemand aan de linkerkant en Marcus zag dat Drusus over het pad aan kwam rijden vanuit de richting van zijn kamp. Waarschijnlijk had Drusus weer geen zin gehad om stil te zitten tot zijn broer er was met zijn leger. De Gallische ruiters van zijn escorte reden achter Drusus aan en deden hun best om hun bevelhebber bij te houden.
Drusus reed Mercius voorbij en sloeg zijn oudere broer met een brede grijns hard op zijn schouder. Tiberius leek iets te ontdooien nu zijn broer er bij was.
“Wat goed van je om me te komen helpen, broertje,” zei Drusus opgewekt. “We gaan zij aan zij vechten. Net zoals Castor en Pollux.”
“Augustus stuurt je zijn felicitaties,” zei Tiberius formeel. “En moeder ook natuurlijk. Ze zijn erg trots op je.”
“Haha, dat mag ook wel. Wacht maar tot je mijn leger ziet. In slechts een paar weken tijd heb ik de Alpen veroverd. En met de hulp van jouw legioenen zullen we snel ook de laatste verzetshaarden van die barbaren breken. Varus! Wat heb ik jou lang niet gezien.”
Drusus reed naar de andere generaal en pakte zijn arm vast.
“Publius Quinctilius Varus,” zei hij. “Het is een eer om met jou ten strijde te mogen trekken. Jouw vader en mijn grootvader vochten samen bij Philippi. Vecht nu samen met mij.”
“Dat is gedurfd,” fluisterde Quintus in het oor van Marcus. “Om Philippi hier te noemen.”
“Hoezo?” vroeg Marcus.
“Ze vochten bij Philippi aan de verkeerde kant. De vader van Varus en de vader van Livia vochten allebei mee in het leger van Cassius en Brutus. Ze vochten tegen Marcus Antonius en Augustus.”
“In mijn jeugd is verteld dat mijn vader en uw grootvader allebei hun eigen leven namen na de nederlaag bij Philippi, heer,” zei Varus. “Laten we hopen dat de goden ons gunstiger gestemd zijn en dat we met onze daden hun schande uit kunnen wissen.”
“Je prestaties waren niet zo goed als je zelf denkt, Drusus,” zei Tiberius bot. De glimlach op het gezicht van Drusus verdween direct.
“Je hebt de Raeti laten ontsnappen. Hun dorpen en hun landen heb je misschien veroverd, maar hun krijgers trokken van je weg. Als ik ze niet tegen had gehouden met mijn legioenen, waren ze al plunderend door Gallia getrokken. Waarom denk je dat Augustus mij hierheen heeft gestuurd?”
Drusus schrok van de vraag.
“Heeft Augustus je gestuurd om mijn commando over te nemen?” vroeg hij. Hij keek Tiberius plotseling wantrouwend aan.
“Natuurlijk niet. Stel je voor hoe vernietigend het zou zijn voor je reputatie als in Rome bekend wordt dat je grote broer het van je overneemt zodra je in de problemen komt. Augustus heeft grote plannen voor je en hij wil niet dat jouw naam beschadigd raakt, dus jij houdt het opperbevel. Maar persoonlijk zou ik het heel anders hebben aangepakt. En ik zou ook niet zo hoog van de toren hebben geblazen als ik een paar veldslagen had gewonnen.”
Marcus keek met verbazing naar de twee jonge broers voor hem. Ze hadden allebei een totaal verschillend karakter en Tiberius had er geen enkele moeite mee om harde kritiek te uiten tegen Drusus in het bijzijn van zijn eigen troepen. Maar toch merkte Marcus ook dat die twee veel respect en genegenheid voor elkaar hadden. Drusus leek de kritiek van Tiberius serieuzer te nemen dan de adviezen van zijn eigen officieren. En aan de blik van Tiberius was duidelijk te zien dat hij gesteld was op Drusus. Wellicht was hij zelfs een beetje bezorgd over de carrière van zijn broer en reageerde hij daarom zo streng.
“Laten we naar het kamp rijden,” zei Drusus. Hij gaf Mercius het bevel om voorop te gaan met het cohort van Marcus en hij reed daar zelf achter tussen Tiberius en Varus in.
Marcus liep aan de achterkant van het cohort, dus hij kon het gesprek van Drusus, Tiberius en Varus goed volgen.
“Ik kan je legioenen goed gebruiken, broertje,” hoorde hij Drusus zeggen. “Vanochtend heb ik de plannen uitgewerkt met mijn generaals. Ik hoop dat je voldoende voorraden hebt meegenomen.”
“Wat ben je van plan?” vroeg Tiberius. “Je weet dat we alweer halverwege de zomer zitten, toch? Het campagneseizoen is bijna voorbij.”
“Ach, we hebben nog wel een paar maanden over. En deze campagne was ook zo voorbij. Ik kom net van de laatste bespreking met mijn officieren en volgens hen is het met jouw leger erbij mogelijk. Ik ben van plan om Noricum te annexeren.”
Marcus moest zich inhouden om niet om te kijken.
“Zei hij nou Noricum?” fluisterde hij tegen Quintus, die naast hem marcheerde. “Waar ligt dat?”
“In het Oosten,” zei Quintus. “Noricum is het gebied tussen de Donau en de Alpen.”
“Noricum is een bevriende natie,” zei Tiberius achter hen.
“Een rijke bevriende natie, ja. Vol goud en ijzererts. En als we Noricum veroveren, kunnen we in een campagneseizoen de grens van het rijk verleggen naar de Donau.”
“Is dit niet een zaak voor de Princeps?” vroeg Varus. “Moet Augustus hier niet over beslissen?”
Maar de twee broers luisterden niet naar hem. Tiberius begon geïnteresseerd te raken.
“Hoe staan de goden tegenover een oorlog met Noricum?” vroeg hij. “Heb je de voortekenen bestudeerd?”
“Vanochtend heb ik de augur in ons kamp gevraagd om de voortekenen te lezen voordat wij aan onze bespreking begonnen. Hij heeft het voer voor de heilige kippen uitgestrooid en ze hebben er gulzig van gegeten. De goden staan achter ons.”
“Het zou wel kunnen lukken,” zei Tiberius. “En als we Noricum veroveren, is de kans ook kleiner dat de mensen in Rome zullen zeggen dat ik je met mijn legioenen moest komen redden. Het zou dan overkomen als een vooraf afgesproken plan.”
“En na mijn overwinning op de Raeti kunnen jullie natuurlijk niet achterblijven. Met een campagne tegen de Norici kunnen we de glorie delen.”
Terwijl Tiberius en Drusus achter hem verder discussieerden en geleidelijk ook Varus aan hun kant kregen, marcheerde Marcus verder. Hij had verwacht dat zijn eerste campagne bijna ten einde liep, maar blijkbaar hadden de gebroeders Claudius andere plannen. Ze besloten hier ter plekke dat ze een nieuw gebied zouden veroveren, geheel in de geest van Julius Caesar zonder eerst toestemming te vragen aan de senaat of de Princeps. Officieel zouden ze Noricum uit naam van de senaat en het volk van Rome de oorlog verklaren, maar Marcus kreeg bij het horen van deze discussie sterk de indruk dat de senaat en het volk van Rome hier weinig mee te maken hadden. Deze oorlog draaide vooral om de eerzucht van de twee jonge broers.
Dit artikel delen?
Pin It
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief