Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Graan

H4 De idioten in het bad.
Het ontbijt verloopt rommelig. Elske is aanwezig en het staat haar duidelijk niet aan dat we niet met z’n allen tegelijk eten.
Ze verlaat de ontbijtruimte om Theo en William te zoeken. Ze zouden wel wakker moeten zijn, want je wordt elke dag geacht te sporten voor het ontbijt: fietsen, hardlopen, wandelen of fitnesstraining. Na een paar minuten komt ze terug met William, die met een nors gezicht in een stoel neerploft.
‘Jij ook een hele geile goedemorgen!’ roept Pim met hese stem vanachter zijn roerei. ‘Ja, goedemorgen allemaal’ Bromt William. Ik zie dat hij ondanks zijn stralende humeur moet lachen om Pim. Ook heeft hij zo te zien tijd besteed aan zijn haar vanmorgen, net als gisteren zit elk haartje goed en zijn bruine krullen zijn vakkundig met gel naar achteren geplakt. Hij heeft iets weg van een wijsneuzerige soapie. Vandaag is hij gekleed in pastelgeel: korte broek, polo met reptieltje op de borst en een soort zachte Marokkaanse slofjes aan zijn voeten. Hij heeft overduidelijk wel de tijd genomen om zich op te frissen na het sporten en ik vermoed dat hij daarom te laat is. Theo komt binnen gesloft. ‘Mogge’ zegt hij tegen niemand in het bijzonder, zijn ogen zijn al gericht op het buffet. Hij pakt een groot bord in plaats van een ontbijtbordje en begint dat te beladen. Zorgvuldig stapelt hij boterhammen op, belegt ze vast om en om met plakken ham, kaas en kipfilet. Dit alles vindt plaats aan één kant van het bord. De andere kant van het bord wordt gevuld met twee gekookte eieren, worstjes, twee croissants, een potje jam, drie botertjes en een chocoladecroissant.
Tevreden zet hij zijn bord op tafel en propt terwijl hij gaat zitten een servet in zijn t shirt. Als slabbetje.
Hij begint met de chocoladecroissant. In één keer stopt ie hem in zijn mond en duwt het laatste stukje met de muis van zijn duim naar binnen. Daarna likt hij uitgebreid zijn vingers af.
Ik verstijf. Ik wil weg. Weg bij deze vieze rare mensen.
Ik baal enorm. Gisteren leek dit nog het walhalla, ik voelde me zo goed en fijn en nu gaat alles mis.
Net op tijd staat Elske naast me. ‘Noelle, Morgen ga je kennis maken met je therapeut. Ze heet Fredrika. Maar eerst heb je vandaag een gesprek met de psychiater. Dat is Fenna. Om 12:00 kun je naar haar toe. Om 13:00 lunchen we met z’n allen hier.
Na het ontbijt kun je je meteen omkleden; vandaag hebben we aquajoggen op het programma staan’
Dat is een hoop info in een keer. Ik moet me concentreren om alles te onthouden en te beoordelen tegelijk. Ik vind het vreemd dat ik een gesprek met een psychiater moet hebben, dat is in Nederland toch al gebeurd?
Maar goed, psychiaters vind ik meestal grappige mensen. Dus ik maak me niet druk. Ik vertel alles gewoon nog een keer. En nog een keer.
Morgen: Fredrika. Ik heb al van de heren begrepen dat er twee psychologen zijn: een good cop en een bad cop. Fredrika klinkt als bad cop. Dat geeft op zich niet, als ze maar de juiste snaar weet te raken; als iemand echter met een botte bijl in een open zenuw gaat zitten hakken sla ik dicht, als een oester die met een tube Bisonkit heeft zitten spelen. Maar de eerste zorg is het aquajoggen. Ik ben er nerveus voor, maar ik ben ook benieuwd hoe erg het in het echt is. Veel tenen bij elkaar. Ik ga in Nederland al jaren niet meer naar het strand en op vakantie zoek ik een privé standje op. Dit wordt dus een test. Ben ik er tegen bestand? Het borrelt in mijn maag: angst en opwinding tegelijk. Het psychisch equivalent van een losse tand.
Even later zoek ik in mijn huisje mijn spullen bij elkaar. Mijn zachtroze bikini, badlaken en mijn Havaiana’s Eng. Maar wel leuk, ergens. Dat ik ze weer draag. Ze zijn ook roze en passen prima bij de rest van mijn outfit. Ik keur het ensemble in de spiegel. Vaag ervaar ik mijn curieuze goede stemming, maar het voelt ook heel gewoon aan.
Ik sla mijn badlaken om en loop onzeker naar het zwembad.
Iedereen is er al, behalve William en Ilona, ook Sjon ligt al in het zwembad. Blijkbaar mag je wel aqua joggen als je nog in het detoxprogramma zit. Mike heeft een piepschuimen slang vast waar hij Pim hard mee op zijn hoofd ramt. Als Pim dekking zoekt onder water duimt Theo op hem af en probeert zijn zwembroek van zijn kont te trekken. Intussen heeft Sjon de slang van Mike afgepakt en dreigt mij er het zwembad mee in te jagen. ‘Af die handdoek en het water in, luisteren naar de badmeester!’ schreeuw hij. Een keer moet ik toch het water in en ik besluit het maar direct te doen. Ik gooi mijn badlaken op een zonnebedje en loop de lage duikplank op. Sjon en Mike volgen mijn actie. ‘Ja kom maar hoor, of durf je niet? Ik heb het gevoel dat ze naar me kijken alsof ik een flamingo op een surfplank ben. ‘Ja duikt u maar dame, we vangen u wel op’ Pim is weer boven water en bemoeit zich ermee. ‘Eindelijk onze eigen zeemeermin-Barbie om in ons badje mee te spelen!! ’ roept Pim met een grote grijns. De stemming zit er goed in. Wat nou depressievelingen.
Ik spring er in. Met en grote plons kom ik tussen Pim en Mike terecht die mij meteen aan mijn been onder water proberen te trekken. Theo ziet het en komt me te hulp. Ook hij heeft een slang en ramt er Pim hard mee in zijn nek. Gillend van de pret storten de mannen zich in een watergevecht.
Na een paar minuten komt er een jonge vrouw aanlopen met William en Ilona in haar kielzog. Ilona ziet er eng uit in haar badpak . Zelfs met de handdoek om zie ik hoe mager ze is. Net een zwerfhond. Haar lijfje heeft een witgele oude mannetjes kleur. Haar armen bungelen als lange takken naast haar lichaam. Ze lijkt in een goed humeur te zijn, ze heeft haar triomfantelijke gezicht op. De vrouw, een jaar of 30, is helemaal in het wit gekleed en ze draagt ziekenhuisklompjes. Het blijkt de zwemlerares te zijn. Ze heet Lisa en ze geeft ook yoga en massages, die in een apart huisje op het terrein worden gegeven.
William en Ilona plonzen het bad in, Lisa blijft aan wal en probeert ons tot de orde te roepen. Na een kwartier lukt dat enigszins en dan hebben we nog een minuut of tien min of meer serieus les. Lisa is aardig, op het schattige af, en vrolijk, maar ze heeft ons totaal niet in de hand. Ze doet me denken aan mijn docente frans op de middelbare school. Heel lief en kundig, maar hopeloos ongeschikt. Na wat laatste strekoefeningen en een applaus voor onszelf moeten we het bad uit om ons klaar maken voor een sportactiviteit, een massage of therapie. Ik heb niks tot 12:00, dan moet ik pas naar de psieg.
Ilona dribbelt met een handdoekje om naar me toe. Hoewel het al een graad of 28 is lijkt ze te rillen. ‘Hey Ilona, heb je het koud’ vraag ik ongelovig? ‘Koud?, nee hoor, tuurlijk niet. ’t is hier 35 graden ofzo’ Ze staart me met haar grote naïeve ogen aan. ‘Ik ga hier echt lekker bruin worden, zeker weten!’ Ze gilt bijna. ‘Kijk maar uit’ zeg ik. ‘Met je witte huid. De zon is fel. Heb je wel zonnebrand bij je?’ Ilona kijkt meewarig. ‘Nee hoor, ik wacht tot ik een beetje rood word en dan doe ik wel crème op. Anders word ik nooit bruin. Eerst rood, dan bruin!’
Net als een biefstuk, wil ik zeggen. Ik houd me in.
‘Nou, ik ga me haasten, want ik moet om 11:00 al bij de psychiater zijn’ Ze kijkt er een beetje angstig bij. ‘Dan heb je tijd zat, Ilona. Zeg ik om haar toch een beetje gerust te stellen, hoewel ik geen idee heb of de blik in haar ogen haar gemoedstoestand daadwerkelijk weerspiegelt.
‘Nee, want ik moet nog naar de vogels ook’ Kennelijk hebben we hier ook ‘de vogels’ Ik kijk haar verbaasd aan. ‘de vogels?’ ‘Heb je ze niet gezien? Het zijn een soort pappagaaien! Bij mijn huisje zitten er twee. Een mannetje en een vrouwtje. Ik heb beloofd dat ik ze wat lekkers zou geven, dus dat moet ik nog uit de ontbijtzaal halen’ ‘Die andere zal dan wel de mamagaai zijn’ zeg ik. Ik kan het niet laten. Ilona draait haar hoofd wat scheef en kijkt me een fractie van een seconde verbaasd aan. Maar ze negeert mijn domme grapje en
praat enthousiast verder. ‘Ze heten dus Anouk en Xavier. Ik zag het meteen dat het eigenlijk Anouk en Xavier zijn. Of waren, want die zijn dood’ ‘Dood?’ vraag ik. ‘ Ja dood, echt heel erg. Toen mijn vader wegging heeft hij alles stuk gemaakt, en Anouk en Xavier doodgedrukt. Echt zo gemeen! Het is zo’n ontzettende lul. Een klootzak! Ik haat hem zo!’ Ilona staat nu brullend voor me. Haar ogen spuwen vuur. Met gebalde vuisten, briesend en scheldend. Voor ik iets kan zeggen rent ze weg, richting de eetzaal. Ik heb echt geen idee wat ik nu moet doen. Ik kom hier toch voor mezelf? Twijfelend slof ik haar toch maar achterna, maar na een paar tellen komt Ilona al weer de eetzaal uitgestormd met handenvol in plastic verpakte crackertjes. Ze stuift naar haar huisje. Ik keer om en wandel naar het mijne. Wachten tot het 12 uur is.
Ik plof neer in het rieten stoeltje op mijn terras. Het is nu al heel warm en ik vind het heerlijk. De klamme warmte vervangt het dekentje dat ik altijd over me heen trek als ik op de bank zit. Zomer en winter, als een soort baarmoedertje.
Ik denk aan tenen. Nu pas. De lange, schriele, gekromde tenen van Ilona. Haar dunne voeten, bleke bloemen.
Mijn blik werd er naartoe getrokken toen ze stampvoetend van woede over haar vader tekeerging. Het deed me minder dan ik had verwacht.

Fenna zit op me te wachten in het hoofdgebouw, in een vijfhoekige kamer op de eerste etage. Ze schudt met ferme hand de mijne en wijst naar een stoel onder het raam. ‘Ga jij daar maar zitten, dan kan ik naar buiten kijken, dat vind ik prettig’
Ze werpt me een hooghartige brede glimlach toe en strijkt neer in een grote beige fauteuil die pal op het raam gericht staat. Haar blonde haar zit strak naar achteren gekamd in een gladde knot. Hier en daar lijkt het meer grijs dan blond.Ik schat haar op een jaar of 48. Single, of in elk geval niet getrouwd, ik zie geen ring. Fenna heeft de uitstraling van een koningin, een ijskoningin. Ze slaat haar dunne lange benen over elkaar. Aan haar voeten zitten dure fluwelen instappers met gouden gespjes, haar armen rinkelen van de bedelarmbandjes. Geel goud. In haar oren draagt ze net iets te grote parelknopjes. Op het lage tafeltje tussen ons in staat een soort metronoom. Fenna drukt op een knop en de metronoom begint heen en weer te gaan. Tik. Tak. Tik. Tak. Ik vraag me af waar dit voor dient.
Weer die glimlach, hij komt gemaakt over en ik zet me schrap. Ik heb nog geen woord met haar gewisseld en ze strijkt me nu al tegen de haren in, dat is geen goed begin.
‘Noelle, wat een prachtige naam!’ begint ze. Zeker om het ijs te breken, nou dan is ze nog wel even bezig, bedenk ik.
‘Je zit hier wegens recidiverende, ernstige depressies, lees ik in je dossier. Je hebt al met mijn collega Trudy gesproken over de mogelijke oorzaken daarvan. Heeft Trudy je ook al uitgelegd hoe we hier te werk gaan?’ Ik denk terug aan het gesprek met Trudy. Veel sporten, dagelijks individuele therapie en een paar keer per week groepstherapie. Dit alles aangelengd met massages, yoga, mindfulness en ander helend tijdverdrijf.
‘Zeker’ zeg ik. ‘Dat is de reden dat ik hiervoor heb gekozen. Ik wil graag praten met lotgenoten en daarbij weer een beetje actief worden en het is belangrijk dat het een intensief programma is: als ik één keer in de week met een psycholoog ga praten, dan verandert er niets’
Fenna kijkt me spottend aan, het lijkt alsof ze er niets van gelooft. Of verbeeld ik het me en kijkt ze gewoon altijd zo.
‘Wat denk je hier te kunnen bereiken Noelle, wat is je doel met de therapie?’ Terwijl ze tegen me praat bekijkt Fenna uitgebreid de staat van haar koraalrode nagellak.
Daar gaan we weer, wat is mijn doel hiermee, ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik besluit gewoon maar te beginnen met praten.
‘Ik wilde eigenlijk op vakantie, lekker naar de zon om weer een beetje op krachten te komen na een behoorlijk zwarte periode. Maar ik durf niet alleen op vakantie en ik wil ook niet met iemand samen in een hotelkamer of een huisje, vanwege mijn poepangst. Als ik alleen zou gaan, maak ik met vreemden uit mezelf niet of nauwelijks contact en ik weet zeker dat ik zonder contact met andere mensen ontzettende heimwee krijg. Dus dit leek me een mooi alternatief: zon, zee, therapie en gelijkgestemden om samen mee te eten en leuke dingen te doen, zonder dat ik er zelf veel moeite voor hoef te doen én ik heb een huisje voor mezelf zonder dat ik hoef uit te leggen waarom.
En ik ben ook wel een beetje gedwongen door mijn omgeving, min of meer’
Ik kijk verwachtingsvol naar de afgehaakte Fenna, die nu over mijn hoofd heen uit het raam staart. Dan lijkt ze ineens op te schrikken, ze kijkt even op het kladblok waarop ze nog niets geschreven heeft en dan naar mij. ‘Dat klinkt goed Noelle, het zou heel mooi zijn, als je dat weet te bereiken. En had je ook nagedacht over wat je er op de wat langere termijn aan zou kunnen hebben? Wat je hier wilt leren?’
Ze heeft me wel gehoord, dat is tenminste iets.
‘Ik hoop dat ik beter kan leren leven met sommige van mijn angsten, of er zelfs vanaf kan komen. En dat ik de leuke kanten van mensen weer kan zien en ze hartelijker tegemoet kan treden’ Ik slik. Het klinkt wel erg uit het hoofd geleerd. ‘Ik ben nu bijna mensenschuw’ Ga ik verder. ‘Ik weet me vaak geen houding te geven’ Als bewijs daarvan kijk ik langs Fenna heen en probeer haar vanuit uit mijn ooghoek te bestuderen. Ze merkt het en ik kijk snel weg.
Fenna knikt. ’Oké’ zegt ze. ‘Dat is een duidelijk doel; maar dit zal je heel veel kracht gaan kosten, en tijd niet te vergeten. Dingen die je al lang doet zijn niet zomaar met een paar therapiesessies verdwenen en je zult er zelf ook hard aan moeten werken. Je moet het echt willen’
‘Ik wil het ook echt’ zeg ik zo oprecht mogelijk. En ik meen het, alleen heb ik wat twijfels bij de haalbaarheid.
Fenna praat verder: ‘Met Fredrika ga je aan de slag met het hanteerbaar maken van je angsten; wij zien elkaar eenmaal per week of vaker als dat nodig is. Wij gaan meer naar je verleden kijken en de mogelijke herkomst van jouw angsten. Hoe kijk je daar tegenaan?’
Ik heb niet het idee dat het iets uitmaakt wat ik zeg en ik vind het ook allemaal best. ‘Goed plan’ zeg ik daarom. Ik probeer mijn stem een positieve klank mee te geven. Ik wil echt graag werken aan die angsten, ik haat ze, ze verpesten mijn leven. Maar ik ben ook zo bang dat ik het niet kan, dat ik er al te diep in zit. Ik heb mijn angsten hard nodig. En mijn poepfobie, daar ga ik niet aan werken. Nooit. Dat gaat echt niet gebeuren. ‘Eerst wil ik terug naar jouw jeugd’ gaat Fenna verder, ze kijkt er geïnteresseerd bij en is gestopt met over mijn hoofd naar buiten te staren. ’In wat voor gezin groeide je op, wat voor meisje was je. Dat soort dingen. Kun je daar wat over vertellen?’
Ik knik, ik vind haar al iets minder vervelend. Ik steek van wal.
‘Ik ben 34 jaar geleden geboren in Amsterdam. Mijn vader was al wat ouder toen ik geboren werd, hij was toen 55. Mijn vader werkte niet, hij is rijk geboren, mijn opa zat in het onroerend goed in Amsterdam en omstreken. Mijn opa stierf vrij jong en liet een fortuin achter, inclusief het kleine kasteel in Bilthoven waar ik ben opgegroeid samen met mijn oudere broer David. “Amor manet” heet het huis.
Fenna maakte wat notities op haar schrijfblok. ‘Waarom werkte je vader niet, ook als je rijk bent kun je toch voldoening halen uit het hebben van een baan?
De vraag, maar vooral het antwoord wekte wrevel bij me op. ‘Mijn vader was ziek, hij zat in een rolstoel en hij kon niets, daarom werkte hij niet’
Fenna zegt niets, ze lijkt te bedenken hoe ze hierop zal reageren en krabbelt nog wat op haar blok. Ik probeer onopvallend mee te kijken. Ze tekent iets, het lijkt op de snavel van een eend. Dan kijkt ze weer op van het papier.
‘Was je vader al ziek toen jij werd geboren?’ Ik knik. ‘Ja, hij heeft een herseninfarct gekregen toen hij pas een jaar of 30 was, hij kende in die periode ook mijn moeder nog niet’
‘Dus je moeder is met je vader getrouwd toen hij al gehandicapt was?’ Ik meen enige afschuw in Fenna’s stem te horen, maar het kan ook ongeloof zijn.
Haar interesse lijkt gewekt. ‘Hoe hebben ze elkaar ontmoet?’ vervolgt ze.
‘Mijn moeder is van adel, met een dubbele naam, een vervallen landgoed in de familie en de hele rataplan, maar zonder geld. En er is één ding waar mijn moeder dol op is en dat is geld. Ze heeft mijn vader ontmoet op een afstudeerfeest van haar nicht, waar mijn vader ook was, hij was toentertijd een goede vriend van mijn moeders oom. Het fijne weet ik er niet van, maar ik denk dat mijn moeder haar slag heeft geslagen. Qua geld dan, want verder was mijn vader nou niet bepaald een goede vangst. Mijn vader had het natuurlijk niet echt voor het uitkiezen in zijn rolstoel. Daarbij was het een grote chagrijn, hoewel, misschien was hij dat toen nog niet’
Fenna zit nu geboeid te luisteren, ik kan lastig peilen wat ze er van vindt. ’Hoe was dat voor jou en je broer, leven met een vader in een rolstoel? Kon hij nog wel met jullie spelen bijvoorbeeld?’
Spelen. Ik denk terug aan een moment in onze grote tuin, ik zal een jaar of zes zijn geweest. Ik was een ketting van madeliefjes aan het maken en zong daar een liedje bij, over een vreemde arme snuiter die zijn fluit verloren was. De tekst kende ik maar half, dus ik zong steeds de eerste paar regels. Mijn vader zat in zijn rolstoel op het grote terras; hij zei niets en hij deed niets, zat gewoon maar voor zich uit te staren zoals hij vaak deed. Ik lette niet op hem en ging helemaal op in het netjes rijgen van de ketting. Ineens voel ik warmte dicht achter me; ik heb hem niet aan horen komen. Woedend rukt mijn vader de ketting uit mijn handen en trekt hem kapot. ‘Kun je nu ophouden met dat ellendige kattengejank!’ blaft hij me toe. Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken smijt hij de ketting in het gras en rolt terug naar het terras.
‘Nee’ zeg ik tegen Fenna. ‘Met ons spelen dat deed hij niet’
Fenna kijkt me een beetje schuin aan, alsof ze nog een toelichting verwacht. Dan stopt de metronoom. Fenna lijkt voor de vorm nog even op de klok aan de wand te kijken. ’De tijd is om Noelle, dank je voor je openhartigheid. Ik wil je de eerste tijd graag regelmatig zien. Van de week gaan we verder’
Ik ben beduusd door het abrupte einde en mechanisch sta ik op.
‘Wanneer is dat dan?’ weet ik nog wel uit te brengen als ik naar de deur loop.
‘Dat hoor je nog van de verpleging’ En weer het minzame lachje.
‘En een fijne vakantie!’, roept ze me na.
Dit artikel delen?
Pin It

Schrijven

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief