Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Flarden uit een vorig leven.

Juni 1944.

Een mooi voorjaar, de weiden kleuren groen en de leeuwerik zingt hoog tegen de eindeloze lucht. Ik ben verliefd op Mettie van der Zee, een blond boerenmeisje met ogen blauwer dan de hemel op zondag. Ik ben net zeven jaar geworden, maar van een feest kan ik me niets herinneren. Misschien was er taart, op zondag, nadat oom Eeltje op het orgel had gespeeld in de donkere achterkamer.

Op een duistere avond werd ik opgehaald. Een grote zwarte auto met voorop de bumper een dikke bult, dit was een gasgenerator heb ik later geleerd. Mijn oom reed met deze auto van Zuid naar Noord en terug. Hoe hij dit met de Duitse bezetting regelde, weet ik nu nog niet. Veel kan ik me van mijn reis niet herinneren, ongetwijfeld heb ik gehuild toen ik weg moest. Er was geen eten meer voor mij in Amsterdam. Mijn broertje van nog geen jaar bleef achter met mijn moeder, bij de salamanderkachel die altijd roodgloeiend in de keuken stond. In de keuken, daar woonden we, warm en gezellig, maar dat was nu voorbij. De houtblokjes die ik van tussen de tramrails had gesloopt, de cokes die ik langs de spoorbaan had gezocht, bij het Amstelstation, daarop bleef de kachel wel branden. Zonder mij.

Kolen zoeken was een dagtaak. We hadden tijd, want de school was gesloten omdat er geen brandstof meer was voor de grote kachels in de schoollokalen. Met de buurvrouw en twee vriendjes trokken we naar de spoordijk bij het Amstelstation. Hier was het elke dag druk, mensen wroetend tussen de sintels, met hun emmertje, kolenzak en zeef. Het was een avontuur, als je zes jaar was, maar de buurvrouw klaagde en kreunde de hele dag. Als ik ’s avonds thuis kwam met mijn zakje cokes, was mamma trots en was er warm eten op de salamanderkachel, meestal soep. We hadden ook brood, zelf gebakken van het meel dat pappa in Friesland had gehaald, op de fiets met massieve banden. Hij was erg ziek geworden daarna en lag in het Binnengasthuis, waar hij goed verzorgd werd en in een grijs pak mocht rondlopen als wij wel eens op visite kwamen.

Als je nog geen zeven bent bestaat er toekomst en niets is erg of deprimerend. Ook een ziekenhuis niet tijdens de bezetting. Maar de auto van mijn oom was iets anders, die was donker en stonk. En onderweg waren er steeds soldaten die door het open raampje schreeuwden. Het was een vreselijke lange reis. We reden door het stikduister, nergens was licht, behalve als we stopten en er schelle lampen naar binnen schenen. Ik moest stil op de achterbank liggen en slapen, maar vaak werd ik wakker van dat geschreeuw en het felle licht. Onderweg hoorde ik het meisje dat onder de achterbank lag soms hoesten of huilen. Ik voelde haar soms onder mij bewegen, maar ik mocht niet met haar praten van mijn oom. Ik wist ook niet wie zij was en of zij net als ik naar een oom en tante werd gebracht in het verre Friesland.
Dit artikel delen?
Pin It
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief