Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.
Bij de laatste poll kwam duidelijk naar voren dat er minder behoefte is aan de rubriek 'Boekfragment'. Gezien dat resultaat hebben we besloten die rubriek over enige tijd te beëindigen. Het is nu niet meer mogelijk om een boekfragment toe te voegen. Bestaande boekfragmenten blijven nog een beperkte periode online.

De oude man

deoudemanHet is stil in de kamer met de wijnrode tapijten. Roerloos ligt Wouter op de roze sofa. De groenfluwelen gordijnen zijn gesloten. Zij sluiten het zonlicht buiten en ook het lawaai van het voorbijrijdende verkeer. Op de statige, zwarte vleugel pronkt een kristallen vaas met prachtige anjelieren. Hun zachte geur parfumeert de kamer. Farah, de Siamese poes ligt met dichtgeknepen oogjes te slapen op het gobelin pianokrukje. Ze ligt liever op de warme buik van het baasje, maar hij heeft haar weggejaagd met een vermoeid en afwezig gebaar.
Vreemd, want meestal heeft hij de poes graag dicht bij zich wanneer Marion de deur uit is en hij zich op de sofa uitstrekt om te rusten.
“ Marion”, kreunt Wouter en zijn hart krimpt samen van verdriet. Er gebeurt iets met Wouter wat hem al heel lang niet meer is overkomen. Hij huilt. Traag glijden tranen over zijn nog altijd frisse, gladde huid. Met zijn zakdoek probeert hij ze tegen te houden, maar het lukt niet. Het verdriet dat hem al sinds enkele uren overmant maar dat hij moedig voor Marion verborgen heeft gehouden, breekt baan. In enkele uren tijd is Wouter een oude, gebroken man geworden. Hij voelt het in alle cellen van zijn lichaam. In één klap is zijn jeugdig élan ineengestuikt. Hoe is het mogelijk! Hoe kan het leven zo wreed zijn? Zo onvoorspelbaar. Zo onverbiddelijk. De ervaringen van de twee wereldoorlogen hebben hem niet gebroken, noch de problemen met zijn echtgenote en zijn onhandelbare zoon. De dood van zijn geliefde Miette kreeg hem niet op de knieën en evenmin het heengaan van zijn vele vrienden en familieleden. Als een rots in de branding bleef hij alleen achter. Trots en sterk. Taai.
Maar wat nu gebeurt breekt hem in ontelbaar kleine stukjes. Zijn leven ligt in scherven.
De dag was anders goed en blij begonnen. Gisteravond was Marion bij een paar vriendinnen geweest en opgewekt begon ze haar verhaal te doen over de afgelopen speciale avond. Ze was nogal laat thuisgekomen en om Wouter niet wakker te maken had ze zich zo stil mogelijk voor de nacht klaargemaakt en was ze zachtjes naast hem in het grote tweepersoonsbed gekropen. Zijn rustige ademhaling vertelde haar dat hij in diepe slaap was en niet door haar thuiskomst was gestoord. Het was een vreemde avond geweest. Graag had ze Wouter direct alles verteld, maar nu kon ze eerst zelf de gebeurtenissen overdenken en op een rijtje zetten.
Eigenlijk hadden Marion en haar vriendinnen iets gedaan wat door de meeste mensen wordt afgekeurd en waar heel veel mensen bang voor zijn.
Katrien, één van haar vriendinnen was met het idee gekomen om een ouiabord te gebruiken. Een spel waar je zogezegd geesten mee kon oproepen. Gefascineerd door het paranormale had Marion toegestemd om mee te doen. Omringd door kaarslicht en wierookgeur hadden de vier vrouwen rond het ouiabord gezeten. Met elk één vinger op een houten kruisplank hadden ze met engelengeduld gewacht of het plankje over de letters van alfabet op het ouiabord zou gaan zweven. Na ongeveer een kwartier wachten kwam er inderdaad beweging in het plankje en begon het letters aan te duiden. Ademloos en toch ook een beetje angstig had Marion haar vinger op het plankje laten rusten en meegedaan. In het begin geloofde ze niet dat het écht gebeurde. Eén van haar vriendinnen zou wel stiekem dat ding in een bepaalde richting duwen. Zou het Katrien kunnen zin? Of Gerda? Lieve zou zoiets nooit doen.
Nadat er een letter was aangeduid hielden ze een pauze en schreef Katrien de letter op. Zo ontstonden er woorden en soms hele zinnen. Met glinsterende ogen en rode wangen gaven Katrien, Gerda en Lieve zich aan het spel over. Ze hadden dit wel meer gedaan, maar het was nog nooit zo goed gegaan als deze avond. Met Marion erbij ging het veel vlotter. Het was een goed idee geweest om haar erbij te vragen! Snel en correct wees het plankje de letters aan. Met grote ogen keek Marion toe hoe haar drie vriendinnen elk een boodschap kregen van hun overleden moeder. Katrien kreeg ook nog een bericht van haar jong gestorven zuster en Gerda kreeg een groet van haar pas verongelukte echtgenoot. Ontroerd zaten de drie vrouwen bijeen. Verdriet en blijdschap wisselden elkaar af. Na een tijdje begon het plankje onsamenhangende letters aan te wijzen. Er verschenen namen en feiten waar de drie vrouwen niets mee konden doen. Het begon Marion een beetje te vervelen en juist op het moment dat ze haar ongeloof in het hele gebeuren niet meer kon verbergen schoof het plankje in haar richting; dwars door het alfabet heen. Onverstoord pakte Katrien het plankje op en zette het weer in het midden. Maar opnieuw schoof het snel in de richting van Marion. Het raakte zelfs haar lichaam aan. Lacherig duwde Marion het ding van zich af.
“Stop eens even”, zei Katrien. “Zeg Marion, er komt, geloof ik, een boodschap voor jou. Het lijkt wel of jouw moeder hier ook aanwezig is! Hoe heet jouw moeder?”
“Mijn moeder?” Marion schrok.
“Mijn moeder kan het nooit zijn. Ten eerste heeft ze heel haar leven niet naar mij omgekeken. Waarom zou ze hier dan ineens opduiken! En ten tweede leeft ze nog,”
Marion spreekt niet graag over haar ouders. Het is een te pijnlijk onderwerp.
Het zien van de ontroering die de groeten van hun overleden moeders bij haar vriendinnen opwekt, maakt haar wat wrevelig en onzeker. Ze heeft geen moederliefde ondervonden en kan zich de gevoelens van haar vriendinnen niet indenken.
“Zou ze ondertussen niet gestorven kunnen zijn?”, dringt Katrien aan. “En dat je dat niet weet?”
“Eh, ja, nee, enfin, dat zou misschien wel kunnen. Ik weet niet, hoor. Ik denk dat ik haar overlijden toch wel op de een of andere manier gehoord zou hebben.”
“Weet je wat”, vervolgt Katrien, “ laten we gewoon eens proberen. Je weet maar nooit. Laten we eens om haar naam vragen. Jij bent de enige die haar naam weet. Kom, leg je vinger terug op het plankje en laten we kijken wat er gebeurt.”
Hé, dat vindt Marion interessant. Inderdaad. Haar vriendinnen kennen haar moeder’s naam niet. Haar moeder heet Rosalinde en als dat ding die naam zou kunnen aanwijzen, gebeuren er hier toch wel heel rare dingen.
“Kunt U ons alstublieft de naam doorgeven van Marion’s moeder?”, fluistert Gerda. Eerbiedig zweeft haar stem door het duister.
Gespannen volgen de vrouwen de bewegingen van het plankje. Het licht van de walmende kaarsen vormt grillige schaduwen op het plafond. Slierten wierook hangen boven het ouiabord. Traag maar zeker wordt de letter “r” aangetikt. Dan tweemaal de letter “o” en zweeft het plankje richting “s”.
“Hij heeft het over een roos”, murmelt Lieve, “wat zouden ze daar nu mee bedoelen?”
Ze kijkt vragend naar Marion.
Marion zit verstijfd van schrik. Ze wordt spierwit. Het werkt dus ècht!
“Mijn moeder werd Roos genoemd”, brengt ze uiteindelijk uit en ze kijkt ontredderd haar vriendinnen aan.
“Ah, is dat even mooi!”, zegt de kordate Katrien. “Kom, we gaan verder. Eens kijken wat er verder gezegd wordt.”
De letter “d” wordt aangeduid. Dan de letter “i” en daarna komt de “n” aan de beurt.
“Din”, zegt Lieve, “wat kan dat worden? Dinsdag?”
“d”, “i”, “n”. “j”a”, wijst het plankje. “d”i”n” “J”a”.
“Din schijnt goed te zijn”, het wordt bevestigd met “ja”.”, zegt Katrien. “Zijn er nog woorden die met din beginnen?”
“In Nederland heb je een stadje met de naam Dinteloord”, zegt Marion. “Zouden ze dat willen zeggen?”
“Nee”, wijst het plankje aan en begint opnieuw “din” en “ja” te spellen.
Veel woorden met ‘din’ bestaan er niet in de Nederlandse taal. De vriendinnen kijken elkaar vertwijfeld aan. Dan plotseling neemt het plankje een vaart en spelt een zin die Marion bijna van haar stoel doet vallen.
“Doe goed, blijf bij Wouter.”
Marion schuift bruusk haar stoel achteruit en staat op.
“Ik doe niet meer mee”, zegt ze.
Katrien, Gerda en Lieve proberen nog boodschappen aan het ouiabord te ontfutselen, maar door het gemis van de vierde partner, is de kracht blijkbaar verdwenen. Een verbijsterde Marion fietst door de donkere en verlaten straten van een slapend Antwerpen naar huis. Ze begrijpt er niets van. Hoe kan dat ouiabord nu een antwoord geven op de vraag die haar de laatste weken bezighoudt? Marion zit inderdaad in een tweestrijd. Enkele weken geleden heeft Frank haar opgebeld. Hij smeekte haar om hem te ontmoeten. Ze heeft het niet aan Wouter verteld en ze heeft Frank ontmoet in een kleine, rustige taverne. Onwennig zaten ze naast elkaar. Ze bestelden koffie en ze probeerden het contact van vroeger te vinden. De lawaaierige Frank en de vrolijke Marion, als twee marionetten zaten ze daar. Zwijgzaam, ouder geworden, vervreemd van elkaar. Marion zag dat Frank hun trouwring nog droeg. Vreemd. Zij had haar ring direct afgedaan. De ring zat nu verstopt in een doosje tussen nog wat persoonlijke spulletjes. De ring weg doen kon ze niet.
Zijn handen waren haar nog vertrouwd. Klein, vierkant, stevig. Ze had er van gehouden. Voor de rest was hij haar vreemd geworden. Het blauw in zijn ogen was weer verdwenen en hij zag er moe uit. Hij legde één van die vertrouwde handen op haar dij. Ze voelde de warmte.
Aarzelend begon hij te vertellen. Dat hij haar miste. Dat hij opnieuw met haar wilde beginnen. Hij had nu begrepen dat het seksuele niet alles was. Hij had spijt.
Marion liet de woordenstroom over zich heen gaan. Het seksuele aspect was niet alles? Was dit de man die op haar vraag wat die andere vrouw meer had dan zij, had geantwoord dat hij bij zijn minnares vijf keer per dag mocht? Bij die vrouw die tijdens zijn 50e verjaardag in het bijzijn van hun kinderen hem had verboden om nog een derde pintje te drinken omdat er anders straks niets meer overeind kwam? De vrouw, die haar, Marion, in het gezicht had gespuwd toen ze had geprobeerd Frank bij haar thuis weg te halen? Die aan haar kinderen had verklaard dat hij bij haar niet zou weglopen omdat ze hem iedere nacht afzoog?
Had hij ineens genoeg van al die vieze spelletjes? En moest zij met die afgelikte boterham haar leven verder delen? Ze gruwde eigenlijk van zijn hand op haar dij en schoof een beetje van hem weg.van hem. Op zijn hand en op zijn hele lichaam stonden vingerafdrukken van die vulgaire vrouw. En speeksel. Hetzelfde speeksel waar ze Marion mee bespuwd had. Op iedere centimeter van zijn huid. En onder haar huid lagen de vernederingen. Als een vuilzak had hij haar aan de deur gezet. Hij had geen waardering getoond voor haar zorg voor hem en hun kinderen, hun gezin, haar inspanningen om hun huwelijk keer op keer te redden, haar niet te stuiten werklust en optimisme. Haar liefde voor hem, die door de jaren heen door lief en leed was gegroeid. Na de eerste verliefdheid was haar liefde voor hem maar een klein kasplantje gebleken. Ze had zich het huwelijk anders voorgesteld. Frank ontpopte zich niet tot “de prins op het witte paard”. Hij bleek een kleine schildknaap die herhaaldelijk van zijn paard viel. Het was ook geen wit paard dat hij bereed, want heilig was hij ook al niet.
Toch was het kasplantje bestand geweest tegen teleurstellingen en verleidingen. Tegen tijden van armoede en gebrek, tegen verhuizingen, deurwaarders, jaloezie en achterklap. Het plantje had zich ontwikkeld tot een ferme rozenstruik. Inclusief doornen.
Met een klein handgebaar had hij weggevaagd wat in zo veel jaren zo zorgvuldig was opgebouwd. Zols je een lastige mug wegjaagt in een broeierige zomernacht.
Het seksuele aspect. Ach, Marion weet het ook niet meer. Is het wel of niet belangrijk?
Zo belangrijk dat al het andere wegvalt? Vriendschap, tederheid, verbondenheid?
Bij Wouter is het seksuele lampje ook ver gedoofd. Er is een laatste schittering geweest, een laatste opvlamming. De afgelopen maanden is hij is heel tevreden met een Marion die lief en zacht tegen hem aanligt. Een Marion die, alhoewel ze 35 jaar jonger is, met ditzelfde tevreden schijnt te zijn. Wanneer hij ingedommeld is, trekt Marion zich zachtjes weg uit z’n armen. Soms valt ze in slaap. Soms sluipt ze de slaapkamer uit en gaat langs de mooi gebeeldhouwde trap naar beneden. Ze sluit zich op in haar bureau. Soms maakt ze een horoscoop, maar meestal staart ze treurig voor zich uit. Het zinnelijk verlangen dat Wouter in haar heeft opgewekt laait soms hoog op. Ze beukt met haar vuisten tegen de muur. Ze kruipt over de grond. Ze probeert tot haar God te bidden. Zoals ze vroeger deed als kind. Maar God is er niet meer. Er komt geen antwoord. Er vliegt geen zwaluw meer over haar verhit lichaam, over haar bonzend hoofd.
Ze weet het niet, Marion. Ze beseft het niet. Ze beseft niet dat ze is gevangen in de klauwen van de seksuele draak. Het gevecht met de draak is in volle gang. Het gevecht dat nodig is om van een mens een vollediger mens te maken. De seksuele draak voert met zoetgevooisde stem een mens eerst naar de toppen van het hoogste geluk en stort hem daarna in het diepste ravijn, terwijl hij zijn hoongelach over de rotsen laat daveren.
De draak is een deel van de God die Marion zoekt. Van de God die ooit de wereld heeft geschapen. Men schrijft : God keek naar Zijn schepping en Hij zei: “Het is goed!”
God heeft niet gezegd dat de wereld prachtig was, of volmaakt, of mooi. Nee, Hij zei dat het goed was! Goed voor het doel dat Hij voor ogen had. Hij schiep de aarde met zijn dag en zijn nacht, met licht en donker, met zoet en zuur, met ziekte en gezondheid, met vreugde en verdriet, met Ying en Yang, met land en zee. En daarna schiep Hij de mens. De kroon op Zijn schepping. Man en vrouw schiep Hij en Hij plaatste ze in het Paradijs.
Paradijs betekent ommuurde tuin. Beschermde tuin. En in die tuin, in die hof van Eden plaatste Hij de man en de vrouw voor de boom van kennis. Natuurlijk wist God dat de mens in de appel zou bijten, en dat Hij hen uit het Paradijs zou moeten verdrijven. Het was een deel van Zijn plan.
“ Bijt maar in alle ervaringen van het leven”, moet Hij gedacht hebben.” Zoek maar je weg tussen het goed en het kwaad. Ik geef je een eigen wil om te beslissen. Of je veel of weinig in die appel van ervaringen wilt bijten. Uiteindelijk moet je de Liefde vinden. De liefde voor je medemens en je liefde voor Mij, je Schepper. Dan praten we verder!”
Marion heeft in de appel gebeten die Wouter haar voorhield. Medelijden dreef haar naar hem toe. Zoals Parsifal in de gelijknamige opera van Wagner, door medelijden gedreven naar de Graalkoning ging en door zijn Liefde de dodelijk gewonde koning genas. Maar zover is Marion nog niet. Ze mist de zinnenprikkelende strelingen van de man die boven in zijn bed rustig ligt te slapen en die totaal geen weet heeft van haar seksuele honger naar hem.
Tijdens haar gevecht met de draak, in die lange, moeilijke, rampzalige nachten verlangt ze naar Frank, naar vroeger, naar het normale, huiselijke geluk van kleine mens, naar klein geluk. Alle symfonieën van Beethoven kunnen haar gestolen worden, evenals de préludes van Chopin, de schilderijen van Van Gogh, van Ensor en de Braeckelaer, evenals Goethe met z’n Faust, Jung, Adler en Jehudy Menuhin, Rodin, Rik Wouters, het Jungfraujoch, de besneeuwde hellingen van het betoverende bergdorpje Arosa, de witte Cadillac, de wijnrode tapijten. Uitgeput klimt ze bij dageraad de trap op. Gaat ze naar bed. De volgende ochtend zit ze braaf bij Wouter aan het ontbijt en deelt ze met hem de dagelijkse appel en sinaasappel.
Wouter, nog slaperig en zonder bril, geniet van zijn ontbijt, geniet van de aanwezigheid van zijn geliefde Marion en ziet niet de sporen van verdriet die de nacht bij Marion achterliet.
Marion, zoals altijd vertederd door de Wouter in zijn blauwe, ouderwetse pyjama, legt schijfjes geschilde appel op zijn bord. Wat was dat nu allemaal vannacht? Ze moet niet zo mal doen! Nu heeft ze weer zo’n lelijk gezicht met die dikke huilogen! Straks maar eens goed betten met koud water. Kijk, de zon schijnt. Kunnen we straks fijn gaan wandelen. Zouden de seringenbomen al bloeien? Gisteren stonden de knoppen op springen.
Marion verwelkomt de nieuwe dag! De draak is teruggedrongen naar zijn schuilplaats, in de diepe spelonken van haar onbewuste. Met halfgeloken oogleden ligt hij daar. Onbeweeglijk. Met opgekrulde staart. Hij bereidt zich voor op een nieuwe aanval. Hij heeft nog een pion achter de hand. Frank. Frank die berouw toont. Frank die zijn warme, maar besmeurde hand op haar dij legt. Frank die haar terug wil duwen naar haar klein geluk, naar een ommuurde tuin, naar een beschermd bestaan. Het Paradijs?
Marion heeft over de muur gekeken, letterlijk en figuurlijk. Marion weet dat het gras inderdaad groener kan zijn. Het groen van een alpenweide bespikkeld met een overdaad aan lentebloemen kan niet tippen aan het groene gazon van een stadstuintje. De lange,slanke handen van Wouter brengen andere gevoelens in Marion teweeg dan de stevige, vierkante knuisten van Frank. Vooral als die handen over de ivoren toetsen van de vleugel glijden en Marion wordt ondergedompeld in een zee van klanken.
“Hoor Marion”, zegt Wouter, “hoor hoe mijn linkerhand de wereld laat klinken en mijn rechterhand de ziel wordt die door de harde klanken van de wereld wordt meegesleurd, er zich tegen verzet, weent, en zich weer bevrijdt. Hoor, hoe de ziel haar bevrijding uitroept en hoe innig de melodie naar het einde toe wordt. Hoor, hoe de klanken zich verstrengelen. Hoor hoe mooi de melodieën ineen vloeien.”
Marion hoort de muziek, kijkt naar het spel van die geliefde vingers, voelt haar ziel trillen. Hoe kan Wouter ooit maar bevroeden wat er in haar omgaat? Hem ontgaat totaal haar ontroering, haar ontreddering, haar strijd. Hij is gelukkig. Welk een groot geschenk geeft hem het leven op zijn oude dag. Een lieve vrouw om zijn laatste jaren op te fleuren.
Kom hier, mijn lieve, ik streel je haar. Ik kus je zachte wang. Ik merk ècht niet dat je je mond biedt. Gaan we nu naar het park? Wandelen in de zon? Waarom nu die tranen?
Het wordt een mooie dag. Vol innigheid. ’s Nacht is Marion niet naar beneden moeten sluipen. In de avonduren wordt Wouter de Wouter van vroeger. Hij is niet vermoeid en hij beseft maar al te goed dat een vrouwenlichaam als een muziekinstrument is. Met vaardige handen en lippen kun je het laten trillen als de snaren van een piano of laten zingen als een viool. Hun samenzijn is even melodieus als de klanken die hij deze ochtend aan de piano ontlokte. Het speelse van Mozart en het hartstochtelijke van Brahms vormen een wonderbaarlijke liefdessymfonie.
De draak spreidt zijn vleugels over het brede ledikant. St. Joris met zijn speer is nog niet ten tonele verschenen.......
En Frank? Frank is op de achtergrond van haar denken gedrongen.
Een gelukkige en tevreden Marion wandelt door de parken en door de maanden. Er is vrede in haar wezen. Ze heeft het woord “bevredigen” en de term “bevredigd worden” ontleed en aan de lijve ondervonden. Er schuilt inderdaad “vrede” in. Hoe juist is het taalgebruik!
Jammer genoeg verstrijkt de tijd. De tijd die genadeloos inhakt op het menselijk lichaam en het iedere seconde een seconde ouder maakt. Bij een jonge mens hakt de tand des tijds niet zo merkbaar in. Bij een oudere mens des te meer. Het sluipend proces van de afstervende longblaasjes waardoor minder zuurstof naar de hersenen wordt vervoerd, begint in de jonge volwassenheid, maar wordt catastrofaal in de ouderdom.
Meer en meer dommelt Wouter in. Zijn roze sofa en zijn brede bed worden zijn beste vrienden. En met hem dommelt ook zijn gevleugelde draak in.
De draak echter die jarenlang een slaperig bestaan leidde in de ziel van Marion is daarentegen klaar wakker. Uit zijn opengesperde muil lekken helrode vlammen. Ze verteren haar en verdrijven haar vrede.
In haar eenzame nachten voert ze hele dialogen met haar God.
“Mijn God”, weeklaagt ze, “waarom hebt Ge me dit aangedaan? Waarom is dit vuur in mij ontstoken? Dit verzengende vuur waar ik geen raad mee weet en dat maar niet wil doven? Waarom brengt Gij mij in deze situatie? Ik heb dit allemaal niet gewild! Ik wil terug de vrouw van vroeger zijn die dit alles niet kende en er ook niet naar verlangde. Ik wil deze gevoelens niet. Ik haat ze. Ik haat mijn brandend lijf. Ik haat Wouter die deze verschrikkelijke gevoelens in mij heeft opgewekt. Oh God, hoe haat ik hem. Ik haat zijn handen, zijn mond, zijn besneden lid.”
Zoals bijna iedere joodse man is Wouter besneden. Ze vindt zijn lid mooi en mysterieus. Het windt haar op. Marion voelt zich nauw verwant met de Joodse cultuur. Haar interesse voor de Joodse riten en gebruiken is gegroeid sinds ze heeft gelezen dat de mooie leer van de astrologie gebaseerd is op de Bijbel die op zijn beurt weer is gebaseerd op de Kaballah, de Joodse leer. Door een toeval is ze als hobby met de studie van astrologie begonnen. Na een speels begin ontdekte ze de geloofwaardigheid ervan. Ze stelde vast dat veel bijbelverhalen in feite astrologisch getinte verhalen zijn. Vooral het verhaal van Jozef die door zijn broers in de put werd gegooid, overtuigde haar. De broers waren jaloers op Jozef geworden nadat hij hen zijn droom had verteld. In zijn droom hadden de zon, de maan en de sterren voor Jozef gebogen. Zo speciaal is die droom toch niet? Moet je daarom je broer in een put duwen en laten verhongeren? Maar wanneer je weet dat de zon de vader symboliseert; de maan de moeder en de sterren de broers, krijgt het verhaal diepgang. Die gevaarlijke en hoogmoedige Jozef moest verdwijnen. Gelukkig wordt Jozef gered en vele jaren later tot koning van Egypte gekroond. Zijn ouders en zijn broers bogen diep voor hem in het stof, niet wetende dat hij hun Jozef was.
Koning Jozef was een grote ziel en vergaf zijn familie.
Marion is geen grote ziel. Ze is in groot zieleleed en ze haat in die donkere, duistere draaknachten haar God, haar Wouter en alle mensen die haar gekwetst hebben. Aan vergeven is ze niet toe!
Tegelijkertijd beseft ze dat ze Wouter liefheeft, diep liefheeft en hem niet kan missen. Dit maakt haar woede en frustraties nog groter.
Ze verlangt ook naar Frank. Maar ook hem haat ze. Mogelijk hem nog het meest. De scheidslijn tussen haat en liefde is dun. Liefde en haat zijn twee handen op één buik die door het bijten in de appel tot leven worden gewekt.
Moegestreden sleept Marion zich ’s morgens dan weer de trap op. Aan Wouter, onbekommerd en zich van geen kwaad bewust, toont ze een vriendelijk gezicht. Ze omringt hem met haar beste zorgen. Ze kookt zijn lievelingskostjes, streelt zijn plukjes grijs haar en luistert naar zijn verhalen van vroeger waarin zijn moeder nog altijd de hoofdrol speelt. Ze laat hem slapen en rusten. Met poes Farah op zijn schoot. Urenlang magnetiseert ze zijn stijve knieën waardoor hij weer zonder stok kan lopen. Ze leest, studeert en wacht. Op een volgende opflakkering. Op een volgende symfonie. Ze oefent zich in een grote deugd : de deugd van geduld.
Dit artikel delen?
Pin It

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief