Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Bonfire, onder de schaduw van Icarus (hoofdstuk 1 t/m 7)

Proloog

februari

“Omstreeks acht uur vanavond heeft een groep van ongeveer dertig tot mogelijk honderd mensen een spoor van vernielingen aangericht en mensen aangevallen in en rond de dorpsstraat van Angerlo”, zei Arquette Frye, de burgemeester van Zevenaar.
“Hierbij zijn diverse inwoners van Angerlo gewond geraakt, van wie twintig ernstig. Zij zijn overgebracht naar ziekenhuizen in de omgeving en voor zover wij weten, verkeert niemand in levensgevaar.”
De burgemeester sprak de woorden een stuk rustiger uit dan hij zich voelde. Hij keek bewust niet in de ogen van de mensen die voor hem zaten. Voor zich zag hij alleen maar een rij lampen van de vele cameraploegen die deze avond naar Angerlo waren gekomen. Een onophoudelijk klikken van diverse fototoestellen begeleidde de persconferentie.
“Het geweld heeft ongeveer tien tot vijftien minuten aangehouden, waarna het grootste deel van de verdachten weer is verdwenen.”
Terwijl Arquette sprak, proefde hij een lichte smaak van rook in zijn mond. De lucht hing nog door het hele dorp, ook al had de brandweer ondertussen alle vlammen weten te doven.
“De schade aan de eigendommen van de inwoners is bijzonder groot. Er zijn acht huizen in brand gestoken en deze moeten als verloren worden beschouwd. Daarnaast zijn diverse andere huizen overhoop gehaald en meer dan dertig auto’s zijn beschadigd, waarvan er vijfentwintig total loss zijn.”
De burgemeester merkte dat dezelfde vragen door zijn hoofd spookten die de journalisten en de inwoners voor hem waarschijnlijk hadden. Wie had dit gedaan? Waarom was het gebeurd? Wat was er aan de hand? Het was nog geen drie uur geleden geweest dat Arquette thuis rustig voor de tv zat met zijn vrouw.
“Op dit moment kunnen wij nog geen uitspraken doen over de aanleiding van dit geweld, dat zowel voor de hulpdiensten als voor de inwoners als een totale verrassing is gekomen. Wel kunnen wij zeggen dat de politie, mede door de kordate hulp van enkele ooggetuigen, inmiddels zeven personen heeft aangehouden die mogelijk bij deze gebeurtenis betrokken zijn. We verwachten dat wij later vandaag meer kunnen vertellen over deze verdachten en hun motieven.”
Arquette las de verklaring voor op de automatische piloot, terwijl de journalisten driftig aantekeningen maakten. Hij sloot zijn gedachten af voor de vragen waar hij nog mee zat. Hij negeerde het gevoel van paniek dat hem in zijn greep hield door deze onverwachte aanval op een klein dorp in zijn gemeente. Op dit moment mocht hij naar buiten toe niets anders uitstralen dan kalmte.
“De politie gaat er van uit dat de personen die verantwoordelijk zijn voor het geweld, zich niet meer in de omgeving van Angerlo bevinden. Er is een grote zoekactie bezig in de directe omgeving, maar het lijkt er op alsof de groep zich verwijderd heeft uit dit gebied en uiteen is gegaan. Toch willen wij voor de zekerheid de burgers in de regio ten noordoosten van Arnhem op het hart drukken om waakzaam te blijven, voorlopig niet alleen de straat op te gaan en alle verdachte signalen direct door te geven aan de politie.”
Arquette pauzeerde even en nam een slok water. Het was warm geworden in het zaaltje waar zoveel mensen op elkaar gepakt zaten. Voordat de journalisten vragen konden stellen aan de burgemeester, gaf hij eerst het woord aan de crisiscoördinator van de politie. Zij zou meer vertellen over de opvang van de slachtoffers en over de zoektocht naar de verdachten, die ondertussen op gang was gekomen. Terwijl de crisiscoördinator haar verhaal vertelde, flitsten de gebeurtenissen van die avond door het hoofd van de burgemeester.
Het was iets voor half negen geweest dat het eerste bericht binnen kwam. Het was een politieagent die net was aangekomen in Angerlo. In eerste instantie begreep Arquette weinig van zijn verhaal. Hij dacht dat hij het verkeerde nummer had gedraaid, maar toen de agent melding maakte van ‘ernstige rellen en brandstichting in Angerlo’ wist Arquette dat de agent bewust naar zijn toestel had gebeld.
“Rellen in Angerlo?”, vroeg hij en bij die zin keek zijn vrouw verbaasd op.
Om tien over acht was er een melding binnengekomen van een grootschalige vechtpartij in dat dorp, vertelde de agent. Een groep mensen was blijkbaar op de vuist gegaan met een paar inwoners. Het was nog niet duidelijk waarom. Meteen na die eerste melding waren de volgende berichten bij de politie binnengekomen: brand in Angerlo; zware mishandeling in Angerlo; vernielingen; autobranden. Bij ieder nieuw bericht leek de situatie verder te escaleren en stuurde de centrale meer eenheden naar het kleine dorpje onder Doesburg.
“We hebben de verdachten nog niet kunnen vinden.”, riep de agent door de telefoon. Hij deed zijn best om boven het lawaai van de sirenes, de branden en de schreeuwende mensen uit te komen. “We gaan er van uit dat ze nog ergens in de buurt zijn.”
Op de tv in de woonkamer van Arquette was ondertussen een extra nieuwsbericht verschenen. Een nieuwslezer las haastig een verhaal voor, terwijl hij ondertussen probeerde om zijn stropdas recht te trekken. Onder in beeld stond de tekst: “Massale vechtpartij in Angerlo (GLD): tientallen gewonden.”

Even later zat Arquette al in de auto onderweg naar Angerlo. Vanaf zijn huis in Doesburg was het nog geen tien minuten rijden. Zijn vrouw, die er op stond dat hij niet zelf zou gaan rijden, zat achter het stuur, terwijl Arquette gedurende de hele rit aan de telefoon bleef met de agent ter plaatse. Iedere minuut van die rit kwam er nieuwe informatie binnen over wat er aan de hand was.
Enkele bewoners waren in staat geweest om hun belagers te overmeesteren en die hadden zij aan de politie overgedragen. De overige verdachten waren nog niet gevonden. Ze waren in ieder geval niet naar Beinum of Doesburg gegaan. Aan de rand van Doesburg kwamen Arquette en zijn vrouw de eerste motoragenten tegen. Zij hadden onderweg naar Doesburg niets gezien, maar ze raadden het echtpaar toch aan om voorzichtig te zijn. Misschien liep de rest nog ergens buiten de dorpen rond. Een agent bleef aan de rand van Doesburg op de brug staan en de andere reed snel door naar het centrum van Doesburg. Aan de overkant van de rivier zag Arquette in de verte twee andere motoragenten over de dijk scheuren in de richting van de tweede brug.
“Ik zie hier om me heen al zo’n tien gewonden liggen of zitten.”, vertelde de agent in Angerlo ondertussen. “Bij de meesten lijken de verwondingen mee te vallen, maar er zijn ook gewonden bij die er erger aan toe zijn. Voor zover ik weet zijn er al weer vier ambulances met spoed naar het ziekenhuis in Arnhem vertrokken. Het kan zijn dat er al meer mensen naar ziekenhuizen zijn gebracht waar nog geen melding van is gemaakt. Het is erg lastig om hier een goed beeld van te krijgen.”
“Om hoeveel slachtoffers denk je dat het in totaal gaat?”, vroeg Arquette. “Als je afgaat op wat je nu om je heen ziet?”
“Moeilijk te zeggen”, zei de agent, “maar ik schat zo’n dertig tot veertig personen, plus misschien nog wat blauwe plekken en schaafwonden.”
De agent sprak kalm en zakelijk. Arquette merkte dat hij zelf ook wat rustiger werd door de nuchtere toon van de agent.
‘Die man moest zelf toch ook overdonderd zijn door wat er was gebeurd?’ dacht hij.
Arquette reed de provinciale weg af en zag in de verte Angerlo liggen. Hij zag nu voor het eerst dat het dorp echt in brand stond en dat maakte de situatie nog indringender. De Ganzepoelweg richting de dorpsstraat van Angerlo was een lang lint van hulpdiensten die met blauwe zwaailichten achter elkaar aan reden.
“Een ding weet ik wel zeker”, zei de agent over de telefoon, “dit was in ieder geval geen gewone vechtpartij. Dit was een gerichte aanval op de inwoners van Angerlo. We weten alleen nog niet waarom.”

De crisiscoördinator van de politie had ondertussen het woord gegeven aan de commandant van de brandweer. De sfeer in de zaal werd wat rustiger. Er waren nog onvoorstelbaar veel vragen, maar iedereen was er nu wel van overtuigd dat wat er deze avond ook was gebeurd in Angerlo, het nu in ieder geval voorbij was.
Arquette keek naar Pieter Schaap, die rechts van hem aan de tafel zat. Net zoals de burgemeester had Pieter Schaap, de politieagent die uit Amsterdam naar Angerlo was gekomen, normale vrijetijdskleding aan. Pieter Schaap was zomaar uit het niets binnen komen lopen die avond. Dat vond Arquette op zich niet zo opzienbarend meer, want in het eerste uur na de aanval waren er continu nieuwe agenten, brandweerlieden en andere hulpverleners langsgekomen in het crisiscentrum dat Arquette in de pastorie had ingericht. Nadat Arquette in Angerlo was aangekomen, had hij er, samen met de agent die hem gebeld had, eerst voor gezorgd dat de situatie in de dorpsstraat onder controle werd gebracht. De branden moesten uit en de gewonden moesten naar het ziekenhuis. Ondertussen had de politie de directe omgeving veilig gesteld en waren diverse eenheden in de buurt op zoek naar de groep verdachten. Hierna dicteerde Arquette een eerste verklaring aan een agent. Dezelfde verklaring die hij zojuist had voorgelezen tijdens de persconferentie.
En toen was Pieter er opeens. Een brede, kale man in burgerkleding met een politiepenning om zijn nek. Arquette hoorde hem tegen de agent en een brandweercommandant zeggen dat hij van het Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme was.
“Is dit voetbalgeweld?” vroeg Arquette, terwijl hij de nieuwkomer een hand gaf en zich voorstelde.
“Op dit moment hebben we daar nog geen aanwijzingen voor”, zei Pieter. “Ik werk samen met een klein team dat verbonden is aan het korps Amsterdam-Amstelland. Wij hebben ons gespecialiseerd in het opsporen van voetbal gerelateerd geweld, maar we kijken ook naar gewelddadige groeperingen buiten de voetbalwereld. Binnen mijn team werken we met informanten uit deze groeperingen en we proberen door middel van online monitoring bij te houden wat er allemaal voor plannen worden gemaakt op het internet. Mijn collega uit Amsterdam heeft mij gebeld toen het nieuws bekend werd. Ik ben hierheen gekomen om te kijken of ik ergens mee kan helpen en om te controleren of hier bekenden van ons bij betrokken waren.”
Pieter maakte een capabele indruk op Arquette. Iets aan zijn houding straalde autoriteit uit. De burgemeester vroeg zich af of Pieter dit soort situaties vaker had meegemaakt.
“Maar op dit moment zijn jullie waarschijnlijk beter op de hoogte van wat hier gebeurd is dan ik”, zei Pieter. “Tot nu toe hebben mijn collega’s nog geen aanwijzingen in ons netwerk gevonden.”
De agent gaf Pieter de verklaring die Arquette had geschreven. “Dit is een korte samenvatting van wat wij nu weten”, zei hij. “We hebben een paar verdachten, maar het merendeel is nog spoorloos en we weten niet hoe dit is begonnen.”
Pieter las de verklaring door en vroeg aan een agent die hem verder aan het uitwerken was of hij de tekst door kon sturen naar de rest van zijn team. Arquette wilde net aan hem vragen of hij nog opmerkingen had op de verklaring, toen Pieter gebeld werd. Hij mompelde iets voor hij opnam en had een gesprek waarbij hij vaak kort en ontkennend antwoordde. Na dit gesprek was Pieter vooral aan de telefoon geweest met diverse collega’s. Hij belde vaak met ene Harm, die blijkbaar in Amsterdam zat en informatie opzocht over de eerste verdachten. En hij probeerde meerdere keren een collega te bereiken, die de hele avond zijn telefoon niet opnam. En terwijl de burgemeester zich bekommerde om de situatie in zijn dorp, merkte hij dat Pieter al was begonnen aan de jacht op de daders. Iedere aanwijzing werd tot in het kleinste detail onderzocht. Met Pieter Schaap was er een pitbull naar Angerlo gekomen, die niet zou rusten voordat de zaak was opgelost.

Een half uur later zat Arquette, samen met Pieter, de brandweercommandant en de crisiscoördinator van de politie, achter een tafel. Na de drie verklaringen konden de journalisten vragen stellen. De burgemeester concentreerde zich op zijn antwoorden en verdreef de gedachten aan de daders naar de achtergrond. Hij was er van overtuigd dat alle schuldigen uiteindelijk zouden moeten boeten voor hun daden.

Hoofdstuk 1

februari

Evert Drost voelde koud zand tegen zijn wang schuren. Hij opende zijn ogen. Het begon al weer licht te worden.
Een nieuwe dag.
Waarom was dat voor Evert zo’n opluchting?
Hij probeerde zich te herinneren wat hij had gedroomd. Het was een onrustige droom geweest; vermengd met halve herinneringen aan de vorige avond. Evert had het koud en zijn hoofd deed pijn. Dichtbij hoorde hij de golven razen van een branding.
Was het misschien allemaal een droom geweest?
Nee, hij lag hier echt.
Hij had het dus niet gedroomd. Dat verklaarde de hoofdpijn ook. Het besef kwam langzaam terug. Met iedere nieuwe herinnering aan de vorige avond werd Evert somberder en schaamde hij zich dieper. Naast zich hoorde hij iets bewegen en hij draaide zijn hoofd die kant op. Het was een zeemeeuw.
De vogel riep over het strand en zocht in schelpen naar eten. De meeuw liep behoedzaam richting Evert. Een beetje nieuwsgierig, maar ook terughoudend.
‘Die zal wel denken’, dacht Evert, ‘wat is dat nu weer voor een idioot die hier ’s nachts op het strand....’
Bam!
Met een scherpe knal ontplofte het hoofd van de meeuw. Zijn lichaam vloog naar achteren en bleef even verderop in het zand liggen. Evert begreep er niets van. Toen besefte hij zich dat hij wakker was geworden met zijn pistool nog in zijn hand. Hij had de meeuw per ongeluk door zijn hoofd geschoten. Hij tilde het wapen op en zette de veiligheidspal terug. De schokgolf die het schot had veroorzaakt trilde nog na in zijn arm. Hij vroeg zich af of iemand het schot gehoord had. Als dat zo was, dan moest hij hier snel weg, voordat iemand hem in deze toestand zou vinden.

Met een zucht ging Evert rechtop zitten en keek met een wazige blik naar het pistool in zijn schoot.
‘Ik ben dus precies op het juiste moment in slaap gevallen’, dacht hij, terwijl hij probeerde om dat moment van gisteravond terug te halen. ‘Of juist net te vroeg.’
In de verte hoorde Evert zijn telefoon gaan. Zijn telefoon was de vorige avond ook gegaan, wist hij nu weer. Bij vlagen kwamen de herinneringen terug. Harm Bouman had hem gisteravond gebeld, maar Evert wilde Harm niet meer spreken. Hij had zijn telefoon boos weggegooid, ergens in het zand. Hij wilde niemand meer spreken. En daarna was hij op de een of andere manier in het water terecht gekomen.
Of was dat daarvoor geweest?
Nee daarna, anders had zijn telefoon het niet meer gedaan. De telefoon ging nog steeds over. Evert stond op en begon in de richting van het geluid te lopen.
Hij schopte tegen iets aan en zag dat het een lege whiskyfles was. Ook dat bracht weer nieuwe herinneringen boven.
‘Ik ben gisteren met een volle fles weggegaan bij die slijter’, dacht Evert. ‘Ik zal toch niet die hele fles hebben leeggedronken? Dat is onmogelijk.’
Hij pakte de fles op. Hij kon zich oprecht niet meer herinneren of hij hem helemaal leeg had gedronken. Misschien had hij hem halverwege de nacht weggegooid en was de rest er uit gelopen.
‘Of misschien heeft die meeuw er van lopen snoepen.’
De telefoon ging nog steeds, dus wie het ook was, het was iemand die hem heel graag wilde spreken. Evert liep verder in de richting van het geluid, maar vond zijn telefoon niet op tijd. De beller had opgehangen toen hij het toestel eindelijk terug vond in het zand.
Evert zag dat Harm hem weer had proberen te bereiken en hij zag nu ook dat hij tien gemiste oproepen had. Harm had hem vijf keer gebeld, Pieter twee keer en Robbert drie keer. De eerste oproep van Harm was van half negen de vorige avond geweest en daarna waren ze met enige regelmaat de hele nacht doorgegaan. Dat kon maar een ding betekenen, wist Evert. Er was iets ernstigs gebeurd in Nederland en zijn team was daar de hele nacht mee bezig geweest, terwijl hij in een dronken delirium op het strand had gelegen. Naast de gemiste oproepen zag hij dat er zes nieuwe voicemailberichten waren.
Evert vroeg zich af wat hij moest doen.
In zijn linkerhand had hij de telefoon met de voicemails en de gemiste oproepen; in zijn rechterhand zijn pistool.
‘Misschien is dit een nieuwe kans’, dacht Evert. ‘Een nieuw begin en een nieuwe dag.’
De eerste stralen zon kwamen plotseling over de duinen. Evert voelde hoe de warmte de kou uit zijn klamme kleren haalde. Hij kreeg nieuwe hoop.
‘Laat ik in ieder geval die voicemails afluisteren’, dacht hij, terwijl hij terug begon te lopen naar zijn auto.
‘Later kan ik hier altijd nog terug komen, maar op dit moment ben ik ergens nodig.’
Hij luisterde naar het eerste bericht en hoorde van Harm wat de rest van het land inmiddels al wist.

Hoofdstuk 2

september

“En als we teruggaan naar de avond van de aanval op Angerlo”, zei de aanklager door de stille rechtszaal.
“Wat dacht u toen u die avond het nieuws hoorde?”
De jonge verdachte keek somber voor zich uit, terwijl de aanklager hem vragend aankeek. Na een korte stilte antwoordde hij: “Die avond was een van de ergste avonden in mijn leven. Net zoals iedereen was ik ontzettend geschrokken van het geweld. Ik had nooit gedacht dat mensen tot zoiets in staat waren. Al die nutteloze vernieling; die zinloze haat. Ik begreep niet waar dat vandaan kon komen.”
“En waarom was het voor u zoveel erger dan voor de andere mensen die deze avond naar het nieuws keken?” vroeg de aanklager. “U noemde het zojuist de ergste avond van uw leven. Waarom trof het u persoonlijk zo zwaar? Voelde u zich hier verantwoordelijk voor?”
“Nee, niet verantwoordelijk”, antwoordde de verdachte. “De mensen die dit deden waren daar zelf verantwoordelijk voor. Ik heb hier nooit toe opgeroepen, dat was iemand anders.”
“Maar u wist dat dit zou gebeuren, toch?”
“Dat klopt.”
“U wist het al dagen van tevoren.”
“Twee dagen daarvoor, ja.”
“En toch heeft u dit aan niemand gemeld. Niet aan de politie; niet aan de inwoners. U had iedereen kunnen waarschuwen, dan was dit nooit zo uit de hand gelopen. Waarom heeft u dat niet gedaan?”
De jongen wist even niet wat hij daarop moest zeggen. Miljoenen mensen keken thuis mee hoe hij naar woorden zocht. Alle omroepen zonden dit ‘Proces van de eeuw’ live uit. Sommige mensen hadden zelfs vrij genomen van hun werk om het proces te kunnen volgen en hele schoolklassen zaten samen met hun docenten onderuitgezakt naar een scherm te kijken; blij dat ze even niet hoefden te leren waarom stadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht.

En ook Evert Drost zat tijdens dit proces achter in de zaal om te kijken hoe het zou verlopen. Hij wilde weten wat de verdachte te zeggen had over zijn daden. Niet alleen vanuit zijn professionele interesse, maar ook omdat hij maandenlang met deze verdachte had opgetrokken. Het leek nu alweer een eeuwigheid geleden dat ze samen aan het onderzoek hadden gewerkt. Dat was nog voordat Pieter Schaap de jongen formeel in de boeien had geslagen en hem had overgeplaatst naar de gevangenis in Scheveningen. Pieter zelf zat ook in de zaal, zag Evert. Hij was op een prominente plek in het publiek gaan zitten waar alle camera’s hem zeker in beeld zouden krijgen. Het was bijna alsof hij wilde laten merken dat hij persoonlijk de verdachte had ingerekend en dat hij er nu ook persoonlijk op toe zou zien dat hij veroordeeld werd.

“Ik was bang”, zei de verdachte tenslotte, en hij keek de aanklager nu recht aan. De verslagenheid was uit zijn ogen verdwenen. “Bang dat ik aangeklaagd zou worden voor iets dat ik niet heb gedaan, omdat het Openbaar Ministerie geen andere zondebok kon vinden. Ik heb er alles aan gedaan om deze gebeurtenis tegen te houden. Ik heb aan de daders gesmeekt om het niet door te laten gaan; om de oproep in te trekken. Ik heb zoveel mogelijk mensen gewaarschuwd. Maar ik wilde boven alles mijn identiteit niet bekend maken. Dat zou er alleen maar voor zorgen dat ik zelf werd opgepakt in plaats van de echte daders.”
“Dus u koos uiteindelijk voor uw eigen belang en u liet de inwoners van Angerlo aan hun lot over?”
“Nee!” zei de jongen fel. “Dit deed ik juist niet uit eigen belang.” Hij keek de aanklager boos aan. Even zochten zijn ogen contact met Pieter, die hem onbewogen aan bleef kijken. Hierna keek de verdachte naar beneden en werd weer wat rustiger.
“U heeft dit allemaal bedacht”, ging de aanklager verder, “dus als u niets had gedaan, dan was Angerlo die avond niet aangevallen. Dan was dit allemaal niet gebeurd; dan had niemand u aangeklaagd, dan had u hier niet gezeten en dan was ik nu met een andere zaak bezig geweest. Wij zitten hier vandaag allemaal vanwege uw idee en uw handelen. U bent en u blijft verantwoordelijk voor de gevolgen van uw acties.”
De aanklager liet een korte stilte vallen voor hij zei: “U bent verantwoordelijk voor Angerlo. Dat weet u. En daarom vond u het die avond zo erg.”
De verdachte schudde zijn hoofd.
“Dat is niet zeker. Als ik niet op dit idee was gekomen, dan hadden anderen het wel bedacht. Zo uniek is mijn idee niet.”
“Maar u heeft er persoonlijk voor gezorgd dat de politie dit niet op zou pikken. U heeft de code bedacht waarmee deze mensen later de aanval planden. Zonder u had het idee zich niet zo ver kunnen verspreiden voordat het opgemerkt zou worden.”
De jongen haalde zijn schouders op en deed alsof het hem niks meer kon schelen. ‘Als ze het op deze manier willen spelen, dan kunnen ze het zo krijgen’, leek hij te denken, terwijl hij de aanklager dreigend aankeek. Zijn sombere houding waarmee hij die ochtend de rechtszaal binnen was gekomen, had plaatsgemaakt voor arrogantie. Het leek alsof hij zich na zijn ongemakkelijke start nu meer in zijn element begon te voelen. Het verhoor begon meer om hem te draaien en niet meer om de slachtoffers.
“Ook die instructies had iemand anders kunnen bedenken. Daarin ben ik ook niet zo uniek als iedereen denkt. En de politie had zelf ook wel kunnen bedenken dat er ergens instructies nodig waren om dit te coördineren. Ze hadden dit makkelijk kunnen vinden.”
“Maar u merkte toch al vrij snel dat de politie dit blijkbaar niet kon vinden; ookal dacht u zelf dat het overduidelijk was? Anders hadden ze in die eerste weken wel meer verdachten gevonden.”
“Het is niet mijn schuld dat de politie dit niet kon vinden. Dan hadden ze zelf maar wat slimmer moeten zijn.” De verdachte keek weer naar Pieter Schaap. Pieter keek weg en raakte zichtbaar geïrriteerd.
“Word ik hier nu zelfs al verantwoordelijk gehouden voor de incompetentie van onze nationale recherche?” zei de verdachte tegen de zaal in het algemeen. Het schuldgevoel dat hij eerst had laten zien, toen hij terugdacht aan de slachtoffers, was nu totaal verdwenen. Hij straalde morele verontwaardiging uit over zijn eigen positie. Miljoenen mensen zagen dit gebeuren en dat beeld was precies het tegenovergestelde van wat het Openbaar Ministerie had willen bereiken door de zaak rechtstreeks uit te zenden.

Evert Drost zag hoe Pieter Schaap steeds bozer begon te kijken, terwijl de verdachte verder praatte. De aanklager probeerde hem de mond te snoeren en op andere onderwerpen over te gaan, maar de jongen liet zich niet meer beheersen. Hij was altijd al in staat geweest om alle aandacht in een gesprek schaamteloos voor zichzelf op te eisen. Dat zijn gezicht nu op schermen door heel het land te zien was, maakte hem niet bescheidener. Evert dacht er over na hoe snel alles de afgelopen maanden was gegaan. Het was nu september. Dus het was nog maar zeven maanden geleden dat Nederland voor het eerst te maken kreeg met de ideeën van deze verdachte. Zeven maanden geleden lag Evert dronken op een strand, terwijl de inwoners van Angerlo in shock door hun dorp liepen.

Hoofdstuk 3

februari

“Ik ga naar huis”, zei Rik. “Hier valt verder niks meer te beleven.”
“Dude”, zei Gijs, “je verpest me filmpje.”
Hij drukte geïrriteerd zijn mobiel uit, waarmee hij net had gefilmd hoe een professionele cameraploeg de voertuigen filmde van de andere cameraploegen die binnen aan het filmen waren bij de persconferentie.
“Nou en?” zei Rik. “Er is toch niks meer te filmen. Alle branden zijn uit en de helikopter is nu ergens boven Doesburg volgens mij. Ik vind het wel mooi geweest.”
“Ja, Rik heeft gelijk”, zei Joshua. “Volgens mij is het meeste nu wel voorbij. En moet jij ook niet even gaan liggen ofzo?”
“Volgens die ambulancemedewerker was het niks ernstigs”, antwoordde Gijs, die om zich heen keek. Op zoek naar nieuw filmmateriaal. Het werd inderdaad steeds rustiger in de straat nu de branden waren geblust. Veel voertuigen hadden hun zwaailichten uitgezet. Er hing nog steeds een zware rooklucht in de straat, die vol stond met bluswater. De uitgebrande auto’s en huizen drupten nog na. Gijs verwachtte dat zijn kleren ondertussen ook naar rook zouden stinken, omdat hij hier zo lang had rondgelopen. De politie was nu bezig om overal felle lampen neer te zetten, die werden aangedreven door accu’s of dieselaggregaten. Waarschijnlijk waren die lampen nodig voor het onderzoek.
“En trouwens, ik voel me prima”, ging Gijs verder. Tijdens de aanval was hij na het eerste lawaai meteen gaan kijken en prompt was hij door een onbekende man op zijn oog geslagen. Hoewel het oog nog klopte en half dicht zat, had hij er verder niet zoveel last van.
“Het ziet er erger uit dan het is. En ik begrijp niet hoe je nu naar huis kunt gaan. Gebeurt er eens een keer wat in Angerlo en dan wil je op tijd gaan slapen.”
“Ik wil gaan slapen, omdat alle actie ondertussen wel weer voorbij is. Of wil je hier blijven kijken tot alle rommel is opgeruimd en er weer nieuwe huizen staan?”
“We kunnen nu toch kijken wat er bij de persconferentie gebeurt?” vroeg Gijs, die richting de pastorie wees. Hij begreep niet dat Rik en Joshua er zo onverschillig onder konden blijven.
“Wat zou Rorschach doen in zo’n situatie?” vroeg hij. “Denk je dat hij ook rustig naar huis zou gaan als zijn dorp was aangevallen?”
Rik keek om zich heen en haalde zijn schouders op. “Dit is niet mijn dorp, vriend. En volgens mij zou Rorschach ook niet in zo’n suf dorp als Angerlo gaan wonen.”
Gijs keek op zijn telefoon naar de filmpjes die hij tot nu toe had gemaakt. De eerste filmpjes waren erg spectaculair geweest, want die waren van vrijwel direct na de aanval. De mensen die hem geslagen hadden, waren opeens allemaal weer verdwenen en hadden het dorp in een totale wanorde achtergelaten. Op het eerste filmpje woedden er overal nog branden en renden de inwoners in paniek over straat om hulp te zoeken of te bieden. Zijn tweede filmpje liet de komst van de eerste politie-eenheden in Angerlo zien en vanaf dat moment was de situatie bij ieder nieuw filmpje meer onder controle. Het geschreeuw werd minder en de branden minder fel, tot alle vlammen uiteindelijk gedoofd waren.
“Ziek”, zei Rik, die ondertussen ook met zijn telefoon in de weer was. “Joyce zegt net dat Tom is opgepakt. Van Maatschappijleer. Hij heeft iemand met een hockeystick aangevallen.”
“Tom iemand aangevallen?” vroeg Joshua. “Bullshit, die gast doet nooit wat.”
“Joyce zegt dat Marieke dat van haar buurjongen heeft gehoord. Die heeft zelf gezien hoe hij is ingerekend door zes agenten. Hij ging als een beest tekeer schrijft ze hier.”
“Tom is alles behalve een beest” zei Gijs lachend. Hij keek naar de ingang van de pastorie waar nu weer wat commotie ontstond. De burgemeester en enkele agenten kwamen naar buiten en liepen naar een auto. Een van de mannen maakte zich los uit de groep en liep hun richting op.
“Ik denk dat Joyce uit haar nek lult. En als zij dat niet doet, dan doen Marieke of die kennis van een neef van haar het wel.”
“Buurjongen”, verbeterde Rik hem. “En als Tom niet is opgepakt, waar is hij nu dan? Hij woont hier om de hoek. Denk je dat hij niet even zou komen kijken als de halve straat wordt platgebrand? Of denk je dat hij alweer naar huis is?”
“Jij wilde ook naar huis”, zei Gijs.
“Linda zegt nu dat Tom gewond is”, zei Joshua, die ook zijn mobieltje erbij had gepakt. “Hij is naar het ziekenhuis gebracht en zijn vriendin schijnt in coma te liggen.”
“Linda lult ook uit haar nek. Ik heb Suzan na de aanval nog zien lopen”, zei Gijs. “En nu even stil, want ik ga weer wat filmen.”
De man die uit de pastorie was gekomen, was aan de telefoon met iemand. Gijs richtte zijn mobieltje op hem terwijl hij langs liep.
“Evert, je spreekt met Pieter”, zei de man. “We proberen je al de hele avond te bereiken. Er is een situatie in Angerlo vlakbij Arnhem en we hebben iedereen hiervoor nodig. Bel Harm zodra je dit hoort en ga zo snel mogelijk naar het bureau. Harm zal je verder inlichten. Tot straks.”
De man hing op en mompelde: “Waar zit die klootzak?” Hij stapte in zijn auto en reed weg. Hij scheurde hard door de straat waar de auto van de burgemeester op hem wachtte en vervolgens reden ze achter elkaar Angerlo uit in de richting van Arnhem.
“Nou, heel interessant hoor”, zei Rik tegen Gijs. “Zijn we nou onderhand klaar?”
“Dude!” riep Gijs, die de wegrijdende auto nog steeds filmde. “Kun je niet vijf seconden je mond houden als ik aan het filmen ben?”
Hij zette de camera uit en keek het filmpje terug. Het was inderdaad absoluut geen interessant filmpje geworden. Alleen een man die een voicemail inspreekt en wegrijdt. Wie kon het nou wat schelen wie die man was.

Hoofdstuk 4

september

“Volgens mij zijn we nu wel lang genoeg bezig geweest met Angerlo”, zei de aanklager. “Uiteindelijk heeft niets van die gebeurtenissen er voor kunnen zorgen dat u contact opnam met de politie. Het kon u simpelweg geen bal schelen. Dat is eigenlijk de enige conclusie die ik daar uit kan trekken.”
“Dat is uw conclusie”, mompelde de verdachte, die de aanklager dreigend aankeek.
Het was de derde dag in het proces en de verdachte werd opnieuw door de aanklager ondervraagd. Na de eerste twee dagen leek de aandacht voor deze zaak eerder toe dan af te nemen. In veel saaie kantoorpanden was dit inmiddels het gesprek van de dag. De mensen zagen de woordenwisselingen tussen de aanklager en de verdachte bijna als een spannende voetbalwedstrijd. De twee partijen waren duidelijk aan elkaar gewaagd. Het feit dat de verdachte zijn eigen advocaat geweigerd had en zelf zijn verdediging wilde voeren, maakte hem bij voorbaat al favoriet bij de kijkers. Het was een geruststellend idee voor veel mensen dat een leek nog steeds kon beweren dat hij het beter wist dan iemand die daar jarenlang studiefinanciering voor had ontvangen. Sommige mensen leken zelfs te zijn vergeten wat de verdachte allemaal had aangericht.
“Een maand lang bleef u zwijgen, terwijl de politie met man en macht op zoek was naar mensen die hier meer van wisten. U zei niets toen u zag wat mensen, mede dankzij u, hadden gedaan, toen u zag wat voor ellende u had veroorzaakt.”
“Ik heb niet niks gedaan”, onderbrak de jongen hem. “Dat heeft de politie na kunnen kijken op mijn computer, die ik zelf heb overgedragen. Alle informatie over wat ik na Angerlo heb gedaan stond in die chatlogs.”
“Juist ja, in de chatlogs die u zelf heeft overgedragen aan de politie. U ben handig genoeg met computers om alle overige chatlogs van uw harde schijf te verwijderen en alleen die gegevens te laten zien die u wilt laten zien. U heeft een selectie gemaakt, voordat u naar de politie stapte.”
De jongen moest glimlachen om deze opmerking. Het was niet duidelijk of hij moest lachen omdat de aanklager hem door had of omdat hij vond dat de aanklager weinig verstand van computers had. Het publiek voelde dat er weer een stevige confrontatie tussen de twee aan zat te komen.
“Er was geen selectie van gegevens die ik wel of niet wilde laten zien. Ik heb alles ongefilterd overgedragen. Ik had trouwens ook helemaal geen tijd om iets weg te halen, want ik heb me meteen na de tweede aanval aangegeven.”
“U had wel tijd, want u wist opnieuw dat de aanval eraan zat te komen.”
“Ja, dat heb ik een dag daarvoor gemerkt. En vervolgens heb ik er weer alles aan gedaan om deze aanval tegen te houden. Ik heb zelfs geprobeerd om de identiteit van enkele deelnemers te achterhalen. Drie personen zijn na de aanval opgepakt vanwege mijn eigen onderzoek.”
“Het heeft niet geholpen, he?”
“Ik heb niet iedereen kunnen overtuigen.”
De aanklager liep terug naar zijn plek en nam een slok water. Hij dacht even na over wat de verdachte had gezegd en zei toen: “Ik heb misschien minder verstand van dit soort zaken dan u, maar als u dit een dag van tevoren al wist, dan had u volgens mij ruim voldoende tijd om al het belastende materiaal van uw harde schijf te verwijderen. Bent u het daar mee eens, meneer S.?”
“U mag me wel Daniel Sharp noemen hoor”, zei de jongen opgewekt. “Iedereen weet toch al dat ik het ben.”
Enkele mensen in het publiek moesten lachen om die opmerking. De aanklager negeerde hem.
“Bent u het daar mee eens?”
De jongen voelde zich nu uitgedaagd. “Ik had eventueel belastend materiaal ook wel in een halve dag kunnen verwijderen.”
De aanklager keek triomfantelijk naar het publiek.
“Maar volgens mij zijn we hier niet om te bespreken wat ik allemaal zou kunnen”, zei de jongen. “Dat zou nogal een lange zitting worden dan. Ik stel voor dat we ons nu even beperken tot wat ik daadwerkelijk heb gedaan en niet tot wat ik had kunnen doen of niet had kunnen doen. Bent u het daarmee eens, meneer de R.?”
In veel huiskamers werd er hard gelachen om die woorden. In de rechtszaal zelf bleef het echter ijzig stil. De aanklager keek zwijgend naar de verdachte. Hij pakte een vel papier uit zijn map en hield dit omhoog naar de rest van de zaal.
“Ik heb hier een lijst van het totaal aantal slachtoffers en de geleden schade van de tweede aanval.” Hij legde het papier voor de verdachte neer. “Kunt u lezen wat daarop staat?”
Deze keer keek de verdachte boos. Het was een middel om hem onder druk te zetten; om nog eens te benadrukken wat er was gebeurd. De aanklager had er mee gewacht tot hij zich van zijn meest zelfingenomen kant had laten zien. Het effect zou na zijn eerdere woorden des te groter zijn.
Daniel pakte het vel en las voor: “De aanval op Woudenberg van twintig maart heeft geresulteerd in de volgende schade: honderddertig auto’s zijn vernield en nog eens tachtig zijn beschadigd. Achttien huizen zijn in brand gestoken; veertig huizen zijn opengebroken en overhoop gehaald. Zes politieauto’s en twee ambulances zijn beschadigd en in totaal zijn twaalf hulpverleners in elkaar geslagen. Onder de inwoners waren er tweehonderd lichtgewonden, veertig zwaargewonden en drie doden.”
Na die laatste zin bleef de verdachte stil. Hij legde het papier voor zich neer op tafel.
“Drie doden. Allemaal vanwege jouw tweets”, zei de aanklager zacht.

Evert zat buiten op de gang en wachtte op Pieter. Via een beeldscherm aan de muur kon hij volgen wat er binnen werd besproken. Om hem heen liepen wat verveelde journalisten rond die aan het bellen waren of die op hun laptop aan het werk waren. Evert hield niet van journalisten. Vooral niet na zijn confrontatie met die journalist in Tilburg.
‘Hoe heette hij ook alweer?’ vroeg Evert zich af. ‘Michael, geloof ik. Michael de Wit of zoiets. Een onruststoker en sensatiezoeker.’
Gelukkig lieten de journalisten op de gang hem met rust, hoewel Evert wel merkte dat ze wisten wie hij was. Vanuit hun ooghoeken hielden ze hem in de gaten, terwijl hij zijn best deed om hen te negeren. Journalisten hielden ook niet van hem, wist Evert.

“Voor mij was dat uiteindelijk de reden om mezelf aan te geven”, zei de verdachte in de zaal.
“Ik kon me niet langer verschuilen op mijn kamer achter mijn eigen beeldscherm. Ik had hulp nodig om dit op te lossen en andere mensen hadden mijn hulp nodig. Dat was na deze avond belangrijker geworden dan mijn angst om vervolgd te worden. Ik ben blij dat ik die beslissing toen genomen heb; ook al heeft dat er uiteindelijk toe geleid dat ik nu hier zit.”
Evert zag dat de journalisten driftig mee probeerden te typen met de woorden van Daniel.
“En dat is eigenlijk ook het enige dat mij dwarszit aan deze hele gang van zaken. Ik bied mijn hulp aan bij de politie. Door mij wordt het onderzoek uit het slob getrokken. Ik heb ze geholpen om de volgende aanvallen op tijd te ontdekken. Dankzij mij zijn er tientallen verdachten opgespoord en opgepakt. Zelf heb ik nooit meegedaan aan het geweld. Sterker nog: ik ben er niet eens bij aanwezig geweest. En wie wordt er uiteindelijk door het Openbaar Ministerie naar voren geschoven als de grote dader? Ik. Ik ben gewoon aangewezen als zondebok om het falen van de politie te verbergen. En nu vraagt u aan mij waarom ik me niet meteen na de eerste aanval heb gemeld?”
“U noemt uzelf misschien een zondebok”, antwoordde de aanklager, “maar u bent ook de grote aanstichter. Wat u ook blijft roepen in uw verdediging, alles begint bij u. Dat kunt u niet ontkennen.”
De aanklager pakte het vel papier weer van tafel en liep terug naar zijn plek.
“Ik heb voor dit moment geen vragen meer, edelachtbare”, zei hij tegen de rechter.
“Goed”, zei de rechter. “Dan schors ik de rechtszaak voor vandaag. We gaan morgenochtend om negen uur verder.”
De rechter stond op en met hem kwam de hele zaal in beweging. Alleen de verdachte bleef op zijn plek zitten.

‘Mooi’, dacht Evert. ‘Dan zal Pieter zo wel naar buiten komen.’ Hij vroeg zich af waarom Pieter hem hierheen had laten komen. Zou hij misschien weer een van zijn taken aan Evert willen overdragen? Nu hij bijna dagelijks bij deze rechtszaak aanwezig wilde zijn, zou Pieter wel nog minder tijd over houden voor zijn andere verantwoordelijkheden. Evert begreep niet hoe Pieter het allemaal vol hield. Drie maanden geleden had hij nog gedacht dat Pieter overspannen zou raken. Hij raakte in die periode snel geïrriteerd en was oververmoeid. Harm en Evert konden weinig doen om hem te helpen en ze dachten allebei dat hij vroeger of later onder de druk zou bezwijken. Maar ergens in die zware periode was er iets gebeurd. Pieter had nieuwe energie weten te vinden en daarna had hij zich met nog meer overgave op zijn werk gestort. Hij leek plotseling meer aan te kunnen, of misschien liet hij alle problemen nu wat makkelijker van zich af glijden.
‘Zou Pieter ook aan de coke zijn geraakt?’ vroeg Evert zich af. Zijn gedrag leek daar in ieder geval wel op. Pieter kon langer doorgaan tijdens de lange nachten die ze soms hadden; hij energieker en doelgerichter. En soms kon hij opeens weer heel stil en somber worden. Evert herkende in Pieter steeds duidelijker het gedrag van iemand die cocaïne gebruikte. Hij wist wat Pieter doormaakte. Evert gebruikte zelf al meer dan een jaar met enige regelmaat cocaïne. Na de start van de bonfires was zijn werk nog intensiever geworden en was hij meer gaan gebruiken. Hij merkte dat de drugs hem hielpen om zijn focus te houden, ook als hij veertig uur achter elkaar door moest werken. En dat Evert er wat agressiever en impulsiever door werd, had eigenlijk alleen maar geholpen bij zijn politiewerk. De coke had er alleen niet voor kunnen zorgen dat hij weer rustig kon slapen en daardoor was hij een paar weken geleden ook weer begonnen met drinken. Dat had ook niet geholpen.

Hij zag Pieter uit de rechtszaal komen, samen met de andere toeschouwers. Zijn blik straalde weinig warmte uit toen hij Evert zag. Waar hij ook voor had gebeld, het was vast geen goed nieuws.
Evert vond sowieso dat Pieter de laatste tijd vaker chagrijnig was. Hij was geslotener en meer verbeten; niet meer zo ontspannen en aanwezig als hij vroeger altijd was. Ook dit was waarschijnlijk een neveneffect van de drugs, alsof hij nu intensiever leefde.
“En, hoe vond je het gaan?” vroeg Evert.
“Loop met me mee”, zei Pieter, die hem voorbij liep zonder vaart te minderen. Ze liepen een zijgang in van de andere mensen vandaan. Evert had moeite om Pieter bij te houden. Blijkbaar zat hem iets ergs dwars.
“Onze verdachte had weer een blauw oog vandaag”, zei hij, toen ze buiten gehoorafstand van de rest waren.
‘Dus daar gaat het over’, dacht Evert. Hij voelde dat hij rood werd.
“Was ik de vorige keer niet duidelijk genoeg?” Pieter bleef staan en keek Evert streng aan. “Ik wil niet dat jouw mensen hem nog één keer aanraken. Het maakt me niet uit hoe je het doet, maar zijn mishandelingen houden nu op.”
Evert voelde zich ongemakkelijk onder de strenge blik. Hij werd zelf boos om de beschuldiging.
“Ik ben vanochtend hierover gebeld door de directeur”, zei hij. “Volgens hem heeft hij dit bij zichzelf gedaan. Mijn mensen hebben hem niet aangeraakt.”
“En jij gelooft dat? Waarom zou hij zichzelf een blauw oog slaan?”
Evert haalde zijn schouders op. “Moet je aan hem vragen. Ik vind hem sowieso nogal raar. Misschien deed hij het alleen maar om jou op de kast te krijgen.”
Pieter bleef Evert aankijken.
“Vertrouw je me niet?” vroeg Evert. Het kwam er feller uit dan hij bedoeld had.
“Ik vertrouw je mannen niet”, zei Pieter. “En ik vertrouw niet wat zij tegen je zeggen over wat er allemaal in de gevangenissen gebeurt. Sinds jouw organisatie de gevangenissen heeft overgenomen, hebben we alleen nog maar gedonder gehad. Tien procent van het oude personeel is al vertrokken, omdat ze niet met jouw mensen samen wilden werken. Elke dag zijn er nieuwe incidenten met gevangenen. En dan beweer jij ook nog eens glashard in mijn gezicht dat onze belangrijkste verdachte zichzelf verwondt?”
Evert had moeite om rustig te blijven. Hij was niet meer gewend om tegengesproken te worden. “Misschien moeten wij onze mensen dan weer terughalen uit de gevangenissen?” zei hij. “Maar hoe wil je dan die enorme aantallen gevangen in bedwang houden? Het gevangeniswezen is hier nooit op voorbereid. Het oude personeel kon de situatie niet meer aan, dat weet je zelf ook. Daarom is onze organisatie bijgesprongen; op orders van de minister van Justitie nota bene.”
“Bekokstoofd door jou en Alex”, beet Pieter hem toe. “Jij hebt dit zelf in gang gezet en nu maken jouw mensen de dienst uit in de gevangenissen waar we alle verdachten van het geweld vasthouden. En ik vertrouw die mensen niet. Ze zijn ongedisciplineerd en onbekwaam.”
“Als jij tienduizend man vrij kunt maken om het gevangenispersoneel bij te staan, dan mag je het zo van mij overnemen”, merkte Evert op. Hij wist dat Pieter die mankracht niet had. “Tot die tijd blijf ik doen wat de minister van mij vraagt.”
Pieter zuchtte. “Maar het geweld houdt op. Jij bent daar vanaf nu persoonlijk verantwoordelijk voor.” Hij draaide zich om en samen met Evert liep hij terug naar de uitgang. De meeste bezoekers en verslaggevers waren verdwenen en de hoofdverdachte zat waarschijnlijk al weer in een busje op weg naar zijn cel. Evert hoopte maar dat hij ondertussen geen twee blauwe ogen had. Pieter en Evert liepen de voordeur van de rechtbank uit. Ze zagen dat er op straat onderaan de trap nog een grote groep demonstranten stond. Ze hielden foto’s van de verdachte omhoog en riepen dat hij een moordenaar was. Evert vroeg zich af hoeveel van de mensen voor hen daadwerkelijk meenden wat ze riepen.
‘Onze vijanden staan hier ongetwijfeld ook tussen’, dacht hij. ‘Ze doen mee met de anderen; ze roepen wat de rest roept, maar ondertussen denken ze iets anders.’ “Wanneer beseffen deze mensen nou eens in welk land ze tegenwoordig leven”, verzuchtte Pieter, terwijl hij naar de demonstranten keek.
Waarschijnlijk dacht hij hetzelfde als Evert.
“Uiteindelijk krijgen we ze allemaal wel te pakken”, zei Evert. “Niemand kan zich voor eeuwig blijven verstoppen in de massa.”
De auto van Pieter werd voorgereden en Evert liep met hem mee de trap af.
“Maar je hebt me vast niet alleen om een blauw oog hierheen laten komen, toch?”
“Nee klopt”, zei Pieter. “Ik vind dat deze rechtszaak niet de goede kant op gaat. De jongen krijgt veel teveel ruimte om zichzelf te profileren. De rechter is niet streng genoeg.”
“Dat gevoel had ik ook, maar wat wil je dat ik er aan doe? Moet ik de rechter in elkaar laten slaan?”
“Roep de Icarus-groep bij elkaar voor vanavond. We moeten ingrijpen nu het nog kan.”

Hoofdstuk 5

maart

Evert kauwde bedachtzaam op een stuk kroepoek dat al lang zacht was geworden in zijn mond. Hij was wat afwezig. Tegenover hem was Pieter vol enthousiasme in gevecht met zijn bak met Babi Pangang. Zijn halve gezicht was bedekt met rode saus.
“Ik zou straks wel nog even je mond afvegen voor je die presentatie gaat geven”, zei Harm tegen Pieter.
Pieter keek op van zijn eten en nam een kleine pauze om op adem te komen. Hij reikte naar een servet en zag dat hij ondertussen ook zijn mouw onder de saus had zitten. “En misschien is het ook verstandig om een ander overhemd aan te doen”, zei hij met volle mond.
“Hoe laat moet je daar zijn?” vroeg Harm.
“Acht uur”, zei Pieter. “Maar ik wil er graag iets eerder zijn. Ik vind het wel fijn als ik van tevoren nog wat mensen kan spreken.”
Na deze korte onderbreking stortte Pieter zich weer op zijn eten. Alsof hij zich opeens weer realiseerde dat hij eigenlijk al aan de late kant was.
“Moet je dan niet zo vertrekken?”, vroeg Harm, die naar de klok keek. Het was nu half zeven.
“Mwah”, klonk het uit de bak chinees. “Haal ik onderweg wel weer in.”
Evert had ondertussen pas de helft van zijn Nasi Goreng op. Hij had de hele dag al geen honger gehad.

Gisteravond was de somberte teruggekomen die hem een maand geleden ook al overvallen had. De gebeurtenissen van de afgelopen weken hadden dat gevoel even naar de achtergrond kunnen verdringen, maar na verloop van tijd kwam het onherroepelijk terug. Het was te sterk. Na het werk had Evert zich gisteren opgesloten in zijn appartement. Hij had zijn telefoon uitgezet, zijn gordijnen dicht gedaan en zo had hij de rest van de avond op bed gelegen. Hij kon er niets tegen doen; hij had nergens zin in. Rond drie uur was hij toch maar gaan drinken en daarna was hij snel in slaap gevallen.
Hij had een vreemde droom gehad. Hij droomde dat hij viel en kon niets om zich heen zien. Alles was donker. Hij kon zich nergens aan vasthouden. In zijn droom hoorde hij ver onder zich een geraas dat klonk als de zee. Opeens had Evert gemerkt dat hij niet alleen was. Er waren twee andere gedaantes om hem heen, die met hem mee naar beneden vielen.
Een van die gedaantes kwam dichterbij. Evert zag dat het een man was; of eerder een jongen. Een jongen met blond haar. Evert keek hem aan, maar hij kon zijn gezicht niet zien. Er was alleen een vage vlek. Hij voelde dat de gedaante hem ook aankeek. En terwijl ze samen vielen, begon de jongen sneller te gaan dan Evert. Hij zakte verder naar beneden.
Evert stak zijn hand uit en wilde iets roepen. Er kwam geen geluid uit zijn keel. Hij voelde dat de jongen hem verwijtend aan bleef kijken tot hij in de duisternis onder hem verdween. De tweede gedaante kwam naast Evert zweven. Hij zag dat het een vogel was. Een zeemeeuw die op zijn rug naar beneden viel. De vleugels slap naast zijn lichaam.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg Evert in zijn gedachten. ‘Je bent een vogel, dus waarom val je? Je kunt vliegen.’
‘Ik kon vliegen, maar nu niet meer’, antwoordde de meeuw. Hij draaide zijn kop naar Evert toe. Waar zijn ogen hadden moeten zitten, zaten nu twee bloederige gaten in zijn hoofd.
‘Jij hebt dit gedaan!’ hoorde Evert iemand in zijn hoofd schreeuwen en hij werd met een schok wakker.
De wekker ging. Met een klamme hand zette Evert de wekker uit en probeerde zich te herinneren wat hij had gedroomd. Hij wist alleen dat hij opgelucht was dat hij weer wakker was en hij wist dat er iemand had geschreeuwd. Hij voelde zich nog net zo beroerd als de avond daarvoor.

De rest van de dag was Evert somber en afwezig gebleven. Het gevoel bleef over hem heen hangen. Als een donkere wolk boven een leeg weiland. De anderen hadden natuurlijk niks in de gaten.
“Wat ga je ze vertellen?”, vroeg Robbert. Hij zat er relaxed bij met zijn benen op tafel en een zak kroepoek op schoot. Zijn bak met Ku Lu Yuk en Bami had hij al op.
Pieter dacht even na. “Gewoon, een beetje van wat we tot nu toe hebben gedaan, zonder al te veel in detail te treden. Ik denk dat ze het belangrijker vinden dat ik mijn neus even laat zien dan wat ik precies te vertellen heb.”
Robbert knikte. “Oh, dat bedacht ik me trouwens nog”, zei hij, terwijl hij een formulier pakte dat onder zijn bak met Bami lag. “Henry Gale heeft vandaag bekend. Dit kreeg ik net binnen toen het eten er was.” Hij gaf het formulier aan Pieter.
“Wat heeft hij bekend?”, vroeg Pieter. “Laat me raden: Henry Gale is een schuilnaam en hij heet eigenlijk Benjamin.”
“Nee, hij heeft verteld van wie hij het bericht heeft gekregen: ene Marxistwarrior73.”
“Ha, dus toch links”, zei Harm. “Ik zei het toch.”
Pieter haalde vijf euro uit zijn portemonnee.
“Het had net zo goed rechts kunnen zijn”, mompelde hij.
“Henry heeft ons het IP-adres gegeven van deze persoon”, zei Robbert. “Dat wordt nu gecontroleerd en ik verwacht dat we zijn huisadres binnen een uur kunnen hebben. Over de inhoud van het bericht wil Henry nog steeds niks zeggen.”
Harm stond op en liep naar het bord aan de muur. Op het bord hadden ze in de afgelopen weken de namen geschreven van de mensen die waren opgepakt. In het midden stond een grote cirkel met een vraagteken erin. Dat vraagteken verbond alle verdachten. Harm pakte een stift en schreef Marxistwarrior73 onder het vraagteken. Hij moest er wel om lachen toen hij dat deed.
“Goed”, zei Pieter, terwijl hij het formulier doorlas. “Als we zijn adres hebben, wil ik dat jij en Evert bij hem langsgaan. Kijken wat we kunnen vinden.”
“Misschien kun je er straks iets over vertellen”, zei Robbert.
“Nou, ik zeg er liever pas iets over als we hem gevonden hebben.” Hij gaf het formulier, met enkele verse vlekken Babi Pangangsaus erop, terug aan Robbert. “En als hij dan niet links blijkt te zijn, wil ik ook mijn vijf euro terug”, zei hij tegen Harm.
“Maar nu moet ik gaan, anders ben ik echt te laat.”
“Hoe lang is het rijden naar Angerlo?”, vroeg Harm, die weer naar de klok keek.
“Ze zeggen dat je er een uur en tien minuten voor nodig hebt”, zei Pieter. “De vorige keer heb ik er ongeveer vijfenveertig minuten over gedaan. En het is trouwens in Beinum deze avond. Angerlo zelf is te klein om alle hulpverleners te ontvangen.”
Pieter pakte zijn jas en liep richting de deur. Onderweg probeerde hij de saus van zijn mouw te likken.

Een uur later zat Evert met Robbert in de auto. Ze waren op weg naar de onbekende persoon die dertig dagen geleden had opgeroepen tot het geweld. Evert voelde zijn pistool tegen de zijkant van zijn borst drukken. Hij had dat pistool voor het laatst meegenomen tijdens die avond op het strand. Daarna had hij het steeds op het bureau achtergelaten. Tot hij het deze avond wel weer mee moest nemen. Wie weet wat de verdachte kon doen als Evert zijn pistool niet bij zich had.
‘En wie weet wat ik kan doen als ik mijn pistool wel bij me heb’, dacht Evert. Het was een pistool waar bloed aan kleefde. En niet alleen meeuwenbloed.
Even zag hij de kop met de lege ogen weer voor zich en hoorde hij een stem schreeuwen: ‘Jij hebt dit gedaan!’
“Wat ben je stil, Evert”, zei Robbert.
“Hmm, oh, ik was gewoon wat aan het nadenken.”
Ze reden mee met de late avondspits van Amsterdam. Het was donker en het regende zacht. Zwaailichten waren niet nodig voor een verdachte die al dertig dagen vrij rondliep. Die paar minuten zouden nu ook geen verschil meer maken.
“Volgens mij was Pieter niet echt blij om weer naar Angerlo te gaan.”
“Nou, hij vindt het wel belangrijk om er bij te zijn”, zei Robbert. “Maar je merkt wel aan hem dat hij liever wat meer resultaten had gehad na zoveel dagen. Hoeveel verdachten hebben we nu in totaal aangehouden? Vierentwintig? Vijfentwintig?”
“Met deze socialistische strijder erbij vijfentwintig. En volgens mij hebben we dan nog niet eens de helft in beeld. Je had hier trouwens rechts gemoeten.”
“Oh kut”, zei Robbert en reed verder. “Ik neem de volgende wel.”

Om acht uur waren ze bij het huis van de verdachte. Hij woonde op de bovenste etage van een rijtjeshuis in de binnenstad van Amsterdam; op ongeveer een half uur rijden van het bureau. Evert en Robbert belden aan bij de onderburen, die hen naar binnen lieten. Zacht liepen Robbert en Evert de trap op. Evert had zijn pistool in zijn hand. Voor de deur bleven ze staan. Er scheen licht onder de drempel door en binnen hoorden ze een tv aan staan. Robbert knikte naar Evert, die hard op de deur klopte.
“Maikel Bakunin? Dit is de politie. We willen je spreken.”
Even bleef het stil. Vervolgens werd de tv uitgezet en kwam er iemand langzaam richting de deur sloffen.
“Wie is daar?”, vroeg een stem.
“Politie”, riep Evert luid. “Doe de deur open!”
De deur werd open gedaan en Evert zag een lange bleke man staan. Hij was eind dertig en had een zwarte baard en een bril. Hij keek hen gespannen en argwanend aan.
‘Waarom hebben socialisten altijd een baard?’ vroeg Evert zich af, terwijl hij zijn pistool weer wegstopte. ‘Het moet toch een andere reden zijn dan alleen maar te lui om te scheren.’
“Goedenavond”, zei hij. “Ik ben Evert Drost en dit is mijn collega Robbert Lehnhoff. Wij zijn van de politie Amsterdam Amstelland en wij zijn op zoek naar iemand die zichzelf Marxistwarrior73 noemt. Mogen we even binnenkomen?”
De man keek verschrikt naar de twee agenten in de gang.
“Sorry, wie zoek je? Max73? Dat zegt me niks.”
Evert zuchtte. “Dat dacht ik al. Dan moet het maar op deze manier.”
Hij dook op de man en werkte hem hardhandig naar de grond. Robbert vloog ook op hem af en probeerde zijn armen in de boeien te slaan.
“Maikel Bakunin, oftewel Marxistwarrior73, je bent gearresteerd. Je wordt verdacht van het oproepen tot geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.”
Toen Robbert de verdachte had geboeid, trok Evert hem overeind en duwde hem verder de kamer in. Er hing een lucht in zijn kamer alsof er regelmatig geblowd en niet zo regelmatig gestofzuigd werd. Robbert liep naar een laptop die open op de bank lag.
“Hee kijk nou, Maikel. Marxistwarrior73 heeft net nog zitten chatten op deze computer. Wat raar dat je hem niet gezien hebt.”
Robbert pakte de laptop voorzichtig op en las wat er op het scherm stond. Opeens werd hij lijkbleek. “Oh shit”, riep hij.
“Ok, misschien ken ik Marxistwarrior73 toch wel”, zei Maikel, terwijl Evert zijn arm hard naar achteren trok. Het gaf Evert een fijn gevoel.
“Hoe hebben jullie me trouwens zo snel gevonden?”
Robbert las verder wat er op de laptop stond. “Shit, shit, shit”, fluisterde hij ontzet.
“Zo snel?” vroeg Evert. “Het heeft ons dertig dagen gekost om je te vinden. Maar vandaag heeft een van je online vriendjes je er uiteindelijk bij genaaid.”
“Evert...”, begon Robbert.
“Dertig dagen geleden? Dat was nog voor de aanval op Angerlo.”
“Ja, natuurlijk”, zei Evert. “Waarvoor dacht je dan dat we hier zijn?”
“Ik dacht voor Woudenberg”, zei de man.
Evert keek Robbert geschrokken aan.
“Dat bericht heb ik zes uur geleden doorgestuurd.”

Hoofdstuk 6

maart

De auto passeerde het bord met daarop de tekst Woudenberg rond kwart voor acht.
‘Nog nooit geweest’, bedacht Milo. Hij had wel een voorstelling in zijn hoofd van hoe het er uit zou zien. Hij had de plattegrond opgezocht op zijn computer. Nu hij het dorp binnen reed, bleek het toch net iets anders te zijn dan hij zich had voorgesteld.
Hij reed naar de plek waar hij zijn auto had willen parkeren. Die plek stond al helemaal vol met andere auto’s.
‘Zouden dat de auto’s van de anderen zijn?’, vroeg Milo zich af. Hij had geen idee hoeveel mensen er mee zouden doen die avond. ‘Misschien ben ik de enige wel.’
Hij reed voorbij de plek waar alle auto’s stonden en ging op zoek naar een alternatieve parkeerplaats.
Milo had het bericht anderhalf uur geleden pas ontcijferd. Ene Marxistwarrior73 had het naar hem gestuurd en vervolgens had Milo het weer doorgestuurd naar anderen. Nog niemand uit zijn netwerk had laten weten dat ze het bericht hadden begrepen. Degenen die het wel begrepen, zouden dat ook niet laten merken. Het was een geheim dat alleen Milo en een handvol mensen in Nederland kenden.
‘Of misschien meer dan een handvol als ik om me heen kijk’, dacht hij. Ook de bermen stonden vol met geparkeerde auto’s. ‘Waarom is er in dit kutgat zo weinig parkeerruimte?’
Milo reed een zijstraat in en vond daar eindelijk plek. Hij stapte uit en markeerde zijn auto zodat daar niks mee zou gebeuren. Het was een simpele, maar doeltreffende markering. Niemand zou er iets achter zoeken. Degene die dit bedacht had, had overal rekening mee gehouden. Milo keek om zich heen en probeerde zich te oriënteren. Hij had de plattegrond uit moeten printen, bedacht hij nu. Maar dat zou dan weer als aanwijzing kunnen dienen als hij gepakt zou worden. Milo durfde ook niet zijn telefoon aan te zetten om daar op te kijken. De instructies waren daar heel helder in geweest: laat je telefoon uit vanaf het moment dat je thuis vertrekt. Anders kon de politie achteraf zien dat je daar geweest was. Milo snapte niet precies hoe dat werkte, maar hij geloofde het maar al te graag. Het systeem was uiteindelijk zelfs tot in zijn broekzak doorgedrongen. Het zou nu alleen nog maar een kwestie van tijd zijn voor ze ook in zijn hoofd zouden zitten.
Milo zou zich daar niet bij neerleggen, ook al deden zoveel anderen dat wel. Hij deed dit juist voor hen; voor de andere mensen. Vanavond kwam hij in verzet, samen met zijn medestanders. Hij zou hetzelfde doen als hij in Angerlo had gedaan en hij wist dat ze deze keer met meer mensen waren.
Milo keek op zijn horloge. Nog acht minuten voor het zou beginnen. Hij voelde dezelfde spanning als de vorige keer in Angerlo. En ook zoals die keer voor het distributiecentrum. Toen waren ze nog maar met een kleine groep geweest; zo’n twintig mensen ofzo. Milo was er vanaf het begin bij geweest.
Het was die avond met het distributiecentrum begonnen, maar lange tijd was het onopgemerkt gebleven. Zelfs na Angerlo leek nog niemand te beseffen wat er echt aan de hand was. Alle omroepen hadden het alleen maar over de slachtoffers gehad, zonder er verder iets achter te zoeken.
‘Niemand heeft door dat er een oorlog gaande is’, dacht Milo. ‘Een oorlog die we bijna hadden verloren. Het systeem zal altijd blijven winnen, tenzij we hard terugslaan. Als we niets doen, worden we uiteindelijk allemaal slaven van het systeem. Dan kunnen we niks anders meer dan graaien en consumeren. Dan heeft het systeem gewonnen.’

Milo keek naar binnen bij de huizen in de straat en hij zag dat het waar was.
‘Alleen maar slaven.’
Iedereen die hij zag, zat zwijgend naar de tv te staren. Bedolven onder een stortvloed aan reclame. Weggevlucht in een fantasiewereld waarin een mooi uiterlijk, een verre vakantie of een dure auto binnen handbereik waren. Altijd net binnen handbereik, als je maar wat harder wilde werken. Deze mensen verdienden het, vond Milo. Hij zag een man die op hem af kwam lopen met een hond aan zijn zijde. Een vrolijk beestje dat niet leek te voelen wat er in de lucht hing. Milo stak snel de straat over voordat de man zijn gezicht kon zien. Hij probeerde zoveel mogelijk uit het licht van de straatlantaarns te blijven. Hij wilde niet dat iemand hem later zou kunnen herkennen. Aan het eind van de straat liepen meer mensen die volgens hem bij zijn groep hoorden. Ze waren in het zwart gekleed en hingen een beetje doelloos rond.
‘Ik ben dus niet de enige’, dacht Milo gerust. Hij liep het groepje voorbij zonder iets tegen ze te zeggen. In de volgende straat stonden nog veel meer mensen te wachten, zag hij toen hij de hoek om liep. Overal stonden kleine groepjes mensen bij elkaar. Dreigend en zwijgend. Er werd weinig gesproken. Iedereen wachtte gespannen af wat er ging gebeuren. Milo had geen behoefte om de anderen aan te spreken. Hij wachtte net als de rest en hoorde de kerkklok van Woudenberg acht uur slaan.
Even leek iedereen op elkaar te wachten. Er gebeurde niets. Totdat Milo hoorde dat er verderop in het dorp op een fluitje werd geblazen. Meteen werd het fluitsignaal door twee andere fluitjes uit de straat van Milo beantwoord en ging er overal een groot geschreeuw op. De mensen in de straat stormden in alle richtingen op auto’s af. Ze begonnen er op in te slaan met stokken of stenen. De eerste ruiten werden ingegooid.
‘Het is begonnen’, dacht Milo en hij rende naar het dichtstbijzijnde huis aan zijn rechterhand. Het zag er uit alsof er niemand thuis was. De lichten waren uit en de gordijnen waren dicht.
Met een paar stevige beuken tegen de deur had Milo hem opengebroken. Een vrouw met duidelijk meer haast dan Milo had ondertussen het raam van de woonkamer ingeslagen en klom via die weg naar binnen. In de woonkamer deed Milo het licht aan. Hij zag dat hij het juiste huis had uitgekozen.
‘Slaven’, dacht hij, terwijl hij om zich heen keek. ‘Gevangenen van het systeem.’
In het midden van de woonkamer hing een enorme tv aan de muur met daaronder enkele spelcomputers en een dure geluidsinstallatie. Voor de tv stonden een glazen salontafel en een bankstel waar iemand een tabletcomputer op had laten liggen.
‘Is je leven werkelijk zo leeg?’ dacht Milo, ‘dat je zoveel spullen nodig hebt om er nog iets van te maken.’
Binnen een minuut had Milo de woonkamer vol met spullen omgetoverd tot een woonkamer vol met puin. De onbekende vrouw die hem daarbij had geholpen vond in een keukenla een doos lucifers. Ze begon daarmee het bankstel aan te steken.
Milo gooide de eettafel omver en sloeg met een stoel een paar diepe gaten in de muur, voordat hij deze stoel gebruikte om het keukenraam te openen. De bank vatte vlam en de vrouw rende door de voordeur weer naar buiten. Milo had al die tijd niet met haar gesproken.
Hij dacht erover om naar boven te gaan en ook daar de boel te vernielen. Toen hij zag hoe de vlammen zich over het bankstel begonnen te verspreiden, leek het hem beter om toch ergens anders heen te gaan.

Buiten op straat was het ondertussen een grote wanorde. Milo keek verrukt om zich heen. Het ging een stuk beter dan hij verwacht had. Eindelijk namen ze wraak. Zijn mensen kwamen eindelijk in opstand tegen het systeem. Het was jammer dat de slaven gevangen zaten tussen de strijdende partijen, maar dit was de enige manier. Het systeem was meedogenloos, dus moesten zij dat ook zijn.
Plotseling werd de aandacht van Milo getrokken door geschreeuw aan de andere kant van de straat. Hij zag hoe een vrouw door twee mannen uit haar huis werd getrokken, terwijl een derde met haar man in gevecht was in de deuropening. Zonder aanleiding begonnen de twee mannen op de vrouw in te schoppen.
“Hee!” riep Milo, maar hij kwam niet boven het lawaai uit. Hij rende naar de overkant van de straat. Wat waren die mensen in godsnaam aan het doen?
“Hee, laat haar met rust”, riep hij toen hij dichterbij was. Hij pakte een van de twee mannen bij zijn kraag vast om hem tegen te houden. De man draaide zich woest om en sloeg Milo onverwachts in zijn gezicht.
“Nee, stop”, riep Milo. “Ik hoor bij jullie.”
De man keek naar hem en zijn kleren. Hij ontspande zich. “Oh sorry, ik dacht dat je een bewoner was.”
Hij gaf de vrouw nog een laatste trap en rende naar de deuropening om de andere man te helpen.
“Waar zijn jullie mee bezig?” vroeg Milo. “Waarom slaan jullie deze mensen?”
“Je zei toch dat je bij ons hoort?” zei de man die nog bij de vrouw stond. “Dan weet je ook waarom we hier zijn.”
De man liep rustig weg en liet Milo verbijsterd achter. Dit was niet de bedoeling. Hier was Milo niet voor gekomen. Hij keek naar de vrouw, die bewusteloos op de stoep bleef liggen. Hij vroeg zich af of hij haar zou moeten helpen. Voordat hij hierover een besluit kon nemen, hoorde Milo voor de tweede keer dat er overal om hem heen op fluitjes werd geblazen.

‘Verdomme, waar heb ik mijn auto gelaten?’, dacht Milo, terwijl hij hard door de straat rende. Hij zou zweren dat het hier ergens was geweest. Helaas had iemand het straatnaambordje dat op de hoek had gehangen dringend nodig gehad om ergens in Woudenberg een kaak te breken. Overal om Milo heen waren andere mensen aan het rennen. Inwoners, maar ook mensen die bij hem hoorden en snel weg probeerden te komen. Alles liep nu door elkaar.
Er werden auto’s gestart en scooters raasden langs hem heen het dorp uit. Op de achtergrond van dat lawaai hoorde Milo sirenes die langzaam dichterbij kwamen. Sirenes die op zoek waren naar hem.
‘Nee wacht’, dacht hij, ‘ze zijn op zoek naar de daders.’ Hij ging wat rustiger lopen en keek naar de chaos om hem heen. De daders en inwoners van Woudenberg waren nauwelijks uit elkaar te houden. Milo moest zorgen dat hij er ook uitzag als een bewoner. Hij moest zich gedragen als een bewoner.
‘En ik moet die klote-auto zien terug te vinden’, dacht hij. Hij dacht erover om dan maar te voet het dorp te verlaten. Maar dan zou zijn auto hier blijven staan als bewijsmateriaal. Hoe zou hij dat later moeten verklaren? ‘Waarom heb ik niet wat beter opgelet waar ik heen liep?’, dacht hij. De volgende keer moest hij dit veel beter plannen.
Eindelijk zag Milo zijn auto staan. De auto die daarvoor was geparkeerd, lag nu op zijn kant. Onbekenden hadden hem omgegooid. Gelukkig was de auto van Milo ongeschonden gebleven. Hij stapte in en reed zo kalm mogelijk weg, ook al had hij het gevoel dat het al te laat was. De sirenes leken nu vlak bij hem te zijn.
Onderweg zag Milo dat er op sommige plaatsen nog steeds gevochten werd. Wie met wie was onduidelijk. Op andere plaatsen probeerden mensen tevergeefs om de vlammen van hun huizen te doven.
‘Duizenden nutteloze spullen gaan in vlammen op’, dacht Milo tevreden. ‘Hun eigenaars bevrijd van hun obsessie van het hebben.’
Hij zag hoe een van de inwoners zichzelf in veiligheid probeerde te brengen door zich van het balkon naar beneden te laten zakken. De vlammen kwamen al uit het slaapkamerraam achter hem.
Tot zijn grote schrik zag Milo plotseling een politieauto met zwaailichten op hem afkomen.
‘Rustig aan’, dacht hij, ‘ze zijn op zoek naar de daders, niet naar de inwoners.’ Hij bleef zo rustig mogelijk rijden. De auto reed hem snel voorbij en ging verder in de richting van Woudenberg. In zijn achteruitkijkspiegel zag Milo oranje rookwolken uit het dorp opstijgen.
‘Dit dorp is bevrijd’, dacht hij.
Geen enkele omroep zou er na vanavond nog omheen kunnen. Het verzet was naar buiten getreden. Milo zag nu meer hulpdiensten aankomen die zich naar Woudenberg spoedden. Politieauto’s, brandweer, ambulances; ze lieten hem allemaal ongehinderd wegrijden.
‘Dit was geen ordinaire rel vanavond’, dacht Milo.
‘Dit was een bonfire.’

Hoofdstuk 7

maart

“Dat is echt het domste dat ik ooit heb gehoord.”
“Hoezo dom?”
“Gast, hoe kan ‘het hebben van heel veel geld’ nou een superkracht zijn?”, vroeg Gijs.
Hij draaide zijn bureaustoel om en keek Joshua aan.
“Ok”, zei Joshua, die onderuit gezakt op het bed van Rik zat. “Wat zou jij kiezen dan?”
“Als ik een superkracht zou mogen kiezen”, zei Gijs, “dan zou ik kiezen dat ik de gedachten van mensen kon horen als ik ze aankijk.”
“Wat heb je daar nou weer aan? Waarom kies je niet gewoon voor heel veel geld?”
“Omdat dat geen superkracht is.”
“Batman heeft veel geld”, zei Rik. “En de Night Owl. En zij hebben allebei ook geen superkrachten.”
“Rorschach heeft volgens mij ook geen speciale krachten, toch?”, vroeg Joshua. “Hij heeft alleen een stoer masker.”
Joshua zapte weer een paar kanalen verder op de tv van Rik, maar overal werd hetzelfde bericht vertoond.
“We zouwe toch gaan gamen?”
“We kunnen straks wel gamen”, zei Rik. “Ik wil eerst dit filmpje afmaken.”
Hij scrolde een website door en bekeek de resultaten.
“Woudenberg attack heeft ook al niks opgeleverd”, zei hij teleurgesteld. “Er moet toch iemand zijn die beelden heeft.”
“Het is pas drie uur geleden”, zei Gijs. “Misschien komen die beelden morgen pas. En als je alleen Woudenberg intypt?”
“Dan krijg ik alleen maar suffe beelden van een overval en een blauw busje dat aan het driften is op een rotonde in Woudenberg. Hier, kijk maar.”
Hij klikte op het filmpje en gedurende drie minuten keken de jongens geboeid naar iemand die zijn banden aan gort reed.
“Hou die camera eens stil, kutjong”, mompelde Joshua.
“Anders neem je toch nog wat beelden van Londen vorig jaar?”, zei Gijs. “Daar zijn genoeg filmpjes van te vinden. Of je gebruikt wat stukjes van Angerlo twee keer.”
“Nee, dat is lame. Ik zoek nog een keer op Woudenberg brand.” Hij typte de zoektermen in en bekeek de resultaten.
“Hoe was die bijeenkomst trouwens?”, vroeg Joshua. Hij zapte weer een kanaal verder en kwam uit bij ‘Sommer en Meindertsma’, een van de populairste talkshows van de publieke omroep. Bij gebrek aan beter liet hij het maar op staan.
“Die bijeenkomst was best wel saai eigenlijk”, zei Rik. Hij was een paar uur daarvoor naar Beinum gegaan, waar een soort herdenking zou zijn voor de aanval op Angerlo dertig dagen geleden. Rik wilde er graag naartoe, ook al hadden Gijs en Joshua geen zin om mee te gaan. Ze hadden afgesproken om na de bijeenkomst bij Rik te gamen. Toen het nieuws over Woudenberg bekend werd, besloten Rik en Gijs dat ze daar een filmpje over wilden monteren om het op youtube te zetten. Ze hadden nu de helft van het nummer ‘I predict a riot’ van de Kaiser Chiefs kunnen vullen met beelden die Rik in Angerlo had gefilmd, maar van de rellen in Woudenberg zelf hadden ze nog niks kunnen vinden.
“Eerst heeft de nieuwe burgemeester een saai verhaal gehouden en daarna heeft een of andere agent uit Amsterdam een saai verhaal gehouden.”
“Uit Amsterdam?”, vroeg Gijs. “Wat doet die nou weer hier?”
“Hij deed iets met voetbalsupporters, zei hij. Hij zag er ook uit als een voetbalsupporter vond ik zelf.”
“Een ME-er?”
“Nee, meer een stille volgens mij. Je weet wel, van die lui die verkleed als supporter een aanhoudingseenheid vormen.”
“Cool”, zei Joshua, “volgens mij zijn dat wel leipe gasten die dat doen.”
“Maar het was nog steeds een saai verhaal dat hij vertelde. En toen de bijeenkomst weer was afgelopen begon dat gedoe in Woudenberg, dus daarna ben ik gelijk hierheen gekomen.”
Gijs klikte een van zijn laatste filmpjes uit Angerlo open en bekeek de beelden.
“Hee, wacht eens”, zei hij, terwijl hij op zijn computer het filmpje bekeek waarin de man in zijn telefoon sprak en de auto in stapte.
“Dat is die agent die vanavond bij de bijeenkomst was. Ik heb hem vorige maand gefilmd.”
“Is dat hem?”, vroeg Rik. “Zo, die gast wil je ook niet tegenkomen als je een voetbalsupporter bent.”
“Ah kijk, bij Sommer en Meindertsma hebben ze wel beelden van Woudenberg gevonden”, zei Joshua. Rik en Gijs keken naar de tv, waar schokkerige beelden te zien waren van een groep mensen die een auto vernielde.
“Ze kunnen op die redactie beter zoeken dan jij, Gijs.”
“Ja boeien, die mensen krijgen die beelden gewoon toegestuurd”, zei Gijs. “Die hoeven niet eens te zoeken.”
“Anders maken we het filmpje morgen af”, zei Rik. “Het slaat nergens op om een filmpje over Woudenberg te maken als we geen beelden hebben van Woudenberg. Laten we gamen.”
“Oh shit, er is een dooie gevallen”, zei Joshua. “Dat stond net in beeld.” Hij zette het volume wat harder.
Op tv luisterde de presentator, Wouter Meindertsma, in zijn oortje en zei: “Ik krijg zojuist te horen dat een van de slachtoffers uit Woudenberg inderdaad aan zijn verwondingen is overleden. Dat heeft de politie een paar minuten geleden bevestigd. En ondertussen zouden er nog verschillende slachtoffers in levensgevaar zijn.”
De gasten die bij de twee presentatoren aan tafel zaten, keken elkaar bedrukt aan. Een van hen zuchtte zachtjes. Even wist niemand iets te zeggen.
“Zullen we urban terror spelen?” vroeg Joshua.

DIt is een fragment uit mijn boek: Bonfire, onder de schaduw van Icarus (verschenen in 2015).
Het boek is te bestellen via: https://www.boekenbestellen.nl/boek/bonfire-onder-de-schaduw-van-icarus/9789081824538
Dit artikel delen?
Pin It
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief