Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Armin de paardenjongen - George Knottnerus

21. Een onverwachte ontmoeting 

Eenmaal buiten de muren van Rosamund wachtte hem een verrassing. De zon was nog niet op maar er was voldoende daglicht om vanachter het eerste bosje twee vertrouwde posturen te ontwaren. Lotar en Gwende kwamen in draf op hem af. ‘Wat doen jullie hier?’ lachte hij breeduit.

‘Je een stukje wegbrengen,’ zei Lotar. ‘Zo makkelijk kom je niet van ons af.’

Armin zag kruiken water, proviand en een opgerolde deken op hun zadels. Er bungelde zelfs een luit aan.

‘Jullie kunnen toch niet weg? Ridder Arnulf heeft jou nodig, Lotar, en de hertog jou, Gwende. Wat betekenen die dekens?’

De heldere lach van Gwende wekte de zon definitief. ‘Ze konden ons wel een dagje missen, hoor. En een nachtje ook!’

‘En twee ook nog wel!’ lachte Lotar.

Hoewel de temperatuur uit een diep, nachtelijk dal moest klimmen, koesterden de drie vrienden zich al snel in de junizon. Naast elkaar dravend, sloten ze hun ogen tegen het felle licht, ondertussen pratend en lachend. Op de achtergrond ploften paardenhoeven in het zand, koerden duiven in de bomen en zongen op de velden de koekoeken hun geheimzinnige liefdeslied. Het geluk barstte bijna uit Armins longen, maar hij wist dat het paradijs nooit lang duurt. Tot zijn eigen schrik verbrak hij de vrede:

‘Marcus. Wees op je hoede voor hem!’ Een korte stilte viel waarin slechts de hoeven stoempten.

‘Wees gerust, dat doen we’, zei Lotar gelaten.

Ze reden een tijdje in stilte door totdat ze bij de kruising kwamen van de hoofdweg. Linksaf ging naar Aken. Rechtsaf naar Münster. Voordat ze rechtsaf zouden slaan hield Armin de teugels in om een korte pauze te houden. Ze lesten de paarden en aten en dronken zelf iets. 

Na een halfuurtje gerust te hebben – Gwende was zelfs ingedut – stond Armin op en tuurde de westelijke horizon af. Hij krabde op zijn hoofd, mompelde iets in zichzelf, stootte zijn vriend aan en zei: ‘Lotar, kijk jij eens. Zie ik nou spoken of zijn zíj het?’

Lotar zette zijn hand boven zijn ogen en zei: ‘Nee, maar!’

‘…min! …otar! …ende!’ Hoewel de stem van ver kwam, was het accent onmiskenbaar. Elke twijfel was weg toen de wind de flarden van een naam meevoerde: ‘…i…aaa!’

Een zwaaiend ruitertje met iets op de schouder en een baar achter een paard, met naast zich een grotere ruiter en boven hen een vliegend stipje dat allerlei luchtcapriolen maakte. Die wonderlijke ministoet naderde bedaard.

Het was Gwende, inmiddels ontwaakt, die ze benoemde: ‘Wat doen Zilma en Frida hier? En op die baar ligt oom…’

De rest hoorden Armin en Lotar niet, want ze overbrugden de resterende afstand tussen hen en het gezelschapje al rennend. De kleine karavaan uit Rosamund verenigde zich met de stoet uit Aken. Die laatste bestond uit Zilma en Frida, Altfrid op de baar, voortgetrokken door een extra paard, Rimmi het aapje en Foetsi de slechtvalk. Foetsi bleek het stipje dat boven hun hoofden acrobatische toeren had uitgehaald.

In het veld nabij de splitsing sloegen ze hun kamp op en besloten ze eerst verslag te doen van hun avonturen.

Zilma schrok erg dat het perkament met de formule gestolen was. Ondanks zijn rode huid trok hij asgrijs weg. ‘Ik had al boos gevoel,’ zei hij, ‘het moet spion zijn. Hij slim.’

‘Ik ga hem vinden,’ zei Armin, ‘dat is het doel van mijn reis.’

Met horten en stoten kwam het verhaal uit Frida en Zilma. Nadat Armin en zijn vrienden uit Aken vertrokken waren, hadden ze ontdekt dat er twee postduiven ontbraken. Altfrid had een boodschap gestuurd naar zijn broer in Münster. Daarin had hij verteld dat zijn geheime wapen in gevaar was. Hij had zijn broer om hulp en advies gevraagd en zou intussen de formule verstoppen op de geheime plek in de Akense Dom. Slimme Zilma was hierachter gekomen omdat de boodschap was doorgedrukt op het vloeipapier van Altfrid.

‘Ik alle gangen van meester kennen,’ zei Zilma. Hij had een postduif erachteraan gestuurd en Altfrids broer de laatste ontwikkelingen geschreven over zijn meesters ongeluk en Frida’s hulp. Er was snel antwoord gekomen.

‘Bendor, de broerrr van Altfrid,’ mengde Frida zich in het gesprek, ‘is de grootste magiër van allemaal. Hij wil zijn broerrr bij hem thuis genezen.’

‘Dus wij naar Münster onderweg, met grote baas,’ zei Zilma. ‘En met dappere Rimmi en snelle Foetsi. Maar eerst wij wilden naar Rosamund, jullie spreken.’

‘Wel,’ zei Lotar, ‘dat hebben wij nu gedaan. Geen tijd te verliezen. Münster ligt in het noorden, dus we moeten allemaal dezelfde kant op.’ 

De kleine karavaan was bezield door een enorme reislust. Zonder dat de reizigers dit uitspraken, wisten ze allemaal dat haast geboden was. De dief van de geheime formule moest achterhaald worden want het wapen mocht niet in verkeerde handen vallen. En Altfrid moest zo snel mogelijk aan de goede zorgen van zijn broer Bendor worden overgedragen.

Armin had zich ingesteld op een lange tocht, alleen met Witbles, en wist zich nu omringd door zijn vrienden. Ondanks alles voelde hij zich vrolijk en vol goede moed. ‘Waarom heb je Rimmi meegenomen en die valk?’ Hij reed naast Zilma en wees naar het stipje dat hoog in de lucht buitelde.

‘Foetsi, hij vlug zijn en slim. Hij snelle vleugels heeft en goed verstand,’ antwoordde Zilma. ‘En Rimmi ook pienter. Trouw en vooral hij grappig. Lachen ook heel belangrijk zijn!’ Als om de woorden van zijn baasje te bewijzen, begon Rimmi in zijn handjes te klappen en hoe-hoe-geluiden te maken. In een flits griste hij de hoed van Zilma’s hoofd, zette hem op zijn eigen kop en sprong via de hoed van Frida op de schouder van Gwende.

‘Arghhh, jij rrrotbeest! Lelleke apenkop! Zilllmaa, waarrrom moest je…’ Maar ook Frida staakte haar weeklachten toen ze geen verzet meer kon bieden aan de lach.

Rimmi was nu op de manen van Gwendes merrie geklommen. Hij had zich omgedraaid en balanceerde met wijd uitgestoken armen en een idiote grijns op zijn gezicht over de paardenhals. Aangekomen bij het zadel draaide Rimmi zich om en besteeg de hals. Dit herhaalde hij een paar keer doodleuk waarbij zijn grijns breder werd naarmate de lachsalvo’s toenamen. Zelfs de paarden hinnikten mee om zoveel onbenulligheid en ook Foetsi scheerde krijsend laag over om van dichtbij polshoogte te nemen. Een blauw koordje aan zijn poot danste vrolijk in de wind.

Dit artikel delen?
Pin It

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief