Loading...

Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Bezoekers krijgen d.m.v. een boekfragment kans om kennis te maken met het boek van de betreffende auteur. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft.
Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.

Zelf ook een boekfragment uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek vrij te koop is. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

,,APOCALYPS VAN DE ZIEL''

Lichtblauwe gedachten

Vreemde grote vogels of mensen die op de vogels lijken vliegen over
mijn hoofd, ik hoor het gewapper van de vleugels in de lucht.
Ze zeggen mij iets... zonder een stem, maar ik begrijp ze goed.
Ze vragen: Geloof je nu?
En ik vraag: Wat?
De vogels of de mensen die op de vogels lijken cirkelen rond, vliegen boven me, ze wapperen met
hun vleugels door de lucht.
Plotseling komt de wind, zacht en warm, ik voel het op mijn huid, in mijn haar.
In een oogwenk verliest mijn lichaam zijn gewicht, een bepaalde lichtheid dringt tot me door.
Mijn gedachten worden licht, denk, licht, lichtblauw.
Ik ben verbaasd hoe het kan dat de gedachten een kleur hebben.
Omringd door vogels en de mensen die op vogels lijken, zweef ik ook.
Ik weet niet hoe, maar ik ben ook in de lucht, licht als een veertje
en het voelt niet vreemd.
Ik denk licht, lichtblauw, wens niet te vallen, wens niet dat mijn lichaam zijn gewicht
terugkrijgt.
'En', vragen ze mij, de vogels of de mensen die op de vogels lijken:  'Wat nu, slapen of wakker worden?'
Hoezo slapen? Ben ik aan het slapen,
hoezo slapen of wakker worden... dus ik slaap?
Om mij heen vliegend, vertellen de vogels of de mensen die op de vogels lijken: 'Uit het
leven wakker worden, en de dromen in slaap krijgen...'
Ik begrijp er niets van, mijn lichaam wordt zwaarder, ik val op de grond.
Ik keek om mij heen en zie geen teken van vogels of de mensen die op de vogels lijken.
Ik ben niet wakker, maar slaap ook niet. De zon gaat langzaam onder, de dag gaat of de
duisternis komt.

Jovan
Srijemac

1.

Soms weten we niet wat er met ons gebeurt. We hebben het gevoel dat alles een droom is. Gebeurtenissen vinden zó snel plaats en rijgen zich aan elkaar, zodat we gewoon geen tijd hebben om te herschikken en na te denken over wat er met ons gebeurt. Vaak moeten er ook vele jaren voorbij gaan om ons bewust te kunnen worden van de gebeurtenissen uit het verleden,  om ze met begrip te kunnen analyseren. Als alles voorbij is, zijn we slimmer dan ooit en zouden we alles anders doen, en beter dan toen. We beginnen in gedachten met
het hertekenen van de voorbije gebeurtenissen en maken er nieuwe scenario's van zodat het eruit ziet alsof het anders was gegaan. Soms ontstaat er een gevoel van schuld, soms verdriet, soms ook een gevoel van angst, ook al is alles al lang voorbij. (Vaak treedt dit soort angst op bij soldaten die in een oorlog
zaten. Deze angst heet: PTS). Wanneer deze angst in de hoofden van gewone mensen ontstaat, zouden zij zich het liefst willen verstoppen van hun eigen gedachten. Ze willen ze uitsluiten. Maar wat ze ook proberen, die angst komt steeds terug, en beetje bij beetje went de mens eraan om met die angst te leven. De angst wordt een deel van hem en van zijn persoonlijkheid. Een veel slechtere optie is het, wanneer de persoonlijkheid een onderdeel wordt van de angst. Dan stuurt de angst de persoonlijkheid en houdt hem gevangen. Alles wat een mens die bezeten is door angst doet of wenst te doen, doet hij met een dilemma. Hij is niet meer zeker van zichzelf en vertrouwt niets en niemand meer. Als de omgeving of de samenleving er per ongeluk achter komt dat iemand geobsedeerd is door angst en met die angst strijdt, dan zijn er geen medici nodig om de diagnose te stellen of een deskundige mening te geven. De omgeving en samenleving weten al wat hem mankeert en noemt deze man gewoon dwaas of gek. Ze beginnen hem eerst achter zijn rug zo te noemen, dat wil zeggen in zijn afwezigheid, en daarna wordt hij ook recht in zijn gezicht en in het openbaar uitgelachen. Dit wordt vaak gevolgd door verschillende gemene streken om - en dat komt het vaakst voor - de omgeving en het gezelschap waarin de man zich bevindt aan het lachen te krijgen. De met angsten bezeten mens weet dat hij niet gek of dwaas is, maar kan dat niet bewijzen. Hij begint zich te isoleren van de samenleving en alles en iedereen te wantrouwen. Hij stopt gewoon met praten, piekert dag en nacht en leeft helemaal alleen, met enkel zijn angstige gedachten. Hij creëert een nieuwe en imaginaire wereld, een
wereld waarin hij de gebeurtenissen controleert. De personen in zijn imaginaire wereld krijgen rollen, namen, een status en een karakter en al  wat er nodig is om ze echt te maken. Een mens die geobsedeerd is door angst begint met het mengen van een aantal fictieve personages, die hij in zijn fantasie creëert. In deze imaginaire wereld zorgt hij vaak voor vergelding van de pijn die hem is aangedaan door diegene die hem
voor gek of dwaas verklaarden, hem uitlachten en hem tot een isolement dwongen. De met angst geobsedeerde mens wordt zelf de regisseur van het leven. Terwijl hij dagdroomt en regisseert, vergeet hij zijn angsten en ziet zichzelf als een bouwer, een schepper, de mens die over alles beslissingen kan nemen. Over de
geboorte van de persoonlijkheid, over haar dood, over liefde, haat, oorlog en vrede. Hij begint zichzelf te zien als 'anders dan anderen'. Hij loopt bedachtzaam, spreekt zelden met iemand en als hij dat doet, praat of antwoordt hij kort. Hij besteedt geen aandacht aan vroegere kennissen. In zijn gedachten, en soms ook in de werkelijkheid, wordt zijn zelfvertrouwen zo groot dat hij denkt dat hij tot alles in staat is, alsof hij God is. Het verschil tussen de reële en imaginaire wereld wordt steeds kleiner en steeds minder ziet hij het verschil tussen deze twee.

2.

Marco zat op de grond, zijn handen lagen op zijn knieën en hij boog zich voorover. Hij bewoog zijn hoofd naar links en naar rechts en keek naar beneden, naar het lichaam dat voor hem lag. De grote blauwe ogen waren strak op zijn gezicht gericht. Hij vond het erg vreemd dat hij op dit moment dacht aan een iets uit het verleden  toen hij nog een jongen van twaalf was en een dikke lerares na het spijbelen een preek hield waarbij ze steeds herhaalde: Kijk in mijn ogen, kijk me in de ogen als ik tegen je praat!
Op die ogenblikken haatte hij haar, en tegelijkertijd was hij bang van haar, zonder te weten waarom. Nu keek hij direct en zonder angst naar de ogen die onbeweeglijk naar hem staarden. Na een paar minuten bewoog zijn blik naar beneden en stopte op de borst van het lichaam. De grote rode vlek op het witte overhemd bracht hem ook weer terug naar zijn jeugd. Hij zag zichzelf aan tafel zitten, tijdens het middageten. Zijn vader zat aan het hoofd, tegenover hem zat moeder, zijn tweelingbroertje zat tegenover hem. Hij kon het niet nalaten om te denken dat hij en zijn tweelingbroer niet veel op elkaar leken, zowel uiterlijk als qua karakter niet.
Zijn broer, zoals Marco hem omschreef, was een rebel, hij accepteerde de regels niet die overal en altijd werden opgelegd. Hij leefde in zijn eigen wereld. Hij, Marco was niet tegen de regels, maar wist ze wel te breken. Hij had een kring vrienden om zich heen, vrienden die hem soms een beetje vreemd vonden.
Hij was niet opstandig, maar wel vaak alleen en vaak aan het piekeren. Tijdens het eten - hij wist zelf niet hoe het gebeurde - kantelde plotseling zijn lepel met tomatensoep en maakte een rode vlek op zijn nieuwe witte shirt. Zijn vader schreeuwde: Kijk uit sukkel, heb je helemaal geen gevoel!
Die benaming van 'sukkel' stond in zijn geheugen gegrift, als iets zeer beledigend en denigrerend. Zijn broer ging, zonder op te kijken, langzaam door met eten. Toen hij klaar was ging hij van tafel, nam zijn bord mee naar het aanrecht, schonk een glas water in en spoelde, zoals altijd, twee tot drie keer zijn mond. Toen dronk hij het water op en verliet in de stilte de kamer. Marco verbaasde zich over de houding van zijn ouders tegenover zijn broer. Zij spraken nooit met hem, zij keken zelfs niet naar hem, het was alsof hij niet bestond. Zijn broer gedroeg zich op dezelfde wijze tegenoverzijn ouders – hij wendde zich nooit tot hen, hij lachte alleen mysterieus naar Marco en soms gaf hij hem een knipoog. Na het eten verliet ook Marco de kamer en zei dat hij dat een schoon hemd ging aantrekken. De rode vlek op het witte overhemd, ontstaan uit  het piepkleine gaatje in het midden van de borst, spreidt zich langzaam uit. Marco herinnert zich dat mensen altijd zeiden dat het hart aan de linkerkant van de borstkas zat en vroeg zich af hoe dergelijk stomme gedachten juist op dit ogenblik naar boven konden komen. Weer richt hij zijn blik naar beneden, hij stopt bij zijn rechter handpalm. Die handpalm is rood, donkerrood en ziet er vies uit. Weer beelden uit zijn jeugd: de school, de gymleraar die na voltooiing van wat domme oefeningen zoals lopen en op de handen staan, de leerlingen hun handen laat wassen... Marco, die als een van de laatsten uit het toilet komt... De gymleraar, stinkend van zweet -  waar Marco altijd zo van walgde - die bij de toiletdeur staat en Marco bij zijn schouder pakt, hem grof aan de kant trekt en fluisterend vraagt: 'En jij Marco'tje-katertje, zijn je pootjes schoon?'
Die gymleraar maakte altijd zulke grapjes, hij dacht op die manier een beetje agressie bij de jongens op te wekken. Volgens hem waren jongens die geen agressiviteit in zich hadden, weekdieren en potentiële hommetjes. Het gevoel van haat, ongemak en belediging stroomde door het lichaam van de toen dertienjarige Marco. Hij voelde zich zwak, onbelangrijk en zinloos, met name door de woorden: Marco'tje, katertje en pootjes. Het gevoel van schaamte door het gedempte gegiechel van zijn klasgenoten en het geduw dat daarbij hoorde wekte zo veel haat bij hem op, dat hij in staat was ze allemaal te doden. Als de gymleraar zijn gedachten had kunnen lezen, hij zou zeker trots zijn op zijn actie. Plotseling begon Marco te trillen. Hij kroop ineen, sprong weer overeind en dacht: God, wat doe ik hier naast dit lichaam?

3.

Marco keek om zich heen en probeerde het antwoord in de kamer te vinden, of desnoods iets anders dat een rationele of een andere verklaring gaf voor de situatie waarin hij zich bevond. Hij liep heen en weer,
met kleine snelle stappen, heen en terug. Hij hief zijn armen in de lucht alsof hij zo antwoord kreeg op de vragen die door zijn hoofd maalden. Zijn gedachten vermengden zich en veranderden met de snelheid van het licht. Zo voelde Marco dat. Hij lachte er zelfs om en dacht: He, ik heb zelfs de tijd om na te denken
met welke snelheid mijn gedachten gaan en die gaan zelfs niet langzamer dan met de snelheid van het licht. Eh, Marco, daarom kan jij ze niet inhalen en ordenen. In de tweede versnelling en dan weer helemaal opnieuw. In een oogwenk herinnerde hij zich dat hij ergens voor vluchtte. Hij ging ergens naar toe, maar hij wist niet waar. Hij liet iemand achter... alleen... hij wist niet wie.
Hij liep naar het slaapkamerraam deed de gordijnen - die ooit wit waren geweest - open. Hij keek naar de bijna lege parkeerplaats van het hotel waarin hij zich bevond. Het leek alsof hij iemand op de parkeerplaats zag staan, iemand in een wit pak die in de richting van zijn raam keek. Hij zag ondanks de slechte verlichting ook zijn oude Ford Mustang op de stoep staan. Hij was erg trots op zijn auto die hij van het geld had gekocht dat hij dankzij het geluk gewonnen had. In feite had Marco het geld van een erfenis. Hij noemde dat geluk, zoals iemand die de lotto zou winnen dat zou noemen. Toch heb ik geluk, dacht hij. Hoeveel mensen krijgen zomaar geld om daarvan een auto te kunnen kopen? Dit is het leven Marco, geen loterij, geen geluksspelletje, zei hij tegen zichzelf. Hij bracht zijn gedachten weer naar het heden. Het hotel waarin hij zichzelf aantrof  lag in de buurt van de snelweg. Om de kamers op de begane grond en op de eerste etage te bereiken moest je buitenom lopen. De kamer van Marco was aan het eind van de etage waar zich in totaal zeven kamers bevonden. Om zijn kamer binnen te komen moest hij een ijzeren trap beklimmen en kamer 8 tot en met 14 passeren. Hij wist dat de kamer naast de zijne, kamer 13, gebruikt werd als opslag voor het beddengoed en de
schoonmaakspullen, dat had de vrouw van de receptie hem verteld toen ze hem de sleutel van zijn kamer gaf. Nummer 13 was niet beschikbaar voor gasten, er werd immers vaak gedacht dat dit nummer ongeluk bracht. Bij de receptie betaalde hij vooruit, dat was de regel van het hotel. De vrouw die achter de balie werkte
keek hem vrijwel niet aan en vroeg zelfs niet om een identificatie toen Marco haar de eerste de beste valse naam opgaf die in hem opkwam. Hij herinnerde zich dat hij van de receptie naar zijn Mustang liep om zijn jas uit de kofferbak te halen, want het was kil op deze herfstavond. Even later knielde hij naast het
lichaam dat hem rechtsreeks in de ogen keek en een wit overhemd met een rode vlek aanhad...........
Dit artikel delen?
Pin It

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief