Een fragment (een pagina, een afbeelding, een gedeelte van de tekst, etc.) geeft soms een aardig idee over de rest van een boek. Graag geven we de bezoekers van Schrijverspunt de kans om d.m.v. een boekfragment kennis te maken met het werk van de betreffende schrijver. Auteurs stellen het op prijs als je een reactie geeft. Door auteurs geschreven teksten worden niet gecorrigeerd of geredigeerd door de redactie van Schrijverspunt.
Zelf ook een boekfragment  uit jouw boek toevoegen? Dat is mogelijk en gratis, als je boek gepubliceerd is, door in te loggen en dan in je persoonlijk menu op EEN ARTIKEL TOEVOEGEN te klikken. Vergeet niet om behalve het fragment ook de titel, auteur, ISBN, prijs, etc. te vermelden.

Wij hadden touw van tien meter lang. ‘Wij hadden’ is wat te veel gezegd want wij hadden niks. Maar het buurmeisje Mia, had dat immense touw voor haar verjaardag gekregen. Dat werd meteen ‘in spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit’. Deze tekst werd lijzig en op de maat van het slingeren met het touw gezongen. Zeker dertig kinderen deden daaraan mee. Uit de erkers keken oorlogsweduwen triest naar de op straat spelende kinderen.
‘Blokkie om’ was hard hollen, dat hele grote huizenblok rond. Meestal stond ik halverwege voorover gebogen naar adem te snakken. De felle steken in mijn zij beletten mij om te winnen. Sommigen startten op hun gemak zodat zij hun energie spaarden voor de laatste honderd meter. Hoe kwamen zij aan die kennis en ik niet?
Wij deden ‘tikkertje’ en ´diefje met verlos´, speelden ‘verstoppertje’ en ook het ‘tollen’ was leuk als je er een had. Voor tollen had je een zweepje nodig. Wij gebruikten niet meer de tol waaromheen je een touwtje wond. Dat deden onze ouders in hun jeugd, net als ‘bikkelen’. Bikkelen was ook ouderwets. Tollen ging pas goed toen de gemeente de straten ging asfalteren. Nu konden wij de tol slaan zonder dat de bestrating dat verhinderde.
De bestrating bestond in Amsterdam nog geheel uit ‘kinderhoofdjes’ en klinkers, op een enkele hoofdweg na. Nagenoeg het hele Nederlandse wegennet was in die tijd met natuurstenen kubussen geplaveid.

Het fijnste was het ‘diaboloën’. Dit spel had ik van mijn vriendinnetje Liza te leen. (wat hadden wij niet te leen?) Hierin was ik een ware grootmeesteres. Iets dat niemand erg was opgevallen. Want meestal moesten de kinderen dan al naar binnen als ik eindelijk de kans kreeg het speelgoed te mogen lenen. Ik was er aan verslaafd en kon er maar niet mee stoppen. Ik beheerste dat spel zo goed, dat in aanmerking nemende dat de diabolo nog van hout was en niet, zoals later uit veiligheid van rubber, men mij gerust super kampioene had kunnen noemen. Maar zo als dat vaak gaat, werd ik ook deze keer niet opgemerkt.
Als de duisternis was ingetreden en de straatlantaarns al aan, zwiepte ik nog steeds de zware diabolo tot ver boven de daken, en ving deze weer feilloos op aan het inmiddels onzichtbare draadje dat tussen de twee stokjes was gespannen. Dat was meer op gevoel dan dat ik keek bij het opvangen. Als de diabolo niet van hout was geweest, had ik het blindelings kunnen doen. Het gooien en vangen ging in een enkele beweging. Nooit viel de diabolo op straat. Steeds kwam hij terug op dat ragdunne draadje, al gooide ik nog zo hoog. Op het laatst hoefde ik de diabolo niet eens meer ‘aan te draaien’. Het was een gooi omhoog, even wachten tot hij weer terugviel en dan weer omhoog. Op de bijna loodrecht gehouden draad, ving ik hem op. Zo kon ik hem vlugger vangen en in een moeite door weer naar boven knallen. Vallen, omhoog, vallen, omhoog. Draaien hoefde allang niet meer. Het ging vanzelf. Wij waren één geworden. Hoog, hoger, opvangen en weer omhoog jagen. Weg van de straat, weg van alles, omhoog en omhoog en en en ….
“MART, BINNENKOMEN.”

Dit artikel delen?
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Teksten en afbeeldingen van deze website mogen alleen met schriftelijke toestemming gebruikt worden. © Schrijverspunt 2019
https://www.lekkerboek.nl/sitemap