Ongeveer een miljoen Nederlanders koesteren schrijversambities.
Voor veel mensen vormt schrijven een uitlaatklep. Je levensverhaal aan het papier toevertrouwen kan helend werken. Een schrijfcoach zei me eens dat er manuscripten zijn, die je puur voor jezelf schrijft. Ze in boekvorm uitgeven heeft pas zin, als een ander er ook wat aan heeft. De vraag is dan, wanneer je dat punt bereikt hebt. Sommige schrijvers van – gedeeltelijk – autobiografisch werk laten er geen gras over groeien. Zodra de laatste punt gezet is, gaan ze onmiddellijk tot publicatie over. Het verhaal gaat dan ten onder in een storm van wrok, haat en verdriet. Juist omdat de emoties van de schrijver zo overduidelijk van het papier springen, krijgt een dergelijk boek vaak slechte recensies, met als gevolg dat de verkoop ervan tegenvalt.
Een tijd geleden woonde ik een lezing bij van een beroemd en alom gerespecteerd schrijver, die voor zijn boeken vaak put uit zijn persoonlijke verleden. Veel van wat hij tijdens die lezing opmerkte is me bijgebleven, maar er was een opmerking die me echt tot nadenken heeft gestemd. ‘Emoties,’ zei hij, ‘hebben de tijd nodig om te bezinken. Pas na jaren, wanneer je de gebeurtenissen uit het verleden van gepaste afstand kunt bekijken, kun je jouw verhaal vertellen.’
Hij heeft wel gelijk, want een teveel aan emoties vertroebelt het beeld. Wat er echt is gebeurd en hoe dat heeft kunnen plaatsvinden wordt niet uitgediept. Er is alleen aandacht voor de persoonlijke beleving van de auteur. Daar is op zich niets mis mee, maar het kan de gemiddelde lezer niet boeien. Als ik een boek lees waarin op iedere pagina gescholden, gehuild of getierd wordt, haak ik af.
Natuurlijk heb ik naar aanleiding van bovenstaande woorden nog eens kritisch naar mijn eigen werk gekeken. Het manuscript dat ik jaren geleden schreef, tijdens en direct na een groot persoonlijk drama, moet inderdaad herschreven worden. De woede en gekwetstheid van toen, klinken door in elke zin en maken het weliswaar een zeer persoonlijk, maar daarmee ook onleesbaar verhaal. Mijn manuscript hoeft niet meteen de prullenbak in. Ik gebruik het als basis voor hetzelfde verhaal, maar dan van een afstand verteld. Een prettig leesbaar verhaal, ontdaan van overbodige tranen en woede-uitbarstingen.
Ik realiseer me dat elke schrijver een individu is, met zijn eigen schrijfstijl en zijn eigen ideeën over wanneer de tijd rijp is voor publicatie. Toch denk ik dat geen kwaad kan, om nog eens kritisch naar je (autobiografische) manuscript te kijken. Misschien moet je het nog maar een poosje laten liggen. Zodra je er wat meer afstand van hebt kunnen nemen, zul je zien dat je in staat bent om de scherpe kantjes eraf te halen. Milder te kijken naar wat er is gebeurd. Pas dan ontstaat een verhaal, waar anderen wat aan kunnen hebben.
© Christien Romp / Schrijverspunt
Hele volksstammen schrijven dagboeken, receptenboeken, thrillers, biografieën en memoires. De schattingen lopen uiteen; sommigen beweren dat Nederland wel een klein miljoen aan potentiële auteurs telt. De meesten van deze mensen houden het bij een vaag voornemen, iets wat ze ooit nog eens gaan doen. Velen beginnen aan een boek, maar stoppen. Toch is er nog een behoorlijk grote groep die volhoudt en een compleet boek produceert. Soms blijven deze onbekende juweeltjes op een stoffige harde schijf staan, totdat de computer het begeeft. Of ze eindigen als stofvanger in een beduimeld schrift op zolder.


Positief commentaar op je hersenspinsels ontvangen vindt iedereen geweldig. Je schrijft immers ook om gelezen te worden en waardering te krijgen? Maar hoe zit het met negatieve kritiek krijgen? Kun je daar tegen?
Een van de mooiste boeken over autobiografie is Biografisch Leren En Werken van Gabriël Prinsenberg. Ook hij begeleidt groepen. In de eerste bijeenkomst heeft ook hij een oefening over de naam, en naast informatie over herkomst en betekenis van de naam vraagt hij: welke beelden komen er bij je op als je aan je naam denkt? Welke vormen en kleuren? Dan gaan ze aan de slag met een schildering.




