Een grote jongen
Mijn woonkamer is niet veranderd, alleen nu is de stilte voelbaar. Plastic dino’s liggen verspreid over de vloer. Wezenloos staren ze me aan met hun verstijfde grimassen, tussen onafgemaakte robots op een verlaten bouwplaats. Een knuffelhaai baadt in bergen Lego-steentjes en op tafel een beker met een restje melk. Opengeslagen wacht een kinderboek op zijn lezer. Het is alsof God op de pauzetoets heeft gedrukt. Een ‘wordt vervolgd’, over twee weken.
En dat is waar ik leef. Het wordt routine; de fantoompijn is er nog, maar ebt steeds meer en sneller weg. Er zijn avonden dat ik de muren om mijn ziel wegdenk en me blootstel. Vanavond mag het. Ik laat een van de dino’s zijn voorgeprogrammeerde prehistorische brul uitstoten en kijk glimlachend naar de nieuwe foto’s. Een vrolijk kereltje, dat zo overduidelijk blij is om bij me te zijn. En toch merk ik steeds meer dat onze weekenden samen ook bij hem het karakter van ‘uitstapje’ krijgen. Zijn kinderkamer is nog onveranderd, hij weet exact waar al zijn speelgoed ligt, maar ik zie aan hem dat zijn basis elders is. Bij zijn moeder, zijn nieuwe vader en zijn jonge zusje. Ik hang er bij. En ondanks de pijn voel ik dat dit goed is.
Ik kies er voor om zijn ravage een dag of twee te laten liggen. Een herinnering, een baken. Het maakt me bewust dat ik niet alleen ben, ook al voelt het nu wel zo. Meestal ruim ik het meteen op, maar vandaag mag de echo van onze gezelligheid even nagalmen. Ik hoor het en laat de beelden komen. Ze worden bekende verhalen; hij moet er altijd om schaterlachen. Die keer dat hij zo aan de diarree was, dat alles uit zijn luier over de vloer liep. En hij verspreidde het met zijn kleine handjes. Ik weet exact de plek waar het gebeurde. Ook die plek waar hij keihard tegen de rand van zijn bed viel, met een bult op zijn hoofd als een blauw pulserend ei. In zijn blootje op de badkamer, stomverbaasd plassend op zijn eigen voetjes.
Ik ruim zijn slaapkamer op. Nog steeds een babykamer, terwijl ik hem deze zomer een transformatie had beloofd. Stoere jongens willen een dinokamer en papa kan meer dan behoorlijk tekenen. En toch is het niet gebeurd. Ik weet waarom. Mijn behoefte om hem nog even klein te houden. Mijn angst om hem dan helemaal te ontwortelen. Maar ik voel dat hij geen behoefte heeft aan een anker in het verleden, om steeds sterker vervagende herinneringen te koesteren. Hij wil groeien, hij kan niet anders en zijn herinneringen groeien mee, tot een mooie toekomst. En mijn rol wordt duidelijk. Geen bewaker van wat was, maar een gids naar wat gaat komen. Een uitgestrekte hand in het hier en nu. Samen op reis.
Hij wist het al. “Papa, stel dat je in een ander land kan werken, ja, want ik ken jou!” klonk het ineens. En vijf minuten later: “Papa, ik vind je zo lief!” Zijn manier om te zeggen dat we beiden moeten veranderen? Dat het mag, zolang we maar weten wat echt belangrijk is? Wij samen. Maar dat hij ook een beetje bang is? De wijsheid van een bijna achtjarige brengt me van mijn stuk. Ja, er komt een tijd dat hij in het weekend liever gaat stappen. Brommers kiek’n, met Achterhoekse deernes. Het is mogelijk dat ik het karakter van ‘verplichting’ krijg. Zijn behoeftes gaan veranderen en ik moet mee, niet omdat het moet, maar omdat ik er voor kies. Ik volg een ander pad dan mijn eigen pa.
Nog even naar zijn babykamer, met camera. Herinneringen vastleggen. Maar dit weekend gaat de kwast erover. Jongetjes worden groot; echte vaders ook.





Hartelijke groet,
Jannie.