columns

Column

Wekelijks een nieuwe column. Ook zin om een keer, als gastcolumnist,  een column voor Schrijverspunt te schrijven? (alleen voor leden)

klikhierbuttonom ook een column in te zenden.
Afdrukken

Who wants to live forever?

Geschreven door Edwin Bruinooge. Gepost in Column

Gebruikerswaardering:  / 5
ZwakZeer goed 

columnsHij zingt het met zijn overbekende hese vibrato, zoals alleen hij dat kon. Een vraag, een hartekreet, begeleid door bombastische orkestklanken en de huilende gitaar van Brian May. Ik herinner me die dag, iets meer dan vijf jaar later, toen ik hoorde dat hij gestorven was aan de gevolgen van AIDS. Mijn hart stond toen even stil; nu voel ik het opnieuw. Ik probeer me voor te stellen dat deze song in zijn laatste seconden door zijn hoofd speelt. Weet hij het? Dat zijn lichaam er mee ophoudt, maar dat zijn beelden, zijn muziek nog jarenlang vele harten zullen blijven beroeren? Mijn generatie, jongeren en hopelijk ook generaties nadat ik mijn laatste adem heb uitgeblazen. Wat voelt hij? Spijt en verdriet dat hij moet gaan? Of ook opluchting, misschien trots, omdat hij iets nalaat dat nog lang na hem zal voortleven? Beelden, verstild in de tijd; zijn stem, voorgoed gevangen in plastic.

Een man met idealen. Idealen waarvoor hij zelfs bereid was te moorden. Zelfs diegene van wie hij hield, die hij als zijn vader beschouwde. Marcus Junius Brutus ziet vol afgrijzen hoe zijn legers onder de voet gelopen worden. Het geschreeuw van stervenden en gewonden, overal stof en de geur van bloed. Ik zie hem zijn ogen sluiten, in het besef dat alles hier eindigt. Dat alles waarvoor hij streed tevergeefs was en dat niemand hem zal herinneren om wie hij écht was, wat hij écht wilde. Nee, zijn naam is nu voorgoed gebonden aan die grotere naam, die met zijn laatste ademtocht fluisterde: “Ook Gij, Brutus?” Dat is voor eeuwig zijn nalatenschap; het is zijn fatale dolkstoot die voort zal leven.

Wat zal mijn nalatenschap zijn? Een naam op een met mos bedekte steen, een voetnoot in een archief, de blik van een verre nakomeling die over vierhonderd jaar zijn stamboom probeert te maken en glimlacht om mijn aparte achternaam. Zal er meer zijn? Als niemand meer aan je denkt, dan ben je echt voorgoed gestorven.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is, onsterfelijkheid. Vooral als ik de enige ben. Tijd van leven om me overal in te bekwamen. Schilderen, schrijven, bouwen, zoveel interesses, zoveel tijd. Maar voor wie doe ik het? Het is de keerzijde van onsterfelijkheid die aanvoelt als een vloek. Honderden, duizenden huwelijken. En onvermijdelijk, even zoveel begrafenissen. Ook van al mijn kinderen. Ik denk niet dat ik daarmee kan leven. Hoeveel verlies kan een mensenleven dragen en verwerken? Jeugdig enthousiasme, ik kan het zo oproepen, zelfs na enkele decennia. Maar ik zie me dat niet miljoenen jaren volhouden. Wel kan ik de ironie voelen van een dagje bergbeklimmen in de Alpen en dan te moeten merken dat ze inmiddels door de tand des tijds zijn afgesleten tot zacht glooiende heuvels. Mensen zijn niet gemaakt voor onsterfelijkheid. Wij streven naar zelfontplooiing, maar hebben altijd onze nalatenschap, de vraag hoe wij herinnerd willen worden, wat wij uiteindelijk bereikt willen hebben, in ons achterhoofd. Dat is wat ons uniek mens maakt, het besef dat wij eindig zijn.

En toch, ik ken één vrouw die écht onsterfelijk is. Henrietta Lacks stierf in 1951 aan baarmoederhalskanker. Maar haar kankercellen leven voort, tot vandaag de dag. In totaal meer dan 20.000 kg. Dankzij die cellen bestaat er nu een poliovaccin. Deze HeLa-cellijn, uniek en onsterfelijk, is van onschatbare waarde voor onderzoek aan kanker, AIDS en talloze andere toepassingen. Leeft zij voort in haar cellen? Die cellen die haar oorspronkelijke persoon hebben gedood, maar zoveel andere levens hebben gered en nog gaan redden? Is er nog iets van haar bewustzijn aanwezig? Ik stel me voor dat ze verdriet voelt om het leven dat ze niet mocht voltooien, maar ook berusting, ontzag en trots om elk mensenleven dat dankzij haar gered is. Gered, door haar moordenaars, in wie zij letterlijk en figuurlijk voortleeft.

 

Een artikel van Edwin Bruinooge © Schrijverspunt